Preken

Preken (140)

overweging op zondag 9 mei 2021  zondag ‘Rogate’

 

PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

Waar Paulus verschijntom het evangelie te verkondigen

ontstaan altijd onrust en relletjes.

Dat ligt aan Paulus: hij neemt geen blad voor de mond en wat hij te vertellen had over de opstanding van Jezus gaat vóór alles.

Het ligt ook aan de omgeving.

Veel Joodse gelovigen zitten er helemaal niet op te wachten om hun geloof in een ander licht te gaan zien.

De Joodse leiders kunnen hem niet uitstaan.

Maar ook onder de heidenen zorgt Paulus regelmatig voor commotie, zoals bijvoorbeeld in Efeze. Daar staat de tempel van Artemis en rond de tempel wordt veel geld verdiend aan het verkopen van souvenirs, kleine tempeltjes. Als Paulus roept dat er maar één God is, en dat de andere goden nep zijn, raakt hen dat in hun handel. (Dat kun je lezen in Handelingen 19: 23vv) En zo komt het dat Paulus regelmatig met geweld de stad uit wordt gegooid, wordt bedreigd met geweld en zelfs in de gevangenis belandt. Dan is het geen wonder dat hij in een van zijn brieven schrijft over zijn wapens. Het zijn wel heel andere wapens dan de Romeinse soldaten in zijn omgeving dragen.

 

uit de Bijbel: Efeziërs 6: 10-20

 

kaartje

Vorig jaar, toen corona net begon, heb ik bij veel mensen een kaartje in de bus gedaan. Ik schreef er bij veel mensen dezelfde tekst op. Omdat die mijzelf aansprak en moed gaf in die onzekere eerste coronamaanden. Toen we nog geen idee hadden wat ons boven het hoofd hing. Die tekst staat in Jozua: ‘Wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Heer, je God, staat je bij.’ (Jozua 1: 9) Ik had het nodig om tegen mijzelf te zeggen wat Paulus ook schrijft aan Efeze: houd stand, blijf overeind. En vergeet niet dat God bij je is. Hij is er ook bij als jij te kampen hebt met moeilijkheden.

 

tweestrijd

Ik noem het ‘te kampen hebben’ maar Paulus zegt: strijd. Strijd tegen kwade krachten en machten die overal om ons heen zijn. En waarvan we soms ook deel zijn. Krachten die wereld willen in hun greep houden, duisternis, de hoogste kwade machten. (zie Ef 6:12 in Bijbel in Gewone Taal) Paulus noemt dat de listen van de duivel.

Waarom? Omdat de duivel de tegenkracht is die mensen uit elkaar drijft. Dat hoor je er in terug: diablo, diabolos, betekent ‘door elkaar heen gooien.

Waar het evangelie mensen bij elkaar wil brengen, en oproept tot eenheid en eensgezindheid, daar brengt de duivel met duivelse dilemma’s ons hoofd in de war.

 

Waar je in de Bijbel hoort over de duivel, daar gaat het over kiezen. Over verantwoordelijkheid nemen voor wat je gelooft. Over beslissingen nemen vanuit je geloof. Je herkent misschien de tweestrijd, het in de war zijn over wat je moet doen. Kies je wat juist is of kies je voor jezelf. Kies je voor wat jij op dat moment wilt, of voor wat de ander op de lange termijn nodig heeft.

 

Denk aan het moment dat Jezus op de proef werd gesteld door de duivel. Hij mocht kiezen. Brood voor zijn eigen honger, want hij had al 40 dagen zonder eten in de woestijn rondgezworven. Verleidelijk. Maar Jezus koos voor het Woord van God dat mensen voedt en altijd op het spoor van de medemens zet. (lees bijvoorbeeld Matteus 4)

 

Houd stand, zegt Paulus. Zet de eenheid van de gemeente niet op het spel. En zet ook je eigen integriteit niet op het spel. Blijf bij wat je gelooft. Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad. Wapen je voor het moment dat het kwaad, in welke vorm dan ook, jouw leven binnenkomt. En dat kwaad kan een van alles zijn. Dat kan een verleidelijke kans zijn die jou voordeel brengt maar anderen niet; dat kan strijd zijn tegen ziekte of noodlot; dat kan jouw innerlijke strijd zijn tegen vragen en onzekerheid. Jij, u, weet zelf waar tegen je vecht, waar je mee te kampen hebt. Jij weet wat jouw weerstand aantast.

de wapenrusting

De wapens voor dat gevecht zijn Gods wapens. Ze vinden hun oorsprong in hem, niet in de mens. Niet in jou. Dan moet het wel zo zijn dat ze gesmeed zijn met zijn liefde, met trouw. Ik loop ze met jullie langs.

 

De gordel om je heupen is de waarheid. Je oprechtheid is wat de boel bij elkaar houdt. Ik denk opnieuw aan Jezus. Hij bracht in de praktijk wat hij preekte. Het waren geen vrome praatjes. Hij deed wat Hij zei en Hij zei wat Hij deed. Zo heeft Hij onder de mensen geleefd. (lees Johannes 1:14)

 

Je harnas is de gerechtigheid. Dat is de gerechtigheid die hoort bij Gods koninkrijk. Jezus zei: dáárover zou je je druk moeten maken. Niet over wat je zult eten of drinken; niet over wat je moet aantrekken. (Matteus 5:10)

De valkuil waarin we allemaal stappen is dat ons harnas zo vaak wordt gevormd door onze bezorgdheid over ons zelf, over ons huis, onze portemonnee, ons lijf. Dat kan ons zo in beslag nemen dat we dat koninkrijk soms laten wachten. Een andere valkuil is dat we ons zo pantseren dat geen mens onze echte ik te zien krijgt. Zo bang om onszelf te laten zien, bang om gekwetst te worden.

 

De sandalen aan onze voeten vragen naar onze bereidheid, onze tijd en aandacht, voor het evangelie van de vrede.

Willen we inderdaad onze voeten zetten op de wegen van vrede; op de weg die leidt naar een mens in nood; op de weg van de hoop. Laten wij onze voeten sturen door ons geloof? Ik moet eerlijk zeggen dat elk van de wapens die Paulus mij aanreikt een gewetensvraag inhoudt. 

 

In onze handen dragen wij een schild. Het is het schild waarover David zo graag zong. Het is ‘mijn Schild ende Betrouwe zijt Gij, o God, mijn Heer’. En ‘Ik bouw op U, mijn Schild en mijn verlosser’. Het is ons vertrouwen dat God ons beschermt tegen wat er op ons afgevuurd wordt. Met dat schild van geloof blijven we overeind. We klampen ons eraan vast. Ook hier zou je jezelf moeten afvragen of je jezelf er niet achter verschuilt; je verstopt achter vrome praatjes terwijl je verzuimt om je vijand, wie of wat dat ook mag zijn, onder ogen te zien.

 

Op ons hoofd is de helm van de verlossing. Wat er ook in ons hoofd omgaat, bezwaren, argumenten, angsten, daar bóven is het vertrouwen dat God ons redt van kwaad en dood. Wij kunnen van alles bedenken om níet te doen wat God ons vraagt, maar uiteindelijk is het niet wat wij bedenken maar wat Hij ons toedenkt; namelijk dat Hij bij ons zal zijn, waar onze wegen ook gaan.

 

Gordel, harnas, sandalen, schild en helm hangen om ons lijf als kleding.

Het enige echte wapen dat Paulus noemt is het zwaard. Daarmee kunnen we van ons afslaan. Met Gods Geest, Gods woorden. Dat is dus geen verbaal geweld. Maar dat zijn woorden van liefde en vergeving. En er zal vast ook wel eens gevraagd worden om iets níet te zeggen. Om geduldig te zwijgen of te verdragen.

 

Met liefde, met trouw, met waarheid, met hoop, gaan wij te lijf wat ons naar het leven staat. Het enige antwoord op kwaad is goed. Het antwoord op haat is liefde. De wapenrusting van God is niet uit op agressie of geweld. Maar is juist ontwapenend. Het brengt mensen bij elkaar. Terwijl de duivel mensen uit elkaar slaat.

We worden er dus geen krachtpatsers of geweldenaars door. Die wapenrusting van God legt eerder onze weerloosheid bloot. De wapens van God zijn dan ook zachte krachten; de druppels op gloeiende platen, het water naar de zee. Maar ook het brood dat van de honger redt, de hand die omhoog trekt, het woord dat iemand redt.

 

gebed

Wij zijn toegerust met zachte krachten. Ga er maar aan staan, in deze harde wereld. Maar denk eens aan David en Goliat. Toen David op Goliat af ging, ging hij niet in de wapenrusting die Saul hem had aangeboden. Dat paste hem niet, het was veel te groot. En al die anderen, die wél zo’n wapenrusting droegen, waren bevroren van angst. Wat wél bij David paste, was dat hij vertrouwde op God en op zijn eigen kwaliteiten als herder, als mens.

Paulus dringt daar ook op aan bij de gemeenteleden: vergeet je vertrouwen niet, vergeet niet te bidden. Vóórdat jij het gevecht aangaat, of als jij midden in je eigen gevecht zit, vergeet niet te bidden. Vergeet niet om je open te stellen voor wat de Geest je brengt: kracht, moed inzicht, wijsheid, bemoediging of terechtwijzing. Bid, zodat jij de juiste dingen zegt. Bid, zodat jij het goede doet. Bid, zodat je aangesloten blijft op Gods liefde. Bid dat je de moed niet verliest of bitter wordt over wat je met zachte krachten voor elkaar krijgt. Bid voor jezelf en bid voor elkaar.

En bid ook voor mij, zegt Paulus. Dat mij de juiste woorden worden gegeven. Dat ik vrijmoedig ben, het evangelie niet verhul. Ik weet dat ik het jullie niet hoef te vragen om voor mij te bidden. Of voor elkaar. Het is in het gebed dat wij elkaar dragen; daarin zit onze eenheid. In dat gebed zit ook onze kracht. Het verbindt ons met God in zijn liefde, ‘alles overwinnend wapen’. (Sytze de Vries, Nieuw Liedboek 791) Als ik jullie vandaag een kaartje zou sturen, om je moed te geven in wat je ook bezighoudt, zou dat nog altijd met dezelfde tekst zijn: Wees vastberaden en standvastig. Waar je ook gaat, de Heer, je God, staat je bij.

Sta op!

Written by

overweging op zondag 2 mei 2021        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

5e zondag van Pasen ‘Cantate’ ‘Zingt’

 

Tienertalk: I’ll rise up, Andra Day

 

inleiding op de lezing: Het leven is wat je gebeurt terwijl je andere plannen maakt. Het is niet maakbaar; loopt maar gedeeltelijk en soms helemaal niet volgens plan. Als het leven je teleurstelt, of het wordt moeilijk, wat doet je geloof dan met je? Heeft het een plaats in je moeilijkheden of helemaal niet? Heb je er wat aan of veroorzaakt het juist meer vragen en problemen? En hoe zit dat met Paas-geloof? Geloof in nieuw leven, in opstanding? Welk licht werpt dat over jouw bestaan? Daarover gaat het in de volgende lezing.

We reizen mee met Petrus. Hij is de leider van de eerste christengemeente in Jeruzalem. Ná de moord op Stefanus zijn veel gelovigen de stad ontvlucht en zo ontstonden er ook elders gemeenten. Petrus reist naar Lydda, ten noordwesten van Jeruzalem. Hij verricht daar een wonder. En als dat bekend wordt, vragen ook gemeenteleden in Joppe of Petrus zo snel mogelijk wil komen omdat een geliefd gemeentelid is overleden.

 

uit de Bijbel: Handelingen 9: 32-42

 

Eneas

Het was tijdens een training voor predikanten in opleiding, een week intern op Hydepark. We begonnen die morgen met een rondje. Hoe zat je erbij? Wat hield je bezig? Iedereen had wel wat te vertellen. Slecht geslapen of juist heerlijk opgefrist tijdens een morgenwandeling; zorgen om het thuisfront of benieuwd wat de dag zou brengen. Een deelnemer van de kring wees op haar rolstoel en zei: ik kan niet lopen. We zwegen en wisten niet wat we moesten zeggen. Al sinds haar geboorte was dat zo. Waarom bracht ze dat in als antwoord op de vraag: hoe zit je erbij?

Ik dacht aan dit voorval toen ik las over Eneas. Hij ligt al acht jaar op bed want hij is verlamd. Hij heeft een bijzondere naam. Eneas is een held, in de Griekse en Romeinse mythologie. (voor wie het interesseert: De Aeneis vertelt van de omzwervingen van de Trojaanse held Aeneas na de ondergang van Troje en de lange strijd die leidde tot de stichting van het machtige Romeinse Rijk)

 

Een kerel met moed en spierballen die de geschiedenis heeft veranderd. Als je je kind zó noemt, sluimert daar toch iets van verwachting in. Dat dit kind ook moedig zal zijn en sterk. Maar moet je hem nu zien. Mijn oma zou het vroeger een stakker hebben genoemd. Misschien heeft hij ook wel teleurgesteld op zijn benen gewezen als hem werd gevraagd hoe het met hem ging: ik zou wel willen, maar ja, die benen van mij…. Hij heeft de verwachtingen niet waargemaakt. Zijn leven is anders gelopen dan gehoopt.

 

Je kunt op allerlei manieren verlamd zijn: verlamd van schrik, verlamd van angst, verlamd van boosheid omdat jouw leven, net als dat van Eneas, anders loopt dat verwacht. Terneergeslagen, omdat je blijft hangen in je teleurstelling over wat je niet meer kunt nu je ouder wordt of door corona; verlamd door je onzekerheid over jezelf. Verlamd omdat je vastzit in je rouwproces over wat of wie je bent kwijtgeraakt. ‘Bibberende knieën’, zo zou je het ook mogen lezen. (Lees bijvoorbeeld: Jesaja 35:3 of Hebreeën 12:12)  Angst om te leven. En in die situatie hoort Eneas: Sta op! Jezus Christus geneest u. Petrus zet de doodgelopen situatie van Eneas in het perspectief van het geloof van de gemeente waartoe ook Eneas behoort: het geloof in de Opgestane Heer. Sta op. Wees niet bang om te leven. En Eneas staat op.

 

Tabita

Bij het verhaal van Eneas kunnen we ons er misschien nog iets bij voorstellen: opstaan uit een toestand van verlamming. Hij kan er zelf iets aan doen. Maar Tabita, dat is toch een heel ander  verhaal. Het overkomt haar allemaal maar. Dorkas is haar Griekse naam. Ik herken die naam van een bordje bij de garagedeur van vrienden in Harderwijk. Als een teken dat daar kleding kan worden afgegeven voor de hulporganisatie Dorcas, die opkomt voor de allerarmsten in Nederland en daarbuiten. Genoemd naar de Bijbelse Dorkas, een geloofsleeerlinge die consequenties trekt uit haar geloof: ze doet goede dingen voor anderen;

ze is vrijgevig en ze kan ook nog eens prachtig naaien. Ze bekommert zich ook om de weduwen in de gemeente van Joppe, die intens verdrietig zijn als zij sterft.

Er zit iets oneerlijks in, iets onrechtvaardigs. Waarom moet een mens, die zoveel goeds doet, dit harde lot treffen? Zij kan niet worden gemist. Wat heeft ze gedaan dat dit haar moet overkomen? Heb jij jezelf die vraag nooit eens gesteld? Nooit eens vertwijfeld gedacht dat het zonde was dat juist déze mens moest sterven?

 

Welke betekenis heeft ons geloof als wij worden geconfronteerd met de dood?

Ik was nog maar net predikant toen een jong meisje overleed. Het hield het hele dorp bezig. Er was verdriet, verwarring. Dit kon toch niet. Toen ik haar moeder bezocht vroeg die mij het verhaal te lezen van het meisje van wie de naam rijmt op die van Tabita. Talita koem. Meisje, sta op. (Marcus 5:41) Vader Jairus kreeg zijn dochter terug uit de dood. Haar vraag bleef in de lucht hangen: waarom zij niet? Ik weet niet meer wat ik heb geantwoord. Alleen dat het gestamel was. Ik weet nu dat het op dat moment ook veel belangrijker was om bij de tranen van deze moeder te blijven. Want het antwoord op haar vraag kan ik dan ook alleen vanaf de kansel geven, omdat het verkondiging is. Geen schrale troost. Die verkondiging is dat wij ons leven mogen zien in het perspectief van Pasen. De doden die Jezus doet opstaan onderstrepen dat. Dat zijn voorbeelden die onderstrepen dat ons geloof in het onmogelijke terecht is. (de dochter van Jairus, de zoon van de weduwe in Nain in Lucas 7:12, Lazarus in Johannes 11)

 

In dit geval neemt het verhaal ons bijna bij de hand. Opstanding heeft te maken met ons leven. En met onze dood.  We lezen dat het lichaam van Tabita met liefde en zorg wordt omgeven en in het bovenvertrek wordt opgebaard. Zo’n bovenvertrek waar Jezus het laatste avondmaal vierde met zijn leerlingen. (Marcus 14:15; Lucas 22: 12)

Of het bovenvertrek waar de leerlingen ná Jezus dood bij elkaar kwamen om te bidden en samen te zijn en waar het plotseling Pinksteren is omdat Gods Geest als wind door het huis waait. (Handelingen 1: 13 en 2: 2) Het is alsof de verteller ons duidelijk wil maken dat de dood van Tabita niet los gezien kan worden van Pasen en Pinksteren. Hoe doodgelopen het leven ook is, het is niet zonder hoop, niet zonder God. Ook hier zal Gods Geest waaien en tot leven wekken.

 

Petrus besteed geen aandacht aan de tranen van de weduwen. Hij is daar niet als pastor maar om het evangelie te verkondigen. Ook tegen Tabita zegt Petrus: Sta op!  En zij staat op. Ze leeft. Als een teken dat wij  allemaal ons leven mogen zien in het perspectief van opstanding. Als onze adem, onze geest, terugkeert naar God, zullen wij een nieuw leven bij hem hebben. Dat mag onze angst om te sterven, en onze angst om te leven, wegnemen.

 

de heiligen

Naast Petrus, Eneas en Tabita zijn er nog meer spelers op dit toneel. Dat zijn de de christengemeenten van Lydda en Joppe. Je zou van de gemeenten kunnen zeggen dat ze nog in de kinderschoenen staan. Het is nog maar zo kort ná de opstanding van Jezus. Hun geloof moet nog wortelen; het is nog pril en kwetsbaar. In Lydda is het de gemeenteleden niet gelukt om Eneas uit zijn verlamming te wekken. Maar in  Joppe krijgen de gemeenteleden hoop als zij horen wat Petrus heeft gedaan en zij verzoeken hem dringend te komen. Wat hun vraag is aan Petrus is weten we niet. Maar het zou zo maar kunnen zijn dat zij van hem verwachten dat hij de doodgelopen situatie kan doorbreken. Dat hij bij hen de  geloofwaardigheid van het Paasevangelie zal aantonen. Petrus moet hen daarbij helpen. Het maakt mij er opnieuw van bewust wat de taak is van ons, gemeente van Christus.

 

Bij óns kunnen mensen terecht met hun vermoedens dat de dood niet het laatste woord heeft. Wij zijn het die levenwekkende woorden mogen spreken; die mogen verkondigen dat wij zullen leven, omdat Jezus leeft. Om dat te kunnen verkondigen moeten we het ook zelf durven aannemen. We mogen geloof-waardig zijn. Dan zullen we, net als Petrus, aanstekelijk zijn in ons geloof. Dan zullen we mensen de hand kunnen reiken en hen helpen opstaan. In Lydda en in Joppe bekeren mensen zich, komen tot geloof in de Heer. Als wij durven getuigen van vernieuwing en bevrijding in een wereld vol verlamming en dood, zal God daarin mensen raken. In een onzeker en kwetsbaar bestaan zegt de Geest ons: Sta op. En wij staan op. 

 

lied: Dit is het wonder, NL 682

overweging op zondag 18 april 2021            PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

derde zondag van Pasen: Misericordia Domini

 

Tienertalk: Random Acts of Kindness

https://www.youtube.com/watch?v=d0QXif2Ojeo

 

uit de Bijbel: Psalm 33 en uit het Nieuw Liedboek: De aarde is vervuld, NL 650

 

De aarde is vervuld van goedertierenheid

Willem Barnard schreef deze versregel bij de naam van deze zondag, die weer uit Psalm 33 komt: ‘de aarde is vol van de goedertierenheid des Heeren.’ In de Nieuwe Bijbelvertaling lezen we: ‘van de trouw van de HEER is de aarde vervuld.’ Maar het mooist vind ik zelf ‘Overal op aarde zie je zijn goedheid.’ (BGT)

Niet iedereen zal het even makkelijk kunnen nazeggen. Je kunt er zelfs schamper over doen: de aarde vol van goedheid, kijk eens om je heen! De aarde is van heel andere dingen vervuld. Mensen zijn vooral vol van zichzelf; de aarde is vol van ellende. Eigenlijk té vol, waardoor je je af kunt vragen hoe lang het nog goed blijft gaan. En als de aarde vol van Gods goedheid is, waarom kan een mens dan zo keihard uit zijn geluk vallen?

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om God te blijven zien in de schepping -hoe wreed kan die niet zijn? Als een storm losbarst en voor overstromingen zorgt of als er hardvochtige hitte en droogte heerst waardoor alles kapot gaat. Als Parkinson je leven binnensluipt of kanker; je krijgt een kindje dat meteen geopereerd moet worden of je vader of moeder verlangt naar de dood maar blijft in leven, en dat gaat gepaard met pijn en verlies van waardigheid. Hoe goed is dan die schepping en waar herken ik dan Gods goedertierenheid? Voor niet weinig mensen is dit een reden om God de rug toe te keren. Of eigenlijk moet ik zeggen: zij hebben het gevoel dat God hén de rug heeft toegekeerd.   

 

Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen

Psalm 33 is een lied over de schepping, over de Schepper. Hij heeft de hemel gemaakt met een enkel woord; omdat Hij ze riep zijn er sterren. De aarde heeft Hij tevoorschijn geroepen door de zee haar plaats te wijzen. Die aarde heeft God bestemd als de woonplaats voor de mensen. Met díe ogen kijken we óók naar de wereld om ons heen. We zien de bloeiende magnolia’s en we horen de merels. We zaaien een moestuinmaatje van de supermarkt en verwonderen ons over dat dappere sprietje groen dat tevoorschijn piept. 

Kom op, roept de Psalmdichter, juich, zing, speel op je lier of je harp. Want de echo van het woord waarmee Hij alles heeft geschapen hangt nog in de lucht. Het galmt na en is om ons heen als recht, als liefde en trouw. Als goedheid. En die goedheid is te groot voor het geluk alleen. Zij gaat in alle nood door heel het leven heen.

Ik ben me daar intens van bewust als ik voorga in een uitvaartdienst. Heel vaak vraagt de familie dan om lofliederen. Liederen over Gods goedheid. En zijn nabijheid. Omdat in alle verdriet we beseffen dat wat ons overkomt niet Gods wil is, maar dat het ook niet buiten Hem omgaat. Hij ziet het. Hij is erbij.

 

‘Vanaf zijn troon houdt Hij het oog op allen die de aarde bewonen’ lazen we in Psalm 33. God op zijn troon. Daar kun je van alles bij bedenken. Ongenaakbaar. Onbenaderbaar.

Ik houd het bij een gedicht van J.B. Charles dat heet ‘Een kleine psalm’.

Hij alleen zou met een grote sigaar

in de mond op straat mogen lopen,

met de duimen in zijn vest,

want Hij is God.

Maar Hij doet het niet

want Hij is God.

 

Allerhóógste noemen we God. Bedenk eens wat de consequenties zijn als Hij de Allerhoogste is. Er is niets boven God. Hij hoeft dus niet omhoog te kijken. Er is niets naast Hem, want er is niets aan Hem gelijk. Hij hoeft dus ook niet om zich heen te kijken. Dan blijft over dat hij vanuit de hemel naar beneden kijkt en de mensen gade slaat. Vanuit de hoge ziet God des te beter wie de door de diepte gaan, wie toeven in het graf, wie godverlaten zijn. Tot waar je niet dieper en donkerder kunt, is Gods goedheid bij mensen. Het zijn juist deze woorden over Gods goedheid en het menselijk geluk die vaak gekozen worden voor boven een overlijdensaankondiging. Hoe moeilijk de woorden misschien te doorgronden zijn, ze spreken de taal van ons hart.

 

de Naam

Wat is dan toch die goedheid van God? In het Hebreeuws staat het woord ‘chesed’. Een woord dat zich slecht met maar één woord laat vertalen. Het is goedheid, vriendschap, genade, weldadigheid, trouw, liefde…

We komen het veel tegen in de Psalmen, waar mensen in nood bidden om die goedheid. Of ervoor danken; voor zijn trouw aan de mens, wat er ook gebeurt. Maar het is niet de mens die dit predicaat aan God geeft. Hij geeft het aan zichzelf. Als Hij een verbond sluit met Mozes belooft God: Ik bewijs mijn liefde tot in het duizendste geslacht (Lees maar: Ex 20: 6, Deut 5: 10)

 

En als Mozes God wil zíen van aangezicht tot aangezicht, als Mozes wil weten: met wie hebben wij nu eigenlijk te maken, dan roept God zijn Naam uit. ‘De Heer ging voor hem langs en riep uit: ‘De Heer! De Heer! Een God die liefdevol is.’ (Exodus 34:6) 

Goedheid is een deel van Gods identiteit. Daarmee wil Hij gekend en aangeroepen zijn. Wil Hij trouw blijven aan zichzelf, dan moet Hij ook trouw zijn aan de mens. Kenmerkend voor deze chesed, deze eigenschap van God, is dat het initiatief altijd van Hem uitgaat. We hoeven er niets voor te doen of te laten. Het valt ons onverwacht, soms onvermoed, toe. Net als de schepping, die in Psalm 33 wordt bezongen, is Gods goedheid een creatieve daad.  In die zin dat het begint vanuit het niets. Het is geen reactie ergens op maar het komt vanuit God. En het roept iets op. Het doet iets ontstaan. Wat er ontstaat? Gods verbondenheid met de mens. Met mij. Goedheid is dus een van de manieren waarop God zich openbaart; en er een relatie ontstaat. Het is een verbondswoord. We mogen God eraan houden.

Juist als het geluk ons uit handen wordt geslagen. Het is immers in de woestijn dat Hij zich hierop vastlegde. Het is in barre en dorre tijden dat Hij belooft dat Hij goed voor ons zal zijn. En het is dan ook in barre, dorre tijden dat we ervan zullen zingen.

 

We krijgen de Naam niet in handen,

niet zomaar in de mond,

we leren ermee leven,

dat is een vreemd verbond,

 

lopen door een woestijn,

cactussen onder en boven

de stekelige zon,

lopen niet te geloven

 

maar gaandeweg ontdekken

de Naam die bij je is

en dan een lied aanheffen,

een blij of wanhopig gedicht.

(Jaap Zijlstra)

 

overweging op Paasmorgen 2021         PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 20:1 en 11-18

afbeelding: Lynn Aldrich, Grid Buster, 1989

 

de liefde en de dood

Twee dingen maken ons leven kwetsbaar: de liefde en de dood. Want wie liefheeft, kan verliezen. Als we meelopen met Maria naar het graf van Jezus nemen we dat mee. Het verdriet om mensen die we hebben gekend en liefgehad.

Terwijl we meelopen met Maria naar het graf moet het nóg moeilijker zijn om daar te lopen met de idee dat de dood het gelijk aan zijn kant niet. Dat de zachte krachten van de liefde en de vreugde van de vriendschap het onderspit wel móeten delven. Dan lopen we daar zonder hoop. Maria was erbij. Ze liep er niet voor weg. Ze zag hoe Jezus’ leven, liefde, lichaam werden gekruisigd. En daarmee werd ook het geloof in het goede van de mens, misschien zelfs wel het geloof in de goedheid van God, gekruisigd en begraven.

 

De liefde en de dood. Ze zijn niet los verkrijgbaar. Met veel liefde is Jezus’ lichaam omringd. Jozef van Arimatea nam het van het kruis af, wikkelde het in doeken en legde het in.. nee niet in een kribbe maar in een graf. Nicodemus balsemt zijn lichaam. Aan het eind van zijn leven is Jezus met net zoveel liefde omringd als aan het begin. Zowel Jozef als Nicodemus zijn vrome Joden. Door het lichaam van Jezus aan te raken worden zij onrein. En dat nota bene net voor Pesach. Maar hun trouw aan Jezus en hun verlangen om hem eer te bewijzen is groter dan hun trouw aan de Tora.

 

Het moet ook liefde zijn die Maria zo vroeg in de morgen naar het graf brengt. Johannes vertelt niet dat ze daarheen gaat om het lichaam te zalven. Ach, wat drijft een mens naar het graf van een geliefde? Rouw? Verlangen om nog even dichtbij te zijn? Ongeloof: zeg me dat het niet zo is, zeg me dat het niet waar is? (Frank Boeijen)

Als Maria het lege graf ziet, komt dat bovenop haar verdriet: ze hebben mijn Heer weggehaald. Alles is weg. De dichteres Vasalis verwoordt het zo: (in het gedicht Sotto Voce)

 

Zoveel soorten van verdriet

ik noem ze niet.

Maar één, het afstand doen en scheiden.

En niet het snijden doet zo'n pijn,

maar het afgesneden zijn.

 

Afgesneden zijn. Dát is het verdriet. Afgesneden van de liefde. Of, zoals nu al ruim een jaar, afgesneden van onze geliefden, het gewone leven.

 

de leegte

Maria wordt geconfronteerd met een leeg graf. We lopen nog steeds met haar mee en we herkennen die leegte. We kijken met haar mee die leegte in. Ze ziet twee engelen. Een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind. Ze doen denken aan de kist die Mozes moet timmeren in de woestijn, de ark van het verbond. (Exodus 25: 16vv) Op het deksel van die kist moeten twee engelen komen, een aan het voeteneind, een aan het hoofdeind; hun  vleugels gespreid als een beschermend dak. En God zegt tegen Mozes: in die ruimte tussen die twee engelen zal ik jou ontmoeten en met jou praten. God is erbij in de leegte.  

 

de ruimte

Maria is op dat moment vergeten dat Jezus met haar en zijn andere leerlingen heeft gesproken over die leegte als ruimte. Als een huis met vele kamers (Joh 14: 1vv), een plaats bij de Vader. De leegte is de ruimte waarin God zegt: ik ben er voor jou. Jezus heeft nog zo gezegd: Maak je niet ongerust en verlies de moed niet. Wees blij voor me want ik ga naar de Vader. Ik vertel het jullie nu, vóórdat het gebeurt, zodat jullie het geloven wanneer het zover is. (Joh 14: 27-29) Dat lege graf spreekt luid en duidelijk een eigen taal: liefde laat zich niet blussen, zelfs niet door de zee. Sterk als de dood is zij. (Hooglied 8:7)

Jezus’ liefde blijft branden in zijn leerlingen. De liefde van de Vader bevestigt dat door Jezus’ leven te verheffen boven de dood. Het wordt uitgetild boven alles wat tijdelijk is, boven de vergeefsheid. Er is wel sterven maar geen dood. Niets is voor niets geweest. Het telt mee voor de eeuwigheid. Het lege graf vertelt van hoop die niet sterven wil. Licht dat terugkomt. Vrede die bij ons blijft. (uit het paasoratorium Als de graankorrel sterft, Marijke de Bruijne)  

Dat is groots en soms te groot om te begrijpen. En soms zijn het zelfs te grote woorden. Ooit zat ik aan het ziekbed van een jonge vrouw en we hadden het over Pasen. Hoe moeilijk het is om daaraan je hoop te ontlenen als je gezin achterblijft zonder jou. Het vraagt soms moed om de hoop van Pasen tot je te laten doordringen. Het vraagt om moed om te leven met de dood voor ogen. Maar als mensen dát kunnen, zijn ze een voorbeeld waaraan we ons hoopvol optrekken. Niet voor niets laat Bibian Mentel zo’n diepe indruk achter. Niet door haar dood, maar door haar leven.

De hoop van Pasen is geen ontkenning van alles wat moeilijk is. Die maakt dat we kunnen aanvaarden dat angst en dood er zijn. En dat ze ook jou kunnen treffen. Het betekent dat je je vragen naar waarom, je boosheid over jouw lot, jouw verzet, tot rust laat komen. Je toevertrouwen aan de hoop van Pasen betekent dat je accepteert dat je het verhaal van mensen nooit helemaal sluitend krijgt. Er blijven vragen in zitten, onaffe eindjes en rauwe randjes.

Maar ergens, in een moment dat geen woorden heeft, in de stilte van ons bidden, groeit het geloof dat ons leven in alles verbonden is met God. Pasen is de voedingsbodem van die hoop. Het lege graf is de ruimte waar we hem ontmoeten. Hij is er voor ons.

 

Maria!   

Als Maria Jezus ziet staan denkt dat ze met de tuinman te maken heeft. Dat is fout geantwoord. Maar ook een beetje goed. Want in die tuin begint een nieuwe schepping. Het is de eerste scheppingsdag. De dag van het licht. Van Gods Geest die over de chaos en de dood zweeft en de mogelijkheid opent om te leven.

 

De tuinman opent haar daarvoor de ogen als hij haar naam noemt. Maria! En Maria draait zich om. Dat is niet anders dan omkeer, bekering, verandering. Nu zien haar ogen wat ze net nog niet zag, Jezus is opgestaan.

 

Wij worstelen er soms mee. Wat is dat toch, opstanding? Ik las ergens, vrij cru: opstanding is geen reanimatie. (Tom Wright, Eenvoudig christelijk, 103) De Opgestane is anders, al is Hij ook dezelfde. Hij leeft een nieuw soort leven dat we nog nooit eerder hebben gezien. Zoals een bloembol geen krokus is en een pit geen zonnebloem. En toch weer wel. Zoals hij er voor haar was, zo kan Jezus niet bij Maria blijven. Dat moet ze loslaten. Maar Jezus zal háár en zijn broeders en zusters niet loslaten. Hij gaat naar de Vader die ook hun Vader is. Onder zijn beschuttende liefde kunnen ze léven.

 

de liefde en de dood

Toen Jezus door God werd gewekt uit de dood, werden ook die dingen opnieuw wakker die hij belichaamde: oprechtheid, goedheid, gerechtigheid. De zachte krachten van de liefde en de vriendschap zullen nóóit het onderspit delven. Zij overleven de dood.

En als Hij is opgestaan

dan ook onze moed om te doen als Hij.

Als Hij is opgestaan

dan ook onze wil om Hem te volgen.

Als Hij is opgestaan

dan ook ons geloof

dat het donker niet het laatste woord spreekt.

Als er iets vernieuwd is deze dag

is het onze liefde

geboren uit hem

en bestemd voor deze wereld.

Als er iets is opgestaan

is het ons antwoord op de vraag

heb jij mij lief?

(naar Intercity Pasen, Raad van Kerken 2006)

overweging op Palmzondag 2021          PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Lucas 22: 39-53

 

geen stille week

Palmzondag is het begin van de Stille Week. Voor predikanten, organisten, zangers, doorgaans juist helemaal geen stille maar een drukke week. En Stille Week of niet, de wereld om ons heen blijft gewoon doorrazen. En ook wij rennen door; ons hoofd staat niet stil. Het lijkt wel alsof we altijd ‘aan’ moeten staan. Moeten reageren, iets moeten doen. Ik kan alleen maar hopen dat we de rust en de concentratie zullen vinden om ook met de beperkingen van deze tijd opnieuw te verstaan waarom dit een stille week is. Dat het ons gegeven zal zijn om wakker te zijn, alert op wat er te geloven en te verwachten valt.

Het is geen stille week omdat het lijdensevangelie ons juist vertelt van het koortsachtig overleg van de Farizeeën zoekend naar een gelegenheid om Jezus te pakken, van spottend gelach en geschreeuw: kruisig hem. De enige die stil is is Jezus. Waardig blijft hij overeind.

 

stilte voor de storm

De lezing neemt ons mee naar de Olijfberg. In de stilte van de nachtelijke tuin laat Jezus zijn leerlingen achter om te bidden. Hij weet wat hem wacht maar zal hij er tegen opgewassen zijn? Wie heeft niet ooit zo wakker gelegen, gepiekerd, gebeden, angstig voor wat er komt en wetend dat er geen ontkomen aan is. Wie heeft niet ooit getwijfeld of hij sterk genoeg zou zijn om te dragen wat er komt? Jezus is al eerder op de proef gesteld, voor de keuze gesteld. De duivel liet hem kiezen voor koningschap zonder dienstbaarheid, voor aanbidding zonder vernedering. De wereld lag aan Jezus’  voeten. Hij hoefde het maar te zeggen en hij zou regeren. (Lucas 4) Toen bleef Jezus overeind. Hij was bestand tegen de duivel en opgewassen tegen zijn taak. Vanaf dat moment begon zijn verkondiging.

Maar deze beproeving is zoveel groter. Jezus is geen halfgod. Geen krachtpatser. Hij is een mens die gehoor wil geven aan wat God van hem vraagt. En dat heeft hem tot hier gebracht.

Hij worstelt ermee dat hij daarvoor de lijdensbeker zal moeten drinken. Als God het wil, zou Hij dan de beker kunnen wegnemen? Het zijn toch de mensen die hem dit aandoen? Of is het de wil van God? Het is bijna niet te doorgronden hoe Gods heilsplan nog verbonden kan worden met het lijden dat hem te wachten staat. Het is bijna niet meer te rijmen met elkaar dat God een mens roept en hem vervolgens laat sterven. De vragen die Jezus bestormd moeten hebben, de verwarring waarin wij onszelf soms ook herkennen, maken Jezus klein in zijn gebed.

 

de stilte van de nacht

Het is onvoorstelbaar dat Jezus’ leerlingen kunnen slapen. Ze zien hun leider en meester instorten. Wie kan verdragen dat iemand die je bewondert en als voorbeeld beschouwt verschrompelt als het moeilijk wordt. Dan wil je toch juist redderen. Vasthouden, troosten. Onbeholpen als we zijn wanneer een ander het moeilijk heeft.

 

Wie ooit heeft gewaakt bij iemand die stervend is, weet dat je je moet laten overtuigen om even te rusten. Wie hevig ongerust is, zal niet makkelijk in slaap vallen. Maar de leerlingen vallen om. Ze willen nog steeds niet tot zich laten doordringen wat Jezus hen meerdere malen heeft gezegd, dat hij moet lijden en sterven. Dat zijn koningschap heel anders zal zijn dan zij dat voor ogen hebben. Geen triomfantelijke koning die een stad binnenrijdt om die in te nemen maar dienende koning, ontwapend in zijn liefde. Ze willen het allemaal niet weten en laten de angst en ongerustheid niet toe. Ze houden hun ogen gesloten voor wat Jezus beweegt en tasten in het duister over de betekenis die Jezus’ dood kan hebben.

 

Ze vallen in slaap terwijl heel Jeruzalem die nacht juist wakker blijft. Het is de nacht voor Pesach. De nacht dat wordt gevraagd: Waarom is deze nacht zo heel anders dan alle andere nachten? En dan wordt het verhaal verteld van de uittocht uit Egypte. Hoe Israël is bevrijd van het slavenbestaan, bevrijd van een leven dat uitzichtloos was als de dood zelf. Dat is geen eenmalige gebeurtenis maar iets dat in het herdenken steeds weer waar wordt. Want God was niet alleen een God die bewogen is om zijn mensen dat is Hij nog steeds. De bevrijding die herdacht en gevierd wordt, wordt steeds opnieuw waar. Ze hebben nota bene nog maar net met Jezus samen de sedermaaltijd, de maaltijd voor Pesach, gevierd. Maar verwachtingsvol met hem de nacht uitzitten, hoopvol uitziend naar bevrijding, dat zit er niet in. Ze laten het afweten.

 

de stilte van de ziel

Schrijnend genoeg lijkt het of ook God het laat afweten. Hij zwijgt in alle talen en Hij grijpt niet in. Dat gevoel van God en mensen verlaten te zijn is menselijkerwijs niet uit te houden. Godzijdank voor de engel die hem kracht komt geven.

Matteus en Marcus vertellen ook over Jezus’ worsteling. Maar zij vertellen niets over die engel. En binnen het Bijbelonderzoek zijn er grote twijfels of deze twee verzen wel authentiek zijn. In veel handschriften van het Lucasevangelie ontbreken ze namelijk ook. Alsof iemand ze later heeft toegevoegd omdat het toch al te gortig is dat een mens zo alleen staat in zijn lijden. Omdat de hemel niet goed zou moeten vinden dat een mens zo hopeloos alleen is. Niemand zou verlaten mogen zijn van God. Alsof de hemel een voorbeeld stuurt hoe het er op aarde uit zou moeten zien. Want niemand zou verlaten mogen zijn door mensen.

De engel komt alleen maar kracht geven. De lijdensbeker wordt niet van Jezus weggenomen. Rembrandt maakte een ets bij dit tafereel waarop de engel zien die Jezus gevouwen handen vasthoudt. Hij helpt Jezus om zijn gebed vol te houden. Om moedig te zijn en te blijven vertrouwen dat God een mens niet loslaat.

Dit lijden is de bittere uitkomst van een Schepper die ons heeft toegerust met een eigen wil en verantwoordelijkheidsbesef. Zijn macht over ons leven is dat Hij ons kan inspireren om boven onszelf uit te stijgen. Om een weg te gaan die vol moeite is, vol lijden. Maar zijn macht reikt niet zo ver dat Hij die moeite van ons vandaan kan houden. Hij is met handen en voeten gebonden aan het verbond dat Hij met ons heeft gesloten. Hij is daarin even trouw aan Jezus als Jezus dat was aan hem. Al is het een bittere trouw, we mogen vertrouwen dat God, ook als Hij zwijgt, bij ons is.

 

 

de goede week

We noemen het ook wel de Goede Week. Terwijl er niets goeds te ontdekken is aan een mens die zó mishandeld wordt en zo moet lijden. We zien hier juist de mensen op hun slechtst; kwaad op zijn donkerst. Maar te midden van al dat kwaad blijft het goede, de goede mens, overeind. Pasen bevestigt dat. Rembrandt vat dat heel bondig samen: we zien de dreigende stad, de soldaten die aankomen en de leerlingen die slapen terwijl Jezus in doodsangst is. En in dat duister dreigen laat hij de zon stralend opkomen.

 

overweging op zondag 21 maart 2021   PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

5e zondag in de veertigdagentijd

 

uit de Bijbel: Johannes 15: 9-17 en 17: 1 en 13-24

 

Tienertalk

Op 23 maart 2018, vandaag bijna 3 jaar geleden bestormde een man, die trouw aan Islamitische Staat (IS) gezworen had, een supermarkt in de Zuid-Franse stadje Trèbes, in Zuid-Frankrijk. Hij was bewapend met een pistool, een jachtmes en drie zelfgemaakte bommen.

Eerder had hij al iemand doodgeschoten en een ander levensgevaarlijk verwond om hun auto te stelen. Daarmee was hij naar de supermarkt gereden. Hij schoot onmiddellijk twee mensen dood en nam een vrouw in gijzeling. De politie was snel ter plaatse en onderhandelde met de gijzelhouder over haar vrijlating. Luitenant-kolonel Arnaud Beltrame wist de plaats van de vrouw in te nemen. Hij liet daarbij zijn mobiel aanstaan, zodat zijn collega’s buiten konden horen wat er gebeurde. Arnaud onderhandelde uren met de terrorist. Zonder resultaat. Hij werd neergeschoten en met een mes in de hals gestoken. Daarop bestormde een speciale eenheid de supermarkt en doodde de overvaller. Beltrame overleed een dag later in het ziekenhuis. Hij was 44 jaar. Door zijn daad heeft hij een vrouw het leven gered; en de andere mensen in de supermarkt. 

Hij heeft geweten van de risico’s die hij nam maar hij voelde het als zijn roeping om zijn leven te geven voor de anderen. Zijn zelfopoffering werd geprezen als een heldendaad.

Jezus zegt: Er is geen groter liefde dan je leven te geven voor je vrienden. Hij heeft deze woorden zelf waar gemaakt. Net als de politieagent. Jij moet je leven niet op het spel zetten. Maar je kunt je wel afvragen: ben ik in staat iets van mijzelf op te offeren om een goede vriend of vriendin te zijn? Kan ik mezelf, en mijn eigen belangen, opzij zetten voor iemand anders?

 

de tijd nemen voor de dood

Vier hoofdstukken lang is Jezus aan het woord en spreekt hij woorden van afscheid. Hij neemt de tijd voor de dood. Dat is niet alle mensen gegeven. Soms is er geen tijd meer. Dan komt de dood te onverwacht, onverhoeds. Er is geen gelegenheid om nog iets tegen elkaar te zeggen. Geen tijd om herinneringen op te halen, geliefden op het hart te drukken goed voor elkaar te zorgen. Wie heeft meegemaakt dat een geliefd mens zomaar ineens overleed weet hoe de leegte gevuld kan zijn met het gevoel dat het onaf is.

Soms is er wél tijd maar wordt die niet gebruikt. Er wordt niet gesproken over het naderende einde. De dood wordt doodgezwegen, de realiteit ontkend. Uit angst, of om elkaar het verdriet te besparen.

De tijd nemen voor de dood is een geschenk dat je elkaar kunt geven. Er zijn dingen tegen elkaar te zeggen, belangrijke dingen: het spijt me. Ik vergeef je. Ik dank je. Ik houd van je. Dat is wat uiteindelijk telt. En het is aan degene die sterft om woorden te zeggen waarmee de achterblijvers verder kunnen. Dat zij niet met lege handen staan, maar kunnen na-bestaan met liefde, herinneringen, wijze lessen. Ik hoop dat die tijd mij ooit gegeven zal zijn en dat ik die durf te vullen.

Sterven is verlies en afscheid maar ook durven spreken van blijvende verbondenheid. Want wie sterft verhuist naar de harten van degenen die van hem en haar houden. Ik blijf in jullie, zegt Jezus. Blijven jullie in mij. Jullie blijven in mij door je te houden aan mijn geboden. Dit is mijn gebod, heb elkaar lief.

Hij kan die opdracht geven omdat Hij zelf de grootste liefde heeft laten zien. Het was zijn roeping om mensen in de vrijheid te zetten, om te vergeven en te helen. Hij was niet dwingend in wat Hij de mensen meegaf -ze waren geen slaven van hem of van zijn wetten- maar Hij nodigde uit om te veranderen en vanuit de liefde voor hem en voor God elkaar lief te hebben. Hij vertrouwde erop dat zijn leerlingen vrucht zouden dragen omdat ze zich mochten voeden aan de Zoon en de Vader.  

 

de tijd is gekomen

Jezus weet dat zijn tijd is gekomen. Het zijn zijn vrienden die er nog niet aan willen. Aan het eind van deze nacht, als Jezus gevangen is genomen…. morgen, als hij door de hogepriester naar Pilatus wordt gestuurd en wordt gekruisigd, dan zullen Jezus’ woorden landen in hun harten. Dan zullen ze de impact ervan beginnen te begrijpen.

 

Jezus is niet bang. Want hij vertrouwt dat Hij naar zijn Vader gaat. Hij haalt daar kracht uit. Het geeft hem de moed om trouw te blijven aan zijn roeping, om dicht bij zijn geloof te blijven. Ik heb soms moeite om Jezus te begrijpen. Hoe kón hij. Waarom vertrok Hij niet uit Jeruzalem toen het nog kon? Hij wist toch dat er op hem werd geloerd. Waarom bleef Hij zo fier overeind staan toen Pilatus hem vroeg of Hij de koning van de Joden was?

Het maakt me bewust van mijn eigen vrijheid als mens, als gelovige. De keuzes en overwegingen die ik vanuit mijn geloof maak zijn over het algemeen luxeproblemen. Ik kom er niet door in de gevangenis; ik word niet bespot door mijn buren of uit mijn familie gestoten. Het gaat vooral over mijzelf.

Hoe anders is dat voor christenen die omwille van hun geloof worden gediscrimineerd, gekleineerd omdat zij een kleine minderheid vormen. Mensen die hun geloof zorgvuldig geheim moeten houden omdat ze anders gevaar lopen zullen een andere waardering voor hun geloof hebben dan ik. Christenen die worden gevangen gezet of moeten vluchten dragen op een heel andere manier de consequenties van hun geloof dan ik. Maar net als ik proberen ze trouw te blijven aan dat geloof en koesteren ze wat daarin mee komt.

 

Voor Jezus was er maar een manier om trouw te blijven aan waar Hij voor stond: door er niet voor weg te lopen en de consequenties te dragen. De manier waaróp Hij dat deed is evenzeer een voorbeeld als het moment waarop Hij neerknielde om zijn leerlingen de voeten te wassen. In zijn sterven leerde Hij zijn vrienden om standvastig te zijn en vol vertrouwen. Voor de vervolgde gemeente waarvoor Johannes zijn evangelie schrijft is dat bemoedigend. Want als iemand Jezus volgt in de dood, zal hij hem ook volgen in het nieuwe leven en een plaats krijgen in het huis van de Vader.

 

tijd nemen voor het leven

Na zijn lange toespraak is er nog één ding dat Jezus wil doen. Hij slaat zijn ogen op naar de hemel en Hij bidt. Zoals eeuwen vóór hem Mozes bad dat het volk dat hij uit Egypte leidde het goed zou hebben in het beloofde land. Zoals Jacob voor hij stierf zijn zonen bij zich riep en hen ieder afzonderlijk de zegen meegaf. Zo bidt Jezus nu voor zijn vrienden.  

 

Hij vertrouwt hen toe aan de liefde van de Vader. De liefde die Hij zelf altijd heeft ervaren en waarvan Hij weet dat ook zijn vrienden die zullen voelen als Hij er niet meer is.

Jezus bidt dat zij geheiligd zullen zijn. Niet dat zij heilige boontjes zullen worden maar dat ze een apart slag mensen zullen zijn. Geen mensen die bekend staan vanwege hun vroomheid maar mensen van wie je iets mag verwachten. Dat ze betrouwbaar zijn en oprecht. Jezus liet zich ook niet voorstaan op zijn geloof, was geen vrome betweter die anderen terecht wees. Hij liet zich bij mensen uitnodigen om met hen te eten en te drinken. Hij geeft er steeds blijk van dat hij de mensen kent in hun alledaagse bezigheden.

Geheiligd zijn is niet alleen met de mond belijden wat je gelooft maar je daden voor zich laten spreken. Niet schijnheilig zijn dus. Geheiligd zijn is je laten zenden, je laten uitstrooien over de akker van de samenleving. Mens zijn tussen de mensen. Niets is zo groeizaam en niets is zo aanstekelijk als een daad van goedheid. Veel besmettelijker dan een virus zijn mensen die met een glimlach je leven binnenstappen; die een goed woord voor een ander over hebben.

 

 

Laat ze een zijn, bidt Jezus. De kerk der eeuwen heeft dit gebed van Jezus ‘laat hen allen een zijn’ opgevat als een organisatorisch iets; de Katholieke kerk zag dit als de grond van haar bestaan en veroordeelde en vervolgde andersdenkenden als ketters. Alles om die eenheid te bewaren. Binnen de oecumene werd het gehoord als een aansporing om als kerken samen te werken; om te zoeken naar wat bindt in plaats van de nadruk te leggen op wat scheidt. Je kunt het ook spiritueel opvatten, als de verbondenheid van alle christenen, dwars door kerkmuren heen.

Wij zijn één zoals de Vader en de Zoon een zijn. Zoals Jezus en zijn vrienden één zijn geweest. Wij zijn één omdat de het gebed van Jezus ons samenbindt.

 

lied: Hij ging de weg zo eenzaam, NL 560

overweging op zondag 28 februari 2021          PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

 

2e zondag in de Veertigdagentijd

 

 

uit de Bijbel: Johannes 13: 1-5 en 12-17

(afbeelding: Sieger Koder)

 

Tienertalk

 

Ik weet niet hoe het met jou zit, maar over het algemeen vinden we het heel belangrijk wat andere mensen van ons vinden.

Het is fijn als mensen je complimenten geven -dat kan morgen, op complimentendag-Het is fijn om gezien en gewaardeerd te worden.

Het kan ook blokkeren.

Als we steeds harder ons best gaan doen om de waardering van anderen te krijgen.

Als we ervan uitgaan dat het toch nooit goed genoeg zal zijn wat we doen.

Of als dat stemmetje in ons achterhoofd ons blijft vertellen

dat ‘men’ het vast raar vindt wat je doet.

En dan doe je het maar niet.

Dan houd je je op de achtergrond.

 

Het bijzondere van Jezus is dat het hem niets kan schelen wat anderen over hem denken. Het moet raar zijn geweest. Dat moment dat hij opstaat  van de tafel en een rondje maakt om zijn twaalf vrienden de voeten te wassen. Daar hebben die twaalf vast iets van gevonden. Misschien achter hun hand iets tegen elkaar gefluisterd. Petrus moet er sowieso niets van hebben. Die trekt zijn voeten terug.

Maar Jezus gaat zijn gang. Wat hij moet doen, wat hij gelooft op dat moment, is niet afhankelijk van de mening van anderen. Wie hij ís, is niet afhankelijk van de waardering van zijn vrienden; maar ook niet van hun negativiteit.

Het maakt hem niet uit wat ze denken.

 

Wat ik vandaag van Jezus leer is dat het vooral belangrijk is hoe ik over mijzelf denk. Want het zijn niet de maatstaven van anderen die ertoe doen. Het gaat om mijn eigen maatstaven. Wie wil ík zijn? Hoe wil ík in het leven staan? Hoe kan ík God dienen?

 

 

-- 


voeten

Het is nog maar kort geleden dat Maria de voeten van Jezus zalfde met kostbare olie en ze afdroogde met haar haar. (Joh 12) Een groots gebaar, al moest Maria zich er heel klein voor maken. Zij liet zien dat ze wíst waar Jezus’ weg op zou uitlopen, en dat hij een gezalfde van God was, en steeg daarmee boven al die mannen uit die Jezus zagen als  concurrent en hem uit de weg wilden hebben; zelfs de twaalf leerlingen van Jezus was zij met deze geloofskennis de baas. Die hadden nog zoveel vragen en begrepen zoveel niet. (lees bijv. Joh 12: 16, 13:36, 14: 5) . Een van hen zou hem zelfs verraden, en Petrus zou hem verloochenen. Jezus maakt eenzelfde gebaar als hij neerknielt om de voeten van zijn leerlingen te wassen.

 

Die voeten roepen herinneringen op aan het moment dat de Israëlieten na veertig jaar in de woestijn op de grens van het beloofde land staan. Die grens, dat is de Jordaan. En daar moeten ze doorheen. Maar ze hoeven niet bang te zijn. Zodra de voeten van de priesters omspoeld worden door het water, laat God het water wijken. Het volk kan veilig naar de overkant en is weer een stap dichter bij het land dat God heeft beloofd. (lees Jozua 3: 14v)

De voeten vertellen dat Israël niet vergeefs op God heeft vertrouwd. Na de bevrijding uit Egypte heeft hij voor hen gezorgd in de woestijn. Veertig jaar lang gaf Hij hen brood uit de hemel; hun kleren raakten niet versleten en hun voeten zwollen niet op. (Deut 8: 4) Deze God van bevrijding heeft hen dóór de Jordaan geleid om het beloofde land binnen te gaan. Het land waarvan God zei: waar je je voet ook maar zet, ik geef het aan jou. (Joz 1:3)

Het is kort voor Pesach, het bevrijdingsfeest waarop dit verhaal van uittocht, doortocht en intocht wordt vertelt, als Jezus opstaat van tafel om zijn leerlingen de voeten te wassen. Het een moet wel met het ander te maken hebben. Zo wil Johannes het hebben over de naderende dood van Jezus. Het zal een uittocht zijn uit deze wereld en dóór de dood heen zal hij ingaan tot nieuw leven bij de Vader. Dat nieuwe leven, daar kunnen zijn leerlingen hem in volgen. Als zij zich houden aan de geboden, de weg van de liefde en de dienstbaarheid gaan. (Dat lezen we later, in Johannes 14 en 15)

 

Pesach

Het is kort voor Pesach. Op dat feest wordt ongedesemd brood gegeten. Er mag in het hele huis geen kruimel zuurdesem meer te vinden zijn. (Ex 12: 14) Het gaat zelfs zo ver dat wie zich daaraan niet houdt, uit de gemeenschap gestoten zal worden. Waarom zo hard gesproken?

Wie brood wil bakken, gebruikt een stukje van het oude gezuurde deeg. Dan zal het nieuwe deeg ook rijzen. Er gaat in het nieuwe brood dus steeds iets van het oude mee. Maar Pesach was voor Israël een radicaal nieuw begin.

Hun nieuwe leven zou geen schijn van kans hebben als zij de angst, het onrecht en de onvrijheid uit Egypte zouden meenemen. Dat zou het beloofde land doorzuren, zoals gist brood. Maar het werd anders!

In Jezus wordt het anders, getuigt Johannes. Hij is het licht dat de duisternis verlicht; hij is de goedheid en oprechtheid van God de Vader te midden van kwaadwilligheid. Hij is het nieuwe brood, het brood van God dat uit de hemel komt en de mensen leven geeft. (Joh 6: 35) Het brood dat wij breken en delen om te gedenken hoe hij deelde en gebroken werd.  

Bij de Pesachmaaltijd wordt ook lam gegeten, een herinnering aan de dood die de eerstgeborenen van Egypte trof maar de Israëlieten spaarde, omdat zij het bloed van het lam aan de deurpost hadden gesmeerd. 

Johannes schrijft over Jezus als het paaslam. ‘Kijk, daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’. (Joh 1: 29) Jezus, de rechtvaardige van God, is zo solidair met de wereld dat hij ten onder gaat aan alle kwaad. Geslachtofferd wordt hij op het altaar van degenen die zich aangetast voelden in hun macht. Omdat zijn liefde voor de mensen die op hem vertrouwen tot het uiterste gaat. Toch is Jezus als dat paaslam: teken van bevrijding die komen gaat. Wij drinken wijn, rood als bloed, om dat te gedenken en te vieren. Johannes vertelt ons niet op deze manier over de laatste maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Jezus’ liefde spreekt bij hem niet uit brood en wijn maar uit water.

 

Jezus staat op

Tijdens de maaltijd staat Jezus op van de tafel en hij legt zijn bovenkleed af. Hij weet dat zijn tijd is gekomen. Nog maar even dan zal hem dat worden afgenomen en soldaten zullen er om dobbelen. Nog maar even, dan zal hij zijn leven afleggen én opstaan.

Dat is in de eerste plaats wat Jezus met deze handeling wil vertellen; omdat hij de mensen die hem toebehoren tot het uiterste liefheeft zal hij sterven én opstaan. De weg die hij gaat is de weg van de vernedering. Het is een afgang om zo te sterven. Maar, dat klinkt door heel het Johannesevangelie: die afgang is tegelijkertijd een opgang. Alleen zo kan Jezus trouw blijven aan zijn roeping als Zoon van de Vader. Het is als een graankorrel die wel sterven moet in de aarde om ooit vrucht te kunnen dragen. (Joh 12: 24) Je moet jezelf durven verliezen om iets terug te krijgen; je moet durven sterven voor je vrienden om te kunnen leven. Dat is wie Jezus is; hoe hij de gezalfde van God is. Maria had dat begrepen.

 

In de tweede plaats geeft Jezus een voorbeeld om na te volgen. Hij zal tijdens deze maaltijd een lange toespraak houden. In het evangelie van Johannes neemt die de hoofdstukken 14 tot en met 17 in beslag. Kernwoord van die toespraak is liefde. Maar daden spreken zoveel luider dan woorden. Als Jezus neerknielt kunnen zijn leerlingen aan hem aflezen dat het de bedoeling is dat ook zij van elkaar gediend zijn. Van teen tot top. Van de viezigheid van de voeten tot aan de kruin.  

Jezus doet hen geen heilige handeling voor. Geen sacrament zoals het delen van brood en wijn dat wel geworden zijn. Het blijft in de huiselijke sfeer. Het is maar gewoon water, in een gewone waskom. Want elkaar dienen, de minste durven zijn, dat is iets voor alledag.

In de gewone dingen zit een verwijzing naar het leven van Jezus. De zorgvuldigheid en liefde die wij naar elkaar betrachten in het gewone kan maar zo raken aan het geheiligde.

 

Het zijn de dingen die je doet,

de dingen die je doet die niemand ziet

die zeggen wie je bent

 

De priester die week in week uit

weer opstaat en de klokken luidt

in een kapotgeschoten kerk met lege banken

 

De moeder die de nacht door zingt

tot er wat rust vloeit in haar zieke kind.

En als het licht wordt staat de wereld weer te wachten.

 

De vrouw die nog steeds zorgt voor hem

terwijl ze weet, hij weet niet wie ik ben.

Ze blijft hem wassen, terwijl hij haar blijft vergeten

 

De vader die zijn zoon omhelst

Al wordt ’ie keer op keer teleurgesteld,

nooit eens: het spijt me,

maar toch fluistert hij: vergeven.

 

Het zijn de dingen die je doet,

de dingen die je doet die niemand ziet

die zeggen wie je bent.

(tekst: Matthijn Buwalda)

 

voeten

Nog even over die voeten..

Maria zal de eerste zijn die de Opgestane Heer ziet. Zij zal de eerste boodschapper met een vreugdevol bericht zijn. Hoe liefelijk zijn háár voeten (Jes 52:7 en Rom 10:15) die haar als een apostel dragen om de boodschap van vrede en goed nieuws te verspreiden. Gezegend de voeten die getuigen van Jezus; gezegend de voeten die ons brengen bij wie ons nodig heeft.  (luister naar: How beautyful are the feet, Messiah)

overweging op zondag 24 januari 2021                 

PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 3: 1-13

 

De Heer heeft mij gezien en onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen.
Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht,
gaf mij een levend hart en nieuwe ogen.
Zo komt Hij steeds met stille overmacht
en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.
 
Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.
Heeft in zijn handen onze naam geschreven.
De Heer wil ons bewonen als zijn huis,
plant als een boom in ons zijn eigen leven,
wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid
en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.

Gij geeft het uw beminden in de slaap,
Gij zaait uw naam in onze diepste dromen.
Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt
zoals de regen neerdaalt in de bomen,
zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,
zo zult Gij uw beminden overkomen.

 

De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen

Het is soms op het moment dat de ouderling voor mij bidt aan het begin van de dienst; het gebeurde toen ik voor het eerst werd bevestigd als predikant; soms overvalt het me als ik met iemand in gesprek ben en we samen bidden: een gevoel van warmte dat door mij heen trekt, een geestelijk opademen alsof er een last van mij wordt afgenomen. Dat zijn voor mij momenten waarbij het lied hoort: De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen. Dan voel ik me alsof er een last van me af is gevallen, en ik van druk ben bevrijd. Herboren. Dit lied zingt ervan dat God ons hart aanziet en dat vernieuwen wil.

 

Er zijn redenen om dit lied meer op te nemen in het Nieuwe Liedboek.

(Marian Geurtsen ‘Wat is er mis met “De Heer heeft mij gezien”?  https://mariangeurtsen.nl/?p=1103)

Toch blijft het, alleen al vanwege die eerste regel, voor veel mensen een geliefd lied. Misschien omdat we het herkennen. Dat gevoel gekend te zijn in onze kern; ook in wat er mankeert, in ons onvermogen en in dat bange hart van ons. Het vertrouwen dat we, doordat we gekend zijn, verder kunnen.

Vele ponden lichter omdat we geloven dat God ons geen last wil opleggen maar bij ons is in wat we te dragen krijgen. De enige last die Hij in ons binnenste wil leggen en ons hart wil schrijven is zijn Wet, woorden die de weg wijzen. (Lees: Jeremia 31:33)  Zodat het een levend hart is; en wij met nieuwe ogen kijken naar elkaar, naar onszelf.

 

Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht

In de nacht komt Nicodemus naar Jezus toe.

Hij is een vooraanstaande Joodse leider. Wil hij liever niet gezien worden of  betekent dat woord ‘nacht’ vooral dat er iets in Nicodemus wacht om gewekt te worden? Zit de donkerte in hem en vermoedt hij dat hij voor het licht bij Jezus moet zijn? Wij hebben allemaal onze Nicodemus-momenten; een doorwaakte nacht van strijd en zorgen; vragen die we niet hardop durven stellen; twijfels die we in het openbaar niet durven delen of het gevoel dat het nergens op slaat om te geloven in een God waar de wereld vaak om lacht. Nachtelijke vragen. Nicodemus weet naar wie hij toe moet.

 

Rabbi, zei hij, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht. Mooi van Nicodemus, dat hij, als Jood, Joods leider zelfs, erkennen kan dat Jezus een van God gezonden mens is. Maar Nicodemus hoort bij de mensen waarvan Johannes schrijft: ‘Veel mensen kwamen tot geloof in zijn naam omdat ze de wondertekenen zagen die hij deed. Maar Jezus had geen vertrouwen in hen…’ (Joh 2: 23)

Wij wéten dat u van God komt.. en Jezus kaatst terug: wat jij denkt te weten is niet wat je moet weten. Het gaat niet om míjn wondertekenen maar om jóuw hart. Ik verzeker je, alleen wie opnieuw wordt geboren kan het koninkrijk van God zien.

 

Voor Nicodemus betekent dat dat hij 180 graden anders moet gaan denken. Hij is een Jood. Dat ben je door je geboorte. Zodra je de moederschoot verlaat ben je een kind van God en heb je deel aan zijn toekomst. En nu zegt Jezus dat dat niet voldoende is. Dat hij opnieuw geboren moet worden.

Nicodemus heeft het over geboren worden uit een vader en moeder; Jezus spreekt over nieuw geboren worden uit water en geest. Dat doet Johannes vaker; een misverstand opvoeren om iets over te brengen. Denk maar aan de ontmoeting van Jezus met de vrouw bij de bron. Zij heeft het over water dat dorst lest. Jezus heeft het over water dat leven geeft. (Joh 4; lees bijvoorbeeld ook Joh 6: 51-53, het misverstand over het brood en Jezus’ lichaam)

Door die misverstanden wil Johannes zijn eigen leerlingen duidelijk maken dat geloven ook een leerproces is. Je groeit als het ware in je geloof. Want dat is niet aangeboren, zoals Nicodemus denkt. Het is ingeblazen, gewekt door Gods Geest.

(Nico ter Linden, Het Verhaal gaat) Daardoor wordt een mens nieuw geschapen.

 

Zoals de wind wie weet waarheen hij gaat,

zo zult Gij uw beminden overkomen.

 

De Geest is vrij, Zij waait waarheen zij wil. Zo is de nieuwgeboren mens vrij. Vrij om te leven. Ongrijpbaar voor de macht van de duisternis. Die zal nooit meer het laatste woord hebben over het bestaan. Zoals de wind zal God zijn beminden overkomen. We weten dat die er is maar weten niet waarvandaan en waar naartoe.

Jezus speelt met het Griekse woord pneuma dat zowel Geest, als wind, als adem betekent. Door dat woord te gebruiken herinnert hij Nicodemus aan wat hij weet en gelooft:

dat Gods Geest over de oervloed zweefde en nieuw leven schiep; dat God zijn eigen adem inblies in de mens die hij had geboetseerd; de vernieuwende Geest waarover Ezechiel (Ez 37) profeteert waardoor dorre beenderen tot leven komen. Nicodemus moet begrijpen dat in Jezus God iets nieuws is begonnen, een nieuwe schepping, een levenwekkende beweging.

 

Maar hoe kan dat dan? vraagt hij zichzelf vertwijfeld af. Het is zo anders dan de traditie waarin hij staat. Het is zo anders dan wat hij doorgeeft aan anderen. De leraar heeft nog veel te leren als het gaat over geloof in Jezus. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor ons. We hebben veel te leren. Ook als je denkt dat je weet hoe het zit, júist als je meent dat je voldoende kennis hebt van het geloof, moet je open blijven staan voor het waaien van de Geest. Zodat je steeds vrij bent. Niet vastgebakken in het oude vertrouwde; niet angstig om dingen achter je te laten, niet onvrij uit loyaliteit naar wat je altijd voor waar hebt gehouden.

 

Gij zaait uw naam in onze diepste dromen.

Nicodemus verdwijnt weer in de nacht. Maar er is iets in hem wakker geworden. Want Johannes vertelt nog twee keer over hem. Nicodemus neemt het op voor Jezus als de Farizeeën Jezus willen laten arresteren. (Joh 7:50) En als Jezus gedood is aan het kruis neemt hij samen met Jozef van Arimatea het lichaam van het kruis. Hij heeft mirre meegenomen om het lichaam te balsemen, een geschenk voor een koning. (Joh 19: 38vv) Spottend hing dat bordje aan het kruis ‘Jezus Christus, koning van de Joden’ maar voor Nicodemus is het wáár geworden. De man die eens ’s nachts bij Jezus was gekomen staat dan op klaarlichte dag aan zijn kant. (Nico ter Linden, Het Verhaal gaat)

overweging op zondag 21 februari 2021          De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

1e zondag van de Veertigdagentijd                 

 

uit de Bijbel: Johannes 12: 1-8 en Efeziërs 5: 1-2

 

1 Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, 2 en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God.

 

Tienertalk

Als iets stinkt is het niet in de haak.

Als je ergens instinkt, ben je in een flauwe grap getrapt, of je hebt op een link geklikt in een mailtje waardoor je wordt opgelicht.

Een zaak die stinkt betekent dat je er niet op kunt vertrouwen dat het eerlijk verlopen is. En als iemand zit op te scheppen kun je zeggen: het stinkt hier. 

Denk ook aan ‘stank voor dank’.

Maar vandaag gaat het niet over stank. Het gaat over een lekker geurtje.

Van Jezus wordt gezegd: hij heeft zich gegeven als een geurige gave.

Er hing geen luchtje van wantrouwen of slechtheid om hem heen.

Dat voorbeeld moeten jullie volgen, zegt Paulus.

Jullie moeten ook zo’n geurig geschenk zijn voor God.

Hoe doe je dat?

Ik heb mijn geurkaars meegenomen.

Hij staat in de huiskamer.

Hij heeft best een leuke kleur maar als hij niet brandt heb ik er niet altijd erg in.

Dan zie ik hem over het hoofd.

Als hij wel brandt wordt hij niet heel veel zichtbaarder.

Hij wordt niet heel indrukwekkend.

Maar hij doet wat hij moet doen:

hij verspreidt een lekker luchtje door de hele kamer.

Hij beïnvloedt de sfeer in mijn huis.

 

Als je net als Jezus een geurige gave voor God wilt zijn

hoef je niet heel overdreven te doen. Je hoeft niet je stinkende best te doen.

Als je doet wat jij kan en bent wie jij bent

dan is dat voor God een groot geschenk.

Dit is toevallig een grote geurkaars

maar ze zijn er in soorten en maten.

Zo zullen ook wij verschillen in wát we kunnen doen

om te leven in de voetsporen van Jezus.

 

Maria

De ene Maria is de andere niet. De vele Maria’s in het Nieuwe Testament worden uit elkaar gehouden door de toevoeging ‘de moeder van’ (Jezus, Jacobus en Jozef), ‘de vrouw van… (Klopas) of ‘de zuster van..’ (Marta) Of met een plaatsaanduiding: ‘uit Magdala’. Toch blijft het soms lastig om te bepalen met welke Maria je te maken hebt.

Ik wil eerst een misverstand uit de weg ruimen. In de traditie zijn verschillende verhalen en Maria’s bij elkaar geveegd. Zo ontstond het beeld van Maria Magdalena, de zondares die door Jezus werd vergeven en die met haar loshangende haar zijn voeten heeft gedroogd. (zie ook Luc 7:36v, Luc 8: 2) De vroege kerk heeft vooral de nadruk gelegd op haar losbandige gedrag en haar boetedoening. Dat heeft lang bepaald hoe er vanuit de kerk naar vrouwen werd gekeken en hoe zij zich dienden te gedragen.

In kloosters met haar naam bijvoorbeeld werden jonge vrouwen opgevangen die ongetrouwd zwanger waren geworden. De bedoeling was om hun lot te verbeteren maar in de praktijk heeft het verdriet en onrecht veroorzaakt. Er zijn vrouwen door beschadigd, gescheiden van hun kinderen.  

Door die grote nadruk op haar seksualiteit en boetvaardigheid raakte een andere aspect helemaal ondergesneeuwd: Maria was de eerste getuige van de opstanding van de Heer en daarmee de eerste apostel. De traditie had haar haar stem en getuigenis ontnomen. Gelukkig is dat rechtgezet door de kerkelijke vernieuwingen in de jaren ’60 (Tweede Vaticaans Concilie 1962-1965) en werd bij pauselijk besluit vastgelegd dat Maria Magdalena vereerd dient te worden als apostel.

 

Nu dit is gezegd kunnen we kijken naar Maria die, terwijl Jezus aanligt aan de maaltijd, een kruikje kostbare nardusolie neemt  - het échte zuivere spul dat met zijn geur het hele huis doortrekt -  en daarmee zijn voeten zalft. Dan droogt ze die nota bene af met haar haar. Je kunt je afvragen wat er meer indruk maakt: haar onbetaalbare geschenk – je moet toch wel aan een jaarsalaris denken-  of haar diepe diepe buiging.

Het lijkt zo’n nederige houding en toch beschouw ik het als een daad van grote liefde, zelfbewuste liefde. In die geknielde, kleine, houding is zij groter dan wie dan ook aan die tafel. Want zij doorziet en omarmt waar de Farizeeën en Schriftgeleerden alleen maar bang voor zijn (lees Joh 11:47v) : deze mens komt van God. Hij is een gezalfde. Een koning. De geur van haar nardusolie is als een reukoffer, bedoeld om God te bidden en te aanbidden. Het is een teken van haar toewijding, een besef van Gods heiligheid in Jezus.

Wij zien onszelf misschien geen jaarsalaris uitgeven of languit op de vloer liggen, en bij het woord ‘aanbidding’ voelt niet iedereen zich thuis, maar hoe brengen wij tot uitdrukking dat wij mensen klein zijn en God zo groot? Hoe máken wij hem groot? Hoe is het voor ons om ons kleín te maken en daardoor juist te worden opgericht en getuige te worden van de Opgestane?

Terwijl ik bezig was met de preek schoot steeds een oud lied door mijn hoofd: ‘Heer, ik geef me aan U volkomen. ’k Leg mijn al hier voor U neêr, opdat Gij in mij zoudt wonen met uw Geest, o Heer!’ Mijn alles, mijn leven en mijn dood, mijn hoop en verlangens, mijn tekortkomingen en waar ik trots op mag zijn, mijn tijd en mijn liefde.. ik geef het als geschenk aan God en ik ontvang er voor terug dat Hij met zijn Geest bij mij woont. Dat Hij bij mij is, wat er ook gebeurt. Wie zichzelf investeert, wie royaal is in het geven van zichzelf, krijgt er zoveel voor terug. Zou dat aanbidding kunnen zijn?

Ik moest ook denken aan de keren dat ik knielde voor God. Toen ik trouwde met Bas, in elke nieuwe gemeente weer… door mij klein te maken werd niet alleen Hij groter omdat ik hem de eer gaf die hem toekwam, maar ik ook.

Aanbidding is zingen. En wat zal het heerlijk zijn als we straks weer mogen zingen. Want God heeft zijn troon op onze lofzang. De lofzang gaande houden, ononderbroken God danken, Hem aanbídden, dat is toch onze belangrijkste taak als zijn gemeente? (Ik denk aan ‘Zodat de dank, U toegezonden, op aard nooit onderbroken wordt, maar steeds opnieuw door mensenmonden, gezongen en gesproken wordt. NL 248) Aanbidding is voor jou misschien stil zijn, mediteren, eenvoudiger leven door op de een of andere manier te vasten.

 

Judas

Natuurlijk is er altijd een zure tegenstem. Of iemand die het beter meent te weten. Is dit niet een beetje overdreven allemaal? Wat is het nut hiervan? Wat wordt de wereld beter van alleen maar zingen, of van mediteren. Wie heeft er wat aan als ik vast? Zo’n stem die bij de voorbereidingen van een feestje roept dat het zonde is van het geld en dat we beter iets voor de Voedselbank kunnen organiseren. In dit geval klinkt de stem van Judas: Had dat geld niet beter aan de armen gegeven kunnen worden?

Het past goed bij onze nuchtere inslag om ons te beperken tot een praktische manier van geloven. Het voelt minder ongemakkelijk en het nut is meteen zichtbaar.

Judas komt op voor de armen, voor een nuttige manier van God dienen.

Als jij af en toe Judas bent, de tegenstem, onderzoek dan ook hoe je positief vorm kunt geven aan jouw tegengeluid. Dat ontbreekt bij Judas in dit verhaal. Hij roept maar wat. Alsof het om het één of het ander moet gaan. Of er maar één manier is om God de eer te geven die hem toekomt.

 

Jezus dient hem stevig van repliek: ‘De armen zijn altijd bij jullie.’ Daarmee bedoelt Jezus niet dat de armen wel even kunnen wachten. Hij haalt het boek Deuteronomium aan. Dat gaat in zijn geheel over het beloofde land en hoe het daar zal zijn als God wordt gediend met hart en ziel. Het land zal overstromen van melk en honing; God zal het zegenen met regen op zijn tijd en een rijke oogst. Dan is er dus ook geen armoede. En mocht die er wél zijn, schrijft de Tora voor, wees dan ruimhartig en leen mensen wat ze nodig hebben. En wees zelfs nog ruimhartiger: scheld elk zevende jaar hun schulden kwijt. (lees Deuteronomium 15: 1-11)

‘Armen zullen er altijd zijn bij u’ is een cynische constatering. Het wijst op de onverbeterlijkheid van mensen om vooral voor zichzelf te zorgen. Jezus zegt hier:

Het lukt jullie niet om vanuit de belofte te leven; alsof Gods nieuwe wereld al is aangebroken; jullie willen niet zien wat een rijkdom de Zoon van de Vader te bieden heeft. Dat is pas armoe. Vanuit dat perspectief begrijpen we nu ook waarom Jezus zichzelf straks even klein maakt als Maria om zijn leerlingen de voeten te wassen. ‘Ik geef jullie een voorbeeld’ zegt Hij. Er is niets kleins aan liefde en toewijding.   

Alzo lief

Written by

overweging op zondag 31 januari 2021  PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 3: 14-21

 

ziek

Wat een week hebben we achter de rug! We hoeven doorgaans na negen uur ’s avond niet meer naar buiten, maar het feit dat het niet kan maakt veel mensen Spaans benauwd. Als er aan onze vrijheid wordt gerommeld voelen we ons beknot, onvrij. Dat is natuurlijk op geen enkele manier een excuus voor de onrust, de vernielingen en plunderingen die in sommige steden hebben plaats gevonden. Dan wordt vrijheid op een ernstige manier misbruikt.

Niet alleen corona maakt ons ziek, maar we zien ook hoe onze samenleving door andere krachten wordt verziekt. Niet alleen op straat maar ook achter de voordeur komen problemen bovendrijven die we lang hebben kunnen negeren. We zien de verschillen opdoemen tussen arm en rijk, kansrijk en kansarm, oud en jong. We ontdekken ons eigen egoïsme. Corona haalt soms ook bij ons het slechtste naar boven. Onze vrijheid heeft te lang zwaarder gewogen dan onze verantwoordelijkheid voor elkaar en voor deze wereld. Onze vrijheid is ontaard in de geboorte van de dikke ik. En nu zijn we in allerlei opzichten ziek. Hoe worden we weer beter? Betere mensen. Beter voor elkaar.

 

Vandaag lezen we verder over het gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Al is Nicodemus eigenlijk al buiten beeld geraakt. Om duidelijk te maken waar het om gaat roept Jezus de herinnering op aan het volk in de woestijn. Ze waren lang onderweg en ze waren er nóg niet. Ze kunnen geen manna meer zien en dan wil Mozes ze ook nog een omweg laten maken. Ze hadden beter in Egypte kunnen blijven! Ze mopperen en klagen en Mozes krijgt van alles de schuld. Lekker ongenuanceerd, giftige woorden en zure verwijten. Toen stuurde God giftige slangen op de Israëlieten af, die hen beten, zodat velen van hen stierven. (Numeri 21:4-9) Je zou kunnen zeggen: die slangenkuil hadden ze zelf al gemaakt.

Zo zien de Israëlieten het zelf ook. Als de plaag hen treft beseffen ze dat ze zelf de boel hebben verziekt. Dat dit wel een straf op hun zonde moet zijn, een straf van God. Ze bedoelen daarmee niet een goddelijke vergelding – zo van ‘jij slaat mij, dan sla ik jou’ maar een noodlottig gevolg van het verkeerde handelen van het volk. Het mechanisme van ‘boontje komt om zijn loontje’.

Maar er is genezing mogelijk! Mozes moet een koperen slang maken die om een stok kronkelt. Iedereen die omhoog kijkt naar de slang zal in leven blijven. Wie omhoog kijkt en de slang ziet heeft zicht op wat er verkeerd is gegaan; die heeft inzicht in het kwaad, in de tekortkomingen en fouten.

En zo, betoogt Johannes, moet de Mensenzoon omhoog geheven worden. Zijn kruis geeft ons inzicht in de zonde en uitzicht op de vergeving. Wie het kruis ziet weet wat mensen elkaar aandoen, die weet van duisternis en gedrag dat Gods licht niet verdragen kan. Wie het kruis van Jezus ziet weet van oordeel en dat mensen bezwijken onder elkaar.

 

Jezus is niet gekomen om een oordeel over de wereld te vellen. Dat hoeft ook niet. Dat lukt de wereld prima zelf. De mens roept zijn eigen onheil over zichzelf af, zijn eigen veroordeling. Dat is een bijna onontkoombaar lot. De kwade krachten buiten ons en in ons lijken ons vaak mee te zuigen. We weten lang niet altijd hoe we er in verwikkeld zitten en hoe we zelf schuldig zijn. Daarom bidden we ook: leidt ons niet in verzoeking maar verlos ons van de boze. ‘Red ons uit de greep van het kwaad.’ (Mat 6:13) Johannes noemt dat consequent: duisternis. En in die duisternis is Jezus gekomen als licht.

Toen zijn levenslicht ruw werd gedoofd bleef de Vader niet alleen zijn Zoon trouw, niet alleen die ene mens, maar ieder mens. Want uit de dood ontstond nieuw leven. 

 

3:16

Johannes 3 vers 16 Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft is voor veel mensen de kern van het christelijk geloof. Dat is het ook.

De kern van het evangelie is Gods liefde. Niet zijn oordeel maar zijn redding. Voor mensen die al snel klaar staan met hun oordeel is dat moeilijk te begrijpen. Wij meten met andere maten dan God. In Jezus steekt God zijn hand uit en wie deze reddingsboei grijpt is gered. God is daar ruimhartig in. Het is voor de wéreld. Niet voor enkele uitverkorenen. Het is voor wie in Jezus gelooft; voor wie omhoog ziet naar het licht, weg van wat er om je heen krioelt, weg van wat je naar beneden zuigt of omlaag haalt als mens. Deze belijdenis vraagt dus om een beslissing. Hoe wil jij in het leven staan? Ben jij een mens die het licht opzoekt? Mag God in jou werkzaam zijn? Wil jij een tegenkracht zijn, een zachte kracht, geestkracht, kracht van liefde?

Als dat zo is, ben jij niet verloren. Dan hebben mensen wat aan jou. Dan heeft de samenleving wat aan jou. Dan kun jij niet gemist worden in Gods nieuwe wereld, zijn koninkrijk.

Dan heb je eeuwig leven. Dat betekent niet dat je onsterfelijk bent. Wij vermoeden en geloven dat ons na dit leven geborgenheid wacht bij God. Maar hier bedoelt Johannes dat niet. Wie gelooft in Jezus, wie wil leven in het licht, die brengt een bepaalde kwaliteit aan in het leven. Zijn leven, haar leven heeft eeuwigheidskwaliteit.

Wezenlijk voor eeuwigheidsleven is dat mensen nu al deel krijgen aan het leven zoals God dat heeft bedoeld. Het gaat om een bestendig en duurzaam leven dat God schenkt aan mensen die zich met hem verbonden weten. Die als nieuw willen leven. Denk aan dat mooie lied: ‘Eeuwigheidsleven zal hij ons geven als wij herboren hem toebehoren.’ (Nieuw Liedboek 675) Dat lied bidt om die verbondenheid en dat nieuwe leven: ‘Geest van hierboven, leer ons geloven, hopen en liefhebben door uw kracht.’

Jezus zelf zegt over dat eeuwige leven: ‘Het eeuwige leven is, dat zij U kennen, de enige ware God, en hem die U gezonden hebt, Jezus Christus.’ (Johannes 17:3)

Dus: eeuwig leven is God kennen en Jezus kennen. Wat God kennen inhoudt vertelt Johannes ook: dat is je houden aan Gods Woord. En wie zich houdt aan Gods woord heeft lief. (lees: Johannes 13: 34v; 14:23v) Die is bereid om de minste te zijn. Om anderen te dienen. Eeuwig leven zit dus in de verbondenheid met God en mensen, eeuwig leven is liefhebben.

 

Johannes is de evangelist die het ons niet makkelijk maakt. Als je denkt te begrijpen waar het om gaat ontglipt het je ook weer. Hij deelt met ons het geheim van Jezus’ dood en opstanding. Een geheim waarvan wij de diepte niet kunnen peilen. Een geheim dat we niet kunnen doorgronden maar waarvan we wel aanvoelen dat het ons draagt. Onze wereld is ziek én genezen. Laten de mensen dat aan ons kunnen aflezen. Dan zien zij ook de werkzame kracht van God.

'Want is er altijd licht. Als we maar dapper genoeg zijn om het te zien, als we maar dapper genoeg zijn om het te zijn.’ (Amanda Gorman, ‘The hill we climb, voorgedragen bij de inauguratie van Joe Biden als president van de VS)

Page 1 of 10