Blog

Wat moet ik doen?

overweging op zondag 11 september 2022   PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

In deze dienst stond het afscheid nemen, herbevestigd worden en aantreden van taak- en ambtsdragers centraal.

 

uit de Bijbel: Psalm 19: 8-17 en Lucas 10:25-37

 

Drie reizigers reden op hun kamelen door de woestijn. Plotseling hoorden zij een stem die hen riep: kom van je kameel af en kniel neer op de grond. Angstig gehoorzaamden zij de stem. Vul nu je handen met zand en klim weer op je kameel. Rijd door naar je bestemming maar open je handen niet. Zij haastten zich om te doen wat de mysterieuze stem hen had opgedragen. Na uren rijden bereikten zij de volgende oase. Zij openden hun handen en ontdekten dat ze geen zand vasthielden maar juwelen. O, riepen ze uit, hadden we maar geweten dat het niet zomaar woestijnzand was, dan hadden we veel meer meegenomen.

 

Lijkt het leven niet soms op een woestijn. Leeg en richtingloos. We zijn onderweg, maar af en toe zijn we zo gelukkig dat we een stem horen die ons roept. We luisteren wel maar met een half oor, met een hoofd dat veel te vol is, met een halfslachtig hart. Veel te veel bezig met andere zaken. Maar er komt een moment dat we ontdekken dat elk moment een schat had kunnen zijn. (gevonden op torah.org/learning/tehillim-ch19)

 

De hoofdrolspelers in de gelijkenis van Jezus laten die ontdekking aan zich voorbij gaan. Op hun weg vinden ze de kans om een medemens te zijn. Ze kunnen een held zijn in het verloren verhaal van die voor dood achter gelaten man.

Ze hebben het zand in hun handen maar geven het niet de kans om het tot een schat te laten worden. De priester kent de Tora. De Leviet kent de Tora. Wie niet? Zou je bijna zeggen. Want de wetgeleerde die bij Jezus komt vraagt naar de bekende weg. Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven? Wat moet ik doen wil mijn leven díe kwaliteit hebben die iets zegt over het koninkrijk van de hemel. Ze hebben het antwoord in hun handen. Ze weten het allang. Ze doen alleen niets met die kennis.

 

Hoe vaak hebben wíj de kans laten liggen om iets goeds te doen, om van betekenis te zijn? Hoe vaak hebben we niet gedacht dat we het zand in onze handen hadden kunnen omzetten in iets veel kostbaarders? Herkennen wij het moment wel voldoende wanneer we geroepen worden om medemens te zijn?

We hebben goud in onze handen met Gods wet. Levenskracht, richtlijn, wijsheid, vreugde voor het hart, licht voor de ogen. Zoeter dan honing. Begeerlijker dan goud. Wie ermee leeft, wordt rijk beloond.

 

God heeft zijn wil geopenbaard in de Tora. Maar we lezen er ook in wie Hij wil zijn. En hoe Hij bij ons betrokken wil zijn. Door te horen en te doen wat Hij zegt komen we dichtbij hem. Dichtbij God zijn, dat gevoel dat je overvallen kan als je boven op een berg staat, of bij een prachtige zonsopgang. Dáárin herkennen we niet alleen God, maar we ervaren hem ook. Dát gevoel, zegt de Psalmdichter, dát gevoel maar dan nog mooier en sterker, dát hoort ook bij het doen van Gods wet. Hij is het Woord. Jij bent het Antwoord. Als jij er bent voor een ander, komt de Eeuwige daarin als de Ander mee.  

 

Degene die het goede voorbeeld geeft komt uit onverwachte hoek. De Samaritaan laat zich leiden door wat er op zijn weg komt. Of wie. De mens die daar ligt laat hem niet onbewogen. Hij kreeg medelijden. Hij voelde wat voor die arme man.

Medemens word je niet alleen door je te realiseren wat je moet doen. ‘De Heer uw God liefhebben en uw naaste als u zelf.’ Alleen het wéten is te weinig. Dat kan dus misgaan. Vastlopen in theoretische discussies. Wat bedoel je dan met liefhebben? Of: ‘Wie is dan mijn naaste?’ 

 

Het begint met weten wat je moet doen. Maar het vindt zijn focus in empathie, in meevoelen met de ander. Wat je uit je hoofd best weet, landen in je hart. En zijn weg vinden naar je handen, je voeten, je daden. Juist omdát je met je hoofd best weet wat je moet doen voor dat eeuwige leven, zou het je moeten raken als je in een situatie komt die vraagt om liefde. Het zou je niet onbewogen moeten laten als een mens lijdt, tekort komt.

Want medemens word je als je durft te struikelen over de ander, als je je wilt laten ophouden onderweg naar iets anders, als je je het lijden van de ander aantrekt. Dán proef je iets van dat eeuwige leven, de hemel op aarde.

 

Wat moet ik doen? Over het algemeen weten we dat best. En we weten best van onszelf wanneer we aan de overkant voorbij gaan. Wie wil ik worden? Die vraag wil deze gelijkenis vooral stellen. En of we beseffen dat we daartoe voldoende in handen hebben.