Preken

Preken (145)

overweging op zondag 18 juli 2021           PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Jesaja 63: 7-9 en Matteus 11: 28-30

tekst: Voetstappen in het zand

 

gezien

Als iemand tegen je zegt:

Kom maar naar mij, jij die zo moe bent,

dan doet dat al meteen goed.

Want het betekent dat het gezien is,

dat jij een flinke rugzak hebt.

Het is gezien dat je moe bent omdat je veel te verdragen hebt.

En dat je soms niet veel meer hebben kunt.

Alleen al de erkenning dat het niet meevalt,

kan maken dat je tóch nog even door kunt.

De liederen die we vandaag zingen hebben allemaal het woord ‘dragen’ in zich.

(NL 23b: 1 en 2; NL 868: 2, NL 275: 1, 2 en 3 en NL 936)

Omdat God zich meer dan eens laat kennen als een God die draagt.

Zoals een vader of moeder een kind optilt.

Vanuit eenzelfde zorgzaamheid zal God dat doen.

Natuurlijk zal hij zorgen voor Israël, lazen we in Jesaja.

Hij wil hun redder en bevrijder zijn.

Hij is naar zijn volk toegekomen, heeft het in de armen genomen als een kind

en weggedragen uit Egypte. En ook in de woestijn droeg Hij hen.

Niet een stukje, maar de hele weg.(lees bijv Deut 1:31 en Num 11:12)

Die dragende God is een geliefd beeld;

De tekst van de Voetstappen in het zand is bij velen in het hart geschreven.

Omdat ze ervaren hebben dat het zo is. Of zouden willen dat het zo mag zijn.

God is als een Vader die ons beschermt als een kind op zijn arm.

En die God, zegt Jezus, dat is míjn Vader.

Net als de Vader wil de Zoon een plaats zijn om tot rust te komen.

Een grazige weide zijn; beschermende vleugels boven ons, onder ons.

 

juk

Jezus geeft wie hem wil volgen ándere bagage mee.

‘Neem míjn juk op je en leer van Míj.’

Niet de last die de wetgeleerden opleggen aan het volk.

De Tien Woorden van God zijn in Jezus’ tijd uitgegroeid tot een indrukwekkende bijlage van 613 regels en voorschriften.

Het zijn er zoveel dat het dagelijkse leven er ingewikkeld van kan worden. 

(zie bijv Lucas 13: 15 of  Mc 2: 23v)

Dat zijn er zoveel dat je er altijd wel een vergeet en het net niet helemaal goed doet.

Zo keken de wetgeleerden en Farizeeën dan ook aan tegen ‘het volk’.

Dat kon geen goed doen in hun ogen.

 

Het irriteert Jezus dat zij de voorschriften als een last opleggen aan het volk

en geen vinger uitsteken om die last te verlichten.

Pas maar op, zegt Hij, want ze houden zich er zelf ook niet aan.

(Mat 23: 4)

De wetgeleerden hebben weinig begrepen van het geheim van Gods koninkrijk.

Hun leer drukt de mensen neer en zorgt dat ze nooit rust hebben.

Doen wij het zoveel beter? Ik vraag het me af.

We zijn een regelzuchtig volk geworden.

We nemen elkaar graag de maat als de regels worden overtreden.

Soms lijkt het wel alsof we er op uit zijn om een ander op een fout te betrappen.

Corona heeft wat dat betreft niet het beste in ons wakker gemaakt.

In onze tijd gaan ook zoveel mensen gebukt

onder de verwachtingen die ze zichzelf opleggen.

Of opgelegd krijgen van hun omgeving.

Er zijn zoveel ongeschreven normen

waaraan je zou moeten voldoen om erbij te mogen horen.

Op school, op je werk, in je familie…

overal kan het gebeuren dat je op je tenen moet lopen.

Burn out is een volksziekte aan het worden. Bij jongeren al nota bene.

Ik ken zoveel mensen die nú pas aan het leren zijn

dat niet alles perfect hoeft te zijn

en dat je je onder je eigen regels en verwachtingen vandaan mag vechten.

 

rust

Kom maar naar mij, jij die gebukt gaat onder last.

En ik zal je rust geven. Het leven bestaat immers niet alleen uit zwoegen.

God zelf heeft ons geleerd dat we ook van ophouden mogen weten.

Rust maakt deel uit van de scheppingsweek, de werkweek van God.

We zijn er niet altijd even goed in. Gaan soms maar door en door

zonder een pauze te nemen. Want dat staat er in het Grieks:

ik zal jullie een pauze geven. (Gr anapausoo)

Maar Jezus bedoelt meer dan alleen uitrusten.

Die rust die Hij geeft is ook: ‘er gerust op zijn’, vertrouwen dat je op de goede weg bent,

de weg die God je aanwijst.

Het is de kalme zekerheid dat het goed zit tussen jou en God.

(lees bijv Jer 6:16 en Joz 1:13)

De rust die Jezus wil geven is dat een mens zich niet opgejaagd voelt

door alles wat moet of niet mag.

Hij wil ons bevrijden van de krampachtigheid en de angst of je goed genoeg bent. Hij bevrijdt ons van het set schuldig staan voor God,

het schuldig gehouden worden door mensen,

Dat is voorbij. Jezus verbindt de mens op een nieuwe manier met God.

Vanuit de vergeving en de goedheid.

Dat betekent ook dat hij de mens op een nieuwe manier verbindt met de medemens.

Nou ja, nieuw. Zo was het al. God was die dragende Vader al lang.

Het was alleen ondergesneeuwd geraakt omdat de wet een doel op zich geworden was.

 

licht

Míjn juk is zacht en míjn last is licht. Het is makkelijker te dragen. Gebruiksvriendelijker.

Wat Jezus verandert is dat het niet gaat om het keurslijf van regels en voorschriften

niet om de leer, maar om de leraar.

Ben je bereid om hem te volgen en te leven zoals Hij leeft.

Dat is de vraag die in dit stukje wordt gesteld.

Het blijft een juk. En het blijft een belasting.

Maar het is te dragen. En het is vrijwillig.

En degene die het oplegt, kun je vertrouwen want Hij duikt er zelf niet voor weg.

Hij dóet zelf ook wat Hij oplegt aan anderen.

Hij vraagt ons om elkaar te dragen.

Om ons over elkaar te ontfermen, zoals Hij dat heeft gedaan.

Gelukkig zijn we als we ervaren dat het zo ís.

Dat we gedragen worden door de warme aandacht van de mensen om ons heen.

Jezus vraagt ons om wat van elkaar te verdragen

zoals Hij alles wat menselijk is te verdragen heeft gekregen.

(lees hierbij Jesaja 53:4vv) Hij droeg de last van de menselijke schuld weg.

Hij droeg het kwade weg. Dát is voor ons een veel te zware last.

Maar de last die Jezus ons oplegt is licht.

Omdat het in liefde wordt gedragen.

 

Wat dat juk is, en die last, dat weten we maar al te goed.

Ooit sprak ik een moeder met twee autistische kinderen.

Hun hele leven lang is zij met hen bezig.

‘Wat heb ik verlangd naar het moederschap’, zei ze;

‘en wat is het me vreselijk tegengevallen. Maar wat houd ik van die kinderen.’

Ik denk ook aan diegenen die als mantelzorger hun partner bijstaan,

of kinderen die voor een ouder zorgen, of verantwoordelijk zijn voor een broer of zus.

Hoe zwaar het ook valt, voor velen geldt dat zij het in liefde op zich nemen.

(Luister eens naar: The Hollies, He ain’t heavy, he’s my brother)

 

En wat zijn er veel anderen die bewondering en respect afdwingen door hun inzet,

hun aandacht voor hun taak, hun tijd voor mensen. Ook zij doen het met liefde.

Het is niet noodzakelijk licht. Je voelt het wel degelijk drukken op je schouders.

Maar het komt op je weg of het hoort bij je werk, en je zegt geen nee.

Want dat zit niet in je aard.

Ik haast me om hierbij te zeggen

dat mantelzorg, of welke vorm van zorg dan ook, ons niet te gronde mag richten.

Jezus heeft zijn leven geven. Zóver kunnen we niet gaan.

Zover hoeven wij niet te gaan. Dat is al voor ons volbracht.

 

De draagkracht die Jezus van ons vraagt

wortelt in het vertrouwen dat wij zelf gedragen zijn.

Gedragen door de Geest, door de kracht van de liefde.

Alleen zo kunnen wij anderen dragen.

 

‘Er is nog zomer en genoeg

wat zou het loodzwaar

tillen zijn wat een gezwoeg

als iedereen niet iedereen ter wille

was als iedereen niet iedereen

op handen droeg.’

(Judith Herzberg)

overweging op zondag 11 juli 2021           PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Genesis 11: 18-27

(afbeelding: Drunkenness of Noah, Bellini) 

 

een grote donkere man

‘De wijn maakte hem lichtzinnig en zorgeloos. Die oude man werd dronken. Toen leek het wel alsof hij zijn verstand niet meer had. Hij waggelde naar zijn tent en ging naakt op de grond liggen slapen. Zo dwaas had de wijn die oude wijze man gemaakt. Zo dwaas had de zonde van de onmatigheid hem gemaakt. Wie was die oude man? Dat was Noach.’ ‘De zondvloed had de zonde niet weggenomen van de aarde. Die was blijven wonen in de harten.’

‘Toen kwamen er voetstappen aan. Er klonk een spottende lach. Een grote donkere man kwam voor de open deur van de tent staan en keek naar de slapende Noach. Het was Cham. Hij lachte om zijn vader en bespotte hem. Daarna liep hij naar zijn broers om te vertellen wat hij gezien had.’

 

Dit komt uit de kinderbijbel van Anne de Vries, waarmee heel veel mensen zijn opgegroeid. Van dit citaat, dat ik overigens behoorlijk heb ingekort, zijn maar twee zinnen waar. Noach wordt dronken en gaat naakt liggen slapen. En Cham vertelt dat aan zijn broers. In de Bijbeltekst wordt het gedrag van Noach niet veroordeeld met termen als lichtzinnig, zonder verstand of gewaggel. Het gaat ook niet over de zonde. Maar de ergste uitglijder is dat de figuur van Cham wordt ingekleurd. Hij lacht zijn vader uit, bespot hem. Hij is groot en donker. En daarom, lieve jongens en meisjes, werd Cham vervloekt. Hij en zijn nakomelingen zullen voor altijd de knechten zijn van de andere volken.

 

Deze Bijbeltekst is lang gebruikt om de handel in slaven te verantwoorden. Donkere mensen, dat waren de nakomelingen van Cham. Knechten moesten die zijn. De verschillen in blank en zwart, apartheid en racisme, werden met de Bijbel in de hand verklaard. Ook ik ben opgegroeid met Anne de Vries. Op de tafel van de meester stond een spaarpotje voor de arme negertjes in de Derde Wereld waar elke maandag een kwartje in ging. Ik leerde ‘Moriaantje, zo zwart als roet’ en Zwarte Piet hoorde er gewoon bij. Het omstreden paneel van de gouden koets, dat als beschamend en beschadigend wordt ervaren, doet geen pijn aan míjn ogen. Dat soort plaatjes stond ook in de boeken waaruit ik les kreeg. Maar dat was díe tijd.

 

In ónze tijd wordt steeds nadrukkelijker gevraagd om erkenning van het leed dat mensen door de slavenhandel is aangedaan. Het maken van excuses is een onderwerp op de politieke agenda geworden en ook de gouden koets is het laatste woord nog niet gezegd. De kleinkinderen en achterkleinkinderen van tot slaaf gemaakten vertellen hoe de opgelopen achterstand tot op vandaag doorwerkt.

We zullen het er snel over eens zijn dat deze manier van Bijbel uitleggen nu écht niet meer kan. Het is dan ook een ándere tijd. Een belangrijke waarde is dat iedereen gelijk is, gelijke kansen mag hebben.

Tegelijkertijd zien en horen we dat dat lang niet altijd zo is. We verzetten ons tegen openlijk racisme. Maar in het verborgene kan er nog veel verbeterd worden. Niemand wil racist worden genoemd. Toch merken we dat racisme niet zomaar is uitgebannen. Ook niet in onszelf.

 

anders lezen

We gaan anders lezen. Dichter op de tekst. Wat lezen we dan?

Met de zonen van Noach begon de verspreiding van de mensheid over de hele aarde. Zeventig volken zijn het. (alle namen uit de lijst in Genesis 10) Zo had God het bedoeld: dat de mensheid zou groeien en de aarde bevolkt zou worden. (Gen 1:28 en Gen 9:7) Maar waarom dit wonderlijke intermezzo? Het is ook nu weer goed om te bedenken dat deze verhalen van het begin werden opgeschreven tijdens de ballingschap in Babel. Ver van huis vertellen zij hoe ze slaven waren in Egypte, hoe zij strijd hebben geleverd met de Filistijnen en de Kanaänieten en hoe ze als gevangenen zijn meegenomen door de Babyloniërs. En laten die volken nu allemaal afstammelingen zijn van Cham, de zoon van Noach. In hun geschiedenis spelen steden als Sodom, Gomorra en Nineve, een bedenkelijke rol. Daarin gebeurt wat je als gelovig mens níet zou moeten doen. Alle strijd die Israël heeft gevoerd is met nakomelingen van dat vervloekte Kanaän. En zo vertellen ze het dus ook: Kanaän -niet Cham!) is vervloekt. De volken die uit hem geboren worden vertegenwoordigen niet alleen dat waartegen de Tora zich verzet en waar de profeten kritiek op hebben maar ook datgene waarvoor Israël zelf ook gevoelig is.

Want zij blijken vaak niet sterk genoeg om bij de Tora te blijven.

Het zijn volken die zich vestigen en steden bouwen. Samenlevingen die gebouwd worden op bezit en rijkdom, al te vaak ten koste van kwetsbaren en zwakken. Wat mensen kunnen bereiken wordt verafgood. De maakbaarheid van het leven wordt en de vruchtbaarheid worden geëerd met hoge heilige palen, enorme vruchtbaarheidssymbolen. (bijv: Ex 34:13, Rich 6: 25vv) En nu ligt daar Noach, met zijn symbool van vruchtbaarheid open en bloot.     

Daar laat Cham zijn broers naar kijken. De zonde van Cham is dat hij maar een deel ziet van zijn vader. Hij ziet niet zijn kwetsbaarheid maar de menselijke zelfoverschatting.  

 

Dit verhaal vertelt dus niet over rassenscheiding. God heeft de mensen ook niet verschillend van elkaar geschapen. Hij schiep de dieren in soorten. Maar de mens schiep Hij naar zijn evenbeeld, mannelijk en vrouwelijk, kleurrijk.

Dit verhaal wil niet een deel van de mensheid veroordelen, maar een manier van leven die slecht past bij het geloof in de God van Israël. Geloof in eigen macht en kracht kan makkelijk ontsporen. God kan misbruikt worden om structuren te sanctioneren; racisme, fascisme, maar bijvoorbeeld ook het machtsmisbruik van de kerken.

Maar God laat zich kennen als de bondgenoot van wie kwetsbaar is. Hij is niet de God van de vaste oude paden maar een God die mee beweegt en uitnodigt nieuwe wegen te verkennen. De focus ligt niet op wat mensen tot stand hebben gebracht maar op wat zij ontvangen mogen. Het gaat niet om hun macht maar om hun naakte weerloosheid, en om God die hen omgeven wil als een mantel.

 

Dat vervloekte Kanaän waar tegen ieder die gelooft in God vecht. Tegenover die vloek staat de zegen. Niet Sem wordt gezegend maar de God van Sem. Als je tegen Sem zou zeggen, je bent een gezegend mens, dan zou hij die eer direct aan God geven.

En ook Jafet wordt niet gezegend maar er wordt voor hem gebeden dat er ruimte zal zijn in de tenten van Sem. Sem is dus als oudste geroepen om onderdak te bieden aan Jafet. Om gastvrij en solidair te zijn. Uit Sem zal Abraham voortkomen, stamvader van Israël, Gods troetelkind. Maar God heeft meer kinderen.

En het is een Bijbelse droom dat eens alle volken één zullen zijn. Al zijn kinderen om één tafel. (bijv. Psalm 87, 72, Jes 2 en Micha 4)

Als Matteus vertelt over de geboorte van Gods Zoon, laat hij drie vreemdelingen op bezoek komen. De traditie vulde dat aan, drie koningen uit het land van Sem, van Cham en van Jafet. Omdat de Zoon alle mensen, alle volken, tot de Vader wil brengen. Om zo de droom van de profeten in vervulling te laten gaan.

Jesaja droomt van de dag dat God op een berg een feestmaal zal aanrichten. De volken zullen toestromen om te eten van de uitgelezen gerechten en te drinken van de belegen wijnen. (Jesaja 25: 6-9)

 

dronken

En zo komen we weer bij waar het begon, de wijngaard van Noach. In de eerste plaats is hij landbouwer. Om te eten zal hij moeten werken. Zwoegen en zweten zal dat zijn. (Lees Genesis 3: 17-19) Maar er valt ook te genieten. De dronkenschap van Noach is geen zonde, zoals Anne de Vries vertelt. Noach, de ontdekker van de wijn, moet alleen nog leren maat houden. De wijn van de vreugde mag rijkelijk vloeien en je helemaal dronken van geluk maken. Want daar staat de wijn voor, geluk met God. Hoe we soms ook ploeteren en zwoegen.

Denk aan de enorme druiventros die de twee verspieders tussen zich in meenamen uit het beloofde land. Of aan de profeet Micha, die droomt van vrede en rust, geen strijd meer tussen de volken, zodat mensen bij hun eigen wijnstok kunnen zitten. (Micha 4: 4)  En aan Jezus die de wijn liet vloeien als water. Kortom, het leven is goed voor Noach. Er rust zegen op. Voor zijn naaktheid hoeft hij zich niet te schamen. Die brengt ons weer even terug in het paradijs. Want uiteindelijk gaat het zondvloedverhaal over de vernieuwde schepping, waar de mens leert leven tussen goed en kwaad. Het blijft vallen en opstaan. Valkuilen genoeg. Maar ook het geduld van God is groot genoeg. Zijn boog in de wolken is nog altijd te zien.

overstapdienst ‘Kleurrijk’     PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

4 juli 2021                 

 (afbeelding: Marc Chagall, ca 1963, gedicht Heenzending in: Wuif de mussen uit. Querido

In deze dienst vieren we de overstap van de kinderen van de kinderdienst naar de tienerdienst, van basisschool naar brugklas.

Aan deze dienst is een ouderavond vooraf gegaan. De kleuren van de regenboog spelen een rol door de hele dienst heen. 

 

ROOD, de kleur van de liefde

o: Dank de Heer, want Hij is goed.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

o: Hij heeft met wijsheid de hemel gemaakt.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

o: Hij heeft de aarde vastgezet in de zee.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

o: Hij maakte de zon en de maan.

g: Zijn liefde blijft altijd bestaan!

 

PAARS, de kleur van stil zijn en verdriet

We bidden om Gods ontferming over alles wat verdrietig is en moeilijk.

 

GEEL: We zingen een loflied omdat we mogen vertrouwen dat God altijd bij ons is; even vanzelfsprekend als de zon die elke morgen opkomt.

 

GROEN, de kleur van de hoop: het verhaal van de ark

 

lied: Kleuren kleuren https://www.youtube.com/watch?v=pefF-QEgzdo

 

BLAUW, de kleur van water; we staan stil bij het doopvont, bij de groei van onze kinderen vanaf hun geboorte tot nu. In ons opvoeden proberen we hen zo goed mogelijk vast te houden én los te laten.

 

muziek: True Colors. Op deze muziek is een filmpje gemaakt met foto’s van de overstappers. Er zijn foto’s van hun doop en/of babytijd, van hun gezin en van nu.

 

ORANJE, de kleur van de vreugde, van aanmoediging

De overstappers worden toegesproken door de leiding van de kinderdienst. Zij krijgen de wensen van gemeenteleden mee. De afgelopen weken heeft er voor elke overstapper een wensenpot in de hal gestaan. Daar konden gemeenteleden een kaartje met een goede wens in stoppen.

 

VIOLET, gevoel van kracht en je persoonlijke zoektocht

Elke overstapper krijgt een T-shirt in een eigen kleur van zijn/haar ouders. De ouders hebben er thuis op gestempeld, genaaid, geniet, getekend en geschreven wat hun kind typeert. Zij lichten het tijdens de dienst kort toe.  

 

De ouders pakken de punten van een veelkleurige parachute. De overstappers nemen eronder plaats en we zingen hen Gods zegen toe. Daarna nemen de tieners hen mee naar de Tienerdienst.

 

uit de Bijbel: Genesis 9: 8-17

 

lied: o God die uit het water, NL 356: 1, 2, 6 en 7

 

eenzijdige liefde

De initiatiefnemer voor het verbond is God. Het hele idee gaat van hem uit. Dit zal Hij nooit meer doen. Nooit meer hoeft Noach bang te zijn dat God de aarde en alles wat erop leeft zal vernietigen. Noach en zijn nakomelingen niet; de generaties na Noach niet. Nu niet en nooit niet, tot in eeuwigheid.

Hierbij sluit Ík een verbond met jullie. De inspanningsverplichting ligt bij hem. De boog in de wolken is in de eerste plaats een hemelse geheugensteun voor hem zelf. Het komt er op neer dat God heeft in dit verbond veel te verliezen heeft en de mens weinig. In eerste instantie is het een eenzijdige, onvoorwaardelijke relatie tussen God en de mens.

God is degene die teleurgesteld kan worden, of gekwetst.

Wij weten wat dat is, zo’n eenzijdige liefdesrelatie.

Want als alles goed gaat, is de relatie tussen ouders en hun kinderen zo.

Onvoorwaardelijk. Als kind ontvang je die liefde van je ouders. En op jouw beurt stop je  als ouder al je liefde in je kind, zonder er iets voor terug te verwachten.

Met de schepping van de mensen, en nu bij deze herkansing voor Noach en zijn gezin,

waagt God het erop om zijn liefde te investeren. Verwachtingsvol wat het wordt. Want het blijft niet eenzijdig.

 

gedeelde verantwoordelijkheid

Als teken van zijn verbond met de mensen hangt God zijn boog in de wolken. De regenboog is voor veel organisaties het symbool waarmee zij willen onderstrepen wat hun missie is. Er zijn ontelbaar veel scholen die de Regenboog heten, en kerkgebouwen. Het staat voor hoop, voor bouwen aan toekomst. Maar ook voor inclusiviteit, zoals bij de LHBTQ-gemeenschap, in alle veelkleurigheid zijn mensen één. Het is een prachtsymbool. Een veelkleurige boog, teken van Gods trouw, om onder te schuilen.

Maar er staat ook iets anders. De boog is de strijdboog, een wapen om pijlen mee te schieten, bedoeld om iemand mee te treffen. Het is de boog waarmee Esau ging jagen en waarmee Jonathan oefende voor de oorlog. In de mythologie van Babel, waar de Joden elkaar het verhaal van de ark vertelden, vermaken de goden zich door het willekeurig afschieten van pijlen om de mensen te raken. Díe boog, het wapen van willekeur en strijd, díe hangt God in de wolken. Hij wil geen God zijn die zijn macht uitoefent over de aarde en de mensen die daarop wonen. Hij wil zijn macht delen. Zijn boog komt in de wolken, tussen hemel en aarde. Omdat hemel en aarde, God en mensen, de verantwoordelijkheid delen over het welzijn van de schepping.

 

In de Bijbel is het begrip verantwoordelijkheid ook sterk verbonden met het begrip rechtvaardigheid. Een verantwoordelijk mens is een rechtvaardig mens. En andersom. Wie verantwoordelijk leeft, laat zich aanspreken op gedrag, op beslissingen. Die is bereid zich te laten aanspreken op de gevolgen van zijn en haar daden. En kan fouten erkennen en herstellen.

Zo willen wij onze kinderen laten opgroeien: als mensen die zich raad weten met zichzelf, in de relatie met anderen en met God. We willen hen zo laten groeien dat ze tot hun recht komen. En beetje bij beetje laten we hen los.

 

Over die eigen verantwoordelijkheid schreef Joke van Leeuwen een prachtig gedicht met een heel toepasselijke titel: Heenzending.

 

Goed, zei schepper, wat ons betreft is het goed,

maar aan jullie laat ik het met de elleboog voelen

of het badwater niet te heet is,

 

het behoedzaam proeven of het eten niet te scherp is,

het drinken niet te zuur is,

het weten waar wat breken kan zal staan

 

het verschonen van wat stinkt en opnieuw stinkt,

het aanpassen van de voetstap,

het onverstaanbaar zingen

 

in het donker,

het herhalen van moeilijke woorden,

het tellen tot oneindig

en het hekje voor het trapgat.

 

De dichter laat God aan het woord, die ons uitlegt hoe dat zit met onze eigen verantwoordelijkheid. Binnen het beeld van de ouders en hun kinderen, gaat het ook over mensen die kwetsbaar zijn en ons aandacht nodig hebben. Het is onze opdracht om zó met elkaar te leven.

 

Wat ons betreft is het goed, zegt de Schepper. En jullie mogen het waarmaken in de omgang met elkaar. Vandaag zeggen we dat tegen onze overstappers. Wat ons betreft zijn jullie prachtig. Maak het waar en ontdek je weg in het leven, samen met anderen. 

overweging op zondag 20 juni 2021   PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Ezechiël 1:1-12; 22-28 en 2:1

 

verbannen

Dertig jaar is Ezechiël. Als alles normaal zou zijn, zou hij in dat jaar als priester dienst mogen gaan doen in de tempel in Jeruzalem. Maar er is niets meer normaal sinds het moment dat koning Nebukadnezar van Babylonië het land binnenviel en in bezit nam. Alle schatten worden geroofd uit het koninklijke paleis en de tempel;  en het grootste deel van de bevolking wordt als gevangenen meegenomen naar Babel. Alleen de allerarmsten blijven achter. (lees 2 Koningen 24: 10-16) Ook Ezechiël is meegevoerd. Zijn roeping als priester zal hij niet waarmaken. En er is veel meer ruw afgebroken. Het land is niet meer van de Israëlieten. Terwijl God hen dat beloofd had. Er is een einde gekomen aan het koningschap, terwijl God had beloofd dat er altijd een nakomeling van David op de troon zou zitten. En met de ontheiliging van de tempel heeft God geen plaats meer om te wonen. Het fundament is weggeslagen onder het geloof van Gods volk. God heeft hen niet beschermd tegen de inval van de vijand en ze moeten nu leven te midden van vreemde goden. Ontworteld zijn ze. Terug bij af. Een onvrij volk. Verbannen naar de zijlijn van een vreemd volk, een andere cultuur.

 

Al zijn er nog af en toe politici die de joods-christelijke wortels van onze samenleving aanhalen, ‘de kerk’ of ‘het christelijk geloof’ is in de loop van de tijd ook terecht gekomen aan de zijlijn. Het is wat het is. Onze wereld is veranderd, geseculariseerd. Andere waarden hebben de plaats ingenomen van het geloofsleven. Veel mensen hebben genoeg aan het waar maken van hun idealen: een goede gezondheid, een leuk leven, een goede baan, een relatie, vriendschappen. Voor het doen van goede werken: opkomen voor een mens in nood, je inzetten voor het milieu of voor vrijheid van meningsuiting, daar hebben mensen geen God of geloof meer voor nodig. En waar we wél menen het geloof nodig te hebben, sprokkelen we dat zelf bij elkaar. We bepalen zélf wat we geloven en laten ons niet meer gezeggen door een dominee.  Onze wereld is veelkleurig geworden. In alle opzichten. Dat geeft kansen en mogelijkheden. We mogen zoeken naar die mogelijkheden, groeien en ons ontwikkelen, we mogen zijn wie we zijn. Maar het geeft ook onrust als alles lijkt te kunnen en te mogen; het geeft een gevoel van onveiligheid als niets of niemand houvast biedt. Als er geen schuilplaatsen meer zijn tegen de grote en kleine rampen die ons overkomen. Het kan eenzaam zijn als je in de waan van de dag God niet meer kunt vinden; als je zijn stem niet kunt horen, in alle informatie die zich aan je opdringt. En hoe alleen ben je, als je wél jezelf hebt uitgevonden, of luidkeels gebruik maakt van je recht van spreken maar daarmee anderen kwijtraakt. Als ik alleen al denk aan ons versplinterde politieke landschap van dit moment….. 

 

Daar zit Ezechiël. Hoe zal zijn leven weer perspectief krijgen? Een ander perspectief dan dat van de balling, het slachtoffer. Hoe zal hij weer zicht krijgen op het geloof dat zijn volk heeft gedragen. Op de plek waar hij zit, aan het Kebarkanaal, in dit land tussen de rivieren -‘the rivers of Babylon’- is het ooit begonnen. Hier is Abraham lang geleden door God geroepen ‘Abraham, verlaat je land, verlaat je stam’. Abraham besloot die stem te vertrouwen en op weg te gaan. (lees Genesis 12) Is dat voor niets geweest? Is de cirkel rond en eindigt het hier? Of zal Gods stem ook klinken aan Babels stromen? Is Hij ook dáár? In de verwarring, in het gevoel van verlorenheid?

Is God in de ramp die ons heeft getroffen, misschien wel door onze eigen schuld? Is God soms meeverhuisd van het centrum van de aandacht, het allerheiligste in de tempel van Jeruzalem, naar de zijlijn?

Dat is een belangrijke ontdekking voor Ezechiël. Zíjn God, de God van Israël, de God die woont in Jeruzalem, blijkt ook de God van Babel te zijn. De God van overal, van waar je maar gaat. God is niet van de Protestantse Kerk, of de katholieke, of welke maar. Hij is misschien zelfs wel niet van de christenen. God is niet van ons. Wij zijn van God. En Hij is veel groter dan wij vermoeden of geloven. ‘Ontzagwekkend’ is Hij. Hij laat zich niet aan banden leggen door ons. Hij laat zich niet beperken in zijn liefde voor mensen. Hij laat zich niet vastleggen op een plaats of in een ideologie. Hij is er voor de zoekers, de kritische mensen, de sceptische mensen, de gelovigen, de zondaars. Een God van de zijlijn.

 

de treden naar Gods troon

Ik moet eerlijk zeggen dat ik nog nooit een preek heb gemaakt bij dit stukje uit Ezechiël. Ik heb er ook niet zoveel mee, met visioenen. Ze lijken me teveel op de schilderijen van Dali of Picasso, psychedelisch en surrealistisch. Eigenlijk klopt dat wel. Wat Ezechiël ervaart is niet van deze wereld. Het komt van een heel andere wereld. Hij ziet een vierkoppig wezen, met koppen van een leeuw, een stier en een adelaar, maar ook het gezicht van een mens. Wapperende vleugels maar ook mensenhanden. Het horen en zien vergaat je. Kleuren en bliksemschichten. Gebulder als van de zee of een rumoerige mensenmassa. Het horen en zien vergaat je, maar er is wél iets te zien. En er is wél iets te horen. Het mag dan van een andere werkelijkheid zijn, maar dat vreemde wezen heeft wel degelijk menselijke trekken. De mens is ermee gemoeid. Het gaat niet over het hoofd van Ezechiël heen, hij wordt erin betrokken.

De droombeelden van Ezechiël openen zicht op oude verhalen. De stormwind, het vuur en de wolkenmassa die Gods volk door de woestijn hebben geleid. (o.a.  Exodus 13: 21; 14: 21) Het ontzagwekkende moment dat God zich openbaarde op de Sinaï. (Exodus 19)  De vleugels van de engelen op de ark van het verbond. ( Ex 37: 9) De engelen die het allerheiligste van de tempel bewaken en bedekken met hun vleugels. (1 Koningen 6: 25-26) Die herinneringen roepen Gods aanwezigheid op. Als herauten gaan ze voor zijn aanwezigheid uit. De wezens dragen een troon en daarop zit een menselijke gedaante. Omgeven door kleuren, herinnering aan Noach, aan God die zei: ik zal mijn eeuwigdurend verbond met jou niet vergeten. Op die troon, is dat God? 

 

Lang geleden, toen ik nog op een kinderkoor zat, leerde ik een lied. U kent het misschien ook wel.

 

De daken met hun wirwar van antennes,

het ronken van een vliegtuig in de nacht.

't Reclamewoord, dat telkens aan en uit flitst;

't verkeerslicht waar ik dagelijks voor wacht.

 

Dit, dit is de wereld;

de wereld waar ik in woon.

Hier zijn de treden te zien

van Gods troon.

Wie hier omhoogklimt,

vanuit het gedruis,

ontwaart de contouren

van 't Vaderlijk huis!

 

Een beetje ouderwets misschien maar jullie begrijpen waar ik heen wil: in alle lawaai en in de vele beelden die op ons afkomen, is wel degelijk iets van God te ontdekken. Hij is van bóven onze werkelijkheid. En tegelijkertijd ín onze werkelijkheid. Een werkelijkheid die, laten we eerlijk zijn, soms zo onwerkelijk is, een surrealistisch visioen waarin dingen gebeuren die we nooit hadden kunnen dromen. Een pandemie lijkt toch eerder het scenario voor een spannende film en nu zitten we er midden in. Had Ezechiël ooit kunnen denken dat hij nog eens in een ballingenkamp terecht zou komen? Maar hij zit daar niet alleen.   

 

mensenkind 

Dit hele visioen is bedoeld om Ezechiël te roepen. Hij zal dan wel geen priester worden maar God heeft iemand nodig die ziet, die hoort. Een profeet. Iemand die Gods woord verkondigt, óok in ballingschap, aan de zijlijn. God heeft mensen nodig die een ander geluid laten horen in het geraas van de tijd. Mensen met leeuwenmoed, krachtig als een stier en met het hoge streven van een adelaar. De vier gezichten van de wezens.

 

[ Niet voor niets zijn deze figuren ook de beeldmerken  geworden van de evangelisten (Matteus de mensfiguur, Marcus de leeuw, Lucas de stier en Johannes de adelaar) omdat zij het evangelie vertelden van die ene mens van God, die geleefd en geleden heeft als mens, is geofferd als een stier en de hoge vlucht heeft genomen van de adelaar. ] 

 

Mensenkind, sta op. Ik wil met je praten. Dit hele visioen draait enerzijds om de oneindige en onbegrijpelijke grootheid van God. Hij is totaal anders. Groot en heilig. Toch, en dat is andere kant, is Hij niet ongenaakbaar of onverschillig. Hij is betrokken bij de wereld waarin wij leven en trekt ons daarin mee. Bij deze lezing hoort de verwondering van Psalm 8. ‘Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam overal op aarde.’ ‘Zie ik de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren door u daar bevestigd, wat is de dan sterveling dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet?’ En het geloof geroepen te zijn om Gods schepping te behoeden.

Mensenkind, sta op. Ik wil met je praten. Het is de stem die Licht riep in het donker. Die Abraham riep om op weg te gaan. Het is de stem die ons opzoekt, waar we ook zijn, en die klinkt te midden van de veelheid van geluiden en het stormen van de tijd. (zie Nieuw Liedboek 283) Het is de stem die weet dat wij maar mensenkinderen zijn, van stof,  kwetsbaar en breekbaar. Die stem is aanspraak voor wie alleen is. Er is een woord dat om een antwoord vraagt. We worden geroepen om mens te zijn, geroepen om te leven. En de samenleving, al is dat in Babel, zó vorm te geven dat het lijkt alsof we thuiskomen, bij elkaar en bij God.

overweging op Hemelvaartsdag 2021    PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Lucas 24: 50-53 en Efeziers 4: 7-13 7

 

grote vreugde

‘Afscheid nemen bestaat niet’ zong Marco Borsato. ‘Afscheid nemen bestaat niet. Ik ga wel weg maar verlaat je niet. Lief, je moet me geloven, al doet het pijn. Ik wil dat je me los laat en dat je morgen weer verder gaat. Maar als je eenzaam of bang bent

zal ik er zijn.’  https://www.youtube.com/watch?v=Suv6-FkQK00

 

Hoe kun je nu blij zijn als er iemand voorgoed afscheid van je neemt. Dat trof mij in het stukje Lucas. Als Jezus is opgenomen in de hemel, gaan zijn vrienden met grote vreugde terug naar Jeruzalem. Ze zijn niet in de war of verdrietig. We horen niet dat ze onzeker zijn, nu ze achterblijven als leerlingen zonder leraar, schapen zonder herder. Nee, er is grote vreugde.

Het doet denken aan het kerstverhaal, als de engel tegen de herders zegt: wees niet bang. Ik kom goed nieuws brengen dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen. (Lucas 2:11) Die grote vreugde is de geboorte van een kind en ín dat kind is God bij de mensen gekomen. ‘God redt’ is zijn naam. En ‘Immanuel, God is erbij’. Als de herders dat kind hebben gevonden, gelóven ze dat ook. En ze gaan terug terwijl ze God loven om alles wat ze gezien en gehoord hadden. Ze hebben God gezien zoals Hij bij de mensen wil zijn. En ze hebben geloofd dat Gods vrede was begonnen. Lucas breit de cirkel mooi rond als hij vertelt dat ook Jezus’ leerlingen terugkeren en God loven. Ook zij hebben met eigen ogen gezien en geloofd dat in Jezus iets van God en zijn nieuwe wereld zichtbaar is geworden. Eigenlijk moeten we ons er vandaag niet over verwonderen dat Jezus naar de hemel is gegaan. We moeten ons er blijvend over verwonderen dat Hij naar beneden is afgedaald. Dat in Jezus God bij de mensen heeft willen wonen en dat in hem Gods liefde tastbaar dichtbij was.

Nu Jezus’ leerlingen alleen achterblijven weten ze dat die belofte nog steeds geldt. God zal bij hen zijn. Ze zullen voor altijd gezegend zijn met zijn nabijheid. Vandaar die grote vreugde.

 

en nu

Maar hoe nu verder?

In het fragment uit The Passion zien we de mensen zoekend omhoog kijken. En in het tweede verhaal dat Lucas  vertelt over Jezus’ hemelvaart in Handelingen 1 staat ook dat de leerlingen omhoog staan te kijken. Of daar soms wat te zien valt. En of een mens daar soms iets te zoeken heeft. Ze worden er door twee engelen op aangesproken: Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Daar vandaan moeten jullie het niet hebben. De Bijbel is er van den beginne duidelijk over: de hemel is van God. Daar heeft een mens niets te zoeken. De aarde is voor de mensen. Om er iets leefbaars van te maken. Nergens anders dan hier beneden zijn mensen geroepen om de grote vreugde die de herders heeft getroffen, en de grote vreugde van de leerlingen, stem te geven. En handen en voeten. Dat ook.

 

de voeten van Jezus

We kijken naar een afbeelding van Jezus’ hemelvaart. Jezus is al bijna uit beeld verdwenen. Omhoog kijken heeft straks geen zin meer. Er valt niets meer te zien.

Het enige dat we nog zien zijn zijn voeten. En zijn voetafdruk. Wat hij achterlaat. Zijn erfenis. Zijn opdracht. Een voetspoor om in verder te gaan.

Op de Olijfberg in Jeruzalem is een plek waar hij te zien is, die voetafdruk. Pelgrims bezoeken die plek en branden er een kaars of zeggen een gebed. Als het goed is blijft het daar niet bij en trekken mensen ook hun conclusies. Hemelvaart bindt ons aan de aarde, hoe paradoxaal dat dus ook klinkt. Vandaag vieren we dat de gemeente van Christus haar eerste stappen zette op de weg van de zelfstandigheid en volwassenheid.

Op het moment dat Jezus omhoog wordt geheven naar de Vader worden de leerlingen gezonden om op weg te gaan, vanuit zijn kracht en Geest, maar met hun eigen talenten en vindingrijkheid. En dat geldt evengoed voor ons.

 

genade

Jullie hebben genade ontvangen naar de maat van Christus, schrijft Paulus. Genade betekent niet alleen dat wij bij God in de gunst staan maar ook dat Hij ons heeft aangenomen, in dienst heeft genomen. Een ieder van ons zoals dat bij ons past. Ieder heeft zijn eigen kwaliteit gekregen, zijn eigen genadegave. Om samen één geheel te vormen. En dat ene geheel is de gemeente, het lichaam van Christus. Nu Hij in de hemel is, is zijn gemeente zijn representant. Waar eerst Gods liefde werd afgelezen aan hem, wordt dat nu afgelezen aan zijn gemeente. Die genade vertaalt zich in mensen met een taak: apostelen, profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren. Allemaal taken om de gemeente te bouwen, om de gemeenteleden toe te rusten.

 

Wat betekent het voor ons vandaag dat Jezus regeert vanuit de hemel? Het betekent dat wij erop vertrouwen dat Gods liefde de allerbelangrijkste waarde in onze wereld is. Die regeert. En het betekent ook dat wij durven vertrouwen dat die liefde die Jezus ons voordeed, uiteindelijk de enige macht is die het kwaad in deze wereld kan overwinnen. Niet het noodlot dat ons treft, niet de kwade machten, maar de liefde is de stuwende kracht in ons bestaan. Hij leeft voort. In ons en door ons.

 

We herdenken dus vandaag niet dat Jezus weg is en op wonderbaarlijke wijze naar boven ging. We herdenken en vieren onze christelijke verantwoordelijkheid. En dat we daarin niet alleen zijn.

Zie, wat onzichtbaar is

Wat je gelooft is waar

Open je ogen maar

En, dan zal ik bij je zijn

Alles wat jij moet doen

Is mij op m'n woord geloven.

overweging op zondag 9 mei 2021  zondag ‘Rogate’

 

PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

Waar Paulus verschijntom het evangelie te verkondigen

ontstaan altijd onrust en relletjes.

Dat ligt aan Paulus: hij neemt geen blad voor de mond en wat hij te vertellen had over de opstanding van Jezus gaat vóór alles.

Het ligt ook aan de omgeving.

Veel Joodse gelovigen zitten er helemaal niet op te wachten om hun geloof in een ander licht te gaan zien.

De Joodse leiders kunnen hem niet uitstaan.

Maar ook onder de heidenen zorgt Paulus regelmatig voor commotie, zoals bijvoorbeeld in Efeze. Daar staat de tempel van Artemis en rond de tempel wordt veel geld verdiend aan het verkopen van souvenirs, kleine tempeltjes. Als Paulus roept dat er maar één God is, en dat de andere goden nep zijn, raakt hen dat in hun handel. (Dat kun je lezen in Handelingen 19: 23vv) En zo komt het dat Paulus regelmatig met geweld de stad uit wordt gegooid, wordt bedreigd met geweld en zelfs in de gevangenis belandt. Dan is het geen wonder dat hij in een van zijn brieven schrijft over zijn wapens. Het zijn wel heel andere wapens dan de Romeinse soldaten in zijn omgeving dragen.

 

uit de Bijbel: Efeziërs 6: 10-20

 

kaartje

Vorig jaar, toen corona net begon, heb ik bij veel mensen een kaartje in de bus gedaan. Ik schreef er bij veel mensen dezelfde tekst op. Omdat die mijzelf aansprak en moed gaf in die onzekere eerste coronamaanden. Toen we nog geen idee hadden wat ons boven het hoofd hing. Die tekst staat in Jozua: ‘Wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Heer, je God, staat je bij.’ (Jozua 1: 9) Ik had het nodig om tegen mijzelf te zeggen wat Paulus ook schrijft aan Efeze: houd stand, blijf overeind. En vergeet niet dat God bij je is. Hij is er ook bij als jij te kampen hebt met moeilijkheden.

 

tweestrijd

Ik noem het ‘te kampen hebben’ maar Paulus zegt: strijd. Strijd tegen kwade krachten en machten die overal om ons heen zijn. En waarvan we soms ook deel zijn. Krachten die wereld willen in hun greep houden, duisternis, de hoogste kwade machten. (zie Ef 6:12 in Bijbel in Gewone Taal) Paulus noemt dat de listen van de duivel.

Waarom? Omdat de duivel de tegenkracht is die mensen uit elkaar drijft. Dat hoor je er in terug: diablo, diabolos, betekent ‘door elkaar heen gooien.

Waar het evangelie mensen bij elkaar wil brengen, en oproept tot eenheid en eensgezindheid, daar brengt de duivel met duivelse dilemma’s ons hoofd in de war.

 

Waar je in de Bijbel hoort over de duivel, daar gaat het over kiezen. Over verantwoordelijkheid nemen voor wat je gelooft. Over beslissingen nemen vanuit je geloof. Je herkent misschien de tweestrijd, het in de war zijn over wat je moet doen. Kies je wat juist is of kies je voor jezelf. Kies je voor wat jij op dat moment wilt, of voor wat de ander op de lange termijn nodig heeft.

 

Denk aan het moment dat Jezus op de proef werd gesteld door de duivel. Hij mocht kiezen. Brood voor zijn eigen honger, want hij had al 40 dagen zonder eten in de woestijn rondgezworven. Verleidelijk. Maar Jezus koos voor het Woord van God dat mensen voedt en altijd op het spoor van de medemens zet. (lees bijvoorbeeld Matteus 4)

 

Houd stand, zegt Paulus. Zet de eenheid van de gemeente niet op het spel. En zet ook je eigen integriteit niet op het spel. Blijf bij wat je gelooft. Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad. Wapen je voor het moment dat het kwaad, in welke vorm dan ook, jouw leven binnenkomt. En dat kwaad kan een van alles zijn. Dat kan een verleidelijke kans zijn die jou voordeel brengt maar anderen niet; dat kan strijd zijn tegen ziekte of noodlot; dat kan jouw innerlijke strijd zijn tegen vragen en onzekerheid. Jij, u, weet zelf waar tegen je vecht, waar je mee te kampen hebt. Jij weet wat jouw weerstand aantast.

de wapenrusting

De wapens voor dat gevecht zijn Gods wapens. Ze vinden hun oorsprong in hem, niet in de mens. Niet in jou. Dan moet het wel zo zijn dat ze gesmeed zijn met zijn liefde, met trouw. Ik loop ze met jullie langs.

 

De gordel om je heupen is de waarheid. Je oprechtheid is wat de boel bij elkaar houdt. Ik denk opnieuw aan Jezus. Hij bracht in de praktijk wat hij preekte. Het waren geen vrome praatjes. Hij deed wat Hij zei en Hij zei wat Hij deed. Zo heeft Hij onder de mensen geleefd. (lees Johannes 1:14)

 

Je harnas is de gerechtigheid. Dat is de gerechtigheid die hoort bij Gods koninkrijk. Jezus zei: dáárover zou je je druk moeten maken. Niet over wat je zult eten of drinken; niet over wat je moet aantrekken. (Matteus 5:10)

De valkuil waarin we allemaal stappen is dat ons harnas zo vaak wordt gevormd door onze bezorgdheid over ons zelf, over ons huis, onze portemonnee, ons lijf. Dat kan ons zo in beslag nemen dat we dat koninkrijk soms laten wachten. Een andere valkuil is dat we ons zo pantseren dat geen mens onze echte ik te zien krijgt. Zo bang om onszelf te laten zien, bang om gekwetst te worden.

 

De sandalen aan onze voeten vragen naar onze bereidheid, onze tijd en aandacht, voor het evangelie van de vrede.

Willen we inderdaad onze voeten zetten op de wegen van vrede; op de weg die leidt naar een mens in nood; op de weg van de hoop. Laten wij onze voeten sturen door ons geloof? Ik moet eerlijk zeggen dat elk van de wapens die Paulus mij aanreikt een gewetensvraag inhoudt. 

 

In onze handen dragen wij een schild. Het is het schild waarover David zo graag zong. Het is ‘mijn Schild ende Betrouwe zijt Gij, o God, mijn Heer’. En ‘Ik bouw op U, mijn Schild en mijn verlosser’. Het is ons vertrouwen dat God ons beschermt tegen wat er op ons afgevuurd wordt. Met dat schild van geloof blijven we overeind. We klampen ons eraan vast. Ook hier zou je jezelf moeten afvragen of je jezelf er niet achter verschuilt; je verstopt achter vrome praatjes terwijl je verzuimt om je vijand, wie of wat dat ook mag zijn, onder ogen te zien.

 

Op ons hoofd is de helm van de verlossing. Wat er ook in ons hoofd omgaat, bezwaren, argumenten, angsten, daar bóven is het vertrouwen dat God ons redt van kwaad en dood. Wij kunnen van alles bedenken om níet te doen wat God ons vraagt, maar uiteindelijk is het niet wat wij bedenken maar wat Hij ons toedenkt; namelijk dat Hij bij ons zal zijn, waar onze wegen ook gaan.

 

Gordel, harnas, sandalen, schild en helm hangen om ons lijf als kleding.

Het enige echte wapen dat Paulus noemt is het zwaard. Daarmee kunnen we van ons afslaan. Met Gods Geest, Gods woorden. Dat is dus geen verbaal geweld. Maar dat zijn woorden van liefde en vergeving. En er zal vast ook wel eens gevraagd worden om iets níet te zeggen. Om geduldig te zwijgen of te verdragen.

 

Met liefde, met trouw, met waarheid, met hoop, gaan wij te lijf wat ons naar het leven staat. Het enige antwoord op kwaad is goed. Het antwoord op haat is liefde. De wapenrusting van God is niet uit op agressie of geweld. Maar is juist ontwapenend. Het brengt mensen bij elkaar. Terwijl de duivel mensen uit elkaar slaat.

We worden er dus geen krachtpatsers of geweldenaars door. Die wapenrusting van God legt eerder onze weerloosheid bloot. De wapens van God zijn dan ook zachte krachten; de druppels op gloeiende platen, het water naar de zee. Maar ook het brood dat van de honger redt, de hand die omhoog trekt, het woord dat iemand redt.

 

gebed

Wij zijn toegerust met zachte krachten. Ga er maar aan staan, in deze harde wereld. Maar denk eens aan David en Goliat. Toen David op Goliat af ging, ging hij niet in de wapenrusting die Saul hem had aangeboden. Dat paste hem niet, het was veel te groot. En al die anderen, die wél zo’n wapenrusting droegen, waren bevroren van angst. Wat wél bij David paste, was dat hij vertrouwde op God en op zijn eigen kwaliteiten als herder, als mens.

Paulus dringt daar ook op aan bij de gemeenteleden: vergeet je vertrouwen niet, vergeet niet te bidden. Vóórdat jij het gevecht aangaat, of als jij midden in je eigen gevecht zit, vergeet niet te bidden. Vergeet niet om je open te stellen voor wat de Geest je brengt: kracht, moed inzicht, wijsheid, bemoediging of terechtwijzing. Bid, zodat jij de juiste dingen zegt. Bid, zodat jij het goede doet. Bid, zodat je aangesloten blijft op Gods liefde. Bid dat je de moed niet verliest of bitter wordt over wat je met zachte krachten voor elkaar krijgt. Bid voor jezelf en bid voor elkaar.

En bid ook voor mij, zegt Paulus. Dat mij de juiste woorden worden gegeven. Dat ik vrijmoedig ben, het evangelie niet verhul. Ik weet dat ik het jullie niet hoef te vragen om voor mij te bidden. Of voor elkaar. Het is in het gebed dat wij elkaar dragen; daarin zit onze eenheid. In dat gebed zit ook onze kracht. Het verbindt ons met God in zijn liefde, ‘alles overwinnend wapen’. (Sytze de Vries, Nieuw Liedboek 791) Als ik jullie vandaag een kaartje zou sturen, om je moed te geven in wat je ook bezighoudt, zou dat nog altijd met dezelfde tekst zijn: Wees vastberaden en standvastig. Waar je ook gaat, de Heer, je God, staat je bij.

Sta op!

Written by

overweging op zondag 2 mei 2021        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

5e zondag van Pasen ‘Cantate’ ‘Zingt’

 

Tienertalk: I’ll rise up, Andra Day

 

inleiding op de lezing: Het leven is wat je gebeurt terwijl je andere plannen maakt. Het is niet maakbaar; loopt maar gedeeltelijk en soms helemaal niet volgens plan. Als het leven je teleurstelt, of het wordt moeilijk, wat doet je geloof dan met je? Heeft het een plaats in je moeilijkheden of helemaal niet? Heb je er wat aan of veroorzaakt het juist meer vragen en problemen? En hoe zit dat met Paas-geloof? Geloof in nieuw leven, in opstanding? Welk licht werpt dat over jouw bestaan? Daarover gaat het in de volgende lezing.

We reizen mee met Petrus. Hij is de leider van de eerste christengemeente in Jeruzalem. Ná de moord op Stefanus zijn veel gelovigen de stad ontvlucht en zo ontstonden er ook elders gemeenten. Petrus reist naar Lydda, ten noordwesten van Jeruzalem. Hij verricht daar een wonder. En als dat bekend wordt, vragen ook gemeenteleden in Joppe of Petrus zo snel mogelijk wil komen omdat een geliefd gemeentelid is overleden.

 

uit de Bijbel: Handelingen 9: 32-42

 

Eneas

Het was tijdens een training voor predikanten in opleiding, een week intern op Hydepark. We begonnen die morgen met een rondje. Hoe zat je erbij? Wat hield je bezig? Iedereen had wel wat te vertellen. Slecht geslapen of juist heerlijk opgefrist tijdens een morgenwandeling; zorgen om het thuisfront of benieuwd wat de dag zou brengen. Een deelnemer van de kring wees op haar rolstoel en zei: ik kan niet lopen. We zwegen en wisten niet wat we moesten zeggen. Al sinds haar geboorte was dat zo. Waarom bracht ze dat in als antwoord op de vraag: hoe zit je erbij?

Ik dacht aan dit voorval toen ik las over Eneas. Hij ligt al acht jaar op bed want hij is verlamd. Hij heeft een bijzondere naam. Eneas is een held, in de Griekse en Romeinse mythologie. (voor wie het interesseert: De Aeneis vertelt van de omzwervingen van de Trojaanse held Aeneas na de ondergang van Troje en de lange strijd die leidde tot de stichting van het machtige Romeinse Rijk)

 

Een kerel met moed en spierballen die de geschiedenis heeft veranderd. Als je je kind zó noemt, sluimert daar toch iets van verwachting in. Dat dit kind ook moedig zal zijn en sterk. Maar moet je hem nu zien. Mijn oma zou het vroeger een stakker hebben genoemd. Misschien heeft hij ook wel teleurgesteld op zijn benen gewezen als hem werd gevraagd hoe het met hem ging: ik zou wel willen, maar ja, die benen van mij…. Hij heeft de verwachtingen niet waargemaakt. Zijn leven is anders gelopen dan gehoopt.

 

Je kunt op allerlei manieren verlamd zijn: verlamd van schrik, verlamd van angst, verlamd van boosheid omdat jouw leven, net als dat van Eneas, anders loopt dat verwacht. Terneergeslagen, omdat je blijft hangen in je teleurstelling over wat je niet meer kunt nu je ouder wordt of door corona; verlamd door je onzekerheid over jezelf. Verlamd omdat je vastzit in je rouwproces over wat of wie je bent kwijtgeraakt. ‘Bibberende knieën’, zo zou je het ook mogen lezen. (Lees bijvoorbeeld: Jesaja 35:3 of Hebreeën 12:12)  Angst om te leven. En in die situatie hoort Eneas: Sta op! Jezus Christus geneest u. Petrus zet de doodgelopen situatie van Eneas in het perspectief van het geloof van de gemeente waartoe ook Eneas behoort: het geloof in de Opgestane Heer. Sta op. Wees niet bang om te leven. En Eneas staat op.

 

Tabita

Bij het verhaal van Eneas kunnen we ons er misschien nog iets bij voorstellen: opstaan uit een toestand van verlamming. Hij kan er zelf iets aan doen. Maar Tabita, dat is toch een heel ander  verhaal. Het overkomt haar allemaal maar. Dorkas is haar Griekse naam. Ik herken die naam van een bordje bij de garagedeur van vrienden in Harderwijk. Als een teken dat daar kleding kan worden afgegeven voor de hulporganisatie Dorcas, die opkomt voor de allerarmsten in Nederland en daarbuiten. Genoemd naar de Bijbelse Dorkas, een geloofsleeerlinge die consequenties trekt uit haar geloof: ze doet goede dingen voor anderen;

ze is vrijgevig en ze kan ook nog eens prachtig naaien. Ze bekommert zich ook om de weduwen in de gemeente van Joppe, die intens verdrietig zijn als zij sterft.

Er zit iets oneerlijks in, iets onrechtvaardigs. Waarom moet een mens, die zoveel goeds doet, dit harde lot treffen? Zij kan niet worden gemist. Wat heeft ze gedaan dat dit haar moet overkomen? Heb jij jezelf die vraag nooit eens gesteld? Nooit eens vertwijfeld gedacht dat het zonde was dat juist déze mens moest sterven?

 

Welke betekenis heeft ons geloof als wij worden geconfronteerd met de dood?

Ik was nog maar net predikant toen een jong meisje overleed. Het hield het hele dorp bezig. Er was verdriet, verwarring. Dit kon toch niet. Toen ik haar moeder bezocht vroeg die mij het verhaal te lezen van het meisje van wie de naam rijmt op die van Tabita. Talita koem. Meisje, sta op. (Marcus 5:41) Vader Jairus kreeg zijn dochter terug uit de dood. Haar vraag bleef in de lucht hangen: waarom zij niet? Ik weet niet meer wat ik heb geantwoord. Alleen dat het gestamel was. Ik weet nu dat het op dat moment ook veel belangrijker was om bij de tranen van deze moeder te blijven. Want het antwoord op haar vraag kan ik dan ook alleen vanaf de kansel geven, omdat het verkondiging is. Geen schrale troost. Die verkondiging is dat wij ons leven mogen zien in het perspectief van Pasen. De doden die Jezus doet opstaan onderstrepen dat. Dat zijn voorbeelden die onderstrepen dat ons geloof in het onmogelijke terecht is. (de dochter van Jairus, de zoon van de weduwe in Nain in Lucas 7:12, Lazarus in Johannes 11)

 

In dit geval neemt het verhaal ons bijna bij de hand. Opstanding heeft te maken met ons leven. En met onze dood.  We lezen dat het lichaam van Tabita met liefde en zorg wordt omgeven en in het bovenvertrek wordt opgebaard. Zo’n bovenvertrek waar Jezus het laatste avondmaal vierde met zijn leerlingen. (Marcus 14:15; Lucas 22: 12)

Of het bovenvertrek waar de leerlingen ná Jezus dood bij elkaar kwamen om te bidden en samen te zijn en waar het plotseling Pinksteren is omdat Gods Geest als wind door het huis waait. (Handelingen 1: 13 en 2: 2) Het is alsof de verteller ons duidelijk wil maken dat de dood van Tabita niet los gezien kan worden van Pasen en Pinksteren. Hoe doodgelopen het leven ook is, het is niet zonder hoop, niet zonder God. Ook hier zal Gods Geest waaien en tot leven wekken.

 

Petrus besteed geen aandacht aan de tranen van de weduwen. Hij is daar niet als pastor maar om het evangelie te verkondigen. Ook tegen Tabita zegt Petrus: Sta op!  En zij staat op. Ze leeft. Als een teken dat wij  allemaal ons leven mogen zien in het perspectief van opstanding. Als onze adem, onze geest, terugkeert naar God, zullen wij een nieuw leven bij hem hebben. Dat mag onze angst om te sterven, en onze angst om te leven, wegnemen.

 

de heiligen

Naast Petrus, Eneas en Tabita zijn er nog meer spelers op dit toneel. Dat zijn de de christengemeenten van Lydda en Joppe. Je zou van de gemeenten kunnen zeggen dat ze nog in de kinderschoenen staan. Het is nog maar zo kort ná de opstanding van Jezus. Hun geloof moet nog wortelen; het is nog pril en kwetsbaar. In Lydda is het de gemeenteleden niet gelukt om Eneas uit zijn verlamming te wekken. Maar in  Joppe krijgen de gemeenteleden hoop als zij horen wat Petrus heeft gedaan en zij verzoeken hem dringend te komen. Wat hun vraag is aan Petrus is weten we niet. Maar het zou zo maar kunnen zijn dat zij van hem verwachten dat hij de doodgelopen situatie kan doorbreken. Dat hij bij hen de  geloofwaardigheid van het Paasevangelie zal aantonen. Petrus moet hen daarbij helpen. Het maakt mij er opnieuw van bewust wat de taak is van ons, gemeente van Christus.

 

Bij óns kunnen mensen terecht met hun vermoedens dat de dood niet het laatste woord heeft. Wij zijn het die levenwekkende woorden mogen spreken; die mogen verkondigen dat wij zullen leven, omdat Jezus leeft. Om dat te kunnen verkondigen moeten we het ook zelf durven aannemen. We mogen geloof-waardig zijn. Dan zullen we, net als Petrus, aanstekelijk zijn in ons geloof. Dan zullen we mensen de hand kunnen reiken en hen helpen opstaan. In Lydda en in Joppe bekeren mensen zich, komen tot geloof in de Heer. Als wij durven getuigen van vernieuwing en bevrijding in een wereld vol verlamming en dood, zal God daarin mensen raken. In een onzeker en kwetsbaar bestaan zegt de Geest ons: Sta op. En wij staan op. 

 

lied: Dit is het wonder, NL 682

overweging op zondag 18 april 2021            PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

derde zondag van Pasen: Misericordia Domini

 

Tienertalk: Random Acts of Kindness

https://www.youtube.com/watch?v=d0QXif2Ojeo

 

uit de Bijbel: Psalm 33 en uit het Nieuw Liedboek: De aarde is vervuld, NL 650

 

De aarde is vervuld van goedertierenheid

Willem Barnard schreef deze versregel bij de naam van deze zondag, die weer uit Psalm 33 komt: ‘de aarde is vol van de goedertierenheid des Heeren.’ In de Nieuwe Bijbelvertaling lezen we: ‘van de trouw van de HEER is de aarde vervuld.’ Maar het mooist vind ik zelf ‘Overal op aarde zie je zijn goedheid.’ (BGT)

Niet iedereen zal het even makkelijk kunnen nazeggen. Je kunt er zelfs schamper over doen: de aarde vol van goedheid, kijk eens om je heen! De aarde is van heel andere dingen vervuld. Mensen zijn vooral vol van zichzelf; de aarde is vol van ellende. Eigenlijk té vol, waardoor je je af kunt vragen hoe lang het nog goed blijft gaan. En als de aarde vol van Gods goedheid is, waarom kan een mens dan zo keihard uit zijn geluk vallen?

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om God te blijven zien in de schepping -hoe wreed kan die niet zijn? Als een storm losbarst en voor overstromingen zorgt of als er hardvochtige hitte en droogte heerst waardoor alles kapot gaat. Als Parkinson je leven binnensluipt of kanker; je krijgt een kindje dat meteen geopereerd moet worden of je vader of moeder verlangt naar de dood maar blijft in leven, en dat gaat gepaard met pijn en verlies van waardigheid. Hoe goed is dan die schepping en waar herken ik dan Gods goedertierenheid? Voor niet weinig mensen is dit een reden om God de rug toe te keren. Of eigenlijk moet ik zeggen: zij hebben het gevoel dat God hén de rug heeft toegekeerd.   

 

Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen

Psalm 33 is een lied over de schepping, over de Schepper. Hij heeft de hemel gemaakt met een enkel woord; omdat Hij ze riep zijn er sterren. De aarde heeft Hij tevoorschijn geroepen door de zee haar plaats te wijzen. Die aarde heeft God bestemd als de woonplaats voor de mensen. Met díe ogen kijken we óók naar de wereld om ons heen. We zien de bloeiende magnolia’s en we horen de merels. We zaaien een moestuinmaatje van de supermarkt en verwonderen ons over dat dappere sprietje groen dat tevoorschijn piept. 

Kom op, roept de Psalmdichter, juich, zing, speel op je lier of je harp. Want de echo van het woord waarmee Hij alles heeft geschapen hangt nog in de lucht. Het galmt na en is om ons heen als recht, als liefde en trouw. Als goedheid. En die goedheid is te groot voor het geluk alleen. Zij gaat in alle nood door heel het leven heen.

Ik ben me daar intens van bewust als ik voorga in een uitvaartdienst. Heel vaak vraagt de familie dan om lofliederen. Liederen over Gods goedheid. En zijn nabijheid. Omdat in alle verdriet we beseffen dat wat ons overkomt niet Gods wil is, maar dat het ook niet buiten Hem omgaat. Hij ziet het. Hij is erbij.

 

‘Vanaf zijn troon houdt Hij het oog op allen die de aarde bewonen’ lazen we in Psalm 33. God op zijn troon. Daar kun je van alles bij bedenken. Ongenaakbaar. Onbenaderbaar.

Ik houd het bij een gedicht van J.B. Charles dat heet ‘Een kleine psalm’.

Hij alleen zou met een grote sigaar

in de mond op straat mogen lopen,

met de duimen in zijn vest,

want Hij is God.

Maar Hij doet het niet

want Hij is God.

 

Allerhóógste noemen we God. Bedenk eens wat de consequenties zijn als Hij de Allerhoogste is. Er is niets boven God. Hij hoeft dus niet omhoog te kijken. Er is niets naast Hem, want er is niets aan Hem gelijk. Hij hoeft dus ook niet om zich heen te kijken. Dan blijft over dat hij vanuit de hemel naar beneden kijkt en de mensen gade slaat. Vanuit de hoge ziet God des te beter wie de door de diepte gaan, wie toeven in het graf, wie godverlaten zijn. Tot waar je niet dieper en donkerder kunt, is Gods goedheid bij mensen. Het zijn juist deze woorden over Gods goedheid en het menselijk geluk die vaak gekozen worden voor boven een overlijdensaankondiging. Hoe moeilijk de woorden misschien te doorgronden zijn, ze spreken de taal van ons hart.

 

de Naam

Wat is dan toch die goedheid van God? In het Hebreeuws staat het woord ‘chesed’. Een woord dat zich slecht met maar één woord laat vertalen. Het is goedheid, vriendschap, genade, weldadigheid, trouw, liefde…

We komen het veel tegen in de Psalmen, waar mensen in nood bidden om die goedheid. Of ervoor danken; voor zijn trouw aan de mens, wat er ook gebeurt. Maar het is niet de mens die dit predicaat aan God geeft. Hij geeft het aan zichzelf. Als Hij een verbond sluit met Mozes belooft God: Ik bewijs mijn liefde tot in het duizendste geslacht (Lees maar: Ex 20: 6, Deut 5: 10)

 

En als Mozes God wil zíen van aangezicht tot aangezicht, als Mozes wil weten: met wie hebben wij nu eigenlijk te maken, dan roept God zijn Naam uit. ‘De Heer ging voor hem langs en riep uit: ‘De Heer! De Heer! Een God die liefdevol is.’ (Exodus 34:6) 

Goedheid is een deel van Gods identiteit. Daarmee wil Hij gekend en aangeroepen zijn. Wil Hij trouw blijven aan zichzelf, dan moet Hij ook trouw zijn aan de mens. Kenmerkend voor deze chesed, deze eigenschap van God, is dat het initiatief altijd van Hem uitgaat. We hoeven er niets voor te doen of te laten. Het valt ons onverwacht, soms onvermoed, toe. Net als de schepping, die in Psalm 33 wordt bezongen, is Gods goedheid een creatieve daad.  In die zin dat het begint vanuit het niets. Het is geen reactie ergens op maar het komt vanuit God. En het roept iets op. Het doet iets ontstaan. Wat er ontstaat? Gods verbondenheid met de mens. Met mij. Goedheid is dus een van de manieren waarop God zich openbaart; en er een relatie ontstaat. Het is een verbondswoord. We mogen God eraan houden.

Juist als het geluk ons uit handen wordt geslagen. Het is immers in de woestijn dat Hij zich hierop vastlegde. Het is in barre en dorre tijden dat Hij belooft dat Hij goed voor ons zal zijn. En het is dan ook in barre, dorre tijden dat we ervan zullen zingen.

 

We krijgen de Naam niet in handen,

niet zomaar in de mond,

we leren ermee leven,

dat is een vreemd verbond,

 

lopen door een woestijn,

cactussen onder en boven

de stekelige zon,

lopen niet te geloven

 

maar gaandeweg ontdekken

de Naam die bij je is

en dan een lied aanheffen,

een blij of wanhopig gedicht.

(Jaap Zijlstra)

 

overweging op Paasmorgen 2021         PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 20:1 en 11-18

afbeelding: Lynn Aldrich, Grid Buster, 1989

 

de liefde en de dood

Twee dingen maken ons leven kwetsbaar: de liefde en de dood. Want wie liefheeft, kan verliezen. Als we meelopen met Maria naar het graf van Jezus nemen we dat mee. Het verdriet om mensen die we hebben gekend en liefgehad.

Terwijl we meelopen met Maria naar het graf moet het nóg moeilijker zijn om daar te lopen met de idee dat de dood het gelijk aan zijn kant niet. Dat de zachte krachten van de liefde en de vreugde van de vriendschap het onderspit wel móeten delven. Dan lopen we daar zonder hoop. Maria was erbij. Ze liep er niet voor weg. Ze zag hoe Jezus’ leven, liefde, lichaam werden gekruisigd. En daarmee werd ook het geloof in het goede van de mens, misschien zelfs wel het geloof in de goedheid van God, gekruisigd en begraven.

 

De liefde en de dood. Ze zijn niet los verkrijgbaar. Met veel liefde is Jezus’ lichaam omringd. Jozef van Arimatea nam het van het kruis af, wikkelde het in doeken en legde het in.. nee niet in een kribbe maar in een graf. Nicodemus balsemt zijn lichaam. Aan het eind van zijn leven is Jezus met net zoveel liefde omringd als aan het begin. Zowel Jozef als Nicodemus zijn vrome Joden. Door het lichaam van Jezus aan te raken worden zij onrein. En dat nota bene net voor Pesach. Maar hun trouw aan Jezus en hun verlangen om hem eer te bewijzen is groter dan hun trouw aan de Tora.

 

Het moet ook liefde zijn die Maria zo vroeg in de morgen naar het graf brengt. Johannes vertelt niet dat ze daarheen gaat om het lichaam te zalven. Ach, wat drijft een mens naar het graf van een geliefde? Rouw? Verlangen om nog even dichtbij te zijn? Ongeloof: zeg me dat het niet zo is, zeg me dat het niet waar is? (Frank Boeijen)

Als Maria het lege graf ziet, komt dat bovenop haar verdriet: ze hebben mijn Heer weggehaald. Alles is weg. De dichteres Vasalis verwoordt het zo: (in het gedicht Sotto Voce)

 

Zoveel soorten van verdriet

ik noem ze niet.

Maar één, het afstand doen en scheiden.

En niet het snijden doet zo'n pijn,

maar het afgesneden zijn.

 

Afgesneden zijn. Dát is het verdriet. Afgesneden van de liefde. Of, zoals nu al ruim een jaar, afgesneden van onze geliefden, het gewone leven.

 

de leegte

Maria wordt geconfronteerd met een leeg graf. We lopen nog steeds met haar mee en we herkennen die leegte. We kijken met haar mee die leegte in. Ze ziet twee engelen. Een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind. Ze doen denken aan de kist die Mozes moet timmeren in de woestijn, de ark van het verbond. (Exodus 25: 16vv) Op het deksel van die kist moeten twee engelen komen, een aan het voeteneind, een aan het hoofdeind; hun  vleugels gespreid als een beschermend dak. En God zegt tegen Mozes: in die ruimte tussen die twee engelen zal ik jou ontmoeten en met jou praten. God is erbij in de leegte.  

 

de ruimte

Maria is op dat moment vergeten dat Jezus met haar en zijn andere leerlingen heeft gesproken over die leegte als ruimte. Als een huis met vele kamers (Joh 14: 1vv), een plaats bij de Vader. De leegte is de ruimte waarin God zegt: ik ben er voor jou. Jezus heeft nog zo gezegd: Maak je niet ongerust en verlies de moed niet. Wees blij voor me want ik ga naar de Vader. Ik vertel het jullie nu, vóórdat het gebeurt, zodat jullie het geloven wanneer het zover is. (Joh 14: 27-29) Dat lege graf spreekt luid en duidelijk een eigen taal: liefde laat zich niet blussen, zelfs niet door de zee. Sterk als de dood is zij. (Hooglied 8:7)

Jezus’ liefde blijft branden in zijn leerlingen. De liefde van de Vader bevestigt dat door Jezus’ leven te verheffen boven de dood. Het wordt uitgetild boven alles wat tijdelijk is, boven de vergeefsheid. Er is wel sterven maar geen dood. Niets is voor niets geweest. Het telt mee voor de eeuwigheid. Het lege graf vertelt van hoop die niet sterven wil. Licht dat terugkomt. Vrede die bij ons blijft. (uit het paasoratorium Als de graankorrel sterft, Marijke de Bruijne)  

Dat is groots en soms te groot om te begrijpen. En soms zijn het zelfs te grote woorden. Ooit zat ik aan het ziekbed van een jonge vrouw en we hadden het over Pasen. Hoe moeilijk het is om daaraan je hoop te ontlenen als je gezin achterblijft zonder jou. Het vraagt soms moed om de hoop van Pasen tot je te laten doordringen. Het vraagt om moed om te leven met de dood voor ogen. Maar als mensen dát kunnen, zijn ze een voorbeeld waaraan we ons hoopvol optrekken. Niet voor niets laat Bibian Mentel zo’n diepe indruk achter. Niet door haar dood, maar door haar leven.

De hoop van Pasen is geen ontkenning van alles wat moeilijk is. Die maakt dat we kunnen aanvaarden dat angst en dood er zijn. En dat ze ook jou kunnen treffen. Het betekent dat je je vragen naar waarom, je boosheid over jouw lot, jouw verzet, tot rust laat komen. Je toevertrouwen aan de hoop van Pasen betekent dat je accepteert dat je het verhaal van mensen nooit helemaal sluitend krijgt. Er blijven vragen in zitten, onaffe eindjes en rauwe randjes.

Maar ergens, in een moment dat geen woorden heeft, in de stilte van ons bidden, groeit het geloof dat ons leven in alles verbonden is met God. Pasen is de voedingsbodem van die hoop. Het lege graf is de ruimte waar we hem ontmoeten. Hij is er voor ons.

 

Maria!   

Als Maria Jezus ziet staan denkt dat ze met de tuinman te maken heeft. Dat is fout geantwoord. Maar ook een beetje goed. Want in die tuin begint een nieuwe schepping. Het is de eerste scheppingsdag. De dag van het licht. Van Gods Geest die over de chaos en de dood zweeft en de mogelijkheid opent om te leven.

 

De tuinman opent haar daarvoor de ogen als hij haar naam noemt. Maria! En Maria draait zich om. Dat is niet anders dan omkeer, bekering, verandering. Nu zien haar ogen wat ze net nog niet zag, Jezus is opgestaan.

 

Wij worstelen er soms mee. Wat is dat toch, opstanding? Ik las ergens, vrij cru: opstanding is geen reanimatie. (Tom Wright, Eenvoudig christelijk, 103) De Opgestane is anders, al is Hij ook dezelfde. Hij leeft een nieuw soort leven dat we nog nooit eerder hebben gezien. Zoals een bloembol geen krokus is en een pit geen zonnebloem. En toch weer wel. Zoals hij er voor haar was, zo kan Jezus niet bij Maria blijven. Dat moet ze loslaten. Maar Jezus zal háár en zijn broeders en zusters niet loslaten. Hij gaat naar de Vader die ook hun Vader is. Onder zijn beschuttende liefde kunnen ze léven.

 

de liefde en de dood

Toen Jezus door God werd gewekt uit de dood, werden ook die dingen opnieuw wakker die hij belichaamde: oprechtheid, goedheid, gerechtigheid. De zachte krachten van de liefde en de vriendschap zullen nóóit het onderspit delven. Zij overleven de dood.

En als Hij is opgestaan

dan ook onze moed om te doen als Hij.

Als Hij is opgestaan

dan ook onze wil om Hem te volgen.

Als Hij is opgestaan

dan ook ons geloof

dat het donker niet het laatste woord spreekt.

Als er iets vernieuwd is deze dag

is het onze liefde

geboren uit hem

en bestemd voor deze wereld.

Als er iets is opgestaan

is het ons antwoord op de vraag

heb jij mij lief?

(naar Intercity Pasen, Raad van Kerken 2006)

overweging op Palmzondag 2021          PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Lucas 22: 39-53

 

geen stille week

Palmzondag is het begin van de Stille Week. Voor predikanten, organisten, zangers, doorgaans juist helemaal geen stille maar een drukke week. En Stille Week of niet, de wereld om ons heen blijft gewoon doorrazen. En ook wij rennen door; ons hoofd staat niet stil. Het lijkt wel alsof we altijd ‘aan’ moeten staan. Moeten reageren, iets moeten doen. Ik kan alleen maar hopen dat we de rust en de concentratie zullen vinden om ook met de beperkingen van deze tijd opnieuw te verstaan waarom dit een stille week is. Dat het ons gegeven zal zijn om wakker te zijn, alert op wat er te geloven en te verwachten valt.

Het is geen stille week omdat het lijdensevangelie ons juist vertelt van het koortsachtig overleg van de Farizeeën zoekend naar een gelegenheid om Jezus te pakken, van spottend gelach en geschreeuw: kruisig hem. De enige die stil is is Jezus. Waardig blijft hij overeind.

 

stilte voor de storm

De lezing neemt ons mee naar de Olijfberg. In de stilte van de nachtelijke tuin laat Jezus zijn leerlingen achter om te bidden. Hij weet wat hem wacht maar zal hij er tegen opgewassen zijn? Wie heeft niet ooit zo wakker gelegen, gepiekerd, gebeden, angstig voor wat er komt en wetend dat er geen ontkomen aan is. Wie heeft niet ooit getwijfeld of hij sterk genoeg zou zijn om te dragen wat er komt? Jezus is al eerder op de proef gesteld, voor de keuze gesteld. De duivel liet hem kiezen voor koningschap zonder dienstbaarheid, voor aanbidding zonder vernedering. De wereld lag aan Jezus’  voeten. Hij hoefde het maar te zeggen en hij zou regeren. (Lucas 4) Toen bleef Jezus overeind. Hij was bestand tegen de duivel en opgewassen tegen zijn taak. Vanaf dat moment begon zijn verkondiging.

Maar deze beproeving is zoveel groter. Jezus is geen halfgod. Geen krachtpatser. Hij is een mens die gehoor wil geven aan wat God van hem vraagt. En dat heeft hem tot hier gebracht.

Hij worstelt ermee dat hij daarvoor de lijdensbeker zal moeten drinken. Als God het wil, zou Hij dan de beker kunnen wegnemen? Het zijn toch de mensen die hem dit aandoen? Of is het de wil van God? Het is bijna niet te doorgronden hoe Gods heilsplan nog verbonden kan worden met het lijden dat hem te wachten staat. Het is bijna niet meer te rijmen met elkaar dat God een mens roept en hem vervolgens laat sterven. De vragen die Jezus bestormd moeten hebben, de verwarring waarin wij onszelf soms ook herkennen, maken Jezus klein in zijn gebed.

 

de stilte van de nacht

Het is onvoorstelbaar dat Jezus’ leerlingen kunnen slapen. Ze zien hun leider en meester instorten. Wie kan verdragen dat iemand die je bewondert en als voorbeeld beschouwt verschrompelt als het moeilijk wordt. Dan wil je toch juist redderen. Vasthouden, troosten. Onbeholpen als we zijn wanneer een ander het moeilijk heeft.

 

Wie ooit heeft gewaakt bij iemand die stervend is, weet dat je je moet laten overtuigen om even te rusten. Wie hevig ongerust is, zal niet makkelijk in slaap vallen. Maar de leerlingen vallen om. Ze willen nog steeds niet tot zich laten doordringen wat Jezus hen meerdere malen heeft gezegd, dat hij moet lijden en sterven. Dat zijn koningschap heel anders zal zijn dan zij dat voor ogen hebben. Geen triomfantelijke koning die een stad binnenrijdt om die in te nemen maar dienende koning, ontwapend in zijn liefde. Ze willen het allemaal niet weten en laten de angst en ongerustheid niet toe. Ze houden hun ogen gesloten voor wat Jezus beweegt en tasten in het duister over de betekenis die Jezus’ dood kan hebben.

 

Ze vallen in slaap terwijl heel Jeruzalem die nacht juist wakker blijft. Het is de nacht voor Pesach. De nacht dat wordt gevraagd: Waarom is deze nacht zo heel anders dan alle andere nachten? En dan wordt het verhaal verteld van de uittocht uit Egypte. Hoe Israël is bevrijd van het slavenbestaan, bevrijd van een leven dat uitzichtloos was als de dood zelf. Dat is geen eenmalige gebeurtenis maar iets dat in het herdenken steeds weer waar wordt. Want God was niet alleen een God die bewogen is om zijn mensen dat is Hij nog steeds. De bevrijding die herdacht en gevierd wordt, wordt steeds opnieuw waar. Ze hebben nota bene nog maar net met Jezus samen de sedermaaltijd, de maaltijd voor Pesach, gevierd. Maar verwachtingsvol met hem de nacht uitzitten, hoopvol uitziend naar bevrijding, dat zit er niet in. Ze laten het afweten.

 

de stilte van de ziel

Schrijnend genoeg lijkt het of ook God het laat afweten. Hij zwijgt in alle talen en Hij grijpt niet in. Dat gevoel van God en mensen verlaten te zijn is menselijkerwijs niet uit te houden. Godzijdank voor de engel die hem kracht komt geven.

Matteus en Marcus vertellen ook over Jezus’ worsteling. Maar zij vertellen niets over die engel. En binnen het Bijbelonderzoek zijn er grote twijfels of deze twee verzen wel authentiek zijn. In veel handschriften van het Lucasevangelie ontbreken ze namelijk ook. Alsof iemand ze later heeft toegevoegd omdat het toch al te gortig is dat een mens zo alleen staat in zijn lijden. Omdat de hemel niet goed zou moeten vinden dat een mens zo hopeloos alleen is. Niemand zou verlaten mogen zijn van God. Alsof de hemel een voorbeeld stuurt hoe het er op aarde uit zou moeten zien. Want niemand zou verlaten mogen zijn door mensen.

De engel komt alleen maar kracht geven. De lijdensbeker wordt niet van Jezus weggenomen. Rembrandt maakte een ets bij dit tafereel waarop de engel zien die Jezus gevouwen handen vasthoudt. Hij helpt Jezus om zijn gebed vol te houden. Om moedig te zijn en te blijven vertrouwen dat God een mens niet loslaat.

Dit lijden is de bittere uitkomst van een Schepper die ons heeft toegerust met een eigen wil en verantwoordelijkheidsbesef. Zijn macht over ons leven is dat Hij ons kan inspireren om boven onszelf uit te stijgen. Om een weg te gaan die vol moeite is, vol lijden. Maar zijn macht reikt niet zo ver dat Hij die moeite van ons vandaan kan houden. Hij is met handen en voeten gebonden aan het verbond dat Hij met ons heeft gesloten. Hij is daarin even trouw aan Jezus als Jezus dat was aan hem. Al is het een bittere trouw, we mogen vertrouwen dat God, ook als Hij zwijgt, bij ons is.

 

 

de goede week

We noemen het ook wel de Goede Week. Terwijl er niets goeds te ontdekken is aan een mens die zó mishandeld wordt en zo moet lijden. We zien hier juist de mensen op hun slechtst; kwaad op zijn donkerst. Maar te midden van al dat kwaad blijft het goede, de goede mens, overeind. Pasen bevestigt dat. Rembrandt vat dat heel bondig samen: we zien de dreigende stad, de soldaten die aankomen en de leerlingen die slapen terwijl Jezus in doodsangst is. En in dat duister dreigen laat hij de zon stralend opkomen.

 

Page 1 of 11