Preken

Preken (149)

overweging op zondag 17 oktober 2021 PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

Roze Kerkdienst; in deze viering ontvangt transvrouw A. een zegen over haar nieuwe naam en vernieuwt zij de huwelijksbeloften met haar vrouw M.

 

uit de Bijbel: 1 Korintiers 13: 4-7

 

verdraagzaam

Wees eens een beetje verdraagzaam. Het was een gevleugeld woord van mijn moeder als wij, broer zus en ik, woorden hadden. Verdraag elkaar. #Doeslief. Verdraag het dat niet iedereen er dezelfde mening op na houdt als jij. Probeer niet altijd je gelijk te halen. Wees verdraagzaam. Ook naar mensen die jij ervaart als anders. Accepteer het dat mannen hand in hand lopen; dat Fredrike niet wil zeggen of zij een jongen of een meisje is. Tolereer de kleurrijkheid en de verscheidenheid. Steek geen vlaggen in brand. Bedwing je vinger die boven de toetsen hangt om een kwetsende vinger te typen. Dat is op zich al een mooie boodschap voor vandaag. Maar is het genoeg.

 

Paulus maakt zich zorgen over het klimaat in de gemeente van Korinte. Er is onrust en verdeeldheid ontstaan. (1 Kor 1: 11-16) Sommige gemeenteleden zeggen: ik volg Paulus in wat hij zegt. Anderen zeggen: ik ben van de kant van Apollos en een derde roept dat hij Kefas veel beter vindt. Daarnaast zijn de gemeenteleden het niet eens over een aantal belangrijke geloofszaken en de een roept nog harder dan de ander om gehoord te worden. Schelle cimbalen en dreunende gongen zijn er niets bij. (1 Kor 13:1) Logisch dat Paulus dan oproept tot verdraagzaamheid.

 

Maar als Paulus het heeft over verdraagzaamheid bedoelt hij niet dat je in je eigen hokje blijft en accepteert dat anderen in hún hokje zitten. Hij bedoelt niet: leven en laten leven. Of: ze doen maar. Ik ga ook mijn eigen gang.

Voor Paulus gaat verdraagzaamheid veel verder dan dat. Want verdraagzaamheid zegt iets over de liefde. En de liefde wortelt in God de Vader. De Ene God.    

 

Alles verdraagt zij

We lezen dit gedeelte vaak bij huwelijksvieringen maar Paulus heeft hier niet de romantische liefde op het oog. Het gaat niet over geliefden. Dat zou het misschien makkelijker maken.

Maar Paulus spreekt hier over een ander soort liefde, de agapè. Dat is de levensinstelling die altijd de ander vooropstelt; die bereid is om het beste van de ander te denken, klaar om te vergeven en de ander te geven wat er nodig is. Deze liefde oordeelt niet. Bij deze liefde gaat het niet om jou en jouw behoeften maar om die van de ander. Het is liefde die wat hebben kan, die wat te verdragen krijgt. Liefde die de deur openhoudt ondanks alles; liefde die bereid is zichzelf op te offeren. Dat doen ouders voor hun kinderen, kinderen voor hun ouders, leerkrachten voor hun leerlingen, mensen in de zorg voor wie aan hun zorg is toevertrouwd, mensen in de kerk voor elkaar, mantelzorgers. We gaan ver om de ander vast te houden. En soms móeten we ver gaan of van ver komen om de ander te bereiken, welkom te heten. Ook dat hebben we deze week gemerkt.

Maar zo, zegt Paulus, is God voor ons. Agape. Liefde die óns altijd voorop stelt. De goedheid zelf. Het zit in zijn aard om geduldig te zijn; om zich niet boos te laten maken en het kwade niet aan te rekenen.

Hij blijft trouw, zijn liefde kan wat hebben. Dat is de rode draad door alle Bijbelverhalen heen. En die komt uit bij Jezus Christus. De liefde van God in levende lijve. Hij omarmde de mensen zoals ze waren en vulde hen met liefde voor elkaar, met verlangen naar Gods nieuwe wereld, de hemel op aarde. 

Jezus vat het heel kort samen als hij zegt: Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad. (Johannes 15) Zijn liefde ging zelfs zo ver dat Hij zijn leven opofferde. En Gods liefde ging zo ver dat Hij Jezus opwekte uit de dood.

Dát is de kern van alles wat Paulus te zeggen heeft. Daar kunnen we niet over verschillen van mening. Dat is wat ons samenbrengt en samenbindt. De eenheid in Christus.

 

jij in jouw klein ho(e)kje

Iemand vertelde me dat ze zo’n hekel had aan het kinderliedje: Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht…. jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn. Dat kan toch de bedoeling niet zijn dat we ieder in ons eigen hoekje blijven. Ik was het niet direct met haar eens maar nu ik bezig ben met dat woord verdraagzaamheid begrijp ik haar beter. We zijn geen vlammetjes in hokjes maar een en hetzelfde vuur; leden van één lichaam, ranken aan één wijnstok. Niet zomaar mensen maar medemensen. Dat stijgt boven elkaar tolereren uit. Dat is het ééns zijn dat iedereen op dezelfde manier door God wordt liefgehad, ongeacht gender of seksuele voorkeur.  Laten we het ééns zijn dat wij allen op dezelfde manier geroepen zijn om Christus te volgen en van elkaar gediend te zijn.

 

Verdraagzaam is de liefde. De band tussen mensen, hoe en waar ze elkaar ook maar tegenkomen, wordt daardoor gekenmerkt.

De oude vertaling zegt: Alles bedekt zij. Als een dak, een veilig onderkomen. Dan is de liefde een schuilplaats, een plek om thuis te komen. A. en M. hebben dat blijvend bij elkaar gevonden. We prijzen onszelf gelukkig als we weten bij wie ónze beschutting is. Of voor wie we dat kunnen zijn.

We dromen ook van die veiligheid. We dromen van een wereld zonder hokjes. Waar geen mens in ongenade valt. Een inclusieve samenleving waar we elkaar niet slechts tolereren maar respecteren; de wereld waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt. (Lied aan het Licht, Huub Oosterhuis) Want niet alleen verdraagt de liefde alles. Alles gelooft zij. Alles hoopt zij.

 

liederen in deze viering:

Voor mensen die naamloos, Nieuw Liedboek 647

Heer, die mij ziet zoals ik ben, Psalm 139: 1, 7 en 8

Ongestraft mag liefde bloeien, Sytze de Vries

Tot jij mijn liefde voelt, Huub van der Lubbe

Lied aan het licht, Nieuw Liedboek 601

Neem mij aan zoals ik ben, Nieuw Liedboek 833

Zegen mij, Sela

overweging op zondag 10 oktober 2021

In deze dienst vieren we het 25-jarig jubileum van de cantor-organist.

 

uit de Bijbel: Matteus 6: 24-34

verhaal: Franciscus preekt voor de vogels (zie onder)

 

Wat maakt jou mens?

Kijk eens naar de vogels, zegt Jezus. Ik stel me Jezus voor zoals Hij daar zit tegen de berghelling aan. Om hem heen zitten mensen. Jezus wijst naar de lucht en iedereen volgt zijn vinger. Tegen het blauw zien zij de vogels vliegen. In de bomen horen zij de vogels zingen en in het gras scharrelt er af en toe een om wat kruimels mee te pikken. Het zorgeloze spat er vanaf. ‘Ik voel me zo vrij als een vogel’, zeggen we. Want we herkennen dat onbezorgde geluk. Er zijn momenten dat we dat ook zo ervaren. Dat we genieten van het gebeuren, de mensen om ons heen, onze kinderen en kleinkinderen, muziek, vakantie. Dat zijn de dagen dat we op ons best zijn. Dat we ons mens voelen.

Kijk eens naar de bloemen, zegt Jezus. En opnieuw stel ik me voor hoe hij op de berghelling wijst naar de kleuren en soorten. Kijk toch eens, ze werken niet en weven niet. Ze hoeven niet anders te doen dan datgene waarvoor ze geschapen zijn: kleur en geur verspreiden. Zo zijn vogels vogels. Bloemen zijn bloemen. En mensen?

Mensen maken zich zorgen. Over eten en drinken. Over de dingen die nodig zijn terwijl ze mogen vertrouwen dat God het ze zal geven.

Is het inderdaad de bezorgdheid die ons definieert als mens? Wat maakt jou mens? Wanneer voel jij: hiervoor ben ik bestemd? En hoe bewaak jij dat je mens blijft in alles wat er om je heen gebeurt. Hoe voorkom je dat het bestaan met jou op de loop gaat, dat je omkomt in je bezorgdheid over… ja over wat?

Jezus’ woorden hebben iets prikkelends. Ze kunnen steken als ze gebruikt worden als een doekje voor het bloeden voor al die mensen die zich wel degelijk terechte zorgen maken over eten en drinken. Jezus’ woorden ‘wees niet bezorgd’ roepen frustratie op als ze bedoeld zijn om mensen die wakker liggen in de nacht te sussen. Zo zijn ze dus niet bedoeld.  

‘Maak je geen zorgen’ is gekoppeld aan de keuze die Jezus neerlegt: God dienen of de mammon. Want allebei gaat niet. God dienen is de waarden van Tora omarmen; is je medemens omarmen. Mammon is de afgod met de vele gezichten: rijkdom, aanzien, macht; en ook de afgod met de meeste aanbidders. De valkuil waarin we allemaal stappen. Het is kennelijk van alle tijden dat het voor de mens lastig is om met zijn hele hart de keuze te maken voor God. Het is lastig om prioriteiten te stellen en al helemaal om het koninkrijk van de hemel prio één te maken.

De bezorgdheid waar Jezus voor waarschuwt is dat we zo in beslag genomen worden door de drang om het zelf goed te hebben, of beter te krijgen, dat de dingen die wezenlijk zijn in de verdrukking komen. Je kunt jezelf zo aftobben dat je mens-zijn en je menselijk zijn in het gedrang komt. Dan ben je geen medemens meer. Niet de zorg wordt afgewezen maar iets anders: een dreigend tekort aan zorg. Zorg voor elkaar, zorg voor de schepping, voor duurzame keuzes en vreedzame oplossingen. Laat dát jou een zorg zijn, want dat heeft te maken met gerechtigheid en koninkrijk.

Waar ben je dankbaar voor?

Als Jezus op de vogels wijst en zegt: maak je geen zorgen, dan mogen we van hem verwachten dat Hij daarin zelf het voorbeeld gaf. Jezus keek niet ongerust vooruit. Hij piekerde niet over wat er op zijn weg ging komen. Hij had het vermogen om in het nu te leven. Om al zijn aandacht te geven aan datgene wat Hij op dat moment moest doen. Om de mensen zijn onverdeelde aandacht te geven. En om ín het moment Gods goedheid te vieren. De vrijheid van de sabbat; het plezier van het aren plukken, de oproep om met elkaar te delen als het etenstijd is en het wonder gebeurt dat er voor iedereen genoeg is, de vreugde van de maaltijd waaraan vriend en vreemde aanschuift, de stilte van het gebed. Ja, Hij kende ook verdriet. En eenzaamheid, en angst om te sterven. Maar het leven was voor hem geen tranendal. Omdat Hij God boven alles liefhad en zijn hand in de dingen zag.

‘Mijn broeders en zusters, vogels….’ Als Franciscus preekt voor de vogels dan wijst hij hen op alles waarvoor ze God mogen danken. Al zingend en fluitend. God geeft hun hun veren en vleugels; Hij geeft alles wat nodig is om te leven en de vrije, zuivere lucht als verblijfplaats.

Waar ben jij dankbaar voor? Wat heeft God jou gegeven om in alle zorgeloosheid van te genieten? Je leven? Je lijf? Wat heeft God jou gegeven dat jou maakt tot de mens die je bent? Ieder van ons heeft eigen veren en vleugels, talenten en gaven, een eigen enthousiasme, wijsheid, liefde. We hebben vrijheid, te eten, een dak boven ons hoofd, mensen om ons heen. Met dezelfde verwondering als we Jezus’ vinger volgen naar de vogels en de bloemen mogen we naar onszelf kijken. Prachtig ben ik. En jij ook. Laten we vliegen, bloeien, kleurrijk zijn. Alles verwachten van vandaag. En vanuit de dankbaarheid zingen en muziek maken. Want als we Gods Naam bezingen, geven we hem eer vanwege zijn trouw, zijn bevrijdende daden. (Ps 66)

 

Wat heb je nodig?

Bedoelt Jezus dan dat ons eten en onze kleding niet belangrijk zijn? We hebben toch allemaal onze baan, de huur of de hypotheek die betaald moet worden; we maken ons druk over een opleiding of over die van onze kinderen. Moeten we daar dan maar mee stoppen? Nee, dat bedoelt Hij niet. God de Vader wéét dat we dat alles nodig hebben. Maar laat de zorg om eten drinken kleding niet zó je agenda bepalen dat er geen ruimte is voor iets anders, voor iemand anders. En vertrouw dat God je zal geven wat je nodig hebt. In plaats van jezelf zorgen te maken, kun je je afvragen ‘wat heb ik nodig?’ Van God wel te verstaan. En vraag jezelf ook af: heb ik dat soms al niet ontvangen?

Dagelijks brood? Zelfs meer dan dat.

Brood voor het hart, kracht om overeind te blijven.

Een huis om te wonen, rust voor de ziel en een schuilplaats. (Ps 62)

We denken soms dat we eten, drinken en kleding nodig hebben om overeind te blijven als mens. Maar wat we écht nodig hebben gaat daar ver bovenuit. God weet dat en geeft het ons.

Jezus wil ons met zijn oproep ‘ontzorgen’. Hij drukt ons op het hart dat we ons niet moeten laten misleiden.

Het zijn de heidenen die zich over oppervlakkige dingen druk maken. Je zou kunnen zeggen: wij weten beter. Wie eenmaal is aangeraakt door God raakt dat niet meer kwijt. Je kunt niet meer onder zijn liefde uit. Maar je kunt er ook niet meer onderuit dat Hij op jou rekent. Daarom: zoek líever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid.

 

--

 

Hoe Franciscus tot de vogels preekte en hem dat grote vreugde schonk

 

Op een dag was Franciscus met een groep broeders

op tocht door het dal van Spoleto.

Ze kwamen in de buurt van Bevagna.

En daar zagen ze op een plek

een grote menigte vogels van allerlei pluimage bijeen;

duiven, kraaien, kauwen,

maar ook zangvogels met een heerlijk lied in de keel.

Franciscus werd altijd opgetogen als hij vogels zag of hoorde.

Voor hem waren ze boodschappers van God.

Als hij een leeuwerik op zag vliegen die zijn lied ten beste ging geven,

kwam het hem voor alsof het zijn ziel was die daar boven het korenveld

de lof zong van de Schepper.

De kraai was voor hem ook een grote vriend

omdat die met zijn gekras hem wakker hield

zodat hij niet wegsufte in het gebed.

Zo had iedere vogel voor hem een diepe betekenis.

 

Toen Franciscus die vogels daar bij Bevagna samen zag,

was het net of ze op hem stonden te wachten.

Hij stapte op hen af en groette hen op de manier waarop hij altijd groette:

‘de Heer geve jullie vrede’.

Tegelijk vroeg hij zich verbaasd af,

waarom de vogels niet wegvlogen, zoals ze anders altijd doen.

 

Een grote vreugde welde in hem op

en vriendelijk vroeg hij hun om

naar het woord van God te luisteren.

Daarna sprak hij hen een tijdje toe

en eindigde met de woorden:

"Mijn broeders en zusters, vogels,

jullie brengen grote lof aan jullie Schepper

en jullie zullen Hem altijd van harte beminnen.

Hij is het immers, die jullie veren gaf om je te kleden

en vleugels om te vliegen

en alles wat jullie nodig hebben.

Onder de schepselen gaf Hij jullie een ereplaats

en wees jullie de vrije, zuivere lucht als verblijfplaats aan.

Zaaien doen jullie niet, evenmin als maaien.

Maar dat is ook niet nodig.

Want zonder dat jullie er iets voor hoeven te doen

beschermt Hij jullie en regelt Hij alles voor jullie."

 

Toen begonnen die vogels

- het verhaal heb ik van hemzelf en de broeders, die bij hem waren –

op wonderlijke manier op hun eigen wijze hun vreugde te uiten:

ze rekten hun halzen, strekten hun vleugels uit,

openden hun bek en keken naar hem.

Hij wandelde daarna wat tussen hen rond,

terwijl hij met zijn habijt langs hun kopjes en lijfjes streek.

 

Tenslotte zegende hij hen,

maakte het kruisteken

en gaf ze verlof om weg te vliegen.

 

Vol vreugde ging Franciscus met zijn gezelschap verder en dankte God.

Maar Franciscus vond ook dat hij tekort geschoten was.

Vroeger immers had hij nooit voor vogels gepreekt,

terwijl nu bleek, met hoe grote eerbied

ze luisterden naar het woord van God.

Vanaf die dag spoorde hij vol ijver alle levende wezens aan,

of ze nu in de lucht, op aarde of in het water leefden,

of ze nu zintuigen hadden of niet,

vol vreugde hun Schepper te beminnen en Zijn lof te verkondigen.

 

Naar 1 Celano 58, bewerkt door Guy Dilweg

overweging op zondag 12 september 2021         PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

Jaren heeft Jeremia zijn tijdgenoten opgeroepen om anders te gaan leven. Hij heeft hen gewaarschuwd dat kwaad altijd tot erger wordt. Maar voor God en zijn geboden was geen plaats meer in de samenleving van Jeruzalem en omstreken. En omdat God zich er niet meer thuis voelde, trok Hij zich terug waardoor koning Nebukadnezar vrij spel had. Hij nam heel veel mensen mee naar Babel. Ze hadden het daar niet slecht. Maar het was geen thuis. Liefst zagen de Babyloniërs dat de ballingen zich aanpasten en opgingen in het rijk. De weg van de minste weerstand. Maar er waren ook mensen die ervan uitgingen dat God snel genoeg terug zou komen op zijn besluit om zijn handen van Juda af te trekken. Even volhouden, stil maar wacht maar, het gaat wel weer voorbij. Maar Jeremia komt met een derde mogelijkheid. En daarover schrijft hij een brief.

 

uit de Bijbel: Jeremia 29: 1, 4-14

 

hoop

Afgelopen week werd in de Rijnhaven een energieneutraal kantoorgebouw geopend. Gebouwd met het oog op de toekomst, duurzaam en zelfvoorzienend. Kristalina Georgieva houdt een toespraak. Zij is directeur van het Internationaal Monetair Fonds maar zij is op dat moment  vooral oma. Want ze heeft haar kleindochter van 11 meegenomen. De toespraak gaat over haar toekomst. Want als zij 40 is, zijn de klimaatdoelen wellicht niet gehaald. Geëmotioneerd spreekt oma Kristalina de hoop uit dat haar kleindochter niet hoeft te leven met de gevolgen van de klimaatverandering.

Waar míjn ouders en hún ouders hóóp hadden dat hun kinderen het beter zouden krijgen dan zij, hebben we nu vooral zórg om de volgende generaties. Maar het zou nergens toe leiden als we alleen maar bezorgd waren en ons niet verantwoordelijk voelden voor de bewoonbaarheid van de wereld die we hen nalaten. Als wíj onze handen ervan af trekken omdat we er niet meer in geloven, als wíj geen hoop meer hebben, dan is alles verloren.

Hóe houd je hoop?

In Babel lopen profeten rond die zeggen: wacht maar af, het gaat vanzelf voorbij. Wij hoeven niets te veranderen. Ze lijken verdacht veel op de mensen van nu, die ontkennen dat er iets aan de hand is en dat er iets moet gebeuren. Van die valse profeten zegt God, ik heb ze niet gestuurd. Ik hoor erin dat ook van ons vandaag niet wordt gevraagd dat we lijden wat ons overkomt en het gelovig uitzitten tot de dag komt dat God ons verlossen zal. Ons opsluiten in de kerk, in ons geloof, biedt geen garantie tegen het razen van de tijd en het geeft geen hoop. Dat is één.

De Babyloniërs zien het liefst dat de ballingen worden als zij en hun tradities, geloof, waarden en dromen opgeven. Dan wordt hun invloed vanzelf minder. Het kan verleidelijk zijn om mee te geven, om toe te staan dat geloof verwaterd, om het los te laten. Hoe weinig hoopvol is dat.

Jeremia wijst een derde, begaanbare weg. Niet je opsluiten, niet verdwijnen. Hij roept juist op om méér te worden. Krijg zonen en dochters, krijg kleinkinderen. Hoe hoopvol is dat al. Dat een volgende generatie zich aandient. Het betekent voor vandaag dat wij, christenen, mensen van de kerk, níet moeten opgaan in wat de wereld brengt en langzaam verdwijnen. We zouden juist moeten groeien, een ander geluid laten horen, een tegengeluid.   

 

vrede voor de stad

Of we het nu leuk vinden of niet, dit is de wereld waarin wij leven. Hier bouwen wij huizen, zoeken een partner, krijgen kinderen en kleinkinderen. We zien en ervaren dat deze wereld lijdt onder het kwaad dat haar wordt aangedaan in allerlei opzicht. We doen elkaar geweld aan; we doen de schepping geweld aan. Ik zeg ‘we’ want daar staan we niet buiten; we zijn er hoe dan ook deel van, hebben er een aandeel in. Die stad, die wereld, bid ervoor, zegt God. Bid voor de stad waarheen ik jullie heb weggevoerd en ze je in voor haar bloei want de bloei van de stad is ook jullie bloei. Ik lees het ook voor uit de Statenvertaling.

En zoekt de vrede van de stad……want in haar vrede zult gij vrede hebben. Dat is de escape, de derde weg. De weg van de vrede, de shalom. Hoe zou een stad eruit zien waar die vrede zou heersen? Toch heel anders dan de gemiddelde stad? Niemand zou eenzaam zijn; jongeren zouden zich niet verloren voelen en boos de straat opgaan met een mes; er zou respect zijn voor de schepping in de keuze wát willen we bouwen en waar; mensen zouden zich veilig voelen. Wat een prachtige stad zou dát zijn! Jullie bloei hangt samen met de bloei van de stad, zegt God. Jullie vrede hangt samen met die van de wereld. En dát heb ik voor ogen; dat jullie gelukkig zijn. Jullie shalom, niet het kwaad, is wat mij voor ogen staat. Een ándere stad, een nieuwe wereld waar mensen tot bloei komen, waar ieder tot zijn recht komt. De hemel op aarde.

Jezus zal later zeggen: jullie zijn het licht voor de wereld. Een stad op een berg is overal vandaan zichtbaar. Laat je licht daarom schijnen, verberg je niet. (Matteus 5:12) Ook Hij heeft onze vrede en ons geluk voor ogen.

 

Van U is de toekomst

Het jaarthema van de Protestantse Kerk Nederland is ‘Van U is de toekomst’. Eigenlijk een beetje misleidend thema. Het zou maar zo kunnen betekenen dat wij onze handen ervan aftrekken. Het is immers in Gods hand. ‘Van U is deze wereld, deze tijd…’ zingen we zo na de preek. (NL 362:3) Tot hiertoe is Hij onze toekomst. Maar aan ons godsvertrouwen gaat verantwoordelijkheidsbesef vooraf. God vraagt ons in zijn dienstwerk en trekt ons mee in zíjn betrokkenheid en bewogenheid voor deze wereld.

Laten we bidden voor de stad, ons inzetten voor de shalom van onze samenleving waarin onze kinderen en kleinkinderen opgroeien. Laten we vechten voor de bloei en het geluk van mensen; niet alleen in de kerk maar juist ook daarbuiten.  

 

Van U is de toekomst, God, kome wat komt. Bewaar ons ervoor dat wij uw nieuwe wereld in de weg staan, behoed ons voor onverschilligheid. Laat uw koninkrijk komen én uw wil gedaan worden op aarde, zoals in de hemel. Amen.

 

lied: Hij die gesproken heeft, NL 362

Sssst!

Written by

overweging op zondag 5 september 2021        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Galaten 3: 26-28 en 1 Korintiers 14: 26-40

 

Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat.

 

buitengesloten

Ik was nog maar net predikant in mijn eerste gemeente toen Bas en ik werden uitgenodigd om de opening van een tentoonstelling bij te wonen. Een gemeentelid wilde ons voorstellen aan de kunstenaar en zei met een armgebaar: En dit is onze nieuwe predikant. Waarop de man voor mij langs reikte en Bas een hand gaf om hem hartelijk welkom te heten in het dorp. Een fraai staaltje alledaags seksisme waarom we hartelijk hebben gelachen. Maar als je op vergaderingen wordt aangesproken met mevrouw en mannelijke collega’s als dominee, als je op je qui vive moet zijn dat je niet de rol toebedeeld krijgt om rond te gaan met de koffie, dan is het toch niet zo leuk meer. Net zo min als ik nog geduld heb met mensen die zeggen: u lijkt helemaal niet op een dominee. Waar lijkt een dominee dan op? Op een man? Als vaak genoeg gezegd wordt dat je niet aan de verwachtingen voldoet, gaat dat vanzelf een keer ondermijnend werken. Maar als ik aankaart waar ik in de kerk te maken heb met ongelijkheid, krijg ik te horen dat er mensen zijn met ‘echte problemen.

En dan ben ik nog voorganger in een deel van de kerk waar vrouwelijke voorgangers worden geaccepteerd; sterker nog waar steeds meer vrouwen zijn. Helemaal niet om te lachen is het voor die vrouwen die een verhaal te vertellen hebben maar dat niet mogen; dat kwaliteiten van vrouwen ongebruikt blijven omdat ze dat van de Bijbel niet zouden mogen. Er zijn collega’s die geworsteld hebben met hun eigen geloof omdat zij zich geroepen wisten door de Geest en tegelijkertijd lid waren van een kerk waar zij niets met hun gaven konden.

Wat heeft Paulus bezield om te schrijven dat vrouwen moeten zwijgen? Wat bedoelde hij ermee dat zij zich moeten onderwerpen aan hun echtgenoot? Hij, die nota bene ook schreef dat in Christus geen onderscheid bestaat tussen mannen en vrouwen, dat er eenheid is. Paulus, die samenwerkte met vrouwen en grote waardering had voor hun opbouwende werk in de gemeente. [ Voor Febe, bijvoorbeeld, afkomstig uit de omgeving van Korinte en uitgezonden naar Rome; voor Junia, apostel net als Paulus, die aanzien geniet en omwille van haar verkondiging zelfs in de gevangenis heeft gezeten (resp Rom 16: 1, 16: 6) ]

Hoe is het toch mogelijk dat men zo kritiekloos als norm heeft aangenomen wat Paulus lang geleden schreef? Waarom is het niet genuanceerd in het licht van de waardering voor vrouwen die hij óók uitspreekt?

Ik dacht, wat zou Paulus hier nu van vinden. Vandaag. Wat zou hij schrijven aan mij, aan mijn zusters. En dit is het geworden.

 

Van Paulus, apostel van Christus aan Lyonne

Éen ding heeft me altijd gedreven: het evangelie van Jezus Christus. Hij zegde vergeving aan en genas mensen die tot dan toe buiten de boot vielen. Hij sprak met vrouwen, genas vrouwen en vergaf hen. Vrouwen behoorden tot zijn volgelingen.

Zijn gelijkenissen gaan over het leven van mannen én vrouwen. Hij verkondigde een vrijheid en gelijkheid die in zijn tijd ongebruikelijk was. En het waren vrouwen die als eerste getuigen waren van zijn opstanding. Zij waren de eerste apostelen want zij hadden de Levende Heer gezien en van hem hun opdracht ontvangen.

Daar konden we niet meer achter terug. Van harte heb ik samengewerkt met vrouwen; ik heb hun gastvrijheid genoten als zij hun huis openstelden voor de samenkomsten van de gemeenten. En ik heb van harte geloofd dat het wáár is dat in Christus alle mensen één zijn. Dat wij in Gods ogen allemaal kinderen van de belofte zijn. En dat allemaal op dezelfde manier kunnen groeien in ons geloof, op dezelfde manier Gods vergeving nodig hebben. En toch… ik was een kind van mijn tijd. En wat in de kerk wél zou moeten kunnen, daar was in de samenleving om ons heen helemaal geen sprake van. Het was in de wet verankerd dat mannen verantwoordelijk waren voor vrouwen. Posities buiten het huishouden waren voor hen niet weggelegd. Onderwijs was niet voor hen bedoeld. Stel je voor dat een vrouw buitenshuis wél iets te zeggen zou hebben, wat zou dat dan betekenen voor de verhoudingen thuis? Wat we in de gemeente voorstonden, botste met de cultuur daarbuiten. Ondanks mijn grote waardering voor vrouwen én mijn geloof in de eenheid van Christus heb ik daarmee geworsteld.  

 

ondergeschikt belang

Maar je hebt gelijk als je mij tegenspreekt over wat ik schreef, dat vrouwen moeten zwijgen en ondergeschikt blijven. Ik zeg het nogmaals: één ding heeft me altijd gedreven, het evangelie van Jezus Christus. En dat stond in de gemeente van Korinte onder druk: de geloofwaardigheid van het evangelie. Stel je voor, als de gemeente van Christus daar samenkwam was het een gekrakeel van jewelste. Iedereen wilde in klanktaal spreken. De een nog luider dan de ander. Er was geen touw aan vast te knopen want er was niemand om het uit leggen. In de oren van gelovigen was het dus alleen maar bla bla bla. Maar buitenstaanders zullen wel gedacht hebben: wat  een krankzinnige bende is dit.

Mensen stonden te dringen om te profeteren. Ik heb geprobeerd hen erop aan te spreken dat je dan wel de talen van engelen en mensen wil kunt spreken, maar dat het zonder liefde klinkt als een schelle cimbaal en een dreunende gong. (1 Kor 13:1) Tevergeefs. Gemeenteleden overschreeuwden elkaar. En als een man preekte werd hij soms luidkeels terecht gewezen door zijn echtgenote. Het is zelfs gebeurd dat vrouwen onderling begonnen te kijven omdat ze het oneens waren over wat de man van de ander verkondigde.

Dit bouwde op geen enkele manier de gemeente op. En het verhinderde dat het evangelie mensen bereikte die het nog niet hadden gehoord. Het maakte het evangelie zelfs compleet ongeloofwaardig. Er was rust nodig, en orde. En ik heb geprobeerd die orde te scheppen zoals God ook orde schiep in de chaos van het begin.

Het is dáárom dat ik schreef dat vrouwen moeten zwijgen. Getrouwde vrouwen welteverstaan. Zij kunnen hun man thuis om uitleg vragen. En als ze het oneens met hem zijn, kunnen ze dat beter thuis bespreken dan in het openbaar.

Het ging me dus niet om de vrouwen maar om het belang van de gemeente. In het bijzonder de gemeente in Korinte. Een stad die toch al bekend stond om zijn losse moraal, met mensen vol goede wil maar toch ook een beetje volks en grof. Ik vind het vreselijk dat men later zo aan de haal is gegaan met mijn woorden en dat het vrouwen is verboden om te bidden en te profeteren. Dat heb ík nooit verboden. Ik heb alleen geprobeerd het te reguleren. (lees bijv 1 Kor 11: 5) Vrouwen moeten ondergeschikt blijven. Ja, dat heb ik geschreven. Ondergeschikt aan het belang van de gemeente en het evangelie! Niet aan de mannen. Niet aan de leiding van de kerk. Het spijt me meer dan ik kan zeggen dat het zo is misverstaan. Genade en vrede voor jou, Paulus.

 

iedereen draagt iets bij

Door dat ene vers is in het gedrang gekomen wat Paulus nog meer heeft geschreven en wat wij ter harte zouden kunnen nemen om als gemeente van Christus te bloeien en het evangelie van harte te verkondigen.

Ten eerste, iederéén draagt iets bij dat de gemeente kan opbouwen: een lied, een onderwijzing, een uiting in klanktaal of de uitleg daarvan. Iedereen! Mannen en vrouwen, ouderen en kinderen, mensen met lef en de stillen in den lande, de denkers en de doeners. Daarin zijn we gelijk, éen in Christus. Een mooie vraag om aan onszelf te stellen: wat draag ík dan bij, wat kan ik betekenen? Waar ben ik nodig? Waar men in Korinte teveel op de voorgrond drong, zijn we hier misschien te bescheiden over onze eigen gaven, over de tijd die we beschikbaar hebben. En de luwte bevalt ons soms best. Dus: durf te spreken.

Maar… durf ook te zwijgen. Heb vertrouwen in diegenen die leiding nemen en val hen niet af. Wees je er, net als Paulus, van bewust dat de samenkomsten van de gemeente ook een gezicht naar buiten zijn. Met elkaar dragen wij bij aan een de orde en de vrede waarbinnen het evangelie kan floreren. Daaraan zijn we allemaal ondergeschikt.

En ten laatste, zijn we soms niet te véél bezig met het in stand houden van de gemeente, de kerk; zo veel dat de gemeente doel op zich is geworden in plaats van slechts een middel om het evangelie te verkondigen. We maken ons bezorgd over de inkomsten, over de geringe aanwas van de jeugd; we maken ons zorgen of De Open Hof ná corona even bruisend zal zijn als ervoor. Het is goed om ervoor te waken dat de gemeente nooit een doel in zich is. Maar een middel om het evangelie te verspreiden; een afbeelding van Gods koninkrijk op aarde.

Dat ene vers, zo uit zijn verband gehaald, is een tekst met grote gevolgen. Ik hoop en bid dat de gehele tekst grote gevolgen zal hebben als het gaat over onze bevlogenheid, over hoe warm we lopen voor onze gemeente en voor het evangelie van onze Heer Jezus Christus.

overweging op zondag 18 juli 2021           PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Jesaja 63: 7-9 en Matteus 11: 28-30

tekst: Voetstappen in het zand

 

gezien

Als iemand tegen je zegt:

Kom maar naar mij, jij die zo moe bent,

dan doet dat al meteen goed.

Want het betekent dat het gezien is,

dat jij een flinke rugzak hebt.

Het is gezien dat je moe bent omdat je veel te verdragen hebt.

En dat je soms niet veel meer hebben kunt.

Alleen al de erkenning dat het niet meevalt,

kan maken dat je tóch nog even door kunt.

De liederen die we vandaag zingen hebben allemaal het woord ‘dragen’ in zich.

(NL 23b: 1 en 2; NL 868: 2, NL 275: 1, 2 en 3 en NL 936)

Omdat God zich meer dan eens laat kennen als een God die draagt.

Zoals een vader of moeder een kind optilt.

Vanuit eenzelfde zorgzaamheid zal God dat doen.

Natuurlijk zal hij zorgen voor Israël, lazen we in Jesaja.

Hij wil hun redder en bevrijder zijn.

Hij is naar zijn volk toegekomen, heeft het in de armen genomen als een kind

en weggedragen uit Egypte. En ook in de woestijn droeg Hij hen.

Niet een stukje, maar de hele weg.(lees bijv Deut 1:31 en Num 11:12)

Die dragende God is een geliefd beeld;

De tekst van de Voetstappen in het zand is bij velen in het hart geschreven.

Omdat ze ervaren hebben dat het zo is. Of zouden willen dat het zo mag zijn.

God is als een Vader die ons beschermt als een kind op zijn arm.

En die God, zegt Jezus, dat is míjn Vader.

Net als de Vader wil de Zoon een plaats zijn om tot rust te komen.

Een grazige weide zijn; beschermende vleugels boven ons, onder ons.

 

juk

Jezus geeft wie hem wil volgen ándere bagage mee.

‘Neem míjn juk op je en leer van Míj.’

Niet de last die de wetgeleerden opleggen aan het volk.

De Tien Woorden van God zijn in Jezus’ tijd uitgegroeid tot een indrukwekkende bijlage van 613 regels en voorschriften.

Het zijn er zoveel dat het dagelijkse leven er ingewikkeld van kan worden. 

(zie bijv Lucas 13: 15 of  Mc 2: 23v)

Dat zijn er zoveel dat je er altijd wel een vergeet en het net niet helemaal goed doet.

Zo keken de wetgeleerden en Farizeeën dan ook aan tegen ‘het volk’.

Dat kon geen goed doen in hun ogen.

 

Het irriteert Jezus dat zij de voorschriften als een last opleggen aan het volk

en geen vinger uitsteken om die last te verlichten.

Pas maar op, zegt Hij, want ze houden zich er zelf ook niet aan.

(Mat 23: 4)

De wetgeleerden hebben weinig begrepen van het geheim van Gods koninkrijk.

Hun leer drukt de mensen neer en zorgt dat ze nooit rust hebben.

Doen wij het zoveel beter? Ik vraag het me af.

We zijn een regelzuchtig volk geworden.

We nemen elkaar graag de maat als de regels worden overtreden.

Soms lijkt het wel alsof we er op uit zijn om een ander op een fout te betrappen.

Corona heeft wat dat betreft niet het beste in ons wakker gemaakt.

In onze tijd gaan ook zoveel mensen gebukt

onder de verwachtingen die ze zichzelf opleggen.

Of opgelegd krijgen van hun omgeving.

Er zijn zoveel ongeschreven normen

waaraan je zou moeten voldoen om erbij te mogen horen.

Op school, op je werk, in je familie…

overal kan het gebeuren dat je op je tenen moet lopen.

Burn out is een volksziekte aan het worden. Bij jongeren al nota bene.

Ik ken zoveel mensen die nú pas aan het leren zijn

dat niet alles perfect hoeft te zijn

en dat je je onder je eigen regels en verwachtingen vandaan mag vechten.

 

rust

Kom maar naar mij, jij die gebukt gaat onder last.

En ik zal je rust geven. Het leven bestaat immers niet alleen uit zwoegen.

God zelf heeft ons geleerd dat we ook van ophouden mogen weten.

Rust maakt deel uit van de scheppingsweek, de werkweek van God.

We zijn er niet altijd even goed in. Gaan soms maar door en door

zonder een pauze te nemen. Want dat staat er in het Grieks:

ik zal jullie een pauze geven. (Gr anapausoo)

Maar Jezus bedoelt meer dan alleen uitrusten.

Die rust die Hij geeft is ook: ‘er gerust op zijn’, vertrouwen dat je op de goede weg bent,

de weg die God je aanwijst.

Het is de kalme zekerheid dat het goed zit tussen jou en God.

(lees bijv Jer 6:16 en Joz 1:13)

De rust die Jezus wil geven is dat een mens zich niet opgejaagd voelt

door alles wat moet of niet mag.

Hij wil ons bevrijden van de krampachtigheid en de angst of je goed genoeg bent. Hij bevrijdt ons van het set schuldig staan voor God,

het schuldig gehouden worden door mensen,

Dat is voorbij. Jezus verbindt de mens op een nieuwe manier met God.

Vanuit de vergeving en de goedheid.

Dat betekent ook dat hij de mens op een nieuwe manier verbindt met de medemens.

Nou ja, nieuw. Zo was het al. God was die dragende Vader al lang.

Het was alleen ondergesneeuwd geraakt omdat de wet een doel op zich geworden was.

 

licht

Míjn juk is zacht en míjn last is licht. Het is makkelijker te dragen. Gebruiksvriendelijker.

Wat Jezus verandert is dat het niet gaat om het keurslijf van regels en voorschriften

niet om de leer, maar om de leraar.

Ben je bereid om hem te volgen en te leven zoals Hij leeft.

Dat is de vraag die in dit stukje wordt gesteld.

Het blijft een juk. En het blijft een belasting.

Maar het is te dragen. En het is vrijwillig.

En degene die het oplegt, kun je vertrouwen want Hij duikt er zelf niet voor weg.

Hij dóet zelf ook wat Hij oplegt aan anderen.

Hij vraagt ons om elkaar te dragen.

Om ons over elkaar te ontfermen, zoals Hij dat heeft gedaan.

Gelukkig zijn we als we ervaren dat het zo ís.

Dat we gedragen worden door de warme aandacht van de mensen om ons heen.

Jezus vraagt ons om wat van elkaar te verdragen

zoals Hij alles wat menselijk is te verdragen heeft gekregen.

(lees hierbij Jesaja 53:4vv) Hij droeg de last van de menselijke schuld weg.

Hij droeg het kwade weg. Dát is voor ons een veel te zware last.

Maar de last die Jezus ons oplegt is licht.

Omdat het in liefde wordt gedragen.

 

Wat dat juk is, en die last, dat weten we maar al te goed.

Ooit sprak ik een moeder met twee autistische kinderen.

Hun hele leven lang is zij met hen bezig.

‘Wat heb ik verlangd naar het moederschap’, zei ze;

‘en wat is het me vreselijk tegengevallen. Maar wat houd ik van die kinderen.’

Ik denk ook aan diegenen die als mantelzorger hun partner bijstaan,

of kinderen die voor een ouder zorgen, of verantwoordelijk zijn voor een broer of zus.

Hoe zwaar het ook valt, voor velen geldt dat zij het in liefde op zich nemen.

(Luister eens naar: The Hollies, He ain’t heavy, he’s my brother)

 

En wat zijn er veel anderen die bewondering en respect afdwingen door hun inzet,

hun aandacht voor hun taak, hun tijd voor mensen. Ook zij doen het met liefde.

Het is niet noodzakelijk licht. Je voelt het wel degelijk drukken op je schouders.

Maar het komt op je weg of het hoort bij je werk, en je zegt geen nee.

Want dat zit niet in je aard.

Ik haast me om hierbij te zeggen

dat mantelzorg, of welke vorm van zorg dan ook, ons niet te gronde mag richten.

Jezus heeft zijn leven geven. Zóver kunnen we niet gaan.

Zover hoeven wij niet te gaan. Dat is al voor ons volbracht.

 

De draagkracht die Jezus van ons vraagt

wortelt in het vertrouwen dat wij zelf gedragen zijn.

Gedragen door de Geest, door de kracht van de liefde.

Alleen zo kunnen wij anderen dragen.

 

‘Er is nog zomer en genoeg

wat zou het loodzwaar

tillen zijn wat een gezwoeg

als iedereen niet iedereen ter wille

was als iedereen niet iedereen

op handen droeg.’

(Judith Herzberg)

overweging op zondag 11 juli 2021           PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Genesis 11: 18-27

(afbeelding: Drunkenness of Noah, Bellini) 

 

een grote donkere man

‘De wijn maakte hem lichtzinnig en zorgeloos. Die oude man werd dronken. Toen leek het wel alsof hij zijn verstand niet meer had. Hij waggelde naar zijn tent en ging naakt op de grond liggen slapen. Zo dwaas had de wijn die oude wijze man gemaakt. Zo dwaas had de zonde van de onmatigheid hem gemaakt. Wie was die oude man? Dat was Noach.’ ‘De zondvloed had de zonde niet weggenomen van de aarde. Die was blijven wonen in de harten.’

‘Toen kwamen er voetstappen aan. Er klonk een spottende lach. Een grote donkere man kwam voor de open deur van de tent staan en keek naar de slapende Noach. Het was Cham. Hij lachte om zijn vader en bespotte hem. Daarna liep hij naar zijn broers om te vertellen wat hij gezien had.’

 

Dit komt uit de kinderbijbel van Anne de Vries, waarmee heel veel mensen zijn opgegroeid. Van dit citaat, dat ik overigens behoorlijk heb ingekort, zijn maar twee zinnen waar. Noach wordt dronken en gaat naakt liggen slapen. En Cham vertelt dat aan zijn broers. In de Bijbeltekst wordt het gedrag van Noach niet veroordeeld met termen als lichtzinnig, zonder verstand of gewaggel. Het gaat ook niet over de zonde. Maar de ergste uitglijder is dat de figuur van Cham wordt ingekleurd. Hij lacht zijn vader uit, bespot hem. Hij is groot en donker. En daarom, lieve jongens en meisjes, werd Cham vervloekt. Hij en zijn nakomelingen zullen voor altijd de knechten zijn van de andere volken.

 

Deze Bijbeltekst is lang gebruikt om de handel in slaven te verantwoorden. Donkere mensen, dat waren de nakomelingen van Cham. Knechten moesten die zijn. De verschillen in blank en zwart, apartheid en racisme, werden met de Bijbel in de hand verklaard. Ook ik ben opgegroeid met Anne de Vries. Op de tafel van de meester stond een spaarpotje voor de arme negertjes in de Derde Wereld waar elke maandag een kwartje in ging. Ik leerde ‘Moriaantje, zo zwart als roet’ en Zwarte Piet hoorde er gewoon bij. Het omstreden paneel van de gouden koets, dat als beschamend en beschadigend wordt ervaren, doet geen pijn aan míjn ogen. Dat soort plaatjes stond ook in de boeken waaruit ik les kreeg. Maar dat was díe tijd.

 

In ónze tijd wordt steeds nadrukkelijker gevraagd om erkenning van het leed dat mensen door de slavenhandel is aangedaan. Het maken van excuses is een onderwerp op de politieke agenda geworden en ook de gouden koets is het laatste woord nog niet gezegd. De kleinkinderen en achterkleinkinderen van tot slaaf gemaakten vertellen hoe de opgelopen achterstand tot op vandaag doorwerkt.

We zullen het er snel over eens zijn dat deze manier van Bijbel uitleggen nu écht niet meer kan. Het is dan ook een ándere tijd. Een belangrijke waarde is dat iedereen gelijk is, gelijke kansen mag hebben.

Tegelijkertijd zien en horen we dat dat lang niet altijd zo is. We verzetten ons tegen openlijk racisme. Maar in het verborgene kan er nog veel verbeterd worden. Niemand wil racist worden genoemd. Toch merken we dat racisme niet zomaar is uitgebannen. Ook niet in onszelf.

 

anders lezen

We gaan anders lezen. Dichter op de tekst. Wat lezen we dan?

Met de zonen van Noach begon de verspreiding van de mensheid over de hele aarde. Zeventig volken zijn het. (alle namen uit de lijst in Genesis 10) Zo had God het bedoeld: dat de mensheid zou groeien en de aarde bevolkt zou worden. (Gen 1:28 en Gen 9:7) Maar waarom dit wonderlijke intermezzo? Het is ook nu weer goed om te bedenken dat deze verhalen van het begin werden opgeschreven tijdens de ballingschap in Babel. Ver van huis vertellen zij hoe ze slaven waren in Egypte, hoe zij strijd hebben geleverd met de Filistijnen en de Kanaänieten en hoe ze als gevangenen zijn meegenomen door de Babyloniërs. En laten die volken nu allemaal afstammelingen zijn van Cham, de zoon van Noach. In hun geschiedenis spelen steden als Sodom, Gomorra en Nineve, een bedenkelijke rol. Daarin gebeurt wat je als gelovig mens níet zou moeten doen. Alle strijd die Israël heeft gevoerd is met nakomelingen van dat vervloekte Kanaän. En zo vertellen ze het dus ook: Kanaän -niet Cham!) is vervloekt. De volken die uit hem geboren worden vertegenwoordigen niet alleen dat waartegen de Tora zich verzet en waar de profeten kritiek op hebben maar ook datgene waarvoor Israël zelf ook gevoelig is.

Want zij blijken vaak niet sterk genoeg om bij de Tora te blijven.

Het zijn volken die zich vestigen en steden bouwen. Samenlevingen die gebouwd worden op bezit en rijkdom, al te vaak ten koste van kwetsbaren en zwakken. Wat mensen kunnen bereiken wordt verafgood. De maakbaarheid van het leven wordt en de vruchtbaarheid worden geëerd met hoge heilige palen, enorme vruchtbaarheidssymbolen. (bijv: Ex 34:13, Rich 6: 25vv) En nu ligt daar Noach, met zijn symbool van vruchtbaarheid open en bloot.     

Daar laat Cham zijn broers naar kijken. De zonde van Cham is dat hij maar een deel ziet van zijn vader. Hij ziet niet zijn kwetsbaarheid maar de menselijke zelfoverschatting.  

 

Dit verhaal vertelt dus niet over rassenscheiding. God heeft de mensen ook niet verschillend van elkaar geschapen. Hij schiep de dieren in soorten. Maar de mens schiep Hij naar zijn evenbeeld, mannelijk en vrouwelijk, kleurrijk.

Dit verhaal wil niet een deel van de mensheid veroordelen, maar een manier van leven die slecht past bij het geloof in de God van Israël. Geloof in eigen macht en kracht kan makkelijk ontsporen. God kan misbruikt worden om structuren te sanctioneren; racisme, fascisme, maar bijvoorbeeld ook het machtsmisbruik van de kerken.

Maar God laat zich kennen als de bondgenoot van wie kwetsbaar is. Hij is niet de God van de vaste oude paden maar een God die mee beweegt en uitnodigt nieuwe wegen te verkennen. De focus ligt niet op wat mensen tot stand hebben gebracht maar op wat zij ontvangen mogen. Het gaat niet om hun macht maar om hun naakte weerloosheid, en om God die hen omgeven wil als een mantel.

 

Dat vervloekte Kanaän waar tegen ieder die gelooft in God vecht. Tegenover die vloek staat de zegen. Niet Sem wordt gezegend maar de God van Sem. Als je tegen Sem zou zeggen, je bent een gezegend mens, dan zou hij die eer direct aan God geven.

En ook Jafet wordt niet gezegend maar er wordt voor hem gebeden dat er ruimte zal zijn in de tenten van Sem. Sem is dus als oudste geroepen om onderdak te bieden aan Jafet. Om gastvrij en solidair te zijn. Uit Sem zal Abraham voortkomen, stamvader van Israël, Gods troetelkind. Maar God heeft meer kinderen.

En het is een Bijbelse droom dat eens alle volken één zullen zijn. Al zijn kinderen om één tafel. (bijv. Psalm 87, 72, Jes 2 en Micha 4)

Als Matteus vertelt over de geboorte van Gods Zoon, laat hij drie vreemdelingen op bezoek komen. De traditie vulde dat aan, drie koningen uit het land van Sem, van Cham en van Jafet. Omdat de Zoon alle mensen, alle volken, tot de Vader wil brengen. Om zo de droom van de profeten in vervulling te laten gaan.

Jesaja droomt van de dag dat God op een berg een feestmaal zal aanrichten. De volken zullen toestromen om te eten van de uitgelezen gerechten en te drinken van de belegen wijnen. (Jesaja 25: 6-9)

 

dronken

En zo komen we weer bij waar het begon, de wijngaard van Noach. In de eerste plaats is hij landbouwer. Om te eten zal hij moeten werken. Zwoegen en zweten zal dat zijn. (Lees Genesis 3: 17-19) Maar er valt ook te genieten. De dronkenschap van Noach is geen zonde, zoals Anne de Vries vertelt. Noach, de ontdekker van de wijn, moet alleen nog leren maat houden. De wijn van de vreugde mag rijkelijk vloeien en je helemaal dronken van geluk maken. Want daar staat de wijn voor, geluk met God. Hoe we soms ook ploeteren en zwoegen.

Denk aan de enorme druiventros die de twee verspieders tussen zich in meenamen uit het beloofde land. Of aan de profeet Micha, die droomt van vrede en rust, geen strijd meer tussen de volken, zodat mensen bij hun eigen wijnstok kunnen zitten. (Micha 4: 4)  En aan Jezus die de wijn liet vloeien als water. Kortom, het leven is goed voor Noach. Er rust zegen op. Voor zijn naaktheid hoeft hij zich niet te schamen. Die brengt ons weer even terug in het paradijs. Want uiteindelijk gaat het zondvloedverhaal over de vernieuwde schepping, waar de mens leert leven tussen goed en kwaad. Het blijft vallen en opstaan. Valkuilen genoeg. Maar ook het geduld van God is groot genoeg. Zijn boog in de wolken is nog altijd te zien.

overstapdienst ‘Kleurrijk’     PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

4 juli 2021                 

 (afbeelding: Marc Chagall, ca 1963, gedicht Heenzending in: Wuif de mussen uit. Querido

In deze dienst vieren we de overstap van de kinderen van de kinderdienst naar de tienerdienst, van basisschool naar brugklas.

Aan deze dienst is een ouderavond vooraf gegaan. De kleuren van de regenboog spelen een rol door de hele dienst heen. 

 

ROOD, de kleur van de liefde

o: Dank de Heer, want Hij is goed.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

o: Hij heeft met wijsheid de hemel gemaakt.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

o: Hij heeft de aarde vastgezet in de zee.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

o: Hij maakte de zon en de maan.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

 

PAARS, de kleur van stil zijn en verdriet

We bidden om Gods ontferming over alles wat verdrietig is en moeilijk.

 

GEEL: We zingen een loflied omdat we mogen vertrouwen dat God altijd bij ons is; even vanzelfsprekend als de zon die elke morgen opkomt.

 

GROEN, de kleur van de hoop: het verhaal van de ark

 

lied: Kleuren kleuren https://www.youtube.com/watch?v=pefF-QEgzdo

 

BLAUW, de kleur van water; we staan stil bij het doopvont, bij de groei van onze kinderen vanaf hun geboorte tot nu. In ons opvoeden proberen we hen zo goed mogelijk vast te houden én los te laten.

 

muziek: True Colors. Op deze muziek is een filmpje gemaakt met foto’s van de overstappers. Er zijn foto’s van hun doop en/of babytijd, van hun gezin en van nu.

 

ORANJE, de kleur van de vreugde, van aanmoediging

De overstappers worden toegesproken door de leiding van de kinderdienst. Zij krijgen de wensen van gemeenteleden mee. De afgelopen weken heeft er voor elke overstapper een wensenpot in de hal gestaan. Daar konden gemeenteleden een kaartje met een goede wens in stoppen.

 

VIOLET, gevoel van kracht en je persoonlijke zoektocht

Elke overstapper krijgt een T-shirt in een eigen kleur van zijn/haar ouders. De ouders hebben er thuis op gestempeld, genaaid, geniet, getekend en geschreven wat hun kind typeert. Zij lichten het tijdens de dienst kort toe.  

 

De ouders pakken de punten van een veelkleurige parachute. De overstappers nemen eronder plaats en we zingen hen Gods zegen toe. Daarna nemen de tieners hen mee naar de Tienerdienst.

 

uit de Bijbel: Genesis 9: 8-17

 

lied: o God die uit het water, NL 356: 1, 2, 6 en 7

 

eenzijdige liefde

De initiatiefnemer voor het verbond is God. Het hele idee gaat van hem uit. Dit zal Hij nooit meer doen. Nooit meer hoeft Noach bang te zijn dat God de aarde en alles wat erop leeft zal vernietigen. Noach en zijn nakomelingen niet; de generaties na Noach niet. Nu niet en nooit niet, tot in eeuwigheid.

Hierbij sluit Ík een verbond met jullie. De inspanningsverplichting ligt bij hem. De boog in de wolken is in de eerste plaats een hemelse geheugensteun voor hem zelf. Het komt er op neer dat God heeft in dit verbond veel te verliezen heeft en de mens weinig. In eerste instantie is het een eenzijdige, onvoorwaardelijke relatie tussen God en de mens.

God is degene die teleurgesteld kan worden, of gekwetst.

Wij weten wat dat is, zo’n eenzijdige liefdesrelatie.

Want als alles goed gaat, is de relatie tussen ouders en hun kinderen zo.

Onvoorwaardelijk. Als kind ontvang je die liefde van je ouders. En op jouw beurt stop je  als ouder al je liefde in je kind, zonder er iets voor terug te verwachten.

Met de schepping van de mensen, en nu bij deze herkansing voor Noach en zijn gezin,

waagt God het erop om zijn liefde te investeren. Verwachtingsvol wat het wordt. Want het blijft niet eenzijdig.

 

gedeelde verantwoordelijkheid

Als teken van zijn verbond met de mensen hangt God zijn boog in de wolken. De regenboog is voor veel organisaties het symbool waarmee zij willen onderstrepen wat hun missie is. Er zijn ontelbaar veel scholen die de Regenboog heten, en kerkgebouwen. Het staat voor hoop, voor bouwen aan toekomst. Maar ook voor inclusiviteit, zoals bij de LHBTQ-gemeenschap, in alle veelkleurigheid zijn mensen één. Het is een prachtsymbool. Een veelkleurige boog, teken van Gods trouw, om onder te schuilen.

Maar er staat ook iets anders. De boog is de strijdboog, een wapen om pijlen mee te schieten, bedoeld om iemand mee te treffen. Het is de boog waarmee Esau ging jagen en waarmee Jonathan oefende voor de oorlog. In de mythologie van Babel, waar de Joden elkaar het verhaal van de ark vertelden, vermaken de goden zich door het willekeurig afschieten van pijlen om de mensen te raken. Díe boog, het wapen van willekeur en strijd, díe hangt God in de wolken. Hij wil geen God zijn die zijn macht uitoefent over de aarde en de mensen die daarop wonen. Hij wil zijn macht delen. Zijn boog komt in de wolken, tussen hemel en aarde. Omdat hemel en aarde, God en mensen, de verantwoordelijkheid delen over het welzijn van de schepping.

 

In de Bijbel is het begrip verantwoordelijkheid ook sterk verbonden met het begrip rechtvaardigheid. Een verantwoordelijk mens is een rechtvaardig mens. En andersom. Wie verantwoordelijk leeft, laat zich aanspreken op gedrag, op beslissingen. Die is bereid zich te laten aanspreken op de gevolgen van zijn en haar daden. En kan fouten erkennen en herstellen.

Zo willen wij onze kinderen laten opgroeien: als mensen die zich raad weten met zichzelf, in de relatie met anderen en met God. We willen hen zo laten groeien dat ze tot hun recht komen. En beetje bij beetje laten we hen los.

 

Over die eigen verantwoordelijkheid schreef Joke van Leeuwen een prachtig gedicht met een heel toepasselijke titel: Heenzending.

 

Goed, zei schepper, wat ons betreft is het goed,

maar aan jullie laat ik het met de elleboog voelen

of het badwater niet te heet is,

 

het behoedzaam proeven of het eten niet te scherp is,

het drinken niet te zuur is,

het weten waar wat breken kan zal staan

 

het verschonen van wat stinkt en opnieuw stinkt,

het aanpassen van de voetstap,

het onverstaanbaar zingen

 

in het donker,

het herhalen van moeilijke woorden,

het tellen tot oneindig

en het hekje voor het trapgat.

 

De dichter laat God aan het woord, die ons uitlegt hoe dat zit met onze eigen verantwoordelijkheid. Binnen het beeld van de ouders en hun kinderen, gaat het ook over mensen die kwetsbaar zijn en ons aandacht nodig hebben. Het is onze opdracht om zó met elkaar te leven.

 

Wat ons betreft is het goed, zegt de Schepper. En jullie mogen het waarmaken in de omgang met elkaar. Vandaag zeggen we dat tegen onze overstappers. Wat ons betreft zijn jullie prachtig. Maak het waar en ontdek je weg in het leven, samen met anderen. 

overweging op zondag 20 juni 2021   PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Ezechiël 1:1-12; 22-28 en 2:1

 

verbannen

Dertig jaar is Ezechiël. Als alles normaal zou zijn, zou hij in dat jaar als priester dienst mogen gaan doen in de tempel in Jeruzalem. Maar er is niets meer normaal sinds het moment dat koning Nebukadnezar van Babylonië het land binnenviel en in bezit nam. Alle schatten worden geroofd uit het koninklijke paleis en de tempel;  en het grootste deel van de bevolking wordt als gevangenen meegenomen naar Babel. Alleen de allerarmsten blijven achter. (lees 2 Koningen 24: 10-16) Ook Ezechiël is meegevoerd. Zijn roeping als priester zal hij niet waarmaken. En er is veel meer ruw afgebroken. Het land is niet meer van de Israëlieten. Terwijl God hen dat beloofd had. Er is een einde gekomen aan het koningschap, terwijl God had beloofd dat er altijd een nakomeling van David op de troon zou zitten. En met de ontheiliging van de tempel heeft God geen plaats meer om te wonen. Het fundament is weggeslagen onder het geloof van Gods volk. God heeft hen niet beschermd tegen de inval van de vijand en ze moeten nu leven te midden van vreemde goden. Ontworteld zijn ze. Terug bij af. Een onvrij volk. Verbannen naar de zijlijn van een vreemd volk, een andere cultuur.

 

Al zijn er nog af en toe politici die de joods-christelijke wortels van onze samenleving aanhalen, ‘de kerk’ of ‘het christelijk geloof’ is in de loop van de tijd ook terecht gekomen aan de zijlijn. Het is wat het is. Onze wereld is veranderd, geseculariseerd. Andere waarden hebben de plaats ingenomen van het geloofsleven. Veel mensen hebben genoeg aan het waar maken van hun idealen: een goede gezondheid, een leuk leven, een goede baan, een relatie, vriendschappen. Voor het doen van goede werken: opkomen voor een mens in nood, je inzetten voor het milieu of voor vrijheid van meningsuiting, daar hebben mensen geen God of geloof meer voor nodig. En waar we wél menen het geloof nodig te hebben, sprokkelen we dat zelf bij elkaar. We bepalen zélf wat we geloven en laten ons niet meer gezeggen door een dominee.  Onze wereld is veelkleurig geworden. In alle opzichten. Dat geeft kansen en mogelijkheden. We mogen zoeken naar die mogelijkheden, groeien en ons ontwikkelen, we mogen zijn wie we zijn. Maar het geeft ook onrust als alles lijkt te kunnen en te mogen; het geeft een gevoel van onveiligheid als niets of niemand houvast biedt. Als er geen schuilplaatsen meer zijn tegen de grote en kleine rampen die ons overkomen. Het kan eenzaam zijn als je in de waan van de dag God niet meer kunt vinden; als je zijn stem niet kunt horen, in alle informatie die zich aan je opdringt. En hoe alleen ben je, als je wél jezelf hebt uitgevonden, of luidkeels gebruik maakt van je recht van spreken maar daarmee anderen kwijtraakt. Als ik alleen al denk aan ons versplinterde politieke landschap van dit moment….. 

 

Daar zit Ezechiël. Hoe zal zijn leven weer perspectief krijgen? Een ander perspectief dan dat van de balling, het slachtoffer. Hoe zal hij weer zicht krijgen op het geloof dat zijn volk heeft gedragen. Op de plek waar hij zit, aan het Kebarkanaal, in dit land tussen de rivieren -‘the rivers of Babylon’- is het ooit begonnen. Hier is Abraham lang geleden door God geroepen ‘Abraham, verlaat je land, verlaat je stam’. Abraham besloot die stem te vertrouwen en op weg te gaan. (lees Genesis 12) Is dat voor niets geweest? Is de cirkel rond en eindigt het hier? Of zal Gods stem ook klinken aan Babels stromen? Is Hij ook dáár? In de verwarring, in het gevoel van verlorenheid?

Is God in de ramp die ons heeft getroffen, misschien wel door onze eigen schuld? Is God soms meeverhuisd van het centrum van de aandacht, het allerheiligste in de tempel van Jeruzalem, naar de zijlijn?

Dat is een belangrijke ontdekking voor Ezechiël. Zíjn God, de God van Israël, de God die woont in Jeruzalem, blijkt ook de God van Babel te zijn. De God van overal, van waar je maar gaat. God is niet van de Protestantse Kerk, of de katholieke, of welke maar. Hij is misschien zelfs wel niet van de christenen. God is niet van ons. Wij zijn van God. En Hij is veel groter dan wij vermoeden of geloven. ‘Ontzagwekkend’ is Hij. Hij laat zich niet aan banden leggen door ons. Hij laat zich niet beperken in zijn liefde voor mensen. Hij laat zich niet vastleggen op een plaats of in een ideologie. Hij is er voor de zoekers, de kritische mensen, de sceptische mensen, de gelovigen, de zondaars. Een God van de zijlijn.

 

de treden naar Gods troon

Ik moet eerlijk zeggen dat ik nog nooit een preek heb gemaakt bij dit stukje uit Ezechiël. Ik heb er ook niet zoveel mee, met visioenen. Ze lijken me teveel op de schilderijen van Dali of Picasso, psychedelisch en surrealistisch. Eigenlijk klopt dat wel. Wat Ezechiël ervaart is niet van deze wereld. Het komt van een heel andere wereld. Hij ziet een vierkoppig wezen, met koppen van een leeuw, een stier en een adelaar, maar ook het gezicht van een mens. Wapperende vleugels maar ook mensenhanden. Het horen en zien vergaat je. Kleuren en bliksemschichten. Gebulder als van de zee of een rumoerige mensenmassa. Het horen en zien vergaat je, maar er is wél iets te zien. En er is wél iets te horen. Het mag dan van een andere werkelijkheid zijn, maar dat vreemde wezen heeft wel degelijk menselijke trekken. De mens is ermee gemoeid. Het gaat niet over het hoofd van Ezechiël heen, hij wordt erin betrokken.

De droombeelden van Ezechiël openen zicht op oude verhalen. De stormwind, het vuur en de wolkenmassa die Gods volk door de woestijn hebben geleid. (o.a.  Exodus 13: 21; 14: 21) Het ontzagwekkende moment dat God zich openbaarde op de Sinaï. (Exodus 19)  De vleugels van de engelen op de ark van het verbond. ( Ex 37: 9) De engelen die het allerheiligste van de tempel bewaken en bedekken met hun vleugels. (1 Koningen 6: 25-26) Die herinneringen roepen Gods aanwezigheid op. Als herauten gaan ze voor zijn aanwezigheid uit. De wezens dragen een troon en daarop zit een menselijke gedaante. Omgeven door kleuren, herinnering aan Noach, aan God die zei: ik zal mijn eeuwigdurend verbond met jou niet vergeten. Op die troon, is dat God? 

 

Lang geleden, toen ik nog op een kinderkoor zat, leerde ik een lied. U kent het misschien ook wel.

 

De daken met hun wirwar van antennes,

het ronken van een vliegtuig in de nacht.

't Reclamewoord, dat telkens aan en uit flitst;

't verkeerslicht waar ik dagelijks voor wacht.

 

Dit, dit is de wereld;

de wereld waar ik in woon.

Hier zijn de treden te zien

van Gods troon.

Wie hier omhoogklimt,

vanuit het gedruis,

ontwaart de contouren

van 't Vaderlijk huis!

 

Een beetje ouderwets misschien maar jullie begrijpen waar ik heen wil: in alle lawaai en in de vele beelden die op ons afkomen, is wel degelijk iets van God te ontdekken. Hij is van bóven onze werkelijkheid. En tegelijkertijd ín onze werkelijkheid. Een werkelijkheid die, laten we eerlijk zijn, soms zo onwerkelijk is, een surrealistisch visioen waarin dingen gebeuren die we nooit hadden kunnen dromen. Een pandemie lijkt toch eerder het scenario voor een spannende film en nu zitten we er midden in. Had Ezechiël ooit kunnen denken dat hij nog eens in een ballingenkamp terecht zou komen? Maar hij zit daar niet alleen.   

 

mensenkind 

Dit hele visioen is bedoeld om Ezechiël te roepen. Hij zal dan wel geen priester worden maar God heeft iemand nodig die ziet, die hoort. Een profeet. Iemand die Gods woord verkondigt, óok in ballingschap, aan de zijlijn. God heeft mensen nodig die een ander geluid laten horen in het geraas van de tijd. Mensen met leeuwenmoed, krachtig als een stier en met het hoge streven van een adelaar. De vier gezichten van de wezens.

 

[ Niet voor niets zijn deze figuren ook de beeldmerken  geworden van de evangelisten (Matteus de mensfiguur, Marcus de leeuw, Lucas de stier en Johannes de adelaar) omdat zij het evangelie vertelden van die ene mens van God, die geleefd en geleden heeft als mens, is geofferd als een stier en de hoge vlucht heeft genomen van de adelaar. ] 

 

Mensenkind, sta op. Ik wil met je praten. Dit hele visioen draait enerzijds om de oneindige en onbegrijpelijke grootheid van God. Hij is totaal anders. Groot en heilig. Toch, en dat is andere kant, is Hij niet ongenaakbaar of onverschillig. Hij is betrokken bij de wereld waarin wij leven en trekt ons daarin mee. Bij deze lezing hoort de verwondering van Psalm 8. ‘Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam overal op aarde.’ ‘Zie ik de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren door u daar bevestigd, wat is de dan sterveling dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet?’ En het geloof geroepen te zijn om Gods schepping te behoeden.

Mensenkind, sta op. Ik wil met je praten. Het is de stem die Licht riep in het donker. Die Abraham riep om op weg te gaan. Het is de stem die ons opzoekt, waar we ook zijn, en die klinkt te midden van de veelheid van geluiden en het stormen van de tijd. (zie Nieuw Liedboek 283) Het is de stem die weet dat wij maar mensenkinderen zijn, van stof,  kwetsbaar en breekbaar. Die stem is aanspraak voor wie alleen is. Er is een woord dat om een antwoord vraagt. We worden geroepen om mens te zijn, geroepen om te leven. En de samenleving, al is dat in Babel, zó vorm te geven dat het lijkt alsof we thuiskomen, bij elkaar en bij God.

overweging op Hemelvaartsdag 2021    PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Lucas 24: 50-53 en Efeziers 4: 7-13 7

 

grote vreugde

‘Afscheid nemen bestaat niet’ zong Marco Borsato. ‘Afscheid nemen bestaat niet. Ik ga wel weg maar verlaat je niet. Lief, je moet me geloven, al doet het pijn. Ik wil dat je me los laat en dat je morgen weer verder gaat. Maar als je eenzaam of bang bent

zal ik er zijn.’  https://www.youtube.com/watch?v=Suv6-FkQK00

 

Hoe kun je nu blij zijn als er iemand voorgoed afscheid van je neemt. Dat trof mij in het stukje Lucas. Als Jezus is opgenomen in de hemel, gaan zijn vrienden met grote vreugde terug naar Jeruzalem. Ze zijn niet in de war of verdrietig. We horen niet dat ze onzeker zijn, nu ze achterblijven als leerlingen zonder leraar, schapen zonder herder. Nee, er is grote vreugde.

Het doet denken aan het kerstverhaal, als de engel tegen de herders zegt: wees niet bang. Ik kom goed nieuws brengen dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen. (Lucas 2:11) Die grote vreugde is de geboorte van een kind en ín dat kind is God bij de mensen gekomen. ‘God redt’ is zijn naam. En ‘Immanuel, God is erbij’. Als de herders dat kind hebben gevonden, gelóven ze dat ook. En ze gaan terug terwijl ze God loven om alles wat ze gezien en gehoord hadden. Ze hebben God gezien zoals Hij bij de mensen wil zijn. En ze hebben geloofd dat Gods vrede was begonnen. Lucas breit de cirkel mooi rond als hij vertelt dat ook Jezus’ leerlingen terugkeren en God loven. Ook zij hebben met eigen ogen gezien en geloofd dat in Jezus iets van God en zijn nieuwe wereld zichtbaar is geworden. Eigenlijk moeten we ons er vandaag niet over verwonderen dat Jezus naar de hemel is gegaan. We moeten ons er blijvend over verwonderen dat Hij naar beneden is afgedaald. Dat in Jezus God bij de mensen heeft willen wonen en dat in hem Gods liefde tastbaar dichtbij was.

Nu Jezus’ leerlingen alleen achterblijven weten ze dat die belofte nog steeds geldt. God zal bij hen zijn. Ze zullen voor altijd gezegend zijn met zijn nabijheid. Vandaar die grote vreugde.

 

en nu

Maar hoe nu verder?

In het fragment uit The Passion zien we de mensen zoekend omhoog kijken. En in het tweede verhaal dat Lucas  vertelt over Jezus’ hemelvaart in Handelingen 1 staat ook dat de leerlingen omhoog staan te kijken. Of daar soms wat te zien valt. En of een mens daar soms iets te zoeken heeft. Ze worden er door twee engelen op aangesproken: Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Daar vandaan moeten jullie het niet hebben. De Bijbel is er van den beginne duidelijk over: de hemel is van God. Daar heeft een mens niets te zoeken. De aarde is voor de mensen. Om er iets leefbaars van te maken. Nergens anders dan hier beneden zijn mensen geroepen om de grote vreugde die de herders heeft getroffen, en de grote vreugde van de leerlingen, stem te geven. En handen en voeten. Dat ook.

 

de voeten van Jezus

We kijken naar een afbeelding van Jezus’ hemelvaart. Jezus is al bijna uit beeld verdwenen. Omhoog kijken heeft straks geen zin meer. Er valt niets meer te zien.

Het enige dat we nog zien zijn zijn voeten. En zijn voetafdruk. Wat hij achterlaat. Zijn erfenis. Zijn opdracht. Een voetspoor om in verder te gaan.

Op de Olijfberg in Jeruzalem is een plek waar hij te zien is, die voetafdruk. Pelgrims bezoeken die plek en branden er een kaars of zeggen een gebed. Als het goed is blijft het daar niet bij en trekken mensen ook hun conclusies. Hemelvaart bindt ons aan de aarde, hoe paradoxaal dat dus ook klinkt. Vandaag vieren we dat de gemeente van Christus haar eerste stappen zette op de weg van de zelfstandigheid en volwassenheid.

Op het moment dat Jezus omhoog wordt geheven naar de Vader worden de leerlingen gezonden om op weg te gaan, vanuit zijn kracht en Geest, maar met hun eigen talenten en vindingrijkheid. En dat geldt evengoed voor ons.

 

genade

Jullie hebben genade ontvangen naar de maat van Christus, schrijft Paulus. Genade betekent niet alleen dat wij bij God in de gunst staan maar ook dat Hij ons heeft aangenomen, in dienst heeft genomen. Een ieder van ons zoals dat bij ons past. Ieder heeft zijn eigen kwaliteit gekregen, zijn eigen genadegave. Om samen één geheel te vormen. En dat ene geheel is de gemeente, het lichaam van Christus. Nu Hij in de hemel is, is zijn gemeente zijn representant. Waar eerst Gods liefde werd afgelezen aan hem, wordt dat nu afgelezen aan zijn gemeente. Die genade vertaalt zich in mensen met een taak: apostelen, profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren. Allemaal taken om de gemeente te bouwen, om de gemeenteleden toe te rusten.

 

Wat betekent het voor ons vandaag dat Jezus regeert vanuit de hemel? Het betekent dat wij erop vertrouwen dat Gods liefde de allerbelangrijkste waarde in onze wereld is. Die regeert. En het betekent ook dat wij durven vertrouwen dat die liefde die Jezus ons voordeed, uiteindelijk de enige macht is die het kwaad in deze wereld kan overwinnen. Niet het noodlot dat ons treft, niet de kwade machten, maar de liefde is de stuwende kracht in ons bestaan. Hij leeft voort. In ons en door ons.

 

We herdenken dus vandaag niet dat Jezus weg is en op wonderbaarlijke wijze naar boven ging. We herdenken en vieren onze christelijke verantwoordelijkheid. En dat we daarin niet alleen zijn.

Zie, wat onzichtbaar is

Wat je gelooft is waar

Open je ogen maar

En, dan zal ik bij je zijn

Alles wat jij moet doen

Is mij op m'n woord geloven.

overweging op zondag 9 mei 2021  zondag ‘Rogate’

 

PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

Waar Paulus verschijntom het evangelie te verkondigen

ontstaan altijd onrust en relletjes.

Dat ligt aan Paulus: hij neemt geen blad voor de mond en wat hij te vertellen had over de opstanding van Jezus gaat vóór alles.

Het ligt ook aan de omgeving.

Veel Joodse gelovigen zitten er helemaal niet op te wachten om hun geloof in een ander licht te gaan zien.

De Joodse leiders kunnen hem niet uitstaan.

Maar ook onder de heidenen zorgt Paulus regelmatig voor commotie, zoals bijvoorbeeld in Efeze. Daar staat de tempel van Artemis en rond de tempel wordt veel geld verdiend aan het verkopen van souvenirs, kleine tempeltjes. Als Paulus roept dat er maar één God is, en dat de andere goden nep zijn, raakt hen dat in hun handel. (Dat kun je lezen in Handelingen 19: 23vv) En zo komt het dat Paulus regelmatig met geweld de stad uit wordt gegooid, wordt bedreigd met geweld en zelfs in de gevangenis belandt. Dan is het geen wonder dat hij in een van zijn brieven schrijft over zijn wapens. Het zijn wel heel andere wapens dan de Romeinse soldaten in zijn omgeving dragen.

 

uit de Bijbel: Efeziërs 6: 10-20

 

kaartje

Vorig jaar, toen corona net begon, heb ik bij veel mensen een kaartje in de bus gedaan. Ik schreef er bij veel mensen dezelfde tekst op. Omdat die mijzelf aansprak en moed gaf in die onzekere eerste coronamaanden. Toen we nog geen idee hadden wat ons boven het hoofd hing. Die tekst staat in Jozua: ‘Wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Heer, je God, staat je bij.’ (Jozua 1: 9) Ik had het nodig om tegen mijzelf te zeggen wat Paulus ook schrijft aan Efeze: houd stand, blijf overeind. En vergeet niet dat God bij je is. Hij is er ook bij als jij te kampen hebt met moeilijkheden.

 

tweestrijd

Ik noem het ‘te kampen hebben’ maar Paulus zegt: strijd. Strijd tegen kwade krachten en machten die overal om ons heen zijn. En waarvan we soms ook deel zijn. Krachten die wereld willen in hun greep houden, duisternis, de hoogste kwade machten. (zie Ef 6:12 in Bijbel in Gewone Taal) Paulus noemt dat de listen van de duivel.

Waarom? Omdat de duivel de tegenkracht is die mensen uit elkaar drijft. Dat hoor je er in terug: diablo, diabolos, betekent ‘door elkaar heen gooien.

Waar het evangelie mensen bij elkaar wil brengen, en oproept tot eenheid en eensgezindheid, daar brengt de duivel met duivelse dilemma’s ons hoofd in de war.

 

Waar je in de Bijbel hoort over de duivel, daar gaat het over kiezen. Over verantwoordelijkheid nemen voor wat je gelooft. Over beslissingen nemen vanuit je geloof. Je herkent misschien de tweestrijd, het in de war zijn over wat je moet doen. Kies je wat juist is of kies je voor jezelf. Kies je voor wat jij op dat moment wilt, of voor wat de ander op de lange termijn nodig heeft.

 

Denk aan het moment dat Jezus op de proef werd gesteld door de duivel. Hij mocht kiezen. Brood voor zijn eigen honger, want hij had al 40 dagen zonder eten in de woestijn rondgezworven. Verleidelijk. Maar Jezus koos voor het Woord van God dat mensen voedt en altijd op het spoor van de medemens zet. (lees bijvoorbeeld Matteus 4)

 

Houd stand, zegt Paulus. Zet de eenheid van de gemeente niet op het spel. En zet ook je eigen integriteit niet op het spel. Blijf bij wat je gelooft. Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad. Wapen je voor het moment dat het kwaad, in welke vorm dan ook, jouw leven binnenkomt. En dat kwaad kan een van alles zijn. Dat kan een verleidelijke kans zijn die jou voordeel brengt maar anderen niet; dat kan strijd zijn tegen ziekte of noodlot; dat kan jouw innerlijke strijd zijn tegen vragen en onzekerheid. Jij, u, weet zelf waar tegen je vecht, waar je mee te kampen hebt. Jij weet wat jouw weerstand aantast.

de wapenrusting

De wapens voor dat gevecht zijn Gods wapens. Ze vinden hun oorsprong in hem, niet in de mens. Niet in jou. Dan moet het wel zo zijn dat ze gesmeed zijn met zijn liefde, met trouw. Ik loop ze met jullie langs.

 

De gordel om je heupen is de waarheid. Je oprechtheid is wat de boel bij elkaar houdt. Ik denk opnieuw aan Jezus. Hij bracht in de praktijk wat hij preekte. Het waren geen vrome praatjes. Hij deed wat Hij zei en Hij zei wat Hij deed. Zo heeft Hij onder de mensen geleefd. (lees Johannes 1:14)

 

Je harnas is de gerechtigheid. Dat is de gerechtigheid die hoort bij Gods koninkrijk. Jezus zei: dáárover zou je je druk moeten maken. Niet over wat je zult eten of drinken; niet over wat je moet aantrekken. (Matteus 5:10)

De valkuil waarin we allemaal stappen is dat ons harnas zo vaak wordt gevormd door onze bezorgdheid over ons zelf, over ons huis, onze portemonnee, ons lijf. Dat kan ons zo in beslag nemen dat we dat koninkrijk soms laten wachten. Een andere valkuil is dat we ons zo pantseren dat geen mens onze echte ik te zien krijgt. Zo bang om onszelf te laten zien, bang om gekwetst te worden.

 

De sandalen aan onze voeten vragen naar onze bereidheid, onze tijd en aandacht, voor het evangelie van de vrede.

Willen we inderdaad onze voeten zetten op de wegen van vrede; op de weg die leidt naar een mens in nood; op de weg van de hoop. Laten wij onze voeten sturen door ons geloof? Ik moet eerlijk zeggen dat elk van de wapens die Paulus mij aanreikt een gewetensvraag inhoudt. 

 

In onze handen dragen wij een schild. Het is het schild waarover David zo graag zong. Het is ‘mijn Schild ende Betrouwe zijt Gij, o God, mijn Heer’. En ‘Ik bouw op U, mijn Schild en mijn verlosser’. Het is ons vertrouwen dat God ons beschermt tegen wat er op ons afgevuurd wordt. Met dat schild van geloof blijven we overeind. We klampen ons eraan vast. Ook hier zou je jezelf moeten afvragen of je jezelf er niet achter verschuilt; je verstopt achter vrome praatjes terwijl je verzuimt om je vijand, wie of wat dat ook mag zijn, onder ogen te zien.

 

Op ons hoofd is de helm van de verlossing. Wat er ook in ons hoofd omgaat, bezwaren, argumenten, angsten, daar bóven is het vertrouwen dat God ons redt van kwaad en dood. Wij kunnen van alles bedenken om níet te doen wat God ons vraagt, maar uiteindelijk is het niet wat wij bedenken maar wat Hij ons toedenkt; namelijk dat Hij bij ons zal zijn, waar onze wegen ook gaan.

 

Gordel, harnas, sandalen, schild en helm hangen om ons lijf als kleding.

Het enige echte wapen dat Paulus noemt is het zwaard. Daarmee kunnen we van ons afslaan. Met Gods Geest, Gods woorden. Dat is dus geen verbaal geweld. Maar dat zijn woorden van liefde en vergeving. En er zal vast ook wel eens gevraagd worden om iets níet te zeggen. Om geduldig te zwijgen of te verdragen.

 

Met liefde, met trouw, met waarheid, met hoop, gaan wij te lijf wat ons naar het leven staat. Het enige antwoord op kwaad is goed. Het antwoord op haat is liefde. De wapenrusting van God is niet uit op agressie of geweld. Maar is juist ontwapenend. Het brengt mensen bij elkaar. Terwijl de duivel mensen uit elkaar slaat.

We worden er dus geen krachtpatsers of geweldenaars door. Die wapenrusting van God legt eerder onze weerloosheid bloot. De wapens van God zijn dan ook zachte krachten; de druppels op gloeiende platen, het water naar de zee. Maar ook het brood dat van de honger redt, de hand die omhoog trekt, het woord dat iemand redt.

 

gebed

Wij zijn toegerust met zachte krachten. Ga er maar aan staan, in deze harde wereld. Maar denk eens aan David en Goliat. Toen David op Goliat af ging, ging hij niet in de wapenrusting die Saul hem had aangeboden. Dat paste hem niet, het was veel te groot. En al die anderen, die wél zo’n wapenrusting droegen, waren bevroren van angst. Wat wél bij David paste, was dat hij vertrouwde op God en op zijn eigen kwaliteiten als herder, als mens.

Paulus dringt daar ook op aan bij de gemeenteleden: vergeet je vertrouwen niet, vergeet niet te bidden. Vóórdat jij het gevecht aangaat, of als jij midden in je eigen gevecht zit, vergeet niet te bidden. Vergeet niet om je open te stellen voor wat de Geest je brengt: kracht, moed inzicht, wijsheid, bemoediging of terechtwijzing. Bid, zodat jij de juiste dingen zegt. Bid, zodat jij het goede doet. Bid, zodat je aangesloten blijft op Gods liefde. Bid dat je de moed niet verliest of bitter wordt over wat je met zachte krachten voor elkaar krijgt. Bid voor jezelf en bid voor elkaar.

En bid ook voor mij, zegt Paulus. Dat mij de juiste woorden worden gegeven. Dat ik vrijmoedig ben, het evangelie niet verhul. Ik weet dat ik het jullie niet hoef te vragen om voor mij te bidden. Of voor elkaar. Het is in het gebed dat wij elkaar dragen; daarin zit onze eenheid. In dat gebed zit ook onze kracht. Het verbindt ons met God in zijn liefde, ‘alles overwinnend wapen’. (Sytze de Vries, Nieuw Liedboek 791) Als ik jullie vandaag een kaartje zou sturen, om je moed te geven in wat je ook bezighoudt, zou dat nog altijd met dezelfde tekst zijn: Wees vastberaden en standvastig. Waar je ook gaat, de Heer, je God, staat je bij.

Pagina 1 van 11