Lyonne

Lyonne

zondag, 07 augustus 2022 09:49

Vrouwen met invloed: Maria van Magdala

overweging op zondag 7 augustus 2022              PKN Nieuwland ~ Westmaas

 

zomerserie: Vrouwen met invloed: Maria van Magdala

 

afbeelding:  De boetvaardige Maria Magdalena, José de Ribera (1591-1652)

 

We zien Maria Magdalena, geschilderd in 1640.

De schilder heeft haar neergezet in een grot. Volgens de overlevering heeft zij zich daar getrokken om boete te doen voor haar losbandige leven. Ze zou prostituee geweest zijn. Haar schoonheid en rijkdom zouden ertoe geleid hebben dat zij zich aan de zeven hoofdzonden heeft overgegeven en een verdorven leven leidde. Maar door een ontmoeting met Jezus verandert dat. In het openbaar knielt zij voor hem neer; door haar tranen worden zijn voeten nat en ze droogt ze met haar loshangende haar. Daarna zalft ze zijn voeten. Ze bekeert zich en laat haar wereldse leven achter zich.

Ribera noemde zijn schilderij de boetvaardige Maria Magdalena. Haar ogen zijn opwaarts, haar handen gevouwen voor haar borst. Iets van haar vorige leven zien we nog in de ontblote bovenkant maar de paars-rode kleur van haar mantel wijst op haar berouw. Haar blote voeten maken haar kwetsbaar en haar houding, licht afgewend, is nederig. Links onderin zien we de zalfpot.

Maria Magdalena als boeteling was een geliefd thema.

In de eerste plaats voor de kerk en de kerkelijk leiders.

Door de nadruk te leggen op het beeld van de bekeerde prostituee, die boetvaardig een zedig leven ging leiden, bestreed de kerk de seksualiteit van Maria Magdalena en indirect die van álle vrouwen. Zó dienden vrouwen te zijn. Maria Magdalena werd een rolmodel dat de vrouwonvriendelijke kerk diende. Ze is geframed als gevallen vrouw. Dat is kwalijk omdat het vrouwen in de hoek zette en ook omdat het niet zelden heeft geleid tot misbruik en geweld tegen vrouwen.

Ondanks dat was Maria Magdalena ook een geliefde figuur voor gelovigen. Zij zagen in haar de vergeving en genade; al ben je nog zo ver afgedwaald, je kunt altijd terugkomen bij God. Ook haar toewijding en geloof sprak mensen aan. Zij was immers degene die aan Jezus’ voeten ging zitten om te luisteren naar Jezus’ woorden. Zij bekommerde zich niet om de dagelijkse beslommeringen, zoals haar zus Martha. Velen trokken als pelgrims naar de kathedraal in Vezelay, gewijd aan haar.

 

Dit beeld van Maria Magdalena is met knippen en plakken in elkaar gezet. De boetvaardige zondares is van Lucas, hij noemt haar naam niet; dat zij een zuster is van Martha en Lazarus komt bij Johannes vandaan; dat zij prostituee zou zijn geweest heeft de kerk gelezen in het loshangende haar. Het gaat allemaal niet over haar maar het diende het doel van een door mannen geleide kerk. (Matteus 26, Marcus 14, Lucas 7:36v, Johannes 11:1-2 en Joh 12)

 

In 1969 wordt haar beeld door de Katholieke Kerk bijgesteld. Vanaf dat moment vermeldt de heiligenkalender uitsluitend over haar wat we ook in de Bijbel over haar vinden:

dat de naam Maria Magdalena slechts van toepassing is op degene aan wie Christus na de opstanding verscheen en geenszins op de zuster van Heilige Martha, noch op de zondares aan wie de Heer zonden vergaf.

 

uit de Bijbel: Marcus 15: 37-43 en 46-47, Marcus 16: 1-2

 

37 Nadat Jezus luid geroepen had, blies Hij de laatste adem uit.

38 En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën.

39 Toen de centurio, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.’

40 Van een afstand stonden ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome.

41 Zij waren Jezus gevolgd en hadden Hem gediend toen Hij in Galilea verbleef. Zo stonden er nog veel meer vrouwen, die met Hem waren meegereisd naar Jeruzalem.

42 Toen de avond al gevallen was (het was de ‘voorbereidingsdag’, dat wil zeggen de dag voor de sabbat),

43 kwam Josef van Arimatea, een vooraanstaand raadsheer, die zelf ook de komst van het koninkrijk van God verwachtte. Hij raapte al zijn moed bijeen en ging naar Pilatus, die hij om het lichaam van Jezus vroeg.

46 Josef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde Hem in het linnen. Daarna legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang.

47 Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, keken toe in welk graf Hij werd gelegd.

 

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om Hem te balsemen.

2 Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf.

 

lied: Tussen waken, tussen dromen, NL 631: 1 en 2

 

Ik kom dus uit Magdala. Zo sta ik ook bekend ‘Maria van Magdala’. Anders dan mijn vriendinnen. Zij worden genoemd met de naam van hun zoon, of de naam van hun man of hun vader. Maria van Klopas, of Maria de moeder van Jacobus en Joses. Maar ik ben een vrije vrouw. Niet getrouwd. Ongebruikelijk ja. Maar ik ben niet onbemiddeld. Ik kan bestaan zonder dat een man voor mij zorgt.

In Magdala, aan het meer van Galilea, leerde ik Jezus kennen. Toen Hij sprak in onze synagoge maakten zijn woorden maakten iets in mij los.

Het was al bijzonder dat Hij zich niet alleen tot de mannen richtte maar er duidelijk prijs op stelde dat ook vrouwen onder zijn gehoor waren. Hij sprak rechtstreeks met hen. Soms vertelde Hij een verhaal dat  juist vrouwen aansprak; over het huis vegen om een muntje terug te vinden, of over de weduwe die haar recht opeist bij de rechter. Hij zag ons staan. Beschouwde ons niet als minderwaardig of zelfs onrein. Want ja, volgens de Tora ben je dat als vrouw een keer in de maand. Maar Jezus deinsde niet voor ons terug. Hij liet zich aanraken. Alleen wat er uit je mond komt, maakt je onrein, zei Hij. Hij maakte geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. En Hij sprak ons niet aan als de moeder van, of de vrouw van. We waren allemaal moeders en zusters van hém, zei Hij. Omdat we God wilden dienen; omdat we hém als voorbeeld zagen en hem wilden volgen. Bij hém zijn was bevrijdend. We waren gelijkwaardig aan elkaar omdat het om ons hart ging. Om ons geloof.

In zijn omgang met ons liet Jezus zien hoe het koninkrijk van de hemel eruit zou zien: bevrijdend, heel. Een tijd en plaats waar mensen waardig leven mogen en elk haar naam in vrede draagt. Het raakte niet alleen mij. Ook andere vrouwen. We trokken met Jezus mee. Waar Hij ging, gingen wij ook. Zonder thuis. Dat ik geld had, kwam mooi van pas.

Nu ik mezelf zo voor jullie heb opengesteld durf ik jullie ook wel de vraag te stellen wat júllie zo raakt in Jezus? En wat zijn verkondiging van het koninkrijk van de hemel voor jullie betekent? Mezelf heb ik later ook wel afgevraagd of het roekeloos was om Jezus te willen volgen of dat het juist vertrouwen was, in hém, en in zijn dromen en verlangens voor de wereld.

 

Ineens stond ik bij zijn kruis. We waren met een heel groepje. Wie let er op een stelletje vrouwen op zo’n geladen moment. Jezus’ leerlingen, die twaalf die jullie kennen, waren al gevlucht toen Jezus was gevangen was genomen. Petrus was nog wel teruggekomen naar het huis van de hogepriester, maar toen hem op de man af werd gevraagd of hij ook bij Jezus was ontkende hij in alle toonaarden. Er was geen sprake van dat ik hem in de steek zou laten. Hij ging sterven, ik zou waken.

 

Zat jij ooit aan een sterfbed? Was je er ooit getuige van dat iemand in eenzaamheid streed? Dan ga je toch niet weg. Dan wil je troosten met je nabijheid. Ik wilde dat Jezus míj zou zien in zijn pijn. Ik wilde dat Hij zich zou herinneren hoe Hij met ons gesproken had zodat het geschimp en gespot hem niet zouden kwellen.

Hij moest míj zien in zijn eenzaamheid. God mocht hem dan verlaten hebben, ík niet.

Sterven zal altijd eenzaam zijn maar ik geloof dat God daar toch was. In mij.

Dat míjn trouw aan Jezus toch ook iets moest zeggen over Gods trouw aan hem.

Het was niet zo heel bijzonder wat ik deed: blijven. En toch heeft Marcus over mij geschreven omdat anderen niet durfden blijven. Niet konden blijven. Uit angst ook te worden opgepakt. Er moesten getuigen zijn van dat eenzame uur van Jezus. Getuigen van zijn begrafenis. Al was het maar om het kwaadaardige gerucht tegen te spreken dat de Romeinen hadden verspreid. Dat Jezus’ leerlingen het lichaam hadden gestolen. Daar was niets van waar. Hij kreeg een waardige begrafenis.

 

 Ik besefte dat ik van veel méér getuige was dan alleen van een begrafenis.

Van een afstand zag ik met hoeveel liefde en eerbied Josef van Arimatea Jezus’ lichaam behandelde. Jezus was wel gestorven maar de compassie die Hij ons altijd had voorgehouden was meer dan levend in het handelen van Josef. Zó wil ik erover vertellen. Dat Jezus’ verkondiging voortleeft in ons. Dat zijn droom van dat koninkrijk niet met hem gestorven is. Maar nog altijd onder ons leeft en wáar kan worden, al is het soms even.

 

Na de sabbat gingen we met z’n drieën terug naar het graf. De verhalen daarover lopen uiteen. Volgens Matteus was ik met nog één andere vrouw, volgens Lucas met een heel groepje en volgens Johannes was ik alleen. Het geeft niet. Ik word steeds genoemd. Stel je voor, een vrouw als getuige van het lege graf. Een vrouw die het grote nieuws mag gaan vertellen aan anderen. Ik mocht de mensen troosten die om Jezus’ treurden en rouwden. Mijn woord was niets waard voor de Romeinen. En mijn woord was niets waard voor de leiders van de synagoge. Het woord van een vrouw….  Later is er veel discussie geweest. Misschien nu nog wel. Of het echt waar was dat Jezus was opgestaan. Dan denk ik, als je besluit om te vertellen dat een vrouw er getuige van is geweest, een vrouw die je niet op haar woord hoeft te geloven, dan móet het wel waar zijn. Het is jouw geloof waardig. Je mag vertrouwen dat Jezus leeft.

Daarom zeg ik allen dat Hij leeft, dat Hij is opgestaan, dat met zijn Geest Hij ons omgeeft waar wij ook staan of gaan. (NL 642, lied na de preek)

 

Na Marcus hebben nog veel meer mensen verhalen over mij geschreven. Maar eigenlijk is er maar één ding dat je van me weten moet. En één ding waarin ik voorbeeldig wil zijn. Ik ben apostel geworden. Getuige van een levende Heer. In een hopeloze wereld vertel ik van hoop; in een wereld die wordt geregeerd door haat en mannenmacht, vertel ik over de zachte krachten van liefde en trouw; tegen machteloosheid in vertel ik over goede daden, goede woorden, die als zaad in de akker vallen en zullen groeien; waar wordt getreurd breng ik troost en waar dood is vertel ik over het leven.

Ik ben Maria van Magdala.

 

meditatief orgelspel, gevolgd door Ik zeg het allen dat Hij leeft, NL 642: 1, 2, 6 en 7

maandag, 01 augustus 2022 07:25

Vrouwen met invloed: Mirjam

overweging op zondag 31 juli 2022                       PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

zomerserie: Vrouwen met invloed

 

uit de Bijbel: Numeri 12 en Jacobus 3: 1-6

 

bosbrand

Een probleemgeval, dat is het. Scherp als een scheermes, gespleten of van fluweel. Soms kun je hem wel afbijten. Je tong.

Zoals een klein bit een paard in toom houdt, een klein roer een schip op koers houdt -zelfs als het stormt- zo is de tong het stuur van ons lichaam. Koersbepalend. Klein maar o zo belangrijk. We kunnen er de waarheid mee spreken. We kunnen ermee zingen, bidden, troosten. De tong is een prachtig instrument om ons geloof mee uit te drukken; om het stem te geven. Met de woorden van onze mond en de overleggingen van ons hart dienen we God. (Ps 19:15)

Maar wees je er ook van bewust wat je kunt aanrichten met diezelfde tong. Voor je het weet heb je een bosbrand ontketent. Iets waarop je bijna geen grip meer hebt en dat veel schade aanricht. Een onrechtvaardig woord, een veroordeling, onwaarheid, het kan allemaal woekeren als een virus en iemands leven verzieken. Onze woorden wegen zwaar. Zette God op sommige momenten maar een wachter voor onze mond, een slot op de deur van onze lippen. (Ps 141:3)

Want kwaadsprekerij is een snelle zonde. Het flapt er zomaar uit. Het vraagt dan ook oefening en zelfbeheersing om goed om te gaan met dat prachtige instrument dat tegelijkertijd zo’n venijnig wapen is.

 

onvrijheid

De rabbijnse uitleg van de Tora hecht veel waarde aan de manier waarop mensen met elkaar communiceren. In het groter geheel van de samenleving, in gemeenschappen, in gezinnen. Want, zo stellen de wijzen, onze vrijheid hangt af van beleefdheid, van mensen die hoffelijk over en met elkaar spreken. Vrije mensen houden het gesprek open en zijn het -als dat nodig is- op een respectvolle manier met elkaar oneens. Je kunt ook in líefde elkaar terecht wijzen en dan samen verder gaan.

Maar een gemeenschap waar veel wordt geroddeld is onveilig. Onderlinge solidariteit en vertrouwen krijgen het zwaar als er slecht wordt gecommuniceerd. Als er alleen kritiek of cynisme is zet dat de loyaliteit aan elkaar op het spel. Harde woorden veroorzaken wantrouwen en vijandschap, polarisatie. Een kwade tong leidt tot onfatsoen, onvrijheid. En precies als bij een bosbrand roept het ene woord het andere op en raken we verstrikt in discussies; verwijderd van elkaar. Dat kan gaan over de politiek, maar ook over de kerk, ons gezin, de werkvloer. Slecht communiceren doet iets met de gemeenschap, met het zinnig verband waartoe wij behoren. Kritiek die niet opbouwend is kan de groei van een gemeenschap belemmeren, voor tweespalt zorgen. Het is dan ook niet alleen Mirjam die de gevolgen draagt van haar kwaadsprekerij. Het heeft zijn weerslag op het hele volk; dat moet zeven dagen op haar wachten voordat het verder kan trekken. Eerst moet het brandje dat zij aanstak zijn geblust.

 

Mirjam

Want Mirjam kon het niet laten. Tegen Aaron spreekt zij kwaad over hun broer Mozes. Ze heeft wat tegen zijn vrouw, een Ethiopische, niet iemand van zijn eigen volk. Ze heeft wat tegen zijn leiderschap en het feit dat de Eeuwige alleen met hém spreekt, en niet met háár, of met Aaron. De Heer hoorde dit. En Mozes ook. Mozes was een zeer bescheiden man. Zachtmoedig, staat er in de oude vertaling (NBG ’51 en SV). Wat Mozes kon zou ik ook willen kunnen. Zwijgen. Hij gaat er wijselijk niet op in.

Hij laat de kritiek waar die thuis hoort, bij de mond waaruit die gekomen is. Want het zegt vooral iets over háár en niet iets over hem. Het zwijgen van Mozes doet me denken aan wat Jezus leert in de Bergrede. Over het toekeren van de andere wang. Het meelopen van een extra mijl. Laat je niet meeslepen in kwalijk gedrag maar doe iets onverwachts, iets zachts, iets moedigs. (Mat 5:39v)

 

Het zou ons als gemeente, als christenen, passen om even bedachtzaam te zijn als hij. Mild. Zonder oordeel. Wat zou het helend zijn als we hier tijd zouden maken voor verstilling en ruimte voor verdieping en kritische doordenking. Het is juist in het vertragen dat we ontdekken wat nodig is om te doen, of – eventueel- te zeggen. Mozes kan dat.

 

boos

Maar de Heer laat het niet over zijn kant gaan. Hij is woedend en gebiedt Mozes, Aaron en Mirjam om bij de ontmoetingstent te komen. Als kinderen op het matje geroepen bij de Vader.

Luister goed, zegt de Eeuwige. Er zijn profeten in soorten en maten. Maar Mozes is een geval apart. Een vertrouweling, een vriend. Iemand op wie God kan vertrouwen en met wie Hij rechtstreeks kan spreken. Hoe durven Mirjam en Aaron daar aanmerkingen over te maken. Het is niet alleen respectloos naar hun broer maar indirect ook naar God zelf. Alsof er iets aan zijn beoordelingsvermogen scheelt. En boos gaat God weg. Hij wil ze voorlopig even niet meer zien.  Ze zoeken het maar uit. ‘God af. Weg wolk’. (Nico ter Linden. Het Verhaal gaat, 1)

 

en nu?

‘Nauwelijks had de wolk de tent verlaten of Mirjam zat onder de uitslag, haar huid was wit als sneeuw.’ Melaats. Nu wordt zichtbaar hoe ziekmakend haar kwaadsprekerij was; en hoe. Maar door het vertrek van God is er impasse ontstaan. Wat nu? Hoe gaan we verder met elkaar? Kunnen we nog verder? Kan wat dreigde kapot te gaan nog worden gerepareerd?

Even terzijde… je zou je af kunnen vragen waarom alleen Mirjam wordt gestraft. En niet Aaron. Kwaadsprekerij schaadt altijd drie mensen. Degene over wie kwaad gesproken wordt, degene die kwaad spreekt en degene die luistert. En dat was Aaron. Mogelijk wordt hij niet gestraft omdat onreinheid voor een priester langer duurt en dat zou onevenredig zwaar zijn in dit geval. Maar dat is speculatie. Het blijft een vraag.

Aaron neemt het wel meteen op voor zijn zus. Zijn spijt is meteen al wakker geworden. We hebben ons belachelijk gedragen, het was dwaasheid. Reken het ons niet aan.

Laat Mirjam niet als een levende dode zijn. Want dat zal ze zijn, een mens buiten de grenzen van de gemeenschap, een onreine. Mozes is aan zet.

Het ligt in de lijn van de verwachting dat hij het Mirjam niet moeilijk zal maken. Zachtmoedig als hij is zal hij haar de zonde niet blijven nadragen. Na overleg met God wordt beslist dat zij zeven dagen buiten het kamp gehouden moet worden. Noem het quarantaine, of een afkoelperiode.

 

geduld

Terwijl Mirjam in afzondering haar zonde overdenkt, wacht de gemeenschap op haar. Ze hebben geduld met haar. Zonder haar is het volk niet compleet. Uiteindelijk zijn er ook andere dingen over haar te zeggen en die haar typeren als mens. Zij was het toch ook die ervoor zorgde dat haar broertje, dat te vondeling was gelegd in een rieten mandje, door de dochter van de farao werd opgevoed. En zij was het ook die, toen het volk wegtrok uit Egypte en veilig door de zee was getrokken, haar tamboerijn inpakte en zingend en dansend de vrouwen voorging in een lied van bevrijding. (Exodus 15:20v) Door die ene misse-daad is zij niet afgeschreven.

Juist door het geduldige wachten, door de bereidheid om haar weer op te nemen in de gemeenschap, kan het volk verder trekken. Je komt uiteindelijk geen stap verder als je elkaar kwade daden blijft nadragen. Het houdt alleen maar op, het belemmert een groep mensen, als er niet ook sprake is van genezing, vergeving. En soms moet je er wat voor over hebben om mensen binnen boord te houden. Mirjam zal altijd een waarschuwing zijn voor het volk om geen kwaad te spreken (Deut 24:9) maar zij zal ook herinnerd worden vanwege haar kwaliteiten als profetes en voorganger van het volk. (Micha 6:4)

 

de tong in toom

Wie heeft nog nooit gezondigd met zijn tong? (Jezus Sirach 19:5vv) Houd dus je tong in toom. Deze woorden vond ik in het deutero-kanonieke boek Jezus Sirach. Vertel een gerucht nooit verder. Je zult er niet van barsten als je het niet vertelt. En als je iets hoort over een vriend, doe navraag. Hij heeft het misschien niet gedaan. En als hij het wel heeft gedaan, zorg ervoor dat hij niet opnieuw doet. Doe navraag. Zij heeft het misschien niet gezegd. En als zij het wel heeft gezegd, zorg ervoor dat zij het niet opnieuw zegt. Houd je tong in toom. Zo houd je je aan de wet van de Allerhoogste.

maandag, 25 juli 2022 07:02

Vrouwen met invloed: Agaath

overweging op zondag 24 juli 2022           PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

zomerserie Vrouwen met invloed: Agaath

 

uit de Bijbel: Marcus 12: 38-44

gezongen: Heel ons leven, een gave van God, NL 876 en Mijn God mijn herder, NL 23c

 

alles geven

Wat kreeg je van je Schepper toen?

Je leven.

Wat mag je met dat leven doen?

’t Hem geven.

De juffrouw van handwerken schreef het in mijn poëzie-album toen ik 9 jaar was. Grote woorden voor een klein meisje. Een wijze levensles maar met welke impact? En ook heel abstract. Want, hoe doe je dat, je leven aan je Schepper geven?

 

de arme weduwe

Misschien kennen jullie het verhaal van vandaag ook wel als ‘het penninkske van de weduwe’. Dat was het opschrift in de Bijbelvertaling van 1951. Met verkleinwoordjes maken we dit verhaal heel makkelijk sentimenteel. Romantisch: kijk eens hoe dat arme vrouwtje tóch een centje in de offerkist gooit. Als ik er een plaatje bij zou moeten tekenen, dan zou ze oud zijn, een tikje gebogen en een beetje schuw naar de offerkist lopen. Met een houding van ‘let alsjeblieft niet op mij’. Haar muntjes, ter waarde van twee keer niks, laat ze met een steels gebaar in de offerkist vallen, geïmponeerd door de aanwezigheid van de anderen. Tijdens de koffie op donderdagmorgen hadden we het er even over. Méér mensen dachten dat ze er zo uit zo kunnen zien. Maar ik denk niet dat we haar op die manier recht doen.

 

In de eerste plaats was zíj het die bij mij de herinnering opriep aan het versje in mijn poëzie-album. Zij geeft haar leven.

Kijk daar eens naar, zegt Jezus. De mensen die veel geven, geven eigenlijk maar weinig. En deze arme weduwe geeft heel veel, want het is alles dat ze heeft. Het is haar hele levensonderhoud. Alles wat ze nog heeft om in leven te blijven. Haar hele hebben en houwen. Verder zegt Hij niets. Hij verbindt er geen conclusie aan en ook geen wijze les.

Er is ruimte om zelf kritisch na te denken. Gaat het hier inderdaad over háár armoede, of over die van ons?

Het feit dat zij álles geeft is iets om over na te denken. Wat is álles? Dat is hart en ziel, heel je verstand, al je kracht. Niet anders dan met je hele hebben en houwen dien je God en je medemens. Dát moet het toch betekenen; het leven dat je van je Schepper hebt gekregen, draag je aan Hem op, als een loflied. Als een antwoord op zijn Woord, als gehoorzaamheid aan zijn beroep op jou.

 

Met haar gift in de offerkist getuigt de vrouw van vertrouwen. Zij geeft haar levensonderhoud, haar leven. Het verhaal gaat dan niet meer over collectes en barmhartigheid, maar over overgave aan God. Het is niet zonder betekenis dat Marcus dit gebeuren aan het eind van het evangelie plaatst. Nog maar even en dan zal Jezus worden uitgeleverd en gedood. Als er één zijn leven heeft gegeven, dan is Hij het toch. De vrouw, die we Agaath hebben genoemd – dat betekent goedheid- werpt haar schaduw naar voren. Zoals zij alles geeft, roekeloos bijna, zo heeft Jezus in zijn leven en in zijn sterven alles gegeven. Zonder iets achter te houden. Zonder zich zorgen te maken of er dan nog genoeg over is voor morgen, of overmorgen.

 

De vraag die aan mij gesteld wordt, via Agaath, is of ik dat ook durf. Mezelf zo volledig geven. Tot zoiets kun je alleen in staat zijn als je in de loop van je leven een sterk vertrouwen hebt opgebouwd op een God die ons leven draagt; de God van Psalm 23 bij wie ik niets tekort kom, die mij geeft wat ik nodig heb; die mij kracht en moed geeft en aan mijn zijde gaat in moeilijke tijden.

 

De handwerkjuffrouw die in mijn poëzie-album schreef heeft mij dat beslist toegewenst. Achteraf denk ik dat zij dat vertrouwen heeft gehád en het op deze manier heeft willen doorgeven. Ga eens na bij jezelf of jij dat vertrouwen hebt. En wie of wat jou heeft gesterkt in dat vertrouwen. Is het de draagkracht van de liefde of de vriendschap die maakt dat jij hebt leren vertrouwen op God. Is het het wonder van de kracht in jezélf, of de gevoelde nabijheid van God zelf. Heb jij leren vertrouwen door schade en schande of juist omdat jij tot nu gespaard bent gebleven van groot verdriet. Vertrouw jij omdat je inziet hoe prachtig de schepping is en hoe wonderlijk mooi het is dat de Schepper jou in dat grote geheel een plaats heeft gegeven, ja, jou daar zelfs ziet staan.

 

En al schrijven we niet meer in poëzie-albums, vraag jezelf ook af aan wie jij zou willen doorgeven dat God een betrouwbare God is. Met wie wil jij jouw ervaring van Godsvertrouwen delen. Want de mensen die het missen, of het niet kunnen opdiepen uit zichzelf, hebben het nodig om het van jou te horen. Onze kinderen en kleinkinderen moeten het van ons horen.   

 

kritiek

Die Agaath, een stilzwijgend voorbeeld van hoe het moet. Een gelijkenis van wat Jezus doet. Maar ik wil nog iets anders over haar vertellen. En daarvoor stel ik me haar op een andere manier voor. Minder passief, geen voorbeeld of gelijkenis, maar een uitdagend protest. Misschien is ze wel helemaal niet oud en gebogen. Misschien heeft ze wel kinderen. Trots loopt ze naar de offerkist. Met een houding van ‘kijk maar eens goed’. Met een zichtbaar gebaar haalt ze haar twee muntjes tevoorschijn en laat ze in de offerkist kletteren. Rustig kijkt ze om zich heen of iedereen het gezien heeft. Haar hele houding een provocatie.  

 

Een protest tegen de mensen die haar hadden moeten beschermen. In haar schamele gift uit zij kritiek tegen de schriftgeleerden die het geld uit de offerkist in de tempel zouden moeten verdelen onder de weduwen zoals zij, de wezen, de vreemdelingen. In plaats daarvan hebben ze dure gewaden gekocht en paraderen ze rond op het marktplein. Ze willen eerbiedig worden gegroet. Ze laten zich fêteren op ereplaatsen in de synagoge of op een feest.

Ze bidden lang en duidelijk hoorbaar en zichtbaar (denk maar aan de gelijkenis die Jezus vertelt over het gebed van de Schriftgeleerde en de tollenaar, Lucas 18:9vv) en ze eten de huizen van de weduwen op. Háár geld. Schijn-heiligen zijn het.

 

Daar staat ze. Alsof ze zeggen wil: jullie hebben mij alles afgenomen, neem dit dan ook nog maar. Ze is al zoveel kwijt, maar haar waardigheid, haar trots, die laat ze zich niet afnemen. Vanuit haar rol als slachtoffer wijst zij publiekelijk de zwakke plekken aan, de rotte plekken. Met de moed der wanhoop. We horen niet hoe het met haar afloopt. Of haar recht gedaan wordt, of dat ze juist omkomt van de honger. Maar ze heeft gedaan wat ze kon. Ze heeft bloot gelegd hoe het godsdienstige systeem dat haar moest beschermen ontspoord is. De droom van de tempel waar plaats is voor de mus en de zwaluw met haar jongen wordt door haar genadeloos doorgeprikt. Het kan dan ook geen toeval zijn dat Jezus meteen na dit voorval zegt dat van de tempel geen steen op de andere zal blijven staan. Het is het faillissement van de godsdienst.

 

Kortjakje

Dat is niet iets van Jezus’ tijd alleen. We kunnen ons er iets bij voorstellen hoe godsdienst ont-aard, onmenselijk wordt. Het kan het beste in mensen naar boven halen. En dat doet het ook. Denk alleen al aan het enorme maatschappelijke kapitaal van al die gelovige mensen die binnen of buiten de kerk vrijwilligerswerk doen, voor elkaar instaan.

Maar het kan ook het slechtste in mensen naar boven halen. Eerzucht, hebzucht, dogmatische regelzucht.

Jezus stelt meerdere malen aan de orde dat de religieuze leiders wel heel erg bezig waren met het zuiver houden van de leer. Als het gaat over de sabbat, wat er wel of niet geoorloofd is. Of als het gaat over wie er wel of niet welkom zijn aan tafel, of in de tempel. Alles voor de vorm. En dat is niet iets dat alleen toen een valkuil was. Denk maar aan Kortjakje. Altijd ziek. Middenin de week maar zondags niet. Dan zit ze in de kerk, met haar boek vol zilverwerk.

 

Ontmaskert dit verhaal ons soms in onze drukdoenerij om de buitenkant, de organisatie, het gebouw of ‘hoe wij denken dat het hoort’? Het zou een vraag moeten zijn op elke vergadering in onze kerk: Zíen we de mensen nog, hóren we hen in wat zij van ons nodig hebben. Hebben we ons druk gemaakt over de goede dingen? Of hebben we ons zo laten meezuigen in de waan van allerlei andere dingen dat we mensen zijn vergeten?

 

Zijn wij als kerk, of als persoon, ook wel eens als Agaath? Zichtbaar in onze kritiek, hoorbaar in ons protest, als wij opkomen voor wie geen helper heeft, voor hen die buiten de boot vallen?

Jezus en de arme weduwe leggen hun vinger op de zere plek. Pas op voor godsdienst die níet goed is. Maar wanneer is het dan wél goed?

 

Als ons geloof heelt, in plaats van kapot maakt; als het tot nadenken stemt in plaats van dat zelf nadenken niet mag; als het ruimte biedt in plaats van buitensluit. Als het goede in ons omhoog wordt gewoeld en niet onze kwalijke kant. Als de wereld om ons heen er beter van wordt en de samenleving ons niet kan missen. Of juist als de maatschappij de kerk liever kwijt dan rijk is omdat zij de noodzakelijke luis in de pels is.

Als wij blij van worden omdat we bij een kerk horen. Dán is het goed. Als we víeren. Als we ons geloof zó aan het volgende geslacht kunnen overdragen, dat ook zij ruimte voelen om hun stempel erop te drukken. Wanneer is het goed? Als zij begrijpen dat zij in vrijheid antwoord mogen geven op het beroep dat God op mensen doet. Dát heeft de juffrouw van handwerken willen meegeven.

maandag, 18 juli 2022 06:03

Vrouwen met invloed: Febe

zomerserie: Vrouwen met invloed

 

overweging op zondag 17 juli 2022 in De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Romeinen 16:1-16

 

tekst: Als de zon, Marianne Williamson

 

Onze diepste angst,

is niet dat we onmachtig zouden zijn.

Onze diepste angst betreft juist

onze niet te meten kracht.

Niet de duisternis, maar het licht in ons

is wat we het meeste vrezen.

 

We vragen onszelf af:

Wie ben ik wel om mezelf briljant, schitterend,

begaafd, geweldig te achten.

Maar waarom zou je dat niet zijn?

Je bent een kind van God.

Je dient de wereld niet

door jezelf klein te houden.

Er wordt geen licht verspreid,

als de mensen om je heen,

hun zekerheid ontlenen aan jouw kleinheid.

 

We zijn bestemd om te stralen,

zoals kinderen dat doen.

We zijn geboren om de glorie Gods

die in ons is

te openbaren.

Die glorie is niet slechts in enkelen,

maar in ieder mens aanwezig.

En als wij ons licht laten schijnen,

schept dat voor de ander

de mogelijkheid hetzelfde te doen.

 

Als wij van onze diepste angst bevrijd zijn,

zal alleen al onze nabijheid

anderen bevrijden.

 

ertoe doen

Ertoe doen. Van betekenis zijn, en daarin ook worden gezien en gewaardeerd. Ik denk dat dat voor veel mensen -voor alle mensen?- een diepgeworteld verlangen is. Natuurlijk heb je plezier in je werk, je taak als vrijwilliger, maar we groeien als het wordt gezien, benoemd. Vanzelfsprekend is onze rol als vader, moeder, mantelzorger, maar wat fijn als af en toe wordt uitgesproken dat we worden gewaardeerd. Bescheiden als we zijn wimpelen we lof natuurlijk ook af. Maar ertoe doen is als water voor de bloemen.

 

Daarom vind ik het zo mooi dat Paulus aan het eind van zijn brief aan de gemeente in Rome de moeite neemt om mensen bij naam te noemen. Probeer het eens voor je te zien: de gemeente in Rome is bij elkaar gekomen om te luisteren naar de brief die Paulus hen heeft gestuurd. Het is een hele zit; er staan mooie en moeilijke dingen in de brief. Af en toe lijkt het wel een preek. Misschien zijn er wel mensen ingedut. Maar aan het eind heeft de voorlezer de aandacht. Want hij noemt namen van gemeenteleden, hún namen. En bij veel van die namen hoort een verhaal waarom zij ertoe doen. Omdat zij hun leven op het spel hebben gezet voor Paulus, zoals Prisca en Aquila; omdat ze zoveel moeite doen voor de gemeente, zoals Persis en Maria; omdat ze gevangen hebben gezeten omwille van hun geloof; omdat ze beproevingen hebben doorstaan, zoals Apelles. Het is niet ongezien gebleven en het blijft niet onbenoemd.

 

De opbouw van de gemeente van Christus is een gezamenlijke inspanning en ook dát maakt Paulus’ brief duidelijk. Hij noemt namen van mannen én vrouwen. Broeders én zusters. Zij doen niet voor elkaar onder in hun inzet, of in wat zij moeten lijden. Hij benoemt in het oog springende zaken zoals het apostel zijn van Andronikus en Junia, of het openstellen van een huis om de gemeente te ontvangen. Maar ook de mensen die meewerken of over elkaar moederen.

 

Af en toe moeten we elkaar er weer op wijzen hoe belangrijk het is dat we zíen, benóemen, wat er allemaal voor goede en mooie dingen gebeuren in onze gemeente. Niet alleen voor de schermen maar ook zoveel erachter. Gedurende een of meerdere termijnen maar ook jaren- en jarenlang. Want zo trouw zijn mensen aan hun taak. Het loopt gesmeerd maar soms zijn we ons daarvan pas bewust als er een hapering ontstaat. Het loopt op rolletjes maar soms zien we dat pas als iemand uitvalt en het dus níet meer vanzelfsprekend is dat… kopjes klaarstaan, de tuin er netjes uitziet, de weekbrief klaar ligt of een vergadering wordt voorgezeten.

Laten we uitspreken dat we elkaar zien en laten we benoemen wat we in elkaar waarderen. En laten we ons er vooral van bewust zijn dat de gemeente altijd zo sterk is als de som van de delen.

 

Wie?

Een van de mensen die Paulus noemt omdat ze ertoe doet is Febe. Wij kennen haar naam niet en dat is geheel ten onrechte. Febe is degene die die brief heeft bezorgd. Een verantwoordelijke taak en ze heeft er een hele reis voor moeten maken. Misschien is er tijdens het voorlezen wel af en toe omgekeken naar haar.                                             Met de vraag of zij iets wilde verduidelijken. Als boodschapper wist zij misschien wel beter wat de boodschap kon betekenen…

Hoewel Febe de enige is die een officiële aanbeveling van Paulus krijgt, is er maar weinig erkenning voor haar betekenis voor de vroegste verspreiding van het evangelie.

Zij ontvangt van Paulus drie belangrijke titels ‘zuster’, ‘diaken’ en ‘beschermheer’, maar de vertalers en uitleggers hebben door de eeuwen heen de grote waardering die daaruit spreekt onderschat. Wij horen slechts één van die krachtige beschrijvingen terug in wat wij hebben gehoord vandaag en dat is ‘zuster’. ‘Diaken’ (in het Grieks heel herkenbaar ‘diakonos’) is geworden ‘zij die in dienst staat van de gemeente’. Een goedwillende vrijwilliger. Een ‘dienares’ volgens oude vertalingen.

Het is goed om te weten dat een diaken in die tijd nog niet de taken had zoals wij kennen. Paulus refereert aan zichzelf als een diaken; hij noemt Timoteus en andere medewerkers diaken. Aan een diaken is de bediening van het Woord toevertrouwd en de leiding over de gemeente. Zoals ik ‘dienaar van het Woord’ ben. Zoals in lied 210 en 1005 dat we net zongen, waar alle gemeenteleden ‘dienaars’ worden genoemd. Het is een woord waarin mannen en vrouwen zijn inbegrepen. Zou Paulus dan alleen bij Febe bedoelen dat zij als diacones iets doet met zieken of ouderen? Hij zet haar juist in het licht en laat haar schitteren.

 

Ook de titel ‘weldoener’ horen we niet terug. In het Grieks is het ‘prostatis’, dat beschermheer, sponsor of weldoener kan betekenen, maar ook voorzitter of bestuurder. Het duidt op iemand met contacten en connecties. Iemand die de gemeente van Christus niet alleen financieel kan ondersteunen maar ook iets kan betekenen om hen uit de wind te houden en te beschermen. Het is geen gekke gedachte dat Febe zo’n positie bekleedde. Er waren vrouwen die hun huis openstelden voor de samenkomsten van de gemeente. Vrouwelijke sponsoren. Een belangrijk principe voor de vroegste kerk was namelijk de gelijkheid, de eenheid. - Galaten 3: 28  Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus. -

Die gelijkwaardigheid en eenheid kwamen in de latere kerk onder druk te staan. Er is over deze bewoordingen voor Febe wat af gediscussieerd door voor- en tegenstanders van vrouwen in het ambt. Daarom vind ik het persoonlijk teleurstellend dat de moderne vertaling van 2004 ons niet laat horen dat Febe een leider en sponsor was, maar dat die krachtige beschrijving verdund is naar ‘die velen steunt en bescherming heeft geboden’. Teleurstellend omdat Paulus afhankelijk moet zijn geweest van haar geld, gastvrijheid en sociale invloed. Net als veel andere gemeenten. We moeten zelfs stellen dat zonder de invloed en hulp van vrouwen als Febe de christelijke beweging misschien al vroeg zou zijn gestand. Maar ook teleurstellend omdat in een goede vertaling vrouwen en meisjes, iedereen, de credits krijgen die ze verdienen; of de aanmoediging krijgen om een leidende rol op zich te nemen. Want vanzelfsprekend is het in veel gevallen nog altijd niet.

 

Je bent bestemd om te stralen

Febe. Haar naam betekent zoiets als ‘helderheid’ of ‘licht’. Ze doet wat haar naam zegt: ze straalt. Ze laat haar licht schijnen voor de mensen zodat zij God leren kennen. (Matteus 5:16) Ze verbergt haar licht niet onder een korenmaat of emmer.

Zij is dan misschien weggemoffeld door mannen die de geschiedenis hebben vertaald en doorgegeven maar zij heeft zichzelf beslist níet laten wegmoffelen.

En jij? Hoe zichtbaar ben jij?

Het is geen geheim dat er in de kerkelijke gemeente altijd mensen nodig zijn. Ook bij ons. Voor de kerkenraad zoeken we een ouderling. Een notulist. Er zijn geweldige andere plekken, binnen en buiten de kerk, waar gewacht wordt op jouw talent en tijd, op jouw invloed en leiderschap. Denk niet te min over jezelf. Christus schijnt ook door jou; heeft ook jou gemaakt tot een dienaar, iemand die van invloed kan zijn, opbouwend.

Denk ook niet te min over de gemeente van Christus. Jij bent daar deel van, een zuster of broeder van dezelfde familie, kinderen van één Vader. We ervaren het ook zo. Een warm bad, thuiskomen bij elkaar, meeleven in goede en slechte tijden. Maar van familieleden mag je ook wat verwachten. Een gedeelde verantwoordelijkheid, financieel, door gebed, door verantwoordelijkheid te willen dragen. Wat we van elkaar mogen verwachten is dat we ertoe doen en van betekenis willen zijn voor de opbouw van de gemeente. Want als wíj ertoe doen, doet het evangelie ertoe. En krijgt wat Jezus ons wilde geven handen en voeten.  

Geliefden, sluit u dan aaneen

vanwaar en wie ge ook zijt

als kinderen om uw Vader heen

en Christus toegewijd.

 

maandag, 20 juni 2022 12:48

loslaten

loslaten

‘Geniet er maar van, hoor. Ze zijn groot voor je het weet.’ Als moeder kreeg ik dit regelmatig te horen en nu ik ouder ben betrap ik mij erop dat ik het ook wel eens tegen anderen zeg. Toen mijn dochters klein waren genoot ik juist van de groei die ze doormaakten. De eerste lach, de eerste stapjes, het begin van praten…. Elk moment werd gevierd, vastgelegd op camera. Maar toen kwam de eerste keer naar de oppasmoeder, naar de peuterschool, de basisschool.. en al die eerste keren werden we ons er meer van bewust dat we ze inderdaad groot zijn voor je het weet en dat we als ouders onze kinderen moeten loslaten. We hebben hen te leen. Dat wisten we natuurlijk wel. ‘Zij komen door je, maar zijn niet van je, en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe’, schreef Kahlil Gibran. En ook: ‘Jullie zijn de bogen, waarmee je kinderen als levende pijlen worden weggeschoten.’ Laat het een vreugde zijn dat jij je kind loslaat.

Kinderen worden je toevertrouwd en de zorg om hen mogen we delen met God. Twee keer hebben we intens ervaren dat wij ons kind niet konden vasthouden. Met 16 jaar vertrok oudste voor een internationale stage naar Australië. En enkele jaren geleden werden we opgeschrikt door een heftige ziekenhuisopname van jongste. Onze armen waren echt te kort om hen te beschermen.

Vandaag vieren we een overstapmoment in het leven van onze kinderen; we geven de zegen mee aan jonge mensen die -twee van hen voor het eerst- een grote reis gaan maken voor World Servants. We vertrouwen hen toe aan de liefdevolle armen van God. Hij draagt ons leven.

Dit stukje schreef ik op de Weekbrief nav de overstapdienst. Later voegde ik er onderstaande aan toe.

Henri Nouwen vertelt over die armen in zijn boek ‘Met de dood voor ogen’. Hij citeert uit een gesprek dat hij heeft met een trapezewerker in het circus.

‘Jij denkt misschien, net als de meeste toeschouwers, dat ik de grote ster ben van de trapeze. Maar de echte ster is Joe, die me vangt. Hij moet me op het exacte moment uit de lucht plukken als ik mijn verre sprong naar hem maak”. “Hoe lukt dat?” vroeg ik. “Wel”, zei Rodleigh, “het geheim is dat ik het vangen geheel aan Joe overlaat en zelf niets doe. Als ik na mijn salto’s op Joe afkom, moet ik gewoon mijn armen en handen uitstrekken en wachten tot hij me vangt. “Dus jij doet niets!” zei ik verbaasd. “Niets”, herhaalde Rodleigh. “Het ergste wat een springer kan doen is proberen de vanger te vangen. Als ik Joe’s polsen zou vastgrijpen, zou ik ze kunnen breken, of hij zou de mijne kunnen breken. Dat zou het einde zijn voor ons beiden. Een springer moet springen en een vanger vangen, en de springer moet met uitgestrekte armen en open handen erop vertrouwen dat zijn vanger er zal zijn’.

Wij hebben het als ouders nodig om te weten van die Vanger, om onze kinderen los te kunnen laten. 

 

maandag, 20 juni 2022 12:46

Klaar voor de start?!

overstapdienst PG De Open Hof ~ Oud- Beijerland

19 juni 2022

 

Voor deze dienst is gebruik gemaakt van:

https://protestantsekerk.nl/verdieping/overstapdienst-klaar-voor-de-start/

 

verhaal voor de kinderen:

De wedstrijd van Schildpad en Haas, Rian Visser & Tineke Meirink

 

Aansluitend komen begeleiders van de kinderdienst ‘onaangekondigd’ naar voren. Zij zijn gekleed in sportkleding. Zij gaan de kerkgangers, jong en oud, voor in een warming up op de muziek: Vandaag is een nieuwe dag

https://www.youtube.com/watch?v=Is4nKJIkoHQ

 

tekst: Ga maar op weg, door een van de ouders

 

Ga maar op weg met je kennis en dromen.

Ga nu van hier, sla je vleugels maar uit.

Vlieg nu naar later en zoek waar je heen wilt.

Kies voor een weg die de toekomst ontsluit.

 

Speur naar een spoor dat het waard is te volgen.

Zoek naar een doel waar je echt voor kunt gaan.

Vraag naar een plek waar je houvast kunt vinden,

grond die je draagt, waar je stevig kunt staan.

 

Drink uit de bron die jouw dorst weet te lessen.

Eet van het brood dat verzadigt en voedt.

Deel met wie hongert naar vriendschap en vreugde.

Wees als een maatje voor wie jou ontmoet.

 

Weet van de Droom die al eeuwenlang rondgaat.

Fluister die door en maak waar wat je zegt.

Doe wat je doen kunt, en deel van je kennis:

werk aan een wereld van vrede en recht.

 

Vlieg nu maar weg naar de toekomst van morgen.

Ga maar, je kunt het. Je bent er klaar voor.

Ga met Gods zegen en vind je bestemming.

Hoop en vertrouw op de Kracht die je draagt.

 

(Greet Brokerhof - van der Waa)

 

muziek: Klaar voor de start, Kinderen voor Kinderen

Van dit lied is een filmpje gemaakt met de foto’s -doopfoto en/of babyfoto, sportieve foto anno nu - van de overstappers.

 

afscheid van de kinderdienst

*De overstappers komen naar voren.

 

zegenlied: Ga met God en Hij zal met je zijn.

*De overstappers maken een kring. Hun ouders staan achter hen met een hand op hun schouder. We zingen hen Gods zegen toe.

 

aanmoediging door de ouders

*De overstappers gaan zitten op de voorste rij. De ouders hebben een spandoek gemaakt nav de ouderavond. Op dat spandoek staan mooie dingen over hun kind. Zij vertellen er kort iets over. Wie aan de beurt is geweest, neemt een plaats in aan de rand van het parcours.

 

… en af!

De leiding van de kinderdienst geeft een fluitsignaal.

De overstappers leggen een parcours af door de kerk. Onderweg zijn er enkele hindernissen. Onderweg komen zij de leiding van de kinderdienst tegen en ontvangen zij een cadeautje. Van de jeugdouderling krijgen zij een roos. De finish is bij de tieners. Die hangen hen een medaille om.

 

*De kinderen van de kinderdienst en de jongeren van de tienerdienst gaan naar hun eigen ruimte.

 

uit de Bijbel: 1 Korintiërs 9: 24-27

 

‘Als je wint, heb je vrienden.

Als je wint, heb je vrienden. Rijen dik, echte vrienden. Als je wint, nooit meer eenzaam. Zolang je wint…’  (Hennie Vrienten en Herman Brood, 1984)

Het is een harde, snelle wereld waarin we leven. We houden van winnaars. Wie wint, telt mee. Problemen zijn er om te overwinnen; ziektes zijn een strijd die we aangaan. En als we al ergens mee worstelen, dan toch om weer boven te komen. Je moet vechten voor je plekje, opkomen voor je rechten en altijd jezelf verbeteren. Ons bestaan is een race geworden, een wedstrijd die gaat om welvaart, carrière, het gezicht naar buiten. Er kan er maar één de winnaar zijn, en dat ben ik. We leven in een ik-gerichte wereld.

Bij het eerste horen van Paulus’ woorden over geloven als topsport vond ik het moeilijk om het bij elkaar te krijgen: mijn vertrouwen dat God van ons houdt, zoals we zijn. Dat Hij zelfs ten diepste een God van de losers is; de mensen aan de rand… en Paulus’ beeldspraak over de erekrans, de prijs en de zware training die je kennelijk nodig hebt als gelovig mens.

Mijn gedachten gingen ook meteen uit naar de kinderen die níet kunnen meekomen; en wíllen we hen wel zo opvoeden dat zij altijd de beste zijn?

Ik dacht aan jongeren die opbranden omdat ze gebukt gaan onder alle verwachtingen die hen zijn opgelegd, door zichzelf of door anderen; aan ouderen die in een fase van hun leven zijn aangekomen waar alleen maar sprake lijkt van verlies; aan mensen die helemaal niet wíllen meedoen aan de rat race en zoeken naar vertraging, naar minder in plaats van meer. En soms kún je gewoon niet winnen. Heb je dan verloren? Niet voldoende je best gedaan? Niet alles geprobeerd? Ligt het altijd aan jezelf als je niet wint?

 

We kunnen begrijpen dat Paulus deze beeldspraak gebruikt. Sport en een gezond lichaam zijn in het oude Griekenland belangrijk. Daar hebben de mensen wat voor over. Ze accepteren dat ze moeten trainen. Ze accepteren dat in aanloop naar een wedstrijd niet alles mag. Dat je niet alles mag eten; dat je niet alles kunt doen omdat je een strak trainingsschema hebt. Voor de sport zijn mensen bereid vrijheden op te geven en dingen uit te stellen; voor een plek op het podium willen mensen best prioriteiten stellen. En dát is ook nodig als je geloof, zegt Paulus. Je kunt niet als een kip zonder kop beginnen met rennen en halverwege pas bedenken wat je ermee wilt bereiken. Geloof heeft een doel. Het is ergens goed voor. Denk ook niet dat je onvoorbereid de boksring in kunt stappen in de hoop dat het wel meevalt. Je kunt er niet zomaar een slag naar slaan. Het vereist inspanning en opoffering. Je moet er wat voor over hebben.

 

de spelregels

Sport kent spelregels. Geloven ook. Ik wil me daaraan houden, zegt Paulus, anders word ik gediskwalificeerd. Buiten spel gezet. Hij veronderstelt dat iedereen die spelregels wel kent. Ergens anders zegt hij: je bent geslaagd, als je het goede doet. Als Christus in je woont, dan ben je niet gediskwalificeerd. (2 Kor 13: 5-7) Met een beetje fantasie kunnen we wel invullen wat daarmee wordt bedoeld. Het zijn de spelregels die we op houten bordjes schrijven en in ons huis ophangen.

‘In dit huis zijn we vriendelijk. In dit huis vergeven we. In dit huis bedanken we. In dit huis hebben we lief.’ Het zijn de vruchten van de Geest die Paulus benoemt: geduld, goedheid, zachtmoedigheid, zelfbeheersing, vrede.. (Lees Galaten 5: 22-23) De spelregels zijn tien Woorden. Of twee, in de samenvatting van Jezus: Heb de Heer uw God lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en heb uw naaste lief als uzelf. (Matteus 22: 36vv) Alles doet mee, net als in topsport. En net als in topsport accepteer je dat je niet zomaar alles kunt doen omdat het jou goed uitkomt. Het gaat om wat goed is voor de ander; het gaat om wat goed is voor het samen leven met elkaar, in een huis, in een land, op deze wereld. Dat kost inspanning, soms bloed zweet en tranen. En dat vergeten we wel eens. Dan maken we ons drukker om andere dingen, dan om hoe het evangelie handen en voeten moet krijgen. Dan zijn we inderdaad aan het lucht boksen. We vergeten dat ons leven zijn bestemming bereikt als we er alles aan hebben gedaan om anderen tot hun bestemming te laten komen. Dan is ons leven zinvol. En dan wacht er een prijs op ons.  

 

de prijs

Een prijs die langer meegaat dan de lauwerkrans van de oude Grieken. Daar laten de blaadjes naar verloop van tijd van los. En je kunt hem weggooien. Dan moet je opnieuw winnen om er weer een te krijgen. De prijs die er voor een gelovig mens te winnen valt is onvergankelijk, die is voor altijd. Noem het hemel. Noem het koninkrijk van God op aarde. Noem het niet vergeten worden door wie na jou komen. Maar er is wat bij te winnen; zelfs als je verliest. Zelfs als de zachte krachten van de liefde en de goedheid het onderspit dreigen te delven. Wat dat betreft was Jezus de grootste verliezer van ons allemaal. En toch heeft God hem de prijs uitgereikt. Leven voor altijd.

 

Ren als de atleet die wint

Ren als de atleet die wint, zegt Paulus. Bereid je goed voor en train jezelf. Wees trouw aan jezelf; voed jezelf met goede dingen; voed je geloof; Wees zuinig op je lichaam, want dat is de tempel waar God in woont. Wees bereid om concessies te doen aan jezelf; om vrijheden en verworvenheden op te geven, om die minder belangrijk te maken.

Ren als de atleet die wint. Laat het zo zijn dat onze kinderen de aanmoediging voelen van hun ouders, grootouders, de mensen in de kerk. Laat hen van ons het gevoel krijgen dat ze winnaars zijn. Niet omdat ze de beste zijn maar omdat ze het beste dóen.

Ren als de atleet die wint.. Dans alsof niemand kijkt. Zing alsof niemand je kan horen. Heb lief alsof je nooit bent gekwetst. Geef alsof je heel veel hebt. Leef alsof de aarde de hemel is. Dan ben je de echte winnaar.

maandag, 23 mei 2022 08:26

merel

merel

Donderdagmorgen, half vijf. Door een enorme donderslag schiet ik rechtop in bed. Het is nog donker buiten. Ik lig even wakker en hoor de regen. De tuin is er blij mee. En boven de regen uit, begint de merel te zingen. Hoog, helder en hard. Die neemt alvast een voorschot op de dag. Ik draai me nog even om. 

Een wijs iemand zei: Geloof is de vogel die licht voelt en zingt als de dageraad nog donker is. (Rabindranath Tagore) De merel wacht niet tot het licht geworden is om zijn lied te beginnen. Zo hoeft de mens niet te wachten met vertrouwen hebben tot het beter wordt. 

David schreef Psalm 57 toen hij zich voor koning Saul verstopte in een spelonk. Hij vreesde voor zijn leven. ‘Wees mij genadig, God, wees mij genadig, want bij U is mijn leven geborgen’ zingt hij. ‘Ontwaak, mijn ziel, ik wil het morgenrood wekken.’ Het doet mij denken aan fluiten in het donker of psalmen zingen in de nacht; om de angst te bezweren, het donker van je af te houden, maar ook om die geborgenheid uit Psalm 57 tevoorschijn te zingen. 

Mocht u nog eens ergens wakker van liggen, luister dan naar de merel of zing zachtjes zelf een lied. 

maandag, 23 mei 2022 08:24

Waar ga je eigenlijk heen?

overweging op zondag 22 mei 2022         PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 14: 1-6

 

wees niet ongerust

Het is zo makkelijk gezegd: maak je niet ongerust, heb geen zorgen. Maar in de praktijk blijkt dat niet zo makkelijk. We maken ons natuurlijk wél druk. Zeker als het gaat om de mensen om wie we geven, van wie we houden. We maken ons bezorgd om hen als we met hen samen léven. En als zij zijn gestorven zijn zij nog steeds in ons hart; een hart dat er zo naar kan verlangen om te weten waar zij zijn, en of het daar ook goed is, of mooi.

Jezus kan dat wel zeggen tegen zijn leerlingen: Wees niet ongerust… maar natuurlijk zijn ze dat wel. Ze zijn er niet gerust op hoe het straks verder moet zonder hun leermeester en vriend. Overal zijn zij hem gevolgd. En nu kan dat niet meer. Waar gaat Hij dan heen?

Hij spreekt over een huis. En over een weg. Wat bedoelt Hij toch?

 

Ik las de column van Daan Rot-de Launay, weduwe van Jan Rot. (AD Mezza, zaterdag 14 mei 2022) ‘Waar ga je eigenlijk heen, Jan?’ staat er boven.

Een klein stukje uit die column:

“Een jaar geleden riep ik in paniek naar de ambulance waarmee Jan werd afgevoerd: ‘Waar gaan jullie eigenlijk heen?’ Nu sta ik met Elvis op de stoep als de begrafenismensen hem in de rouwauto schuiven. Waar ga je eigenlijk heen? Jan mompelde vlak voor hij stierf: ‘Ik ga naar huis, ik ga naar vader en moeder.’”

 

het huis van de Vader

‘Wees niet ongerust maar vertrouw…. In het huis van mijn Vader zijn veel kamers’. Deze woorden heb ik regelmatig gebruikt bij afscheidsdiensten. We horen er een bemoediging in; de woorden klinken op zo’n moment als een geruststelling, dat er een thuiskomen is. De gedachte dat er ergens op ons wordt gewacht, dat er een plaats is bij de Vader, is troostend en tilt ons boven het verdriet van het afscheid uit.

Jezus bedoelt deze woorden even bemoedigend. Hij zal buiten hun bereik vallen straks. Maar ze zullen voor altijd verbonden zijn in de liefde. Als ranken aan de wijnstok, als zijn vrienden die voor altijd zullen delen in zijn Geest. In zijn geest zullen ze voortaan handelen; ze zullen zich afvragen ‘what would Jesus do’ – ‘Wat zou Jezus doen’- bij alles wat ze doen. Maar over de dood spreekt Jezus hier niet. En ook niet over de hemel als zijn eindbestemming.

Dat huis en hemel bij elkaar horen is in de loop van de tijd zo gegroeid. Wij hebben dat troostrijke beeld ervan gemaakt: het huis van de Vader, een hemels hotel, een warm welkom bij de deur omdat onze plaats is klaargemaakt door Jezus. We laten dat beeld, die uitleg, gewoon staan. Het is te mooi om naast ons neer te leggen. Maar we leggen er een andere uitleg naast. Want Jezus wijst zijn leerlingen met deze woorden niet naar de hemel.

 

vertrouw

Het huis van mijn Vader… Jezus gebruikt deze woorden één keer eerder. Als Hij kwaad uitroept tegen de geldwisselaars en de handelaars:

‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’ (Joh 2:16) Jezus heeft het dan over de tempel. Op het tempelplein wordt grof geld verdiend. ‘Een rovershol’ noemt de oude vertaling de tempel. Er gebeuren dingen die niet door de beugel kunnen. En niet iedereen is er even welkom. Er is niet die ruimte, de vele kamers, die Jezus benoemt. Niet voor iedereen een plaats aan de tafel.

Maar als Johannes zijn evangelie schrijft is de tempel er al lang niet meer. Er is voor de nog jonge gemeente van Christus niet zo’n centrale plek om samen te komen, geen plaats om God te ontmoeten; de verbinding moet ergens anders vandaan komen. Maar waar dan? Waar zal de gemeente thuis zijn? Waar zal de gemeente de nabijheid van de Vader ervaren?

Als Jezus niet de hemel bedoelt, gaat het dan over de aarde? En als het niet gaat over de tempel, wat bedoelt Hij dan? Gaat het dan soms over een ander soort tempel? Een symbolische tempel? Dan is het huis van de Vader dat huis van levende stenen, met muren van huid en ramen als ogen. Dat huis dat een levend lichaam wordt als wij er binnen gaan. (Zomaar een dak, Huub Oosterhuis)

Het huis van de Vader, daar waar God woont en ons welkom heet, de níeuwe tempel, dat is de gemeente van Christus. Jezus gaat zijn leerlingen voor, door de dood,  om kwartier te maken in die nieuwe tempel; hij bereidt zijn leerlingen, de gemeente van Christus, voor om dat ruime huis te zijn. Als Hij er niet meer is, niet lichamelijk aanwezig, dan zal de geméénte zijn lichaam op aarde zijn. Een lijf met leden die elkaar aanvullen en nodig hebben, zoals Paulus schrijft. (Romeinen 12, 1 Korintiers 12) Een levend lichaam, een lichaam dat een tempel is, omdat God er woont; een herbergzame en gastvrije plek, met veel ruimte, veel kamers. Een licht huis waar Gods Geest kan waaien.

 

Jullie kennen de weg

Jullie zullen zijn waar Ik ben…. of misschien moeten we het omdraaien…. daar waar wíj zijn, als gemeente, daar zal Jezus zijn. Wij re-presenteren hem. En hoe je daar moet komen, dat weten jullie wel. Jullie zijn toegerust om de gemeente van Christus vorm te geven. Jullie hebben genoeg in huis om een veilige woonplaats te creëren voor elkaar. Jullie kunnen het écht zonder mij. Jullie kennen de weg naar dat huis van de Vader.

‘We weten niet eens waar U naar toe gaat, Heer. Hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?’

Tomas verwoordt de onzekerheid van de jonge gemeente. Het onmachtige en stuurloze gevoel van de achterblijvers. De handen in het haar. Wat nu? Waarheen? En hoe komen we daar? Alsof ze het bos zijn ingestuurd. Wijs ons de weg. ‘Ík ben de weg’, zegt Jezus. ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’

 

De weg, de waarheid en het leven

Deze woorden worden nog al eens met hoofdletters geschreven. De Weg. De Waarheid. Het leven. Alsof er maar één van is. Met deze woorden in de hand heeft de kerk der eeuwen mensen van zich afgestoten omdat de weg die zij gingen, of de waarheid die zij koesterden, in de ogen van de kerk niet de juiste waren. Inquisitie. Met deze woorden in de hand kun je makkelijk de deur sluiten voor een gesprek met hen die een ander geloof aanhangen. Ze suggereren dat wij de waarheid in pacht hebben. De weg, de waarheid en het leven… het kunnen brandbare woorden zijn, beschadigend, uit-sluitend. En dat past dan weer heel slecht bij het huis dat ik heb geschetst.

Dat levende huis, met de gastvrije ruimtes, waar de Geest doorheen waait..  Wij zijn niet geroepen om de kerk zuiver te houden. We zijn zelfs niet geroepen om de kerk in stand te houden, als een doel op zich. Wij zijn geroepen om een weg te gaan. Dé weg. De weg die Jezus is gegaan. De weg van de liefde die zich als een zaad laat zaaien; mensen die zichzelf durven prijsgeven, die hun eigen ambities en noden ondergeschikt kunnen maken om er te kunnen zijn voor iemand anders. Jezus heeft ons zijn levensweg als voorbeeld gegeven. Doe dit voor elkaar, wees de minste, wees van elkaar gediend…. En Hij heeft ons zijn lijdensweg gegeven. Hij is niet halverwege omgekeerd. Hij bleef trouw aan datgene waar Hij in geloofde. Hij bleef trouw aan de mensen, aan ons. Het kan niet anders dan dat die weg leidt naar de Vader.

 

‘Ik ben de weg’

Goedbeschouwd vraagt Tomas naar de bekende weg. Hij weet het wél. Hij heeft het meegekregen in zijn geloofsopvoeding. ‘Gelukkig wie de volmaakte weg gaan en leven naar de wet van de HEER.’ Woorden uit Psalm 119, de lofzang op de wet, de richtlijn voor onze handel en wandel, de begaanbare weg.

Dat is een betrouwbare weg. Dát is de waarheid die Jezus bedoelt. Niet de waarheid die je kunt checken, niet de waarheid op feiten gebaseerd, niet die waarheid waaraan al het andere ondergeschikt is. Maar als in: je kunt ervan op aan dat die weg ergens toe leidt. Je komt ermee op je bestemming. Je bestemming als mens. Je zult een leven hebben. Want dat is het scherpst van de snede. Tora en leven horen bij elkaar. ‘Kies voor het leven’, zegt Mozes tegen het volk voordat hij afscheid van hen neemt. Kies voor het leven door God lief te hebben, hem te gehoorzamen.. dan zult u lang blijven wonen in het land dat aan uw voorouders is beloofd. (Deut 30:19-20)

Famous last words…. zoals Jezus die nu spreekt. Woorden die richting geven, de weg wijzen naar toekomst. Naar land dat God heeft beloofd, Gods koninkrijk op aarde….

 

Waar ga je eigenlijk heen, Jan?

Nogmaals uit column van Daan Rot-de Launay:

“Ik weet waar hij is: in ons, in onze vrienden, in zijn fans, in alle mensen die zo met ons meeleven…. Maar Jan vinden we vooral in zijn werk, zijn boeken, columns en duizenden liedjes. Al mijn liefde staat op plaat – Ik hou van jou- draai dat maar als het niet meer gaat…”

 

Tomas zei: We weten niet eens waar U naartoe gaat, hoe zouden we dan de weg daarheen moeten weten? Ik weet waar Hij is. Wij weten waar Hij woont. Hij woont in ons, in zijn gemeente. En we komen er over de weg van de liefde. Kom, Geest van God, maak onze harten open, dat Christus in ons woning vindt. (NL 333)

woensdag, 11 mei 2022 08:29

Mag het iets meer zijn?

Mag het iets meer zijn?

Abraham zit voor zijn tent als de Heer aan hem verschijnt. Dan kijkt hij op en ziet drie mannen staan die hij gastvrij welkom heet. Hoeveel gasten heeft Abraham nu? Het is geen raadsel maar wel een raadselachtig begin van het verhaal. Raadselachtig in de zin van ‘verborgen’. Er moet een verborgen betekenis zijn. De kerk der eeuwen las er het oerbegin van de heilige drie-eenheid in. Andrei Rublev schilderde er een prachtige icoon bij. Als u hem googelt herkent u het beeld meteen. De rabbijnse uitleg gaat uit van vier, en leest dat Abraham God laat wachten om zijn gasten welkom te heten, want gastvrijheid is altijd belangrijker dan wat dan ook. Er zit ruimte op dit verhaal. Ruimte voor verbeelding, ruimte om onszelf een plek te geven in het verhaal. ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’, dichtte Martinus Nijhoff.  

Herman Finkers vertelde over die ruimte in zijn voorstelling Na de pauze.

“Ik zat, moet u weten, in Almelo op een rooms-katholieke jongensschool. En op die rooms-katholieke jongensschool werden we doodgegooid met dogma’s. Het dogma van: ’1+1=2.’ Het dogma van: ’iets is in wezen niets anders dan...’: ’Een boom is in wezen niets anders dan een zuurstoffabriek.’

Die zuurstoffabriek benauwde mij en verstikte alle poëzie. Tot op een dag de kapelaan in de klas kwam. De kapelaan vertelde ons: ’Er is maar één God. En Hij bestaat uit drie personen.’ Ik dacht: Goddank, eindelijk iemand met wie je fatsoenlijk kunt praten. Want tot dan toe had ik op school maar één interessant verhaal gehoord. Dat was het verhaal van de drie musketiers, want die waren met z’n vieren. Dat was een verhaal met ruimte. Maar de kapelaan barstte van de verhalen met ruimte. Zo zei hij: ’God is het begin van alles. Voor God was er niets. En Maria is zijn moeder.’ Het was of mijn dichtgeknepen keel weer open ging en ik weer mocht ademhalen.”

Vandaag onderzoeken we de ruimte in het verhaal van Abraham, God en de drie mannen. En Sara is er ook; verscholen achter het tentdoek luistert zij naar het gesprek en zij moet heimelijk lachen als het gaat over een zoon voor haar en Abraham. We zoeken naar de ruimte tussen de regels. Wat staat er niet maar mogen we wel lezen? Waar gaat het over ons? Tot zondag.

 

Gepubliceerd op de Weekbrief van 8 mei.

We lazen die zondag Genesis 18: 1-15

woensdag, 11 mei 2022 08:27

God ontmoeten

overweging op zondag 8 mei 2022           PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

4e zondag van Pasen, Jubilate, Moederdag

afbeelding: Marc Chagall

 

verhaal: Picknick met God

 

uit de Bijbel: Genesis 18: 1-15

 

Er was eens een kleine jongen die God wilde ontmoeten.

Hij wist wel dat het een verre reis zou worden om bij God te komen,

dus pakte hij zijn rugzak en stopte die vol met koekjes en pakjes sap.

Zo ging hij op weg.

Hij was nog maar langs drie grote flats gelopen, toen hij een oude vrouw zag.

Ze zat op een bank in het park en staarde zo’n beetje naar de duiven.

De jongen ging naast haar zitten en deed zijn rugzak open.

Hij wilde wat drinken, maar toen hij net een slok wilde nemen,

merkte hij dat de vrouw er hongerig uitzag. Daarom bood hij haar een koekje aan.

 Zij nam het dankbaar van hem aan en glimlachte naar hem.

Haar glimlach was zo intens mooi, dat hij het nog eens wilde zien

en daarom gaf hij haar ook een pakje sap.

Opnieuw schonk zij hem haar glimlach. De jongen werd er helemaal blij van.

Zo zaten ze daar die middag, ze aten en glimlachten, maar spraken geen woord.

Toen het begon te schemeren voelde de jongen zich moe worden.

Hij stond op om naar huis te gaan, maar na een paar stappen draaide hij zich om,

rende terug naar de oude vrouw en omhelsde haar heel stevig.

Zij schonk hem een stralende lach.

Toen de jongen even later thuiskwam,

verbaasde zijn moeder zich over de vreugde die op zijn gezicht lag.

Ze vroeg: ‘Wat heb je gedaan vandaag, dat je zo blij bent?’

Hij antwoordde: ‘Ik heb met God gepicknickt’.

Nog voordat zijn moeder verder kon vragen zei hij:

‘En weet je, ze had de mooiste glimlach die ik ooit gezien heb’.

Intussen was ook de oude vrouw thuisgekomen, stralend van vreugde.

Haar zoon was verbluft toen hij de vredige uitdrukking op haar gezicht zag.

Hij vroeg: ‘Moeder, wat heb je vandaag beleefd, wat heeft je zo gelukkig gemaakt?’

Zij zei: ‘Ik heb in het park koekjes gegeten met God’.

En voordat haar zoon nog iets kon zeggen, zei ze: ‘En weet je, hij is veel jonger dan ik dacht!’

 

De Heer en de drie mannen

Eigenlijk kan het niet, dat een mens God ontmoet. Denk maar aan Mozes. Toen hij erom vroeg om Gods gezicht te mogen zien, kreeg hij als antwoord: ‘Geen mens kan Mij zien en in leven blijven.’ (Exodus 33: 20) Gods licht is te fel, zijn aanwezigheid te groot. Het zou zijn als kijken in de zon. Je ziet niks. En toch gebeurt het hier dat God zich laat ontmoeten. Gast aan tafel bij Abraham. Of eigenlijk: gasten.

Als Abraham zit te dommelen voor zijn tent, op het heetst van de dag, zo’n moment dat er niets gebeurt en je ook niets verwacht, verschijnt God aan Abraham. Daar is Hij. Met z’n drieën. We horen het in de Nederlandse vertaling minder goed, maar in de hele lezing wordt er gespeeld met enkelvoud en meervoud. Abraham ziet dríe mannen staan en zegt: Mijn Heer, blijf toch… ik zal water halen zodat júllie je voeten kunnen wassen. Zíj vragen hem: waar is Sara? En als Abraham zegt dat zij in de tent is, zegt híj: ik kom over een jaar terug.

We blijven in het ongewisse of de Heer nu één is of drie. En zo hoort het misschien ook wel. Dat wij niet het naadje van de kous menen te weten als het gaat over God. Want Hij is er niet zomaar één. Hij is de Ene. Als we het over Hem hebben, doen we dat met eerbied en aandacht. Want natuurlijk willen we het over Hem hebben, Hem een plaats geven in ons leven. We zoeken naar woorden, gebruiken onze verbeeldingskracht om te vertellen hoe wij ons door Hem gedragen hebben gevoeld, of geleid, of…. Maar we beseffen tegelijkertijd dat met elk woord, elk beeld, waarmee we iets van Hem proberen te onthullen, Hij alleen maar meer wordt verhuld. Er is ‘Geen taal die Hem vertaalt..’  (Oosterhuis) En er zijn al helemaal geen woorden voor dat God überhaupt zich wil bemoeien met mensen. Dat Hij betrokken wil zijn op ons leven, gast aan onze tafel wil zijn.

 

gastvrijheid als sleutelwoord

Dat is wel een sleutelwoord in deze lezing. Gast. En gastvrijheid. Ook als het je niet uitkomt. Het is op het heetst van de dag en Abraham zit voor zijn tent. Hij zal wel een beetje hebben zitten dommelen. Siësta. Misschien dacht hij na over wat nog maar zo kort geleden is gebeurd: God die een verbond met hem sloot en hem beloofde dat Sara een kind zou krijgen. Abraham had er om moeten lachen. Die Sara, op haar 90e nog moeder. (Gen 17:17) Misschien voelde hij zich nog wel een beetje beroerd want nog niet zo lang geleden is hij besneden. (Genesis 17: 24) Op zijn leeftijd, 99 jaar, is dat vast geen pretje geweest. Maar ondanks dat veert hij op als hij drie mannen ziet komen, onaangekondigd bezoek. Hij buigt diep. Haast zich om water te halen. Geeft Sara opdracht om te gaan bakken, drie schepel fijn meel. Dat is ongeveer 30 liter meel. Genoeg voor een weeshuis. Net als dat malse kalf. De gastvrijheid treedt hier buiten zijn oevers. Vol genoegen kijkt Abraham toe hoe zijn gasten eten.

Volgens de rabbijnse traditie zou je het verhaal zó moeten lezen:

De Heer verscheen aan Abraham. Toen Abraham opkeek zag hij verderop drie mannen staan. Onmiddellijk snelde hij de tent uit, naar hen toe en hij boog diep. Tegen God zei Abraham: Heer, wees zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan. En tegen de drie mannen zei hij: Ik zal water voor u laten halen zodat u uw voeten kunt wassen.

Met andere woorden: Abraham vraagt God om even op hem te wachten zodat hij gastvrijheid kan betonen aan de drie onverwachte bezoekers. Gastvrijheid gaat boven God uit. Een mens geven wat hij of zij nodig heeft, gaat vóór op God.

En er kan maar één reden zijn waarom dat zo is. Omdat God zijn beeld in de mens heeft gelegd. Wij zijn zijn evenbeeld. God is niet zoals de goden in Abrahams tijd in de natuurkrachten, in de zon, de maan en de sterren. Die heeft God zelf geschapen. God staat daarboven. We aanbidden God ook niet in de natuur maar als de Maker van die natuur. Maar Hij is wel ín de mens. Hij is in wat mensen mensen maakt: in hun barmhartigheid, vriendelijkheid, vergevingsgezindheid, trouw aan elkaar. En dus ook in hun gastvrijheid. Ik neem jullie nog maar even mee terug naar Mozes die God wil zien. Hij krijgt niets te zien, maar wel wat te horen.

God maakt zich bekend door zijn Naam uit te roepen: Aanwezig, liefdevol, genadig, geduldig, trouw…. (Exodus 34: 6v) Hij openbaart zich in menselijke trekken.

 

Als je verwacht dat je God zult gaan ontmoeten is het makkelijk. Als je wist dat Hij zou komen, had je de loper uitgelegd, een koppie thee gezet, de visite afgezegd… (Dorus) Maar God verschijnt niet aan ons als God. Hij vermomt zich in drie anonieme voorbijgangers. En Abraham wéét dat hij God kan laten wachten omdat dienaar zijn van mensen hetzelfde is als God dienen. Omdat een mens welkom heten inhoudt dat je God welkom heet. Drie mensen aan Abrahams tafel, is ter ere van die Ene God.

 

gastvrijheid als sleutelwaarde

Gastvrijheid wordt daarmee een sleutelwaarde voor ons geloofsleven. Jezus zal het herhalen: wat je aan een ander doet, dat doe je aan Mij. (Mat 18:5; Mat 25) Ík was hongerig, en jullie hebben Mij te eten gegeven… Ík had dorst, en jullie gaven Mij te drinken.

Wij willen een Open Hof zijn. Gastvrijheid staat hoog in ons vaandel. We ervaren daar de zegen van. Het levert mooie ontmoetingen op, op zondag en door de week. Maar we ervaren soms ook dat het kan wringen met wie we zelf. Het is niet eenvoudig om alles uit je handen te laten vallen en je gasten, zonder voorwaarden, welkom te heten. Zonder voorwaarden. Die ander is welkom zoals hij is. Dat zoekt de randen op van wat we kunnen hebben van een ander. Je weet tenslotte niet wat je in huis haalt.

Sommige mensen stellen hun huis open voor vluchtelingen uit Oekraïne. Dat geeft zegen, ontmoeting, vriendschap. Maar, zo blijkt uit berichten, ook wrijving en spanning. Omdat onze gastvrijheid kennelijk tóch voorwaarden heeft.

Je huis openstellen, je hart openstellen…. het kan zo ongelegen komen. Het heetst van de dag, je bent net ziek geweest, verzin maar… Je huis openstellen, je hart openstellen, het kan zo riskant zijn. Nogmaals, je weet niet wat je in huis haalt. Je raakt dingen kwijt, mensen komen jouw veilige sfeer binnen, ze zijn zo weinig dankbaar, er wordt op je hart getrapt. En misschien zijn we er ook wel te zuinig voor om onze gastvrijheid zo breed uit te meten als Abraham dat deed.

Maar het blijft een sleutelwaarde. In de brieven van Paulus komen we de oproep om vriendelijk te zijn, gastvrij te zijn meerdere malen tegen. Logisch natuurlijk, want hij was als reizend apostel afhankelijk van die gastvrijheid.

Maar hij schrijft het vooral omdat dat een gelovig mens typeert. Je stelt je open. Voor een ander. Voor de Ander. (Rom 12:13, 1 Kor 11: 33, Fil 4:5, 1 Petrus 4:9) Je weet maar nooit wat je binnenhaalt. Je weet maar nooit wie je binnenhaalt. Het zouden zomaar engelen kunnen zijn. Iets van God. (Hebr 13:2)

 

Nu Sara nog

Het lijkt een mooi slot zo, een goed einde  voor een preek. Maar we hebben Sara nog.

Terwijl Abraham zich gastvrij opstelt, slaat Sara het geheel gade vanachter het tentdoek. Zij lacht vol ongeloof als de belofte wordt herhaald dat zij moeder zal worden. Ja ja, het zal wel.

Abraham en Sara, twee verhalen apart. Maar alleen dóór de gastvrijheid van Abraham kon de Heer naderen tot Sara. Zo kreeg Hij toegang tot haar en kon Hij zijn woorden herhalen. Het lijkt alsof het verhaal ons wil vertellen dat Gods beloften mensen bereiken door óns. En dat zijn beloften waar worden langs de weg van de gastvrijheid en de dienstbaarheid. In onze liefde leren anderen Gods liefde kennen. In onze betrouwbaarheid zijn trouw. En in onze vergeving zijn vergeving.

Ook hierbij denk ik aan wat Jezus deed vlak voor Hij afscheid nam van zijn vrienden. Hij stond op van tafel en waste hen de voeten als een dienaar. Dit is een voorbeeld, zei Hij. In de liefde die je elkaar toont, ben je dicht bij Mij. En als je dicht bij Mij bent, ben je dicht bij God. (Johannes 13:15; 14: 21; 15: 9-12) Gods beloften vinden kennelijk hun weg naar mensen door wat zij voor elkaar betekenen. Gods toekomst gaat open in die mate waarin wij ons voor elkaar, voor de ander, openstellen.

 

Het is een mooi stel waarmee God het heeft gewaagd. Abraham, gastvrij en open en Sara die het nog moet zien. Abraham vol vertrouwen, en Sara die het niet voor mogelijk houdt. Een mooi stel, maar ze horen wel bij elkaar. Ook in onze gemeente. Ook in onszelf. Dat vertrouwen ‘het is mogelijk, God heeft het beloofd’ en dat ongelovige ‘het is niet mogelijk’ , dat ruimhartige en dat zuinige, het kyrie en het gloria. Ons ja en ons nee. Ze trekken samen op. En zo, met die dubbelheid, met die middelmatigheid, is God met mensen op weg gegaan. Hij zocht geen model-gelovigen uit. Maar gewone mensen, jou en mij.

 

Abraham moest er om lachen. Sara moest erom lachen. En toch brak de dag aan waarop het geluk hen toelachte.

Pagina 1 van 13