Lyonne

Lyonne

dansen met Janssen

Is het de onduidelijke communicatie van minister de Jonge of de ongrijpbaarheid van het virus dat zich door niets en niemand laat regisseren? Zijn het de jongeren? Maakt het antwoord echt wat uit voor de mensen die gedupeerd zijn of voor diegenen die zich erop verheugd hadden lekker los te gaan met vrienden? Het is verdrietig genoeg dat zoveel vingers beschuldigend naar hen wijzen.

In de Bijbel krijgt koning David er van langs als hij voor de ark uit danst. De ark, die Gods aanwezigheid vertegenwoordigt, was lange tijd in de handen van de Filistijnen. Maar David mag hem weer thuis brengen, in Jeruzalem. Niet alleen de ark komt weer thuis, ook God met zijn zegen is weer in hun midden. Wat een feest! David gaat helemaal los. Hij heeft zijn koninklijke kleed afgelegd en hij danst en springt in zijn onderhemd. Precies zo’n hemd als de priesters dragen. Het is dan ook een heilige gebeurtenis. Zijn vrouw Michal ziet het gebeuren en kan er geen respect voor opbrengen. Zij houdt van kóning David, niet van deze malloot. ‘Ik danste om de Heer te eren!’ zegt David. Mooi gezegd! Wie danst viert het leven, dat per definitie gegeven is, een geschenk om met twee handen aan te pakken. Het verlangen om te dansen met Janssen lijkt me uiting geven aan dat gevoel.

Daarom ‘Dans alsof er niemand kijkt. Zing alsof er niemand luistert. Heb lief alsof je nooit bent gekwetst. Leef alsof de hemel op aarde is.’ 

gepubliceerd op de Weekbrief van 18 juli 2021

overweging op zondag 18 juli 2021           PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Jesaja 63: 7-9 en Matteus 11: 28-30

tekst: Voetstappen in het zand

 

gezien

Als iemand tegen je zegt:

Kom maar naar mij, jij die zo moe bent,

dan doet dat al meteen goed.

Want het betekent dat het gezien is,

dat jij een flinke rugzak hebt.

Het is gezien dat je moe bent omdat je veel te verdragen hebt.

En dat je soms niet veel meer hebben kunt.

Alleen al de erkenning dat het niet meevalt,

kan maken dat je tóch nog even door kunt.

De liederen die we vandaag zingen hebben allemaal het woord ‘dragen’ in zich.

(NL 23b: 1 en 2; NL 868: 2, NL 275: 1, 2 en 3 en NL 936)

Omdat God zich meer dan eens laat kennen als een God die draagt.

Zoals een vader of moeder een kind optilt.

Vanuit eenzelfde zorgzaamheid zal God dat doen.

Natuurlijk zal hij zorgen voor Israël, lazen we in Jesaja.

Hij wil hun redder en bevrijder zijn.

Hij is naar zijn volk toegekomen, heeft het in de armen genomen als een kind

en weggedragen uit Egypte. En ook in de woestijn droeg Hij hen.

Niet een stukje, maar de hele weg.(lees bijv Deut 1:31 en Num 11:12)

Die dragende God is een geliefd beeld;

De tekst van de Voetstappen in het zand is bij velen in het hart geschreven.

Omdat ze ervaren hebben dat het zo is. Of zouden willen dat het zo mag zijn.

God is als een Vader die ons beschermt als een kind op zijn arm.

En die God, zegt Jezus, dat is míjn Vader.

Net als de Vader wil de Zoon een plaats zijn om tot rust te komen.

Een grazige weide zijn; beschermende vleugels boven ons, onder ons.

 

juk

Jezus geeft wie hem wil volgen ándere bagage mee.

‘Neem míjn juk op je en leer van Míj.’

Niet de last die de wetgeleerden opleggen aan het volk.

De Tien Woorden van God zijn in Jezus’ tijd uitgegroeid tot een indrukwekkende bijlage van 613 regels en voorschriften.

Het zijn er zoveel dat het dagelijkse leven er ingewikkeld van kan worden. 

(zie bijv Lucas 13: 15 of  Mc 2: 23v)

Dat zijn er zoveel dat je er altijd wel een vergeet en het net niet helemaal goed doet.

Zo keken de wetgeleerden en Farizeeën dan ook aan tegen ‘het volk’.

Dat kon geen goed doen in hun ogen.

 

Het irriteert Jezus dat zij de voorschriften als een last opleggen aan het volk

en geen vinger uitsteken om die last te verlichten.

Pas maar op, zegt Hij, want ze houden zich er zelf ook niet aan.

(Mat 23: 4)

De wetgeleerden hebben weinig begrepen van het geheim van Gods koninkrijk.

Hun leer drukt de mensen neer en zorgt dat ze nooit rust hebben.

Doen wij het zoveel beter? Ik vraag het me af.

We zijn een regelzuchtig volk geworden.

We nemen elkaar graag de maat als de regels worden overtreden.

Soms lijkt het wel alsof we er op uit zijn om een ander op een fout te betrappen.

Corona heeft wat dat betreft niet het beste in ons wakker gemaakt.

In onze tijd gaan ook zoveel mensen gebukt

onder de verwachtingen die ze zichzelf opleggen.

Of opgelegd krijgen van hun omgeving.

Er zijn zoveel ongeschreven normen

waaraan je zou moeten voldoen om erbij te mogen horen.

Op school, op je werk, in je familie…

overal kan het gebeuren dat je op je tenen moet lopen.

Burn out is een volksziekte aan het worden. Bij jongeren al nota bene.

Ik ken zoveel mensen die nú pas aan het leren zijn

dat niet alles perfect hoeft te zijn

en dat je je onder je eigen regels en verwachtingen vandaan mag vechten.

 

rust

Kom maar naar mij, jij die gebukt gaat onder last.

En ik zal je rust geven. Het leven bestaat immers niet alleen uit zwoegen.

God zelf heeft ons geleerd dat we ook van ophouden mogen weten.

Rust maakt deel uit van de scheppingsweek, de werkweek van God.

We zijn er niet altijd even goed in. Gaan soms maar door en door

zonder een pauze te nemen. Want dat staat er in het Grieks:

ik zal jullie een pauze geven. (Gr anapausoo)

Maar Jezus bedoelt meer dan alleen uitrusten.

Die rust die Hij geeft is ook: ‘er gerust op zijn’, vertrouwen dat je op de goede weg bent,

de weg die God je aanwijst.

Het is de kalme zekerheid dat het goed zit tussen jou en God.

(lees bijv Jer 6:16 en Joz 1:13)

De rust die Jezus wil geven is dat een mens zich niet opgejaagd voelt

door alles wat moet of niet mag.

Hij wil ons bevrijden van de krampachtigheid en de angst of je goed genoeg bent. Hij bevrijdt ons van het set schuldig staan voor God,

het schuldig gehouden worden door mensen,

Dat is voorbij. Jezus verbindt de mens op een nieuwe manier met God.

Vanuit de vergeving en de goedheid.

Dat betekent ook dat hij de mens op een nieuwe manier verbindt met de medemens.

Nou ja, nieuw. Zo was het al. God was die dragende Vader al lang.

Het was alleen ondergesneeuwd geraakt omdat de wet een doel op zich geworden was.

 

licht

Míjn juk is zacht en míjn last is licht. Het is makkelijker te dragen. Gebruiksvriendelijker.

Wat Jezus verandert is dat het niet gaat om het keurslijf van regels en voorschriften

niet om de leer, maar om de leraar.

Ben je bereid om hem te volgen en te leven zoals Hij leeft.

Dat is de vraag die in dit stukje wordt gesteld.

Het blijft een juk. En het blijft een belasting.

Maar het is te dragen. En het is vrijwillig.

En degene die het oplegt, kun je vertrouwen want Hij duikt er zelf niet voor weg.

Hij dóet zelf ook wat Hij oplegt aan anderen.

Hij vraagt ons om elkaar te dragen.

Om ons over elkaar te ontfermen, zoals Hij dat heeft gedaan.

Gelukkig zijn we als we ervaren dat het zo ís.

Dat we gedragen worden door de warme aandacht van de mensen om ons heen.

Jezus vraagt ons om wat van elkaar te verdragen

zoals Hij alles wat menselijk is te verdragen heeft gekregen.

(lees hierbij Jesaja 53:4vv) Hij droeg de last van de menselijke schuld weg.

Hij droeg het kwade weg. Dát is voor ons een veel te zware last.

Maar de last die Jezus ons oplegt is licht.

Omdat het in liefde wordt gedragen.

 

Wat dat juk is, en die last, dat weten we maar al te goed.

Ooit sprak ik een moeder met twee autistische kinderen.

Hun hele leven lang is zij met hen bezig.

‘Wat heb ik verlangd naar het moederschap’, zei ze;

‘en wat is het me vreselijk tegengevallen. Maar wat houd ik van die kinderen.’

Ik denk ook aan diegenen die als mantelzorger hun partner bijstaan,

of kinderen die voor een ouder zorgen, of verantwoordelijk zijn voor een broer of zus.

Hoe zwaar het ook valt, voor velen geldt dat zij het in liefde op zich nemen.

(Luister eens naar: The Hollies, He ain’t heavy, he’s my brother)

 

En wat zijn er veel anderen die bewondering en respect afdwingen door hun inzet,

hun aandacht voor hun taak, hun tijd voor mensen. Ook zij doen het met liefde.

Het is niet noodzakelijk licht. Je voelt het wel degelijk drukken op je schouders.

Maar het komt op je weg of het hoort bij je werk, en je zegt geen nee.

Want dat zit niet in je aard.

Ik haast me om hierbij te zeggen

dat mantelzorg, of welke vorm van zorg dan ook, ons niet te gronde mag richten.

Jezus heeft zijn leven geven. Zóver kunnen we niet gaan.

Zover hoeven wij niet te gaan. Dat is al voor ons volbracht.

 

De draagkracht die Jezus van ons vraagt

wortelt in het vertrouwen dat wij zelf gedragen zijn.

Gedragen door de Geest, door de kracht van de liefde.

Alleen zo kunnen wij anderen dragen.

 

‘Er is nog zomer en genoeg

wat zou het loodzwaar

tillen zijn wat een gezwoeg

als iedereen niet iedereen ter wille

was als iedereen niet iedereen

op handen droeg.’

(Judith Herzberg)

Jul 12, 2021

woensdag

Op de dag dat ik ’s middags mocht voorgaan in een huwelijksdienst bereidde ik ’s morgens met familie een afscheidsdienst voor. Verdriet en vreugde, rouw en trouw, zo dicht bij elkaar, en bij allebei de gelegenheden ging het over de liefde; de liefde waarvan afscheid genomen moest worden en de liefde die nog groeien mag.

Ik vind het niet altijd makkelijk als emoties elkaar zo snel afwisselen. Tegelijkertijd beschouw ik het als een voorrecht dat ik zo nauw bij mensen betrokken mag zijn en even met hen mee op mag lopen over het pad dat zij gaan. In verdrietige en vreugdevolle tijden mag ik bij mensen zijn en iets representeren van de gemeente van Christus en van Gods nabijheid. Ik maak wel eens het grapje dat als je de dominee uitnodigt je de Bijbel erbij krijgt. Die gaat open. Omdat we daar woorden vinden die troosten en dragen. Niet voor niets krijgt een bruidspaar ook een Bijbel cadeau. Zoals een timmerman onthand is zonder gereedschapskist, zo ben ik dat zonder Gods Woord. Ik moet het daar tenslotte ook van hebben, in welke situatie ik maar terecht kom. ‘Bij U schuil ik, U bent mijn schild. In uw woord stel ik mijn hoop.’ (Ps 119: 114) 

gepubliceerd op de Weekbrief van 11 juli 2021

Jul 12, 2021

vloek en zegen

overweging op zondag 11 juli 2021           PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Genesis 11: 18-27

(afbeelding: Drunkenness of Noah, Bellini) 

 

een grote donkere man

‘De wijn maakte hem lichtzinnig en zorgeloos. Die oude man werd dronken. Toen leek het wel alsof hij zijn verstand niet meer had. Hij waggelde naar zijn tent en ging naakt op de grond liggen slapen. Zo dwaas had de wijn die oude wijze man gemaakt. Zo dwaas had de zonde van de onmatigheid hem gemaakt. Wie was die oude man? Dat was Noach.’ ‘De zondvloed had de zonde niet weggenomen van de aarde. Die was blijven wonen in de harten.’

‘Toen kwamen er voetstappen aan. Er klonk een spottende lach. Een grote donkere man kwam voor de open deur van de tent staan en keek naar de slapende Noach. Het was Cham. Hij lachte om zijn vader en bespotte hem. Daarna liep hij naar zijn broers om te vertellen wat hij gezien had.’

 

Dit komt uit de kinderbijbel van Anne de Vries, waarmee heel veel mensen zijn opgegroeid. Van dit citaat, dat ik overigens behoorlijk heb ingekort, zijn maar twee zinnen waar. Noach wordt dronken en gaat naakt liggen slapen. En Cham vertelt dat aan zijn broers. In de Bijbeltekst wordt het gedrag van Noach niet veroordeeld met termen als lichtzinnig, zonder verstand of gewaggel. Het gaat ook niet over de zonde. Maar de ergste uitglijder is dat de figuur van Cham wordt ingekleurd. Hij lacht zijn vader uit, bespot hem. Hij is groot en donker. En daarom, lieve jongens en meisjes, werd Cham vervloekt. Hij en zijn nakomelingen zullen voor altijd de knechten zijn van de andere volken.

 

Deze Bijbeltekst is lang gebruikt om de handel in slaven te verantwoorden. Donkere mensen, dat waren de nakomelingen van Cham. Knechten moesten die zijn. De verschillen in blank en zwart, apartheid en racisme, werden met de Bijbel in de hand verklaard. Ook ik ben opgegroeid met Anne de Vries. Op de tafel van de meester stond een spaarpotje voor de arme negertjes in de Derde Wereld waar elke maandag een kwartje in ging. Ik leerde ‘Moriaantje, zo zwart als roet’ en Zwarte Piet hoorde er gewoon bij. Het omstreden paneel van de gouden koets, dat als beschamend en beschadigend wordt ervaren, doet geen pijn aan míjn ogen. Dat soort plaatjes stond ook in de boeken waaruit ik les kreeg. Maar dat was díe tijd.

 

In ónze tijd wordt steeds nadrukkelijker gevraagd om erkenning van het leed dat mensen door de slavenhandel is aangedaan. Het maken van excuses is een onderwerp op de politieke agenda geworden en ook de gouden koets is het laatste woord nog niet gezegd. De kleinkinderen en achterkleinkinderen van tot slaaf gemaakten vertellen hoe de opgelopen achterstand tot op vandaag doorwerkt.

We zullen het er snel over eens zijn dat deze manier van Bijbel uitleggen nu écht niet meer kan. Het is dan ook een ándere tijd. Een belangrijke waarde is dat iedereen gelijk is, gelijke kansen mag hebben.

Tegelijkertijd zien en horen we dat dat lang niet altijd zo is. We verzetten ons tegen openlijk racisme. Maar in het verborgene kan er nog veel verbeterd worden. Niemand wil racist worden genoemd. Toch merken we dat racisme niet zomaar is uitgebannen. Ook niet in onszelf.

 

anders lezen

We gaan anders lezen. Dichter op de tekst. Wat lezen we dan?

Met de zonen van Noach begon de verspreiding van de mensheid over de hele aarde. Zeventig volken zijn het. (alle namen uit de lijst in Genesis 10) Zo had God het bedoeld: dat de mensheid zou groeien en de aarde bevolkt zou worden. (Gen 1:28 en Gen 9:7) Maar waarom dit wonderlijke intermezzo? Het is ook nu weer goed om te bedenken dat deze verhalen van het begin werden opgeschreven tijdens de ballingschap in Babel. Ver van huis vertellen zij hoe ze slaven waren in Egypte, hoe zij strijd hebben geleverd met de Filistijnen en de Kanaänieten en hoe ze als gevangenen zijn meegenomen door de Babyloniërs. En laten die volken nu allemaal afstammelingen zijn van Cham, de zoon van Noach. In hun geschiedenis spelen steden als Sodom, Gomorra en Nineve, een bedenkelijke rol. Daarin gebeurt wat je als gelovig mens níet zou moeten doen. Alle strijd die Israël heeft gevoerd is met nakomelingen van dat vervloekte Kanaän. En zo vertellen ze het dus ook: Kanaän -niet Cham!) is vervloekt. De volken die uit hem geboren worden vertegenwoordigen niet alleen dat waartegen de Tora zich verzet en waar de profeten kritiek op hebben maar ook datgene waarvoor Israël zelf ook gevoelig is.

Want zij blijken vaak niet sterk genoeg om bij de Tora te blijven.

Het zijn volken die zich vestigen en steden bouwen. Samenlevingen die gebouwd worden op bezit en rijkdom, al te vaak ten koste van kwetsbaren en zwakken. Wat mensen kunnen bereiken wordt verafgood. De maakbaarheid van het leven wordt en de vruchtbaarheid worden geëerd met hoge heilige palen, enorme vruchtbaarheidssymbolen. (bijv: Ex 34:13, Rich 6: 25vv) En nu ligt daar Noach, met zijn symbool van vruchtbaarheid open en bloot.     

Daar laat Cham zijn broers naar kijken. De zonde van Cham is dat hij maar een deel ziet van zijn vader. Hij ziet niet zijn kwetsbaarheid maar de menselijke zelfoverschatting.  

 

Dit verhaal vertelt dus niet over rassenscheiding. God heeft de mensen ook niet verschillend van elkaar geschapen. Hij schiep de dieren in soorten. Maar de mens schiep Hij naar zijn evenbeeld, mannelijk en vrouwelijk, kleurrijk.

Dit verhaal wil niet een deel van de mensheid veroordelen, maar een manier van leven die slecht past bij het geloof in de God van Israël. Geloof in eigen macht en kracht kan makkelijk ontsporen. God kan misbruikt worden om structuren te sanctioneren; racisme, fascisme, maar bijvoorbeeld ook het machtsmisbruik van de kerken.

Maar God laat zich kennen als de bondgenoot van wie kwetsbaar is. Hij is niet de God van de vaste oude paden maar een God die mee beweegt en uitnodigt nieuwe wegen te verkennen. De focus ligt niet op wat mensen tot stand hebben gebracht maar op wat zij ontvangen mogen. Het gaat niet om hun macht maar om hun naakte weerloosheid, en om God die hen omgeven wil als een mantel.

 

Dat vervloekte Kanaän waar tegen ieder die gelooft in God vecht. Tegenover die vloek staat de zegen. Niet Sem wordt gezegend maar de God van Sem. Als je tegen Sem zou zeggen, je bent een gezegend mens, dan zou hij die eer direct aan God geven.

En ook Jafet wordt niet gezegend maar er wordt voor hem gebeden dat er ruimte zal zijn in de tenten van Sem. Sem is dus als oudste geroepen om onderdak te bieden aan Jafet. Om gastvrij en solidair te zijn. Uit Sem zal Abraham voortkomen, stamvader van Israël, Gods troetelkind. Maar God heeft meer kinderen.

En het is een Bijbelse droom dat eens alle volken één zullen zijn. Al zijn kinderen om één tafel. (bijv. Psalm 87, 72, Jes 2 en Micha 4)

Als Matteus vertelt over de geboorte van Gods Zoon, laat hij drie vreemdelingen op bezoek komen. De traditie vulde dat aan, drie koningen uit het land van Sem, van Cham en van Jafet. Omdat de Zoon alle mensen, alle volken, tot de Vader wil brengen. Om zo de droom van de profeten in vervulling te laten gaan.

Jesaja droomt van de dag dat God op een berg een feestmaal zal aanrichten. De volken zullen toestromen om te eten van de uitgelezen gerechten en te drinken van de belegen wijnen. (Jesaja 25: 6-9)

 

dronken

En zo komen we weer bij waar het begon, de wijngaard van Noach. In de eerste plaats is hij landbouwer. Om te eten zal hij moeten werken. Zwoegen en zweten zal dat zijn. (Lees Genesis 3: 17-19) Maar er valt ook te genieten. De dronkenschap van Noach is geen zonde, zoals Anne de Vries vertelt. Noach, de ontdekker van de wijn, moet alleen nog leren maat houden. De wijn van de vreugde mag rijkelijk vloeien en je helemaal dronken van geluk maken. Want daar staat de wijn voor, geluk met God. Hoe we soms ook ploeteren en zwoegen.

Denk aan de enorme druiventros die de twee verspieders tussen zich in meenamen uit het beloofde land. Of aan de profeet Micha, die droomt van vrede en rust, geen strijd meer tussen de volken, zodat mensen bij hun eigen wijnstok kunnen zitten. (Micha 4: 4)  En aan Jezus die de wijn liet vloeien als water. Kortom, het leven is goed voor Noach. Er rust zegen op. Voor zijn naaktheid hoeft hij zich niet te schamen. Die brengt ons weer even terug in het paradijs. Want uiteindelijk gaat het zondvloedverhaal over de vernieuwde schepping, waar de mens leert leven tussen goed en kwaad. Het blijft vallen en opstaan. Valkuilen genoeg. Maar ook het geduld van God is groot genoeg. Zijn boog in de wolken is nog altijd te zien.

Jul 05, 2021

in het nieuw

in het nieuw

Als de kinderbijslag kwam gingen we ‘statten’. Dan werden de drie kinderen in het nieuw gestoken en aten we tussen de middag bij de Wip-in van de Hema. Zodra we terugkwamen gingen de nieuwe kleren aan om bij oma te laten zien. Nieuwe kleren kopen was een feestje en zeker niet vanzelfsprekend. Dát gevoel heb ik nu ook een beetje. Van Bas kreeg ik een bijzonder cadeau, passend bij het thema van de dienst vandaag ‘Kleurrijk’, maar meer nog bij de missie van De Open Hof om een inclusieve gemeente te zijn. Het is een stola in de kleuren van de regenboog. Ik ben er bijzonder blij mee en zal hem met trots zondag aan jullie laten zien.

Toga en stola zijn belangrijk voor mij. Ze helpen mij om mijn plaats in te nemen als voorganger. Je zou kunnen zeggen dat ik niet alleen deze kledingstukken draag maar dat ze ook mij dragen. U zult me dan ook niet snel zonder toga zien voorgaan.

In de Bijbel mag Mozes zijn broer Aaron, en diens zonen, wijden als priester. Ze zijn nog steeds gewoon deel van de gemeenschap maar zij worden letterlijk bekleed met een bijzondere taak: ‘Daarna trok Mozes Aäron de tuniek aan, bond hem de gordel om en trok hem het bovenkleed aan.’ ‘Heilige kleding’ is het. Dat betekent dat het de drager ervan even apart zet om met waardigheid de taak te vervullen waarvoor hij -of zij- is geroepen. (Leviticus 8:7 en Ex 28: 1vv)

En als Jezus afscheid neemt van zijn leerlingen bekleed Hij hen met zijn Geest. Daar kunnen we mee voor de dag komen. Dat is kleding die mens maakt. 

verschenen op de weekbrief van 4 juli 2021

Jul 05, 2021

Heenzending

overstapdienst ‘Kleurrijk’     PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

4 juli 2021                 

 (afbeelding: Marc Chagall, ca 1963, gedicht Heenzending in: Wuif de mussen uit. Querido

In deze dienst vieren we de overstap van de kinderen van de kinderdienst naar de tienerdienst, van basisschool naar brugklas.

Aan deze dienst is een ouderavond vooraf gegaan. De kleuren van de regenboog spelen een rol door de hele dienst heen. 

 

ROOD, de kleur van de liefde

o: Dank de Heer, want Hij is goed.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

o: Hij heeft met wijsheid de hemel gemaakt.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

o: Hij heeft de aarde vastgezet in de zee.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

o: Hij maakte de zon en de maan.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

 

PAARS, de kleur van stil zijn en verdriet

We bidden om Gods ontferming over alles wat verdrietig is en moeilijk.

 

GEEL: We zingen een loflied omdat we mogen vertrouwen dat God altijd bij ons is; even vanzelfsprekend als de zon die elke morgen opkomt.

 

GROEN, de kleur van de hoop: het verhaal van de ark

 

lied: Kleuren kleuren https://www.youtube.com/watch?v=pefF-QEgzdo

 

BLAUW, de kleur van water; we staan stil bij het doopvont, bij de groei van onze kinderen vanaf hun geboorte tot nu. In ons opvoeden proberen we hen zo goed mogelijk vast te houden én los te laten.

 

muziek: True Colors. Op deze muziek is een filmpje gemaakt met foto’s van de overstappers. Er zijn foto’s van hun doop en/of babytijd, van hun gezin en van nu.

 

ORANJE, de kleur van de vreugde, van aanmoediging

De overstappers worden toegesproken door de leiding van de kinderdienst. Zij krijgen de wensen van gemeenteleden mee. De afgelopen weken heeft er voor elke overstapper een wensenpot in de hal gestaan. Daar konden gemeenteleden een kaartje met een goede wens in stoppen.

 

VIOLET, gevoel van kracht en je persoonlijke zoektocht

Elke overstapper krijgt een T-shirt in een eigen kleur van zijn/haar ouders. De ouders hebben er thuis op gestempeld, genaaid, geniet, getekend en geschreven wat hun kind typeert. Zij lichten het tijdens de dienst kort toe.  

 

De ouders pakken de punten van een veelkleurige parachute. De overstappers nemen eronder plaats en we zingen hen Gods zegen toe. Daarna nemen de tieners hen mee naar de Tienerdienst.

 

uit de Bijbel: Genesis 9: 8-17

 

lied: o God die uit het water, NL 356: 1, 2, 6 en 7

 

eenzijdige liefde

De initiatiefnemer voor het verbond is God. Het hele idee gaat van hem uit. Dit zal Hij nooit meer doen. Nooit meer hoeft Noach bang te zijn dat God de aarde en alles wat erop leeft zal vernietigen. Noach en zijn nakomelingen niet; de generaties na Noach niet. Nu niet en nooit niet, tot in eeuwigheid.

Hierbij sluit Ík een verbond met jullie. De inspanningsverplichting ligt bij hem. De boog in de wolken is in de eerste plaats een hemelse geheugensteun voor hem zelf. Het komt er op neer dat God heeft in dit verbond veel te verliezen heeft en de mens weinig. In eerste instantie is het een eenzijdige, onvoorwaardelijke relatie tussen God en de mens.

God is degene die teleurgesteld kan worden, of gekwetst.

Wij weten wat dat is, zo’n eenzijdige liefdesrelatie.

Want als alles goed gaat, is de relatie tussen ouders en hun kinderen zo.

Onvoorwaardelijk. Als kind ontvang je die liefde van je ouders. En op jouw beurt stop je  als ouder al je liefde in je kind, zonder er iets voor terug te verwachten.

Met de schepping van de mensen, en nu bij deze herkansing voor Noach en zijn gezin,

waagt God het erop om zijn liefde te investeren. Verwachtingsvol wat het wordt. Want het blijft niet eenzijdig.

 

gedeelde verantwoordelijkheid

Als teken van zijn verbond met de mensen hangt God zijn boog in de wolken. De regenboog is voor veel organisaties het symbool waarmee zij willen onderstrepen wat hun missie is. Er zijn ontelbaar veel scholen die de Regenboog heten, en kerkgebouwen. Het staat voor hoop, voor bouwen aan toekomst. Maar ook voor inclusiviteit, zoals bij de LHBTQ-gemeenschap, in alle veelkleurigheid zijn mensen één. Het is een prachtsymbool. Een veelkleurige boog, teken van Gods trouw, om onder te schuilen.

Maar er staat ook iets anders. De boog is de strijdboog, een wapen om pijlen mee te schieten, bedoeld om iemand mee te treffen. Het is de boog waarmee Esau ging jagen en waarmee Jonathan oefende voor de oorlog. In de mythologie van Babel, waar de Joden elkaar het verhaal van de ark vertelden, vermaken de goden zich door het willekeurig afschieten van pijlen om de mensen te raken. Díe boog, het wapen van willekeur en strijd, díe hangt God in de wolken. Hij wil geen God zijn die zijn macht uitoefent over de aarde en de mensen die daarop wonen. Hij wil zijn macht delen. Zijn boog komt in de wolken, tussen hemel en aarde. Omdat hemel en aarde, God en mensen, de verantwoordelijkheid delen over het welzijn van de schepping.

 

In de Bijbel is het begrip verantwoordelijkheid ook sterk verbonden met het begrip rechtvaardigheid. Een verantwoordelijk mens is een rechtvaardig mens. En andersom. Wie verantwoordelijk leeft, laat zich aanspreken op gedrag, op beslissingen. Die is bereid zich te laten aanspreken op de gevolgen van zijn en haar daden. En kan fouten erkennen en herstellen.

Zo willen wij onze kinderen laten opgroeien: als mensen die zich raad weten met zichzelf, in de relatie met anderen en met God. We willen hen zo laten groeien dat ze tot hun recht komen. En beetje bij beetje laten we hen los.

 

Over die eigen verantwoordelijkheid schreef Joke van Leeuwen een prachtig gedicht met een heel toepasselijke titel: Heenzending.

 

Goed, zei schepper, wat ons betreft is het goed,

maar aan jullie laat ik het met de elleboog voelen

of het badwater niet te heet is,

 

het behoedzaam proeven of het eten niet te scherp is,

het drinken niet te zuur is,

het weten waar wat breken kan zal staan

 

het verschonen van wat stinkt en opnieuw stinkt,

het aanpassen van de voetstap,

het onverstaanbaar zingen

 

in het donker,

het herhalen van moeilijke woorden,

het tellen tot oneindig

en het hekje voor het trapgat.

 

De dichter laat God aan het woord, die ons uitlegt hoe dat zit met onze eigen verantwoordelijkheid. Binnen het beeld van de ouders en hun kinderen, gaat het ook over mensen die kwetsbaar zijn en ons aandacht nodig hebben. Het is onze opdracht om zó met elkaar te leven.

 

Wat ons betreft is het goed, zegt de Schepper. En jullie mogen het waarmaken in de omgang met elkaar. Vandaag zeggen we dat tegen onze overstappers. Wat ons betreft zijn jullie prachtig. Maak het waar en ontdek je weg in het leven, samen met anderen. 

de Schepper

In mijn poëziealbum -vroeger gewoon poesie-album genoemd- staat het volgende versje van een schoolvriendinnetje: ‘Als Lyonne zit te dromen en de juffrouw kijkt haar aan, dan zegt zij altijd heel verlegen: Ik heb het niet  gedaan. Eens zal Lyonne weer te dromen en speelde met een stukje krijt. De juffrouw die het gezien had zei tegen de kleine meid: Wie heeft de zon geschapen, de sterren en de maan? Lyonne begon van schrik te huilen en riep: Ik heb het niet gedaan.’

Ik herinnerde het mij tijdens een fietstochtje. De bermen staan vol bloemen. Onze tuin is nu op z’n mooist. En afgelopen week maakten we een gedeeltelijke zonsverduistering mee; wat draait dat toch allemaal mooi om elkaar heen. Zal ik ooit begrijpen hoe alles in de natuur met elkaar samenhangt? Hoe alles zijn plaats heeft, en zijn doel, ook de mens? Die verwondering over al die schoonheid delen we met elkaar. Kijk maar eens op de website of in de Omloop naar die prachtige tuinfoto’s van gemeenteleden.

Ik denk vandaag aan Psalm 8. Het gaat over de grootheid van God, die wij nooit zullen begrijpen: ‘Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde.’ En het gaat over de nietigheid van de mens in dat alles. Ondanks dat heeft God ons een sleutelpositie gegeven. Wat is het mensenkind dat u naar hem/haar omziet? U hebt ons bijna goddelijk gemaakt en het werk van uw handen aan ons toevertrouwd. Laat het zo zijn, dat als God ons zou vragen of wij er goed op hebben gepast, dat ons antwoord zal zijn: dat heb ik gedaan.

gepubliceerd op de Weekbrief van 13 juni 2021

overweging op zondag 20 juni 2021   PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Ezechiël 1:1-12; 22-28 en 2:1

 

verbannen

Dertig jaar is Ezechiël. Als alles normaal zou zijn, zou hij in dat jaar als priester dienst mogen gaan doen in de tempel in Jeruzalem. Maar er is niets meer normaal sinds het moment dat koning Nebukadnezar van Babylonië het land binnenviel en in bezit nam. Alle schatten worden geroofd uit het koninklijke paleis en de tempel;  en het grootste deel van de bevolking wordt als gevangenen meegenomen naar Babel. Alleen de allerarmsten blijven achter. (lees 2 Koningen 24: 10-16) Ook Ezechiël is meegevoerd. Zijn roeping als priester zal hij niet waarmaken. En er is veel meer ruw afgebroken. Het land is niet meer van de Israëlieten. Terwijl God hen dat beloofd had. Er is een einde gekomen aan het koningschap, terwijl God had beloofd dat er altijd een nakomeling van David op de troon zou zitten. En met de ontheiliging van de tempel heeft God geen plaats meer om te wonen. Het fundament is weggeslagen onder het geloof van Gods volk. God heeft hen niet beschermd tegen de inval van de vijand en ze moeten nu leven te midden van vreemde goden. Ontworteld zijn ze. Terug bij af. Een onvrij volk. Verbannen naar de zijlijn van een vreemd volk, een andere cultuur.

 

Al zijn er nog af en toe politici die de joods-christelijke wortels van onze samenleving aanhalen, ‘de kerk’ of ‘het christelijk geloof’ is in de loop van de tijd ook terecht gekomen aan de zijlijn. Het is wat het is. Onze wereld is veranderd, geseculariseerd. Andere waarden hebben de plaats ingenomen van het geloofsleven. Veel mensen hebben genoeg aan het waar maken van hun idealen: een goede gezondheid, een leuk leven, een goede baan, een relatie, vriendschappen. Voor het doen van goede werken: opkomen voor een mens in nood, je inzetten voor het milieu of voor vrijheid van meningsuiting, daar hebben mensen geen God of geloof meer voor nodig. En waar we wél menen het geloof nodig te hebben, sprokkelen we dat zelf bij elkaar. We bepalen zélf wat we geloven en laten ons niet meer gezeggen door een dominee.  Onze wereld is veelkleurig geworden. In alle opzichten. Dat geeft kansen en mogelijkheden. We mogen zoeken naar die mogelijkheden, groeien en ons ontwikkelen, we mogen zijn wie we zijn. Maar het geeft ook onrust als alles lijkt te kunnen en te mogen; het geeft een gevoel van onveiligheid als niets of niemand houvast biedt. Als er geen schuilplaatsen meer zijn tegen de grote en kleine rampen die ons overkomen. Het kan eenzaam zijn als je in de waan van de dag God niet meer kunt vinden; als je zijn stem niet kunt horen, in alle informatie die zich aan je opdringt. En hoe alleen ben je, als je wél jezelf hebt uitgevonden, of luidkeels gebruik maakt van je recht van spreken maar daarmee anderen kwijtraakt. Als ik alleen al denk aan ons versplinterde politieke landschap van dit moment….. 

 

Daar zit Ezechiël. Hoe zal zijn leven weer perspectief krijgen? Een ander perspectief dan dat van de balling, het slachtoffer. Hoe zal hij weer zicht krijgen op het geloof dat zijn volk heeft gedragen. Op de plek waar hij zit, aan het Kebarkanaal, in dit land tussen de rivieren -‘the rivers of Babylon’- is het ooit begonnen. Hier is Abraham lang geleden door God geroepen ‘Abraham, verlaat je land, verlaat je stam’. Abraham besloot die stem te vertrouwen en op weg te gaan. (lees Genesis 12) Is dat voor niets geweest? Is de cirkel rond en eindigt het hier? Of zal Gods stem ook klinken aan Babels stromen? Is Hij ook dáár? In de verwarring, in het gevoel van verlorenheid?

Is God in de ramp die ons heeft getroffen, misschien wel door onze eigen schuld? Is God soms meeverhuisd van het centrum van de aandacht, het allerheiligste in de tempel van Jeruzalem, naar de zijlijn?

Dat is een belangrijke ontdekking voor Ezechiël. Zíjn God, de God van Israël, de God die woont in Jeruzalem, blijkt ook de God van Babel te zijn. De God van overal, van waar je maar gaat. God is niet van de Protestantse Kerk, of de katholieke, of welke maar. Hij is misschien zelfs wel niet van de christenen. God is niet van ons. Wij zijn van God. En Hij is veel groter dan wij vermoeden of geloven. ‘Ontzagwekkend’ is Hij. Hij laat zich niet aan banden leggen door ons. Hij laat zich niet beperken in zijn liefde voor mensen. Hij laat zich niet vastleggen op een plaats of in een ideologie. Hij is er voor de zoekers, de kritische mensen, de sceptische mensen, de gelovigen, de zondaars. Een God van de zijlijn.

 

de treden naar Gods troon

Ik moet eerlijk zeggen dat ik nog nooit een preek heb gemaakt bij dit stukje uit Ezechiël. Ik heb er ook niet zoveel mee, met visioenen. Ze lijken me teveel op de schilderijen van Dali of Picasso, psychedelisch en surrealistisch. Eigenlijk klopt dat wel. Wat Ezechiël ervaart is niet van deze wereld. Het komt van een heel andere wereld. Hij ziet een vierkoppig wezen, met koppen van een leeuw, een stier en een adelaar, maar ook het gezicht van een mens. Wapperende vleugels maar ook mensenhanden. Het horen en zien vergaat je. Kleuren en bliksemschichten. Gebulder als van de zee of een rumoerige mensenmassa. Het horen en zien vergaat je, maar er is wél iets te zien. En er is wél iets te horen. Het mag dan van een andere werkelijkheid zijn, maar dat vreemde wezen heeft wel degelijk menselijke trekken. De mens is ermee gemoeid. Het gaat niet over het hoofd van Ezechiël heen, hij wordt erin betrokken.

De droombeelden van Ezechiël openen zicht op oude verhalen. De stormwind, het vuur en de wolkenmassa die Gods volk door de woestijn hebben geleid. (o.a.  Exodus 13: 21; 14: 21) Het ontzagwekkende moment dat God zich openbaarde op de Sinaï. (Exodus 19)  De vleugels van de engelen op de ark van het verbond. ( Ex 37: 9) De engelen die het allerheiligste van de tempel bewaken en bedekken met hun vleugels. (1 Koningen 6: 25-26) Die herinneringen roepen Gods aanwezigheid op. Als herauten gaan ze voor zijn aanwezigheid uit. De wezens dragen een troon en daarop zit een menselijke gedaante. Omgeven door kleuren, herinnering aan Noach, aan God die zei: ik zal mijn eeuwigdurend verbond met jou niet vergeten. Op die troon, is dat God? 

 

Lang geleden, toen ik nog op een kinderkoor zat, leerde ik een lied. U kent het misschien ook wel.

 

De daken met hun wirwar van antennes,

het ronken van een vliegtuig in de nacht.

't Reclamewoord, dat telkens aan en uit flitst;

't verkeerslicht waar ik dagelijks voor wacht.

 

Dit, dit is de wereld;

de wereld waar ik in woon.

Hier zijn de treden te zien

van Gods troon.

Wie hier omhoogklimt,

vanuit het gedruis,

ontwaart de contouren

van 't Vaderlijk huis!

 

Een beetje ouderwets misschien maar jullie begrijpen waar ik heen wil: in alle lawaai en in de vele beelden die op ons afkomen, is wel degelijk iets van God te ontdekken. Hij is van bóven onze werkelijkheid. En tegelijkertijd ín onze werkelijkheid. Een werkelijkheid die, laten we eerlijk zijn, soms zo onwerkelijk is, een surrealistisch visioen waarin dingen gebeuren die we nooit hadden kunnen dromen. Een pandemie lijkt toch eerder het scenario voor een spannende film en nu zitten we er midden in. Had Ezechiël ooit kunnen denken dat hij nog eens in een ballingenkamp terecht zou komen? Maar hij zit daar niet alleen.   

 

mensenkind 

Dit hele visioen is bedoeld om Ezechiël te roepen. Hij zal dan wel geen priester worden maar God heeft iemand nodig die ziet, die hoort. Een profeet. Iemand die Gods woord verkondigt, óok in ballingschap, aan de zijlijn. God heeft mensen nodig die een ander geluid laten horen in het geraas van de tijd. Mensen met leeuwenmoed, krachtig als een stier en met het hoge streven van een adelaar. De vier gezichten van de wezens.

 

[ Niet voor niets zijn deze figuren ook de beeldmerken  geworden van de evangelisten (Matteus de mensfiguur, Marcus de leeuw, Lucas de stier en Johannes de adelaar) omdat zij het evangelie vertelden van die ene mens van God, die geleefd en geleden heeft als mens, is geofferd als een stier en de hoge vlucht heeft genomen van de adelaar. ] 

 

Mensenkind, sta op. Ik wil met je praten. Dit hele visioen draait enerzijds om de oneindige en onbegrijpelijke grootheid van God. Hij is totaal anders. Groot en heilig. Toch, en dat is andere kant, is Hij niet ongenaakbaar of onverschillig. Hij is betrokken bij de wereld waarin wij leven en trekt ons daarin mee. Bij deze lezing hoort de verwondering van Psalm 8. ‘Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam overal op aarde.’ ‘Zie ik de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren door u daar bevestigd, wat is de dan sterveling dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet?’ En het geloof geroepen te zijn om Gods schepping te behoeden.

Mensenkind, sta op. Ik wil met je praten. Het is de stem die Licht riep in het donker. Die Abraham riep om op weg te gaan. Het is de stem die ons opzoekt, waar we ook zijn, en die klinkt te midden van de veelheid van geluiden en het stormen van de tijd. (zie Nieuw Liedboek 283) Het is de stem die weet dat wij maar mensenkinderen zijn, van stof,  kwetsbaar en breekbaar. Die stem is aanspraak voor wie alleen is. Er is een woord dat om een antwoord vraagt. We worden geroepen om mens te zijn, geroepen om te leven. En de samenleving, al is dat in Babel, zó vorm te geven dat het lijkt alsof we thuiskomen, bij elkaar en bij God.

Jun 21, 2021

schaduw

schaduw

Wat een hitte deze week! De zon was uitbundig en fel. We hebben ernaar verlangd. Dat natuurlijk wel. Maar zó warm…. Onze Saar moet er toch uit, warm of niet. We bleven maar zoveel als mogelijk in de schaduw. Onder de ruisende bladeren in het park was het nog een beetje te doen. Fijn, die schaduw. Wie op een warme dag een beetje koel wil blijven zitten moet wel steeds een beetje opschuiven, want schaduw trekt voorbij. In de Bijbel wordt het leven van de mens er dan ook mee vergeleken. In het licht van de eeuwigheid is ons bestaan vluchtig en voorbijgaand.

Wat voor altijd is, is de geborgenheid die God biedt. Wij mogen bij hem schuilen tegen het onbarmhartige licht van onze dagen in de schaduw van zijn vleugels. Als een schaduw aan onze rechterhand trekt Hij mee, een reisgenoot en vriend waar je niet vanaf komt zolang de zon schijnt. Dat betekent: zolang jou dagen op aarde zijn gegeven.

Nu het zo warm is begrijpen we ook de boosheid van Jona. Zijn wonderboom, waaronder hij zo lekker zat om te kijken hoe God Ninevé te gronde zou richten, verdorde in een dag. Ik hoop dat we Gods milde antwoord ook zullen begrijpen: als het verdorren van een boompje Jona zo aan het hart gaat, dan moet hij toch ook inzien dat de vernietiging van een stad vol mensen en dieren God aan het hart gaat. Laten we hopen op nog meer mooie dagen en in alle opzichten genieten van de schaduw die ons eraan herinnert hoe wij God zich over ons ontfermt. 

gepubliceerd op de Weekbrief van 20 juni

Jun 07, 2021

Eiland

eiland

Deze dagen genieten Bas, Saar en ik van een paar vakantiedagen op Terschelling. Alleen al de reis er naar toe geeft een gevoel van vakantie. Zoals we vanaf de veerboot het vasteland zien vervagen, zo verdwijnen ook onze dagelijkse beslommeringen naar de achtergrond. Dat gevoel heb ik zelfs al als we gaan wandelen op Tiengemeten en het Haringvliet oversteken. Soms is het gewoon even nodig om los van de kant te komen.

Ik mijmer even over een dichtregel die naar boven komt: ‘No man is an island entire of itself.’ Vast onthouden van de lessen Engels, lang geleden. ‘Geen mens is een eiland alleen van zichzelf’. Mensen horen bij elkaar en kunnen niet zonder elkaar. Samen vormen zij een continent, een leefbare wereld. Al breekt er maar een kluitje aarde af dat wegspoelt in de zee, heel Europa zou er door krimpen. En als een mens sterft, sterft een deel van ons mee.

Geen mens is een eiland. Dat moet God gedacht hebben toen Hij zei: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is.’ En God schiep nóg een mens en gaf ze aan elkaar als hulp en tegenover. Op allerlei manieren zijn we zo met elkaar verweven en van elkaar afhankelijk.   

Ik waai even uit, los van de kant. Maar ik ben geen eiland en blijf de verbondenheid met jullie voelen. Daarom vanaf Terschelling een hartelijke groet voor jullie allemaal, ds. Lyonne Verschoor.

(Het gedicht is van John Donne, 1572-1631)

Page 1 of 9