overweging op zondag 7 augustus 2022              PKN Nieuwland ~ Westmaas

 

zomerserie: Vrouwen met invloed: Maria van Magdala

 

afbeelding:  De boetvaardige Maria Magdalena, José de Ribera (1591-1652)

 

We zien Maria Magdalena, geschilderd in 1640.

De schilder heeft haar neergezet in een grot. Volgens de overlevering heeft zij zich daar getrokken om boete te doen voor haar losbandige leven. Ze zou prostituee geweest zijn. Haar schoonheid en rijkdom zouden ertoe geleid hebben dat zij zich aan de zeven hoofdzonden heeft overgegeven en een verdorven leven leidde. Maar door een ontmoeting met Jezus verandert dat. In het openbaar knielt zij voor hem neer; door haar tranen worden zijn voeten nat en ze droogt ze met haar loshangende haar. Daarna zalft ze zijn voeten. Ze bekeert zich en laat haar wereldse leven achter zich.

Ribera noemde zijn schilderij de boetvaardige Maria Magdalena. Haar ogen zijn opwaarts, haar handen gevouwen voor haar borst. Iets van haar vorige leven zien we nog in de ontblote bovenkant maar de paars-rode kleur van haar mantel wijst op haar berouw. Haar blote voeten maken haar kwetsbaar en haar houding, licht afgewend, is nederig. Links onderin zien we de zalfpot.

Maria Magdalena als boeteling was een geliefd thema.

In de eerste plaats voor de kerk en de kerkelijk leiders.

Door de nadruk te leggen op het beeld van de bekeerde prostituee, die boetvaardig een zedig leven ging leiden, bestreed de kerk de seksualiteit van Maria Magdalena en indirect die van álle vrouwen. Zó dienden vrouwen te zijn. Maria Magdalena werd een rolmodel dat de vrouwonvriendelijke kerk diende. Ze is geframed als gevallen vrouw. Dat is kwalijk omdat het vrouwen in de hoek zette en ook omdat het niet zelden heeft geleid tot misbruik en geweld tegen vrouwen.

Ondanks dat was Maria Magdalena ook een geliefde figuur voor gelovigen. Zij zagen in haar de vergeving en genade; al ben je nog zo ver afgedwaald, je kunt altijd terugkomen bij God. Ook haar toewijding en geloof sprak mensen aan. Zij was immers degene die aan Jezus’ voeten ging zitten om te luisteren naar Jezus’ woorden. Zij bekommerde zich niet om de dagelijkse beslommeringen, zoals haar zus Martha. Velen trokken als pelgrims naar de kathedraal in Vezelay, gewijd aan haar.

 

Dit beeld van Maria Magdalena is met knippen en plakken in elkaar gezet. De boetvaardige zondares is van Lucas, hij noemt haar naam niet; dat zij een zuster is van Martha en Lazarus komt bij Johannes vandaan; dat zij prostituee zou zijn geweest heeft de kerk gelezen in het loshangende haar. Het gaat allemaal niet over haar maar het diende het doel van een door mannen geleide kerk. (Matteus 26, Marcus 14, Lucas 7:36v, Johannes 11:1-2 en Joh 12)

 

In 1969 wordt haar beeld door de Katholieke Kerk bijgesteld. Vanaf dat moment vermeldt de heiligenkalender uitsluitend over haar wat we ook in de Bijbel over haar vinden:

dat de naam Maria Magdalena slechts van toepassing is op degene aan wie Christus na de opstanding verscheen en geenszins op de zuster van Heilige Martha, noch op de zondares aan wie de Heer zonden vergaf.

 

uit de Bijbel: Marcus 15: 37-43 en 46-47, Marcus 16: 1-2

 

37 Nadat Jezus luid geroepen had, blies Hij de laatste adem uit.

38 En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën.

39 Toen de centurio, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.’

40 Van een afstand stonden ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome.

41 Zij waren Jezus gevolgd en hadden Hem gediend toen Hij in Galilea verbleef. Zo stonden er nog veel meer vrouwen, die met Hem waren meegereisd naar Jeruzalem.

42 Toen de avond al gevallen was (het was de ‘voorbereidingsdag’, dat wil zeggen de dag voor de sabbat),

43 kwam Josef van Arimatea, een vooraanstaand raadsheer, die zelf ook de komst van het koninkrijk van God verwachtte. Hij raapte al zijn moed bijeen en ging naar Pilatus, die hij om het lichaam van Jezus vroeg.

46 Josef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde Hem in het linnen. Daarna legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang.

47 Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, keken toe in welk graf Hij werd gelegd.

 

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om Hem te balsemen.

2 Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf.

 

lied: Tussen waken, tussen dromen, NL 631: 1 en 2

 

Ik kom dus uit Magdala. Zo sta ik ook bekend ‘Maria van Magdala’. Anders dan mijn vriendinnen. Zij worden genoemd met de naam van hun zoon, of de naam van hun man of hun vader. Maria van Klopas, of Maria de moeder van Jacobus en Joses. Maar ik ben een vrije vrouw. Niet getrouwd. Ongebruikelijk ja. Maar ik ben niet onbemiddeld. Ik kan bestaan zonder dat een man voor mij zorgt.

In Magdala, aan het meer van Galilea, leerde ik Jezus kennen. Toen Hij sprak in onze synagoge maakten zijn woorden maakten iets in mij los.

Het was al bijzonder dat Hij zich niet alleen tot de mannen richtte maar er duidelijk prijs op stelde dat ook vrouwen onder zijn gehoor waren. Hij sprak rechtstreeks met hen. Soms vertelde Hij een verhaal dat  juist vrouwen aansprak; over het huis vegen om een muntje terug te vinden, of over de weduwe die haar recht opeist bij de rechter. Hij zag ons staan. Beschouwde ons niet als minderwaardig of zelfs onrein. Want ja, volgens de Tora ben je dat als vrouw een keer in de maand. Maar Jezus deinsde niet voor ons terug. Hij liet zich aanraken. Alleen wat er uit je mond komt, maakt je onrein, zei Hij. Hij maakte geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. En Hij sprak ons niet aan als de moeder van, of de vrouw van. We waren allemaal moeders en zusters van hém, zei Hij. Omdat we God wilden dienen; omdat we hém als voorbeeld zagen en hem wilden volgen. Bij hém zijn was bevrijdend. We waren gelijkwaardig aan elkaar omdat het om ons hart ging. Om ons geloof.

In zijn omgang met ons liet Jezus zien hoe het koninkrijk van de hemel eruit zou zien: bevrijdend, heel. Een tijd en plaats waar mensen waardig leven mogen en elk haar naam in vrede draagt. Het raakte niet alleen mij. Ook andere vrouwen. We trokken met Jezus mee. Waar Hij ging, gingen wij ook. Zonder thuis. Dat ik geld had, kwam mooi van pas.

Nu ik mezelf zo voor jullie heb opengesteld durf ik jullie ook wel de vraag te stellen wat júllie zo raakt in Jezus? En wat zijn verkondiging van het koninkrijk van de hemel voor jullie betekent? Mezelf heb ik later ook wel afgevraagd of het roekeloos was om Jezus te willen volgen of dat het juist vertrouwen was, in hém, en in zijn dromen en verlangens voor de wereld.

 

Ineens stond ik bij zijn kruis. We waren met een heel groepje. Wie let er op een stelletje vrouwen op zo’n geladen moment. Jezus’ leerlingen, die twaalf die jullie kennen, waren al gevlucht toen Jezus was gevangen was genomen. Petrus was nog wel teruggekomen naar het huis van de hogepriester, maar toen hem op de man af werd gevraagd of hij ook bij Jezus was ontkende hij in alle toonaarden. Er was geen sprake van dat ik hem in de steek zou laten. Hij ging sterven, ik zou waken.

 

Zat jij ooit aan een sterfbed? Was je er ooit getuige van dat iemand in eenzaamheid streed? Dan ga je toch niet weg. Dan wil je troosten met je nabijheid. Ik wilde dat Jezus míj zou zien in zijn pijn. Ik wilde dat Hij zich zou herinneren hoe Hij met ons gesproken had zodat het geschimp en gespot hem niet zouden kwellen.

Hij moest míj zien in zijn eenzaamheid. God mocht hem dan verlaten hebben, ík niet.

Sterven zal altijd eenzaam zijn maar ik geloof dat God daar toch was. In mij.

Dat míjn trouw aan Jezus toch ook iets moest zeggen over Gods trouw aan hem.

Het was niet zo heel bijzonder wat ik deed: blijven. En toch heeft Marcus over mij geschreven omdat anderen niet durfden blijven. Niet konden blijven. Uit angst ook te worden opgepakt. Er moesten getuigen zijn van dat eenzame uur van Jezus. Getuigen van zijn begrafenis. Al was het maar om het kwaadaardige gerucht tegen te spreken dat de Romeinen hadden verspreid. Dat Jezus’ leerlingen het lichaam hadden gestolen. Daar was niets van waar. Hij kreeg een waardige begrafenis.

 

 Ik besefte dat ik van veel méér getuige was dan alleen van een begrafenis.

Van een afstand zag ik met hoeveel liefde en eerbied Josef van Arimatea Jezus’ lichaam behandelde. Jezus was wel gestorven maar de compassie die Hij ons altijd had voorgehouden was meer dan levend in het handelen van Josef. Zó wil ik erover vertellen. Dat Jezus’ verkondiging voortleeft in ons. Dat zijn droom van dat koninkrijk niet met hem gestorven is. Maar nog altijd onder ons leeft en wáar kan worden, al is het soms even.

 

Na de sabbat gingen we met z’n drieën terug naar het graf. De verhalen daarover lopen uiteen. Volgens Matteus was ik met nog één andere vrouw, volgens Lucas met een heel groepje en volgens Johannes was ik alleen. Het geeft niet. Ik word steeds genoemd. Stel je voor, een vrouw als getuige van het lege graf. Een vrouw die het grote nieuws mag gaan vertellen aan anderen. Ik mocht de mensen troosten die om Jezus’ treurden en rouwden. Mijn woord was niets waard voor de Romeinen. En mijn woord was niets waard voor de leiders van de synagoge. Het woord van een vrouw….  Later is er veel discussie geweest. Misschien nu nog wel. Of het echt waar was dat Jezus was opgestaan. Dan denk ik, als je besluit om te vertellen dat een vrouw er getuige van is geweest, een vrouw die je niet op haar woord hoeft te geloven, dan móet het wel waar zijn. Het is jouw geloof waardig. Je mag vertrouwen dat Jezus leeft.

Daarom zeg ik allen dat Hij leeft, dat Hij is opgestaan, dat met zijn Geest Hij ons omgeeft waar wij ook staan of gaan. (NL 642, lied na de preek)

 

Na Marcus hebben nog veel meer mensen verhalen over mij geschreven. Maar eigenlijk is er maar één ding dat je van me weten moet. En één ding waarin ik voorbeeldig wil zijn. Ik ben apostel geworden. Getuige van een levende Heer. In een hopeloze wereld vertel ik van hoop; in een wereld die wordt geregeerd door haat en mannenmacht, vertel ik over de zachte krachten van liefde en trouw; tegen machteloosheid in vertel ik over goede daden, goede woorden, die als zaad in de akker vallen en zullen groeien; waar wordt getreurd breng ik troost en waar dood is vertel ik over het leven.

Ik ben Maria van Magdala.

 

meditatief orgelspel, gevolgd door Ik zeg het allen dat Hij leeft, NL 642: 1, 2, 6 en 7

overweging op zondag 31 juli 2022                       PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

zomerserie: Vrouwen met invloed

 

uit de Bijbel: Numeri 12 en Jacobus 3: 1-6

 

bosbrand

Een probleemgeval, dat is het. Scherp als een scheermes, gespleten of van fluweel. Soms kun je hem wel afbijten. Je tong.

Zoals een klein bit een paard in toom houdt, een klein roer een schip op koers houdt -zelfs als het stormt- zo is de tong het stuur van ons lichaam. Koersbepalend. Klein maar o zo belangrijk. We kunnen er de waarheid mee spreken. We kunnen ermee zingen, bidden, troosten. De tong is een prachtig instrument om ons geloof mee uit te drukken; om het stem te geven. Met de woorden van onze mond en de overleggingen van ons hart dienen we God. (Ps 19:15)

Maar wees je er ook van bewust wat je kunt aanrichten met diezelfde tong. Voor je het weet heb je een bosbrand ontketent. Iets waarop je bijna geen grip meer hebt en dat veel schade aanricht. Een onrechtvaardig woord, een veroordeling, onwaarheid, het kan allemaal woekeren als een virus en iemands leven verzieken. Onze woorden wegen zwaar. Zette God op sommige momenten maar een wachter voor onze mond, een slot op de deur van onze lippen. (Ps 141:3)

Want kwaadsprekerij is een snelle zonde. Het flapt er zomaar uit. Het vraagt dan ook oefening en zelfbeheersing om goed om te gaan met dat prachtige instrument dat tegelijkertijd zo’n venijnig wapen is.

 

onvrijheid

De rabbijnse uitleg van de Tora hecht veel waarde aan de manier waarop mensen met elkaar communiceren. In het groter geheel van de samenleving, in gemeenschappen, in gezinnen. Want, zo stellen de wijzen, onze vrijheid hangt af van beleefdheid, van mensen die hoffelijk over en met elkaar spreken. Vrije mensen houden het gesprek open en zijn het -als dat nodig is- op een respectvolle manier met elkaar oneens. Je kunt ook in líefde elkaar terecht wijzen en dan samen verder gaan.

Maar een gemeenschap waar veel wordt geroddeld is onveilig. Onderlinge solidariteit en vertrouwen krijgen het zwaar als er slecht wordt gecommuniceerd. Als er alleen kritiek of cynisme is zet dat de loyaliteit aan elkaar op het spel. Harde woorden veroorzaken wantrouwen en vijandschap, polarisatie. Een kwade tong leidt tot onfatsoen, onvrijheid. En precies als bij een bosbrand roept het ene woord het andere op en raken we verstrikt in discussies; verwijderd van elkaar. Dat kan gaan over de politiek, maar ook over de kerk, ons gezin, de werkvloer. Slecht communiceren doet iets met de gemeenschap, met het zinnig verband waartoe wij behoren. Kritiek die niet opbouwend is kan de groei van een gemeenschap belemmeren, voor tweespalt zorgen. Het is dan ook niet alleen Mirjam die de gevolgen draagt van haar kwaadsprekerij. Het heeft zijn weerslag op het hele volk; dat moet zeven dagen op haar wachten voordat het verder kan trekken. Eerst moet het brandje dat zij aanstak zijn geblust.

 

Mirjam

Want Mirjam kon het niet laten. Tegen Aaron spreekt zij kwaad over hun broer Mozes. Ze heeft wat tegen zijn vrouw, een Ethiopische, niet iemand van zijn eigen volk. Ze heeft wat tegen zijn leiderschap en het feit dat de Eeuwige alleen met hém spreekt, en niet met háár, of met Aaron. De Heer hoorde dit. En Mozes ook. Mozes was een zeer bescheiden man. Zachtmoedig, staat er in de oude vertaling (NBG ’51 en SV). Wat Mozes kon zou ik ook willen kunnen. Zwijgen. Hij gaat er wijselijk niet op in.

Hij laat de kritiek waar die thuis hoort, bij de mond waaruit die gekomen is. Want het zegt vooral iets over háár en niet iets over hem. Het zwijgen van Mozes doet me denken aan wat Jezus leert in de Bergrede. Over het toekeren van de andere wang. Het meelopen van een extra mijl. Laat je niet meeslepen in kwalijk gedrag maar doe iets onverwachts, iets zachts, iets moedigs. (Mat 5:39v)

 

Het zou ons als gemeente, als christenen, passen om even bedachtzaam te zijn als hij. Mild. Zonder oordeel. Wat zou het helend zijn als we hier tijd zouden maken voor verstilling en ruimte voor verdieping en kritische doordenking. Het is juist in het vertragen dat we ontdekken wat nodig is om te doen, of – eventueel- te zeggen. Mozes kan dat.

 

boos

Maar de Heer laat het niet over zijn kant gaan. Hij is woedend en gebiedt Mozes, Aaron en Mirjam om bij de ontmoetingstent te komen. Als kinderen op het matje geroepen bij de Vader.

Luister goed, zegt de Eeuwige. Er zijn profeten in soorten en maten. Maar Mozes is een geval apart. Een vertrouweling, een vriend. Iemand op wie God kan vertrouwen en met wie Hij rechtstreeks kan spreken. Hoe durven Mirjam en Aaron daar aanmerkingen over te maken. Het is niet alleen respectloos naar hun broer maar indirect ook naar God zelf. Alsof er iets aan zijn beoordelingsvermogen scheelt. En boos gaat God weg. Hij wil ze voorlopig even niet meer zien.  Ze zoeken het maar uit. ‘God af. Weg wolk’. (Nico ter Linden. Het Verhaal gaat, 1)

 

en nu?

‘Nauwelijks had de wolk de tent verlaten of Mirjam zat onder de uitslag, haar huid was wit als sneeuw.’ Melaats. Nu wordt zichtbaar hoe ziekmakend haar kwaadsprekerij was; en hoe. Maar door het vertrek van God is er impasse ontstaan. Wat nu? Hoe gaan we verder met elkaar? Kunnen we nog verder? Kan wat dreigde kapot te gaan nog worden gerepareerd?

Even terzijde… je zou je af kunnen vragen waarom alleen Mirjam wordt gestraft. En niet Aaron. Kwaadsprekerij schaadt altijd drie mensen. Degene over wie kwaad gesproken wordt, degene die kwaad spreekt en degene die luistert. En dat was Aaron. Mogelijk wordt hij niet gestraft omdat onreinheid voor een priester langer duurt en dat zou onevenredig zwaar zijn in dit geval. Maar dat is speculatie. Het blijft een vraag.

Aaron neemt het wel meteen op voor zijn zus. Zijn spijt is meteen al wakker geworden. We hebben ons belachelijk gedragen, het was dwaasheid. Reken het ons niet aan.

Laat Mirjam niet als een levende dode zijn. Want dat zal ze zijn, een mens buiten de grenzen van de gemeenschap, een onreine. Mozes is aan zet.

Het ligt in de lijn van de verwachting dat hij het Mirjam niet moeilijk zal maken. Zachtmoedig als hij is zal hij haar de zonde niet blijven nadragen. Na overleg met God wordt beslist dat zij zeven dagen buiten het kamp gehouden moet worden. Noem het quarantaine, of een afkoelperiode.

 

geduld

Terwijl Mirjam in afzondering haar zonde overdenkt, wacht de gemeenschap op haar. Ze hebben geduld met haar. Zonder haar is het volk niet compleet. Uiteindelijk zijn er ook andere dingen over haar te zeggen en die haar typeren als mens. Zij was het toch ook die ervoor zorgde dat haar broertje, dat te vondeling was gelegd in een rieten mandje, door de dochter van de farao werd opgevoed. En zij was het ook die, toen het volk wegtrok uit Egypte en veilig door de zee was getrokken, haar tamboerijn inpakte en zingend en dansend de vrouwen voorging in een lied van bevrijding. (Exodus 15:20v) Door die ene misse-daad is zij niet afgeschreven.

Juist door het geduldige wachten, door de bereidheid om haar weer op te nemen in de gemeenschap, kan het volk verder trekken. Je komt uiteindelijk geen stap verder als je elkaar kwade daden blijft nadragen. Het houdt alleen maar op, het belemmert een groep mensen, als er niet ook sprake is van genezing, vergeving. En soms moet je er wat voor over hebben om mensen binnen boord te houden. Mirjam zal altijd een waarschuwing zijn voor het volk om geen kwaad te spreken (Deut 24:9) maar zij zal ook herinnerd worden vanwege haar kwaliteiten als profetes en voorganger van het volk. (Micha 6:4)

 

de tong in toom

Wie heeft nog nooit gezondigd met zijn tong? (Jezus Sirach 19:5vv) Houd dus je tong in toom. Deze woorden vond ik in het deutero-kanonieke boek Jezus Sirach. Vertel een gerucht nooit verder. Je zult er niet van barsten als je het niet vertelt. En als je iets hoort over een vriend, doe navraag. Hij heeft het misschien niet gedaan. En als hij het wel heeft gedaan, zorg ervoor dat hij niet opnieuw doet. Doe navraag. Zij heeft het misschien niet gezegd. En als zij het wel heeft gezegd, zorg ervoor dat zij het niet opnieuw zegt. Houd je tong in toom. Zo houd je je aan de wet van de Allerhoogste.

overweging op zondag 24 juli 2022           PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

zomerserie Vrouwen met invloed: Agaath

 

uit de Bijbel: Marcus 12: 38-44

gezongen: Heel ons leven, een gave van God, NL 876 en Mijn God mijn herder, NL 23c

 

alles geven

Wat kreeg je van je Schepper toen?

Je leven.

Wat mag je met dat leven doen?

’t Hem geven.

De juffrouw van handwerken schreef het in mijn poëzie-album toen ik 9 jaar was. Grote woorden voor een klein meisje. Een wijze levensles maar met welke impact? En ook heel abstract. Want, hoe doe je dat, je leven aan je Schepper geven?

 

de arme weduwe

Misschien kennen jullie het verhaal van vandaag ook wel als ‘het penninkske van de weduwe’. Dat was het opschrift in de Bijbelvertaling van 1951. Met verkleinwoordjes maken we dit verhaal heel makkelijk sentimenteel. Romantisch: kijk eens hoe dat arme vrouwtje tóch een centje in de offerkist gooit. Als ik er een plaatje bij zou moeten tekenen, dan zou ze oud zijn, een tikje gebogen en een beetje schuw naar de offerkist lopen. Met een houding van ‘let alsjeblieft niet op mij’. Haar muntjes, ter waarde van twee keer niks, laat ze met een steels gebaar in de offerkist vallen, geïmponeerd door de aanwezigheid van de anderen. Tijdens de koffie op donderdagmorgen hadden we het er even over. Méér mensen dachten dat ze er zo uit zo kunnen zien. Maar ik denk niet dat we haar op die manier recht doen.

 

In de eerste plaats was zíj het die bij mij de herinnering opriep aan het versje in mijn poëzie-album. Zij geeft haar leven.

Kijk daar eens naar, zegt Jezus. De mensen die veel geven, geven eigenlijk maar weinig. En deze arme weduwe geeft heel veel, want het is alles dat ze heeft. Het is haar hele levensonderhoud. Alles wat ze nog heeft om in leven te blijven. Haar hele hebben en houwen. Verder zegt Hij niets. Hij verbindt er geen conclusie aan en ook geen wijze les.

Er is ruimte om zelf kritisch na te denken. Gaat het hier inderdaad over háár armoede, of over die van ons?

Het feit dat zij álles geeft is iets om over na te denken. Wat is álles? Dat is hart en ziel, heel je verstand, al je kracht. Niet anders dan met je hele hebben en houwen dien je God en je medemens. Dát moet het toch betekenen; het leven dat je van je Schepper hebt gekregen, draag je aan Hem op, als een loflied. Als een antwoord op zijn Woord, als gehoorzaamheid aan zijn beroep op jou.

 

Met haar gift in de offerkist getuigt de vrouw van vertrouwen. Zij geeft haar levensonderhoud, haar leven. Het verhaal gaat dan niet meer over collectes en barmhartigheid, maar over overgave aan God. Het is niet zonder betekenis dat Marcus dit gebeuren aan het eind van het evangelie plaatst. Nog maar even en dan zal Jezus worden uitgeleverd en gedood. Als er één zijn leven heeft gegeven, dan is Hij het toch. De vrouw, die we Agaath hebben genoemd – dat betekent goedheid- werpt haar schaduw naar voren. Zoals zij alles geeft, roekeloos bijna, zo heeft Jezus in zijn leven en in zijn sterven alles gegeven. Zonder iets achter te houden. Zonder zich zorgen te maken of er dan nog genoeg over is voor morgen, of overmorgen.

 

De vraag die aan mij gesteld wordt, via Agaath, is of ik dat ook durf. Mezelf zo volledig geven. Tot zoiets kun je alleen in staat zijn als je in de loop van je leven een sterk vertrouwen hebt opgebouwd op een God die ons leven draagt; de God van Psalm 23 bij wie ik niets tekort kom, die mij geeft wat ik nodig heb; die mij kracht en moed geeft en aan mijn zijde gaat in moeilijke tijden.

 

De handwerkjuffrouw die in mijn poëzie-album schreef heeft mij dat beslist toegewenst. Achteraf denk ik dat zij dat vertrouwen heeft gehád en het op deze manier heeft willen doorgeven. Ga eens na bij jezelf of jij dat vertrouwen hebt. En wie of wat jou heeft gesterkt in dat vertrouwen. Is het de draagkracht van de liefde of de vriendschap die maakt dat jij hebt leren vertrouwen op God. Is het het wonder van de kracht in jezélf, of de gevoelde nabijheid van God zelf. Heb jij leren vertrouwen door schade en schande of juist omdat jij tot nu gespaard bent gebleven van groot verdriet. Vertrouw jij omdat je inziet hoe prachtig de schepping is en hoe wonderlijk mooi het is dat de Schepper jou in dat grote geheel een plaats heeft gegeven, ja, jou daar zelfs ziet staan.

 

En al schrijven we niet meer in poëzie-albums, vraag jezelf ook af aan wie jij zou willen doorgeven dat God een betrouwbare God is. Met wie wil jij jouw ervaring van Godsvertrouwen delen. Want de mensen die het missen, of het niet kunnen opdiepen uit zichzelf, hebben het nodig om het van jou te horen. Onze kinderen en kleinkinderen moeten het van ons horen.   

 

kritiek

Die Agaath, een stilzwijgend voorbeeld van hoe het moet. Een gelijkenis van wat Jezus doet. Maar ik wil nog iets anders over haar vertellen. En daarvoor stel ik me haar op een andere manier voor. Minder passief, geen voorbeeld of gelijkenis, maar een uitdagend protest. Misschien is ze wel helemaal niet oud en gebogen. Misschien heeft ze wel kinderen. Trots loopt ze naar de offerkist. Met een houding van ‘kijk maar eens goed’. Met een zichtbaar gebaar haalt ze haar twee muntjes tevoorschijn en laat ze in de offerkist kletteren. Rustig kijkt ze om zich heen of iedereen het gezien heeft. Haar hele houding een provocatie.  

 

Een protest tegen de mensen die haar hadden moeten beschermen. In haar schamele gift uit zij kritiek tegen de schriftgeleerden die het geld uit de offerkist in de tempel zouden moeten verdelen onder de weduwen zoals zij, de wezen, de vreemdelingen. In plaats daarvan hebben ze dure gewaden gekocht en paraderen ze rond op het marktplein. Ze willen eerbiedig worden gegroet. Ze laten zich fêteren op ereplaatsen in de synagoge of op een feest.

Ze bidden lang en duidelijk hoorbaar en zichtbaar (denk maar aan de gelijkenis die Jezus vertelt over het gebed van de Schriftgeleerde en de tollenaar, Lucas 18:9vv) en ze eten de huizen van de weduwen op. Háár geld. Schijn-heiligen zijn het.

 

Daar staat ze. Alsof ze zeggen wil: jullie hebben mij alles afgenomen, neem dit dan ook nog maar. Ze is al zoveel kwijt, maar haar waardigheid, haar trots, die laat ze zich niet afnemen. Vanuit haar rol als slachtoffer wijst zij publiekelijk de zwakke plekken aan, de rotte plekken. Met de moed der wanhoop. We horen niet hoe het met haar afloopt. Of haar recht gedaan wordt, of dat ze juist omkomt van de honger. Maar ze heeft gedaan wat ze kon. Ze heeft bloot gelegd hoe het godsdienstige systeem dat haar moest beschermen ontspoord is. De droom van de tempel waar plaats is voor de mus en de zwaluw met haar jongen wordt door haar genadeloos doorgeprikt. Het kan dan ook geen toeval zijn dat Jezus meteen na dit voorval zegt dat van de tempel geen steen op de andere zal blijven staan. Het is het faillissement van de godsdienst.

 

Kortjakje

Dat is niet iets van Jezus’ tijd alleen. We kunnen ons er iets bij voorstellen hoe godsdienst ont-aard, onmenselijk wordt. Het kan het beste in mensen naar boven halen. En dat doet het ook. Denk alleen al aan het enorme maatschappelijke kapitaal van al die gelovige mensen die binnen of buiten de kerk vrijwilligerswerk doen, voor elkaar instaan.

Maar het kan ook het slechtste in mensen naar boven halen. Eerzucht, hebzucht, dogmatische regelzucht.

Jezus stelt meerdere malen aan de orde dat de religieuze leiders wel heel erg bezig waren met het zuiver houden van de leer. Als het gaat over de sabbat, wat er wel of niet geoorloofd is. Of als het gaat over wie er wel of niet welkom zijn aan tafel, of in de tempel. Alles voor de vorm. En dat is niet iets dat alleen toen een valkuil was. Denk maar aan Kortjakje. Altijd ziek. Middenin de week maar zondags niet. Dan zit ze in de kerk, met haar boek vol zilverwerk.

 

Ontmaskert dit verhaal ons soms in onze drukdoenerij om de buitenkant, de organisatie, het gebouw of ‘hoe wij denken dat het hoort’? Het zou een vraag moeten zijn op elke vergadering in onze kerk: Zíen we de mensen nog, hóren we hen in wat zij van ons nodig hebben. Hebben we ons druk gemaakt over de goede dingen? Of hebben we ons zo laten meezuigen in de waan van allerlei andere dingen dat we mensen zijn vergeten?

 

Zijn wij als kerk, of als persoon, ook wel eens als Agaath? Zichtbaar in onze kritiek, hoorbaar in ons protest, als wij opkomen voor wie geen helper heeft, voor hen die buiten de boot vallen?

Jezus en de arme weduwe leggen hun vinger op de zere plek. Pas op voor godsdienst die níet goed is. Maar wanneer is het dan wél goed?

 

Als ons geloof heelt, in plaats van kapot maakt; als het tot nadenken stemt in plaats van dat zelf nadenken niet mag; als het ruimte biedt in plaats van buitensluit. Als het goede in ons omhoog wordt gewoeld en niet onze kwalijke kant. Als de wereld om ons heen er beter van wordt en de samenleving ons niet kan missen. Of juist als de maatschappij de kerk liever kwijt dan rijk is omdat zij de noodzakelijke luis in de pels is.

Als wij blij van worden omdat we bij een kerk horen. Dán is het goed. Als we víeren. Als we ons geloof zó aan het volgende geslacht kunnen overdragen, dat ook zij ruimte voelen om hun stempel erop te drukken. Wanneer is het goed? Als zij begrijpen dat zij in vrijheid antwoord mogen geven op het beroep dat God op mensen doet. Dát heeft de juffrouw van handwerken willen meegeven.

zomerserie: Vrouwen met invloed

 

overweging op zondag 17 juli 2022 in De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Romeinen 16:1-16

 

tekst: Als de zon, Marianne Williamson

 

Onze diepste angst,

is niet dat we onmachtig zouden zijn.

Onze diepste angst betreft juist

onze niet te meten kracht.

Niet de duisternis, maar het licht in ons

is wat we het meeste vrezen.

 

We vragen onszelf af:

Wie ben ik wel om mezelf briljant, schitterend,

begaafd, geweldig te achten.

Maar waarom zou je dat niet zijn?

Je bent een kind van God.

Je dient de wereld niet

door jezelf klein te houden.

Er wordt geen licht verspreid,

als de mensen om je heen,

hun zekerheid ontlenen aan jouw kleinheid.

 

We zijn bestemd om te stralen,

zoals kinderen dat doen.

We zijn geboren om de glorie Gods

die in ons is

te openbaren.

Die glorie is niet slechts in enkelen,

maar in ieder mens aanwezig.

En als wij ons licht laten schijnen,

schept dat voor de ander

de mogelijkheid hetzelfde te doen.

 

Als wij van onze diepste angst bevrijd zijn,

zal alleen al onze nabijheid

anderen bevrijden.

 

ertoe doen

Ertoe doen. Van betekenis zijn, en daarin ook worden gezien en gewaardeerd. Ik denk dat dat voor veel mensen -voor alle mensen?- een diepgeworteld verlangen is. Natuurlijk heb je plezier in je werk, je taak als vrijwilliger, maar we groeien als het wordt gezien, benoemd. Vanzelfsprekend is onze rol als vader, moeder, mantelzorger, maar wat fijn als af en toe wordt uitgesproken dat we worden gewaardeerd. Bescheiden als we zijn wimpelen we lof natuurlijk ook af. Maar ertoe doen is als water voor de bloemen.

 

Daarom vind ik het zo mooi dat Paulus aan het eind van zijn brief aan de gemeente in Rome de moeite neemt om mensen bij naam te noemen. Probeer het eens voor je te zien: de gemeente in Rome is bij elkaar gekomen om te luisteren naar de brief die Paulus hen heeft gestuurd. Het is een hele zit; er staan mooie en moeilijke dingen in de brief. Af en toe lijkt het wel een preek. Misschien zijn er wel mensen ingedut. Maar aan het eind heeft de voorlezer de aandacht. Want hij noemt namen van gemeenteleden, hún namen. En bij veel van die namen hoort een verhaal waarom zij ertoe doen. Omdat zij hun leven op het spel hebben gezet voor Paulus, zoals Prisca en Aquila; omdat ze zoveel moeite doen voor de gemeente, zoals Persis en Maria; omdat ze gevangen hebben gezeten omwille van hun geloof; omdat ze beproevingen hebben doorstaan, zoals Apelles. Het is niet ongezien gebleven en het blijft niet onbenoemd.

 

De opbouw van de gemeente van Christus is een gezamenlijke inspanning en ook dát maakt Paulus’ brief duidelijk. Hij noemt namen van mannen én vrouwen. Broeders én zusters. Zij doen niet voor elkaar onder in hun inzet, of in wat zij moeten lijden. Hij benoemt in het oog springende zaken zoals het apostel zijn van Andronikus en Junia, of het openstellen van een huis om de gemeente te ontvangen. Maar ook de mensen die meewerken of over elkaar moederen.

 

Af en toe moeten we elkaar er weer op wijzen hoe belangrijk het is dat we zíen, benóemen, wat er allemaal voor goede en mooie dingen gebeuren in onze gemeente. Niet alleen voor de schermen maar ook zoveel erachter. Gedurende een of meerdere termijnen maar ook jaren- en jarenlang. Want zo trouw zijn mensen aan hun taak. Het loopt gesmeerd maar soms zijn we ons daarvan pas bewust als er een hapering ontstaat. Het loopt op rolletjes maar soms zien we dat pas als iemand uitvalt en het dus níet meer vanzelfsprekend is dat… kopjes klaarstaan, de tuin er netjes uitziet, de weekbrief klaar ligt of een vergadering wordt voorgezeten.

Laten we uitspreken dat we elkaar zien en laten we benoemen wat we in elkaar waarderen. En laten we ons er vooral van bewust zijn dat de gemeente altijd zo sterk is als de som van de delen.

 

Wie?

Een van de mensen die Paulus noemt omdat ze ertoe doet is Febe. Wij kennen haar naam niet en dat is geheel ten onrechte. Febe is degene die die brief heeft bezorgd. Een verantwoordelijke taak en ze heeft er een hele reis voor moeten maken. Misschien is er tijdens het voorlezen wel af en toe omgekeken naar haar.                                             Met de vraag of zij iets wilde verduidelijken. Als boodschapper wist zij misschien wel beter wat de boodschap kon betekenen…

Hoewel Febe de enige is die een officiële aanbeveling van Paulus krijgt, is er maar weinig erkenning voor haar betekenis voor de vroegste verspreiding van het evangelie.

Zij ontvangt van Paulus drie belangrijke titels ‘zuster’, ‘diaken’ en ‘beschermheer’, maar de vertalers en uitleggers hebben door de eeuwen heen de grote waardering die daaruit spreekt onderschat. Wij horen slechts één van die krachtige beschrijvingen terug in wat wij hebben gehoord vandaag en dat is ‘zuster’. ‘Diaken’ (in het Grieks heel herkenbaar ‘diakonos’) is geworden ‘zij die in dienst staat van de gemeente’. Een goedwillende vrijwilliger. Een ‘dienares’ volgens oude vertalingen.

Het is goed om te weten dat een diaken in die tijd nog niet de taken had zoals wij kennen. Paulus refereert aan zichzelf als een diaken; hij noemt Timoteus en andere medewerkers diaken. Aan een diaken is de bediening van het Woord toevertrouwd en de leiding over de gemeente. Zoals ik ‘dienaar van het Woord’ ben. Zoals in lied 210 en 1005 dat we net zongen, waar alle gemeenteleden ‘dienaars’ worden genoemd. Het is een woord waarin mannen en vrouwen zijn inbegrepen. Zou Paulus dan alleen bij Febe bedoelen dat zij als diacones iets doet met zieken of ouderen? Hij zet haar juist in het licht en laat haar schitteren.

 

Ook de titel ‘weldoener’ horen we niet terug. In het Grieks is het ‘prostatis’, dat beschermheer, sponsor of weldoener kan betekenen, maar ook voorzitter of bestuurder. Het duidt op iemand met contacten en connecties. Iemand die de gemeente van Christus niet alleen financieel kan ondersteunen maar ook iets kan betekenen om hen uit de wind te houden en te beschermen. Het is geen gekke gedachte dat Febe zo’n positie bekleedde. Er waren vrouwen die hun huis openstelden voor de samenkomsten van de gemeente. Vrouwelijke sponsoren. Een belangrijk principe voor de vroegste kerk was namelijk de gelijkheid, de eenheid. - Galaten 3: 28  Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus. -

Die gelijkwaardigheid en eenheid kwamen in de latere kerk onder druk te staan. Er is over deze bewoordingen voor Febe wat af gediscussieerd door voor- en tegenstanders van vrouwen in het ambt. Daarom vind ik het persoonlijk teleurstellend dat de moderne vertaling van 2004 ons niet laat horen dat Febe een leider en sponsor was, maar dat die krachtige beschrijving verdund is naar ‘die velen steunt en bescherming heeft geboden’. Teleurstellend omdat Paulus afhankelijk moet zijn geweest van haar geld, gastvrijheid en sociale invloed. Net als veel andere gemeenten. We moeten zelfs stellen dat zonder de invloed en hulp van vrouwen als Febe de christelijke beweging misschien al vroeg zou zijn gestand. Maar ook teleurstellend omdat in een goede vertaling vrouwen en meisjes, iedereen, de credits krijgen die ze verdienen; of de aanmoediging krijgen om een leidende rol op zich te nemen. Want vanzelfsprekend is het in veel gevallen nog altijd niet.

 

Je bent bestemd om te stralen

Febe. Haar naam betekent zoiets als ‘helderheid’ of ‘licht’. Ze doet wat haar naam zegt: ze straalt. Ze laat haar licht schijnen voor de mensen zodat zij God leren kennen. (Matteus 5:16) Ze verbergt haar licht niet onder een korenmaat of emmer.

Zij is dan misschien weggemoffeld door mannen die de geschiedenis hebben vertaald en doorgegeven maar zij heeft zichzelf beslist níet laten wegmoffelen.

En jij? Hoe zichtbaar ben jij?

Het is geen geheim dat er in de kerkelijke gemeente altijd mensen nodig zijn. Ook bij ons. Voor de kerkenraad zoeken we een ouderling. Een notulist. Er zijn geweldige andere plekken, binnen en buiten de kerk, waar gewacht wordt op jouw talent en tijd, op jouw invloed en leiderschap. Denk niet te min over jezelf. Christus schijnt ook door jou; heeft ook jou gemaakt tot een dienaar, iemand die van invloed kan zijn, opbouwend.

Denk ook niet te min over de gemeente van Christus. Jij bent daar deel van, een zuster of broeder van dezelfde familie, kinderen van één Vader. We ervaren het ook zo. Een warm bad, thuiskomen bij elkaar, meeleven in goede en slechte tijden. Maar van familieleden mag je ook wat verwachten. Een gedeelde verantwoordelijkheid, financieel, door gebed, door verantwoordelijkheid te willen dragen. Wat we van elkaar mogen verwachten is dat we ertoe doen en van betekenis willen zijn voor de opbouw van de gemeente. Want als wíj ertoe doen, doet het evangelie ertoe. En krijgt wat Jezus ons wilde geven handen en voeten.  

Geliefden, sluit u dan aaneen

vanwaar en wie ge ook zijt

als kinderen om uw Vader heen

en Christus toegewijd.

 

Pagina 1 van 43