Apr 06, 2021

Paasbest

Paasbest

Als kind kregen we nieuwe kleren zodra de kinderbijslag binnen was. Vaak was het kort daarna Pasen en begon het kinderlijke wensen dat het niet te koud zou zijn. Want dan konden we onze nieuwe kleren aan. Nog altijd zijn Pasen en nieuwe kleren voor mij met elkaar verbonden.

De term ‘Paasbest’ heeft te maken met het katholieke gebruik om eenmaal per jaar ter communie te gaan, en wel met Pasen. Dat overslaan werd gerekend als een doodzonde. Voor de communie werden kleine en grote zonden opgebiecht.  Maar niet alleen het innerlijk, ook het uiterlijk werd opgepoetst. Men ging voor de gelegenheid zelfs in bad. Zelfs de voorjaarsschoonmaak lijkt ermee te maken te hebben.

Nieuwigheid is een Bijbels gegeven; het hoort bij heiligheid.  Jezus rijdt Jeruzalem binnen op een ezelsveulen dat nog nooit door iemand is bereden. In de Tora markeert een jong dier het bijzondere van het moment. Het is de eersteling die wordt geofferd. Een nieuwe kar draagt de ark van het verbond terug naar Israël; een meisje dat nog nooit een kind heeft gedragen, krijgt een bijzonder kind. In een graf dat nog nooit door iemand is gebruikt vindt Jezus zijn laatste rustplaats. 

Laat er geen misverstand over bestaan, vertellen de evangelisten, dat de weg die deze mens gaat nog nooit door een mens is gegaan. Van zijn geboorte tot zijn dood is zijn levensweg toegewijd aan God, als het eerste lam van de kudde,  en heeft het de glans van heiligheid. En al die nieuwigheid om hem heen vertelt dat dit de eerstgeborene van God is.

Pasen is nieuwigheid maar ook heiligheid. We vieren iets dat we nauwelijks kunnen begrijpen maar o zo nodig hebben. Met gepaste eerbied zien we het lege graf en trekken vol vertrouwen onze conclusie: met Pasen worden ook wij nieuw. De Heer is opgestaan!  

Pasen 2021 

This entry was posted in Blog_mijmeringen

overweging op Paasmorgen 2021         PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 20:1 en 11-18

afbeelding: Lynn Aldrich, Grid Buster, 1989

 

de liefde en de dood

Twee dingen maken ons leven kwetsbaar: de liefde en de dood. Want wie liefheeft, kan verliezen. Als we meelopen met Maria naar het graf van Jezus nemen we dat mee. Het verdriet om mensen die we hebben gekend en liefgehad.

Terwijl we meelopen met Maria naar het graf moet het nóg moeilijker zijn om daar te lopen met de idee dat de dood het gelijk aan zijn kant niet. Dat de zachte krachten van de liefde en de vreugde van de vriendschap het onderspit wel móeten delven. Dan lopen we daar zonder hoop. Maria was erbij. Ze liep er niet voor weg. Ze zag hoe Jezus’ leven, liefde, lichaam werden gekruisigd. En daarmee werd ook het geloof in het goede van de mens, misschien zelfs wel het geloof in de goedheid van God, gekruisigd en begraven.

 

De liefde en de dood. Ze zijn niet los verkrijgbaar. Met veel liefde is Jezus’ lichaam omringd. Jozef van Arimatea nam het van het kruis af, wikkelde het in doeken en legde het in.. nee niet in een kribbe maar in een graf. Nicodemus balsemt zijn lichaam. Aan het eind van zijn leven is Jezus met net zoveel liefde omringd als aan het begin. Zowel Jozef als Nicodemus zijn vrome Joden. Door het lichaam van Jezus aan te raken worden zij onrein. En dat nota bene net voor Pesach. Maar hun trouw aan Jezus en hun verlangen om hem eer te bewijzen is groter dan hun trouw aan de Tora.

 

Het moet ook liefde zijn die Maria zo vroeg in de morgen naar het graf brengt. Johannes vertelt niet dat ze daarheen gaat om het lichaam te zalven. Ach, wat drijft een mens naar het graf van een geliefde? Rouw? Verlangen om nog even dichtbij te zijn? Ongeloof: zeg me dat het niet zo is, zeg me dat het niet waar is? (Frank Boeijen)

Als Maria het lege graf ziet, komt dat bovenop haar verdriet: ze hebben mijn Heer weggehaald. Alles is weg. De dichteres Vasalis verwoordt het zo: (in het gedicht Sotto Voce)

 

Zoveel soorten van verdriet

ik noem ze niet.

Maar één, het afstand doen en scheiden.

En niet het snijden doet zo'n pijn,

maar het afgesneden zijn.

 

Afgesneden zijn. Dát is het verdriet. Afgesneden van de liefde. Of, zoals nu al ruim een jaar, afgesneden van onze geliefden, het gewone leven.

 

de leegte

Maria wordt geconfronteerd met een leeg graf. We lopen nog steeds met haar mee en we herkennen die leegte. We kijken met haar mee die leegte in. Ze ziet twee engelen. Een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind. Ze doen denken aan de kist die Mozes moet timmeren in de woestijn, de ark van het verbond. (Exodus 25: 16vv) Op het deksel van die kist moeten twee engelen komen, een aan het voeteneind, een aan het hoofdeind; hun  vleugels gespreid als een beschermend dak. En God zegt tegen Mozes: in die ruimte tussen die twee engelen zal ik jou ontmoeten en met jou praten. God is erbij in de leegte.  

 

de ruimte

Maria is op dat moment vergeten dat Jezus met haar en zijn andere leerlingen heeft gesproken over die leegte als ruimte. Als een huis met vele kamers (Joh 14: 1vv), een plaats bij de Vader. De leegte is de ruimte waarin God zegt: ik ben er voor jou. Jezus heeft nog zo gezegd: Maak je niet ongerust en verlies de moed niet. Wees blij voor me want ik ga naar de Vader. Ik vertel het jullie nu, vóórdat het gebeurt, zodat jullie het geloven wanneer het zover is. (Joh 14: 27-29) Dat lege graf spreekt luid en duidelijk een eigen taal: liefde laat zich niet blussen, zelfs niet door de zee. Sterk als de dood is zij. (Hooglied 8:7)

Jezus’ liefde blijft branden in zijn leerlingen. De liefde van de Vader bevestigt dat door Jezus’ leven te verheffen boven de dood. Het wordt uitgetild boven alles wat tijdelijk is, boven de vergeefsheid. Er is wel sterven maar geen dood. Niets is voor niets geweest. Het telt mee voor de eeuwigheid. Het lege graf vertelt van hoop die niet sterven wil. Licht dat terugkomt. Vrede die bij ons blijft. (uit het paasoratorium Als de graankorrel sterft, Marijke de Bruijne)  

Dat is groots en soms te groot om te begrijpen. En soms zijn het zelfs te grote woorden. Ooit zat ik aan het ziekbed van een jonge vrouw en we hadden het over Pasen. Hoe moeilijk het is om daaraan je hoop te ontlenen als je gezin achterblijft zonder jou. Het vraagt soms moed om de hoop van Pasen tot je te laten doordringen. Het vraagt om moed om te leven met de dood voor ogen. Maar als mensen dát kunnen, zijn ze een voorbeeld waaraan we ons hoopvol optrekken. Niet voor niets laat Bibian Mentel zo’n diepe indruk achter. Niet door haar dood, maar door haar leven.

De hoop van Pasen is geen ontkenning van alles wat moeilijk is. Die maakt dat we kunnen aanvaarden dat angst en dood er zijn. En dat ze ook jou kunnen treffen. Het betekent dat je je vragen naar waarom, je boosheid over jouw lot, jouw verzet, tot rust laat komen. Je toevertrouwen aan de hoop van Pasen betekent dat je accepteert dat je het verhaal van mensen nooit helemaal sluitend krijgt. Er blijven vragen in zitten, onaffe eindjes en rauwe randjes.

Maar ergens, in een moment dat geen woorden heeft, in de stilte van ons bidden, groeit het geloof dat ons leven in alles verbonden is met God. Pasen is de voedingsbodem van die hoop. Het lege graf is de ruimte waar we hem ontmoeten. Hij is er voor ons.

 

Maria!   

Als Maria Jezus ziet staan denkt dat ze met de tuinman te maken heeft. Dat is fout geantwoord. Maar ook een beetje goed. Want in die tuin begint een nieuwe schepping. Het is de eerste scheppingsdag. De dag van het licht. Van Gods Geest die over de chaos en de dood zweeft en de mogelijkheid opent om te leven.

 

De tuinman opent haar daarvoor de ogen als hij haar naam noemt. Maria! En Maria draait zich om. Dat is niet anders dan omkeer, bekering, verandering. Nu zien haar ogen wat ze net nog niet zag, Jezus is opgestaan.

 

Wij worstelen er soms mee. Wat is dat toch, opstanding? Ik las ergens, vrij cru: opstanding is geen reanimatie. (Tom Wright, Eenvoudig christelijk, 103) De Opgestane is anders, al is Hij ook dezelfde. Hij leeft een nieuw soort leven dat we nog nooit eerder hebben gezien. Zoals een bloembol geen krokus is en een pit geen zonnebloem. En toch weer wel. Zoals hij er voor haar was, zo kan Jezus niet bij Maria blijven. Dat moet ze loslaten. Maar Jezus zal háár en zijn broeders en zusters niet loslaten. Hij gaat naar de Vader die ook hun Vader is. Onder zijn beschuttende liefde kunnen ze léven.

 

de liefde en de dood

Toen Jezus door God werd gewekt uit de dood, werden ook die dingen opnieuw wakker die hij belichaamde: oprechtheid, goedheid, gerechtigheid. De zachte krachten van de liefde en de vriendschap zullen nóóit het onderspit delven. Zij overleven de dood.

En als Hij is opgestaan

dan ook onze moed om te doen als Hij.

Als Hij is opgestaan

dan ook onze wil om Hem te volgen.

Als Hij is opgestaan

dan ook ons geloof

dat het donker niet het laatste woord spreekt.

Als er iets vernieuwd is deze dag

is het onze liefde

geboren uit hem

en bestemd voor deze wereld.

Als er iets is opgestaan

is het ons antwoord op de vraag

heb jij mij lief?

(naar Intercity Pasen, Raad van Kerken 2006)

This entry was posted in Preken

overweging op Paasmorgen 2019  De Open Hof, Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 20: 1; 11-18

 

vroeg, toen het nog donker was

Johannes begint zijn Paasevangelie in het donker. De dag is al wel begonnen maar toch nog niet echt. Het is het moment tussen donker en licht, het moment van ‘het is er al wel maar nu nog niet’. Het is dat uur van de nacht dat de eerste merel begint te zingen, in afwachting van het eerste licht.

 

Met ons verstand weten we dat na elke nacht een morgen komt. Dat houden we niet tegen. Tegelijkertijd kennen we het onzeker wachten op de morgen; hoe langzaam kruipen de uren voor degene die waakt bij een geliefde, hoe lang duurt de nacht voor wie wakker ligt van de zorgen. We kennen ook de angst dat de nacht waarin we verkeren nooit meer overgaat en de vraag of het ooit nog licht zal worden voor ons.

 

Vroeg toen het nog donker was…. het zegt ook alles over het verlies van Maria. Had ze van verdriet niet kunnen slapen? We vonden het in ons voorbereidingsgroepje vrij overbodig dat tot twee keer toe wordt gevraagd: Waarom huil je? Want we konden allemaal meevoelen hoe het is om een geliefd mens te begraven.

Maar zou Maria het zien, dat het donker het licht al in zich heeft? Zou ze het morgenlicht gewaar zijn? En wij? Durven wij eraan te geloven dat onze nacht voorbijgaat?

Durven wij erop vertrouwen dat een moeilijke periode in ons bestaan zal plaats maken voor iets nieuws, iets anders? Hebben wij onze ogen ingesteld op het licht? Durven wij eraan te geloven dat God geen mens alleen laat in het donker?

 

het gaat voorbij

Geloof, zegt een wijs iemand, geloof is de vogel die licht voelt en zingt als de dageraad nog donker is. (Rabindranath Tagore) De merel wacht niet tot het licht geworden is om zijn lied te beginnen. Zo hoeft de mens niet te wachten met geloven en vertrouwen tot het beter wordt. Pasen betekent: voorbijgaan. Denk aan het Engelse Pass-over. Het gaat voorbij. Pasen is een kwetsbare belofte. (Kune Biezeveld, Als scherven spreken) Al kun je het nu niet geloven: de nacht gaat over in de dag, het licht verjaagt het donker. En in dat donker ben je niet alleen. Waarom zou God daar niet bij zijn? We zingen het: Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen. Zij gaat in alle nood door heel het leven heen. (Willem Barnard, Nieuw Liedboek 650) Dát is de belofte van Pasen. Er is een doorkomen aan. Je bent niet alleen. Jezus zong vanaf de grote kerk in Dordrecht: ‘Maar je bent niet alleen

Ik zal er voor je zijn. Als het even veel te veel wordt ben ik er altijd.’ (The Passion 2019, origineel Thomas Berge)

En toch wordt het Pasen’ zei iemand van onze voorbereidingsgroep, voor wie de stille week eindeloos duurt. En toch wordt het Pasen, zeggen we tegen hen voor wie het donker eindeloos duurt. Luister naar het zingen van de eerste vogel.

 

zien en horen

Je bent niet alleen. Dat was dit jaar het thema van The Passion. Maar Maria voelt zich heel alleen en dat snappen we. Ze ziet een weggerolde steen, een leeg graf. Er is geen lichaam, geen gedenkplaats. Alleen een niet weten: ‘ik weet niet waar ze hem naar toe hebben gebracht.’ Alles is leeg. En ze ziet niet dat Jezus dichtbij is.

 

Gelukkig is er ook wat te horen. Maria hoort haar naam roepen en dan keert ze zich om. Ik kan dat niet anders uitleggen als: dan komt ze tot inkeer, dan begrijpt ze. Ze herkent de stem van wie haar roept. Het doet denken aan Jezus die over zichzelf zei: ‘Ik ben de goede herder. De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.’ (Johannes 10: 3) Zou Jezus gekomen zijn om Maria naar buiten leiden, van het donker naar het licht? Staat hij daar om haar uit haar wanhoop vandaan te roepen? Zou dat niet de betekenis van Pasen voor ons kunnen zijn, dat wij worden bevrijd tot een nieuw bestaan? (Nieuw Liedboek 634, Henk Jongerius) Of betekent het dat opstanding, leven, dáár begint waar wij ons gekend weten, genoemd bij onze naam, geliefd in wie en wat we zijn.  

 

als nieuw

Wat betekent Pasen voor je? vroegen we aan elkaar. ‘Nieuw begin’, ‘nieuw leven’, ‘gelukkig worden’, ‘nieuw licht’ waren de antwoorden. Want daar waren we het over eens: Pasen heeft te maken met nieuw, met anders.

Jezus is niet meer de zichtbare en tastbare leermeester van Maria. Die moet zij loslaten.

 

We herkenden het dat het ook op ons wordt gelegd om verder te gaan als onze geliefden overlijden. We kunnen hen niet vasthouden. We gaan op een andere manier verder en onze geliefden krijgen op een nieuwe manier een plaats in ons leven. Iemand zei: als je iemand kost wat kost wilt vasthouden, dien je alleen je eigen verlangen, je eigen missen. Maar Maria is niet geroepen om haar eigen verlangen te dienen, maar om de belangen van de Heer de behartigen.

 

Zij moet de boodschap doorgeven dat Jezus naar zijn Vader gaat, die ook hun Vader is, en naar zijn God die ook hun God is. Maria moet Jezus loslaten maar hij zal hen als broeders en zusters vasthouden. En zij moeten ook elkaar vasthouden, als kinderen van de ene Vader.

 

je bent niet alleen

Je bent niet alleen. Jezus is dichtbij waar mensen uit zijn woorden leven. (Joh 14: 23) Hij is daar waar mensen leven in zijn Geest. Hij is daar waar mensen elkaar noemen bij hun naam, waar eenzaamheid doorbroken wordt. Hij is daar waar leegte wordt gevuld met een nieuwe, andere aanwezigheid. Zijn wij niet Christus’ lichaam op aarde? 

This entry was posted in Preken

overweging op 26 augustus 2018          PG De Open Hof, Oud-Beijerland

afbeelding: www.jufliek.nl; Angelique Bos

 

uit de Bijbel: Handelingen 27: 13-44

 

de storm en het schip

Geloof weet van storm op zee. Daar laat de Bijbel geen twijfel over bestaan. De zee is chaos en onzekerheid. De zee is de dood. Het léven is de zee. Want wat kan een mens benauwde tijden doormaken; dreigen te verdrinken in wat hem overspoelt.

 

Geloof heeft weet van storm op zee. Voor je het weet leidt je geloof schipbreuk; raak je aan het twijfelen en waai je met alle winden mee. Of je raakt uit de koers, stuurloos zonder vertrouwen op God. (resp 1 Tim 1:19; Jac 1:6 en Ef 4:14)  En wat gooien we makkelijk de hoop op morgen overboord. Dát wil Lucas vertellen. Hij gebruikt er beeldende taal voor, vol schipperslatijn en aanduidingen van plaatsen die een leek niets zeggen maar een kapitein wél. Maar toch gaat het hem niet om een correcte beschrijving van de gang van zaken. Hij schrijft geen logboek. Het is nog altijd evangelie. Hij moet iets kwijt aan al die mensen die ook in een storm terecht komen; die van alles overboord gooien, voor wie de hoop redding vervliegt. Voor die mensen, voor de gemeente van Christus in zwaar weer, schrijft Lucas.

 

Aan veel oude kerkgebouwen kun je aflezen hoe er over de kerk werd gedacht: het dak met de gebogen planken en stoere dwarsbalken leek wel een omgekeerd schip. We spreken nog wel over ‘het middenschip’ van de kerk. Zo werd vroeger (en nog wel) gedacht over de gemeente van Christus; het is een schip dat vaart over de woelige wereldzee, door het stormen van de tijd. Een reddingsboot, een arke der verlossing; want, dacht men, buiten die boot, buiten de kerk, is er geen redding.

(lied: ’t Scheepke onder Jezus’ hoede) As je maar ín die boot zit, komt het goed.

 

ik stel vertrouwen in God

Je kunt er genuanceerder over denken -dat doe ik liever- , maar het beeld van schip en storm blijft overeind. Wat doet een storm met je geloof in God? Stel je dan meer vertrouwen in andere zekerheden? Gooi je je geloof overboord?

Voor Paulus blijft zijn vertrouwen als een paal boven water. Al eerder heeft hij van God gehoord dat het goed zal komen en dat hij in Rome voor de keizer van zijn geloof moet getuigen.(Hand 23:11) Het klinkt alsof God een plan heeft met het leven van Paulus. Het zal allemaal ergens goed voor zijn.

Die gedachte wordt versterkt als hij opnieuw bemoedigd wordt door een engel met dezelfde boodschap. Wees niet bang, Paulus! Wat mij betreft is dat al evangelie genoeg. Wees niet bang. Niet voor de storm, niet voor de dood, niet voor het leven. Wees niet bang. Dat horen Abraham, Mozes, Israël, Jozua, Gideon, Ruth, Saul, Maria, de herders in de nacht, de leerlingen in de storm…. Natuurlijk zijn ze bang.

En tegelijkertijd mogen ze weten dat ze veilig zijn; dat God bij hen zal zijn. Wees niet bang. En als je wel bang bent, weet dan dat je niet zult sterven van angst. (Huub Oosterhuis, over Psalm 23)

 

Aan die God behoor ik toe, zegt Paulus. Ik ben van hem. Heeft hij aan Jesaja gedacht? Ik moest er wel aan denken: Wees niet bang. Ik heb je bij je naam geroepen. Je bent van mij. Moet je door het water gaan, ik ben bij je. (Jes 43:1)

Paulus zegt niet: gelukkig heb ik dat niet overboord gegooid en heb ik mijn geloof vastgehouden. Hij zegt: Gelukkig heeft mijn geloof mij vastgehouden.

Gelukkig draagt God mij door de storm.

 

de veertiende nacht 

Voorlopig hebben ze op dat schip al dagen geen hap door hun keel kunnen krijgen van angst. Dan breekt de veertiende nacht aan. Verbaas je er niet over dat een storm twee weken kan duren want daar gaat het niet om. Het getal veertien roept een herinnering op. De herinnering aan Pasen. Op de veertiende dag van de eerste maand (Ezra 6:19) wordt Pesach gevierd. De veertiende nacht heeft te maken met die nacht die zo anders was dan alle andere nachten. Omdat in die nacht God zijn volk bevrijdde uit Egypte en hen door de woestijn voorging naar beloofd land. De veertiende heeft te maken met bevrijding, met vertrouwen op de Eeuwige dat op de proef werd gesteld, maar altijd terecht is gebleken. Lucas laat tussen de regels door lezen dat hij een Paasverhaal aan het vertellen is. Voor al die mensen die bang zijn. Hij vertelt eigenlijk dat Pasen, uittocht en opstanding, geen eenmalige gebeurtenis is; geen punt in de geschiedenis. Het is een gebeurtenis die herleefd mag worden, een moment dat zich herhaalt en herhaalt. Het is ons op het lijf geschreven.

Het is daarom dat hij zegt: Kom, de tijd om lijdzaam af te wachten is voorbij. Eet wat en vertrouw dat de redding dichtbij is. Toen hij dat gezegd had, nam hij een stuk brood, dankte God, brak het brood en begon te eten. Dat is de taal van het avondmaal. De taal van het paasverhaal. Dat is de taal waarin Jezus Christus woont en zich verbindt met zijn gemeente. Het avondmaal is niet alleen herinnering, het is niet van vroeger, het is ook van het heden. Eet. Sta op. Wees moedig. Wees dichtbij Jezus.

 

Paulus is een mens die weet van opstanding. Die weet dat het zo werkt, dat een mens soms eerst moet sterven voor er iets van God in hem kan opstaan. Dat je leven soms langs het randje gaat. Daarom is hij niet bang als het schip uiteindelijk stuurloos en zonder anker voor de kust dobbert. Het gaat niet om hem. Maar om God. Om wat God met hem voorheeft. En God heeft hem bestemd om het evangelie in het hart van het Romeinse Rijk te brengen.

Hoe loopt het af met Paulus?

Hij bereikt Rome en betrekt er een huis. Hij ontvangt daar mensen en vertelt iedereen over Gods koninkrijk en hij leert hen alles over Jezus Christus. Meer vertelt Lucas niet. Hij zet er een punt achter. Alsof Paulus daar nog steeds zit en mensen vertelt over God en zijn koninkrijk. Dat is natuurlijk niet zo maar nu zijn wij het die het verhaal vertellen. 

This entry was posted in Preken