Blog

Midden onder u

overweging op zondag 18 februari 204

 

uit de Bijbel: Matteus 16:13-23

 

Midden onder u

De broeders in het klooster hadden het er moeilijk mee.

Ze waren nog maar met zijn vijven

en niemand wist nog de weg te vinden naar hun gemeenschap.

Het was de vraag hoe lang de orde het nog zou kunnen volhouden,

zonder aanwas van jonge broeders en zonder gasten.

Terwijl de zorgen zich opstapelden besloot de abt een vriend te raadplegen,

een rabbijn die vlakbij woonde.

Maar toen de abt vertelde waarvoor hij kwam kon zijn vriend dat slechts beamen.

Ik weet hoe het is, zei hij.

De mensen hebben geen oog meer voor het geestelijke leven.

Laten we samen bidden en de Tora bestuderen.

Toen de abt afscheid nam van de rabbijn zei hij:

het was een vruchtbare middag

 maar heb je niet één woord van advies om de orde te redden?

Nee, zei de rabbi, advies kan ik je niet geven.

Het enige dat ik je kan vertellen is dat de Messias een van jullie is.

Met deze boodschap keerde de abt terug. De broeders konden het niet geloven.

De Messias, een van hen? Wie dan?

Misschien de abt zelf, die zich al zoveel jaren had ingezet?

Of broeder Remigius, die zo prachtig kon zingen?

Broeder Johannes vast niet.

Iedereen ergerde zich aan hem omdat hij altijd het laatste woord wilde hebben.

En meestal had hij ook nog gelijk.

Zo bedachten de broeders wie het zou kunnen zijn

maar van zichzelf dachten ze het niet. Nee, ik niet, zo belangrijk ben ik niet.

Terwijl ze piekerden wie het toch kon zijn,

begonnen de broeders elkaar met meer respect te behandelen.

En met het oog op de kleine kans dat ze het zélf waren,

begonnen ze ook zichzelf met meer respect neer te zetten.

Nu lag het klooster op een mooie plek en er kwamen veel wandelaars langs.

Af en toe kwam een voorbijganger even in de kapel zitten.

Daarbij ervoeren ze de weldaad van het respect voor elkaar

waarmee de broeders omgeven waren.

Het hing als een warme deken over het klooster

en vormde een eigenaardige aantrekkingskracht.

Nauwelijks wetend waarom keerden de mensen terug naar de kapel,

namen ook anderen mee om die speciale plek te zien.

De broeders hadden er plezier in en zochten het gesprek met hun bezoekers.

Na een poos vroeg een van hen of hij zich bij hen mocht aansluiten.

En daarna een tweede, en een derde.

De kloosterorde bloeide op, omdat de Messias onder hen woonde.

 

Wie ben ik voor jou?

Wie ben ik voor jou, vraagt Jezus aan Petrus.

Zijn antwoord komt zonder aarzelen

en vol overtuiging: U bent de Messias, de Zoon van de levende God.

U bent alles! U bent het antwoord op mijn geloofsvragen;

U bent degene waar mijn verwachting altijd op was gericht.

Petrus’ antwoord is de geschiedenis ingegaan als een belijdenis.

Je zou het ook een liefdesverklaring kunnen noemen.

Want door zich zo luid en duidelijk uit te spreken over Jezus

zet Petrus zijn leven op het spel.

Iemand ‘Zoon van God’ noemen is afgoderij en dat kan je de kop kosten.

Sterker nog, Jezus werd erom gedood.

Wil Petrus echt zo roekeloos zijn lot aan dat van Jezus verbinden?

 

Misschien dat Petrus op dat moment de consequenties niet goed overziet.

Als hij zo enthousiast belijdt: U bent de Messias,

zit in zijn hoofd de verwachting die van generatie op generatie is doorgegeven.

De Messias is de door God gezalfde koning die de vijanden zal verjagen,

en in vrede over Israël zal regeren.

Laat Jezus toch díe koning zijn die de Romeinse bezetter verjaagt

en laat dat koninkrijk waarover Hij spreekt toch meteen tot stand komen.

 

Dat Jezus zo geen koning zal zijn, is nog niet tot Petrus doorgedrongen.

Liefst zou hij Jezus sparen voor het lijden. Jezus reageert daarop fel: Ga terug, Satan.

Alsof Jezus opnieuw door de duivel op de proef wordt gesteld.

Petrus moet niet tussen Jezus en zijn roeping in komen staan,

moet niet in de weg gaan lopen want alleen over de weg van het lijden

kan Jezus trouw blijven aan zijn roeping, trouw blijven aan zijn God.

 

Ter voorbereiding op deze tekst las ik ook in het boek van Willem Jan Otten:

Wie zeggen de mensen dat Ik ben.

Een boek met 33 essays over Jezus.

Zelf noemt hij het: 33 manieren om hetzelfde niet te begrijpen.

Daarom nam ik ook mijn toevlucht tot een verhaal om mee te beginnen.

Wat begrijpen we er tenslotte van.

Dat er een mens was die zich geroepen voelde om zo rigoureus lief te hebben

dat het hem de dood indreef.

Wie kan begrijpen dat een mens zo intens mens is

dat je het wel met een hoofdletter móet schrijven.

Méér mens dan wij. Dichter bij God dan wij.

Mensenkind, Mensenzoon. Gods Zoon…

Voor de goede orde: Jezus heeft zichzélf nooit Messias genoemd.

Het zijn de evangelisten die zijn verhaal zo vertellen. (Mat 1:16)

Het is Petrus die zo over hem spreekt. Getuigt.

Het is de belijdenis, die de eerste kerkgemeente zó voor zich uitdraagt

dat de gemeenteleden ‘christenen’ worden genoemd. (Handelingen 11:26)

Fier tooien zij zich met die naam. Wetend dat het hen in gevaar zal brengen.

Van Petrus, en van de christengemeente, mag je verwachten

dat zij zullen vertellen wie Jezus is.

Dat zij de vraag zullen blijven stellen:

wie is Hij voor jou?

Ook al kom je dan tot nog meer manieren om hetzelfde niet te begrijpen.

Ook wij, gemeente van Christus in De Open Hof, blijven de vraag stellen,

het antwoord geven, het verhaal vertellen. Dat is het hart van onze identiteit.

 

rots en sleutel

En die identiteit staat rotsvast. Wat er ook omvalt, die kern blijft bewaard.

De belijdenis dat Jezus de Messias is, is de rots waarop de gemeente is gebouwd.

Hij is de Rots van ons behoud. Of de grond waarin ons anker stevig hecht.

Hij is het grote geheim dat Bach in muziek probeerde te vatten,

Rembrandt in licht, dichters in gedichten en denkers in stilte.

 

Petrus’ belijdenis, die ook de belijdenis van de kerk is,

staat stevig als een rots in het stormen van de tijd.

Wat dáárin is veiliggesteld, is voor altijd en eeuwig.

Het is bestand tegen de chaosmachten van het dodenrijk.

Bij die belijdenis, dat Jezus Messias is, horen woorden als

opstanding, vergeving, vernieuwing van het leven, navolging in liefde.

 

Het zijn de woorden die de kerk mag spreken.

Het is de weg waarop de gemeente van Christus mag voorgaan.

En daarin liggen de sleutels van het koninkrijk van de hemel.

 

Binden en ontbinden zijn daarin de belangrijkste woorden.

De gemeente van Christus bindt mensen aan een hoopvol evangelie,

aan een vernieuwde levensstijl.

Zij heeft ook woorden om te ontbinden,

om mensen te bevrijden van wat hun bezwaart,

om hen los te maken van oud zeer, van schuld.

Zorg om elkaar, vergeving, bewogenheid met de wereld,

dát zijn de sleutels van het koninkrijk.  

 

Jezus zal deze woorden over binden en ontbinden nog een keer herhalen

als hij zijn leerlingen onderwijst over het koninkrijk. (Matteus 18:1vv)

 

Hij zet dan een kind in het midden als voorbeeld

en zegt dat het er in Gods koninkrijk niet om gaat wie het belangrijkste is,

maar om wie de ander dient en tegemoet komt.

En het zal ook niet gaan om wie het allemaal goed afgaat,

maar om hen die afdwalen, die teruggeroepen moeten worden van de verkeerde weg.

 

Dat is geen makkelijke weg.

We moeten er soms ook iets voor inleveren.

Op sommige plaatsen in onze wereld lijden mensen omwille van Jezus Christus.

Wij ervaren vooral moeite met het binden van onze eigen gemeenteleden,

met het verbinden van mensen aan een taak of een opdracht.

We hebben het er soms moeilijk mee.

Passen wij nog wel in deze tijd, met onze woorden van hoop,

met een beroep op de zachtheid.

Past de traagheid van de kerk bij het tempo van de samenleving.

Weten mensen nog wel de weg te vinden naar onze kerk?

En hoe moet dat toch met de aanwas van jonge mensen?

 

Laten we ter harte nemen wat de vriend van de abt zei.

Dat onder ons de Messias leeft.

 

De broeders in het klooster zijn er nooit achter gekomen wie onder hen de Messias was.

Maar zij vonden hem iedere keer dat zij elkaar met respect benaderden,

zij vonden hem in het kind dat zij opnamen,

in de vreemdeling die zij ontvingen,

in de hongerige die zij te eten gaven,

in de zieke die zij bezochten. (Lees verder in Matteus 25: 31vv)

 

Hun overtuiging dat de Messias onder hen was

was zó aanstekelijk

dat er iets van uit ging, iets aantrekkelijks,

iets voor altijd.