Blog

Hoe heerlijk is uw Naam

overweging op zondag 28 januari 2024    PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Psalm 8                       We vieren de Maaltijd van de Heer.

 

Gods handtekening

Ik wil jullie vertellen over iemand die ik heb gekend. Zijn naam was Henk. Hij kwam niet in de kerk. Niet meer. Te veel gebeurd in het verleden. Maar we praatten wel. Ook over geloof. Voor hem was het onbestaanbaar dat hij níet zou geloven. Hij zei: Als je toch een pasgeboren baby ziet, zo mooi en gaaf, met alles erop en eraan. Met tien vingertjes en tien teentjes. En kijk dan eens naar die nageltjes. Henk was niet zuinig met zijn verwondering over zoiets moois als de geboorte van een kind en die verwondering bracht hem linea recta bij de Schepper.

 

Ik vermoed zo maar dat wat Henk ervoer herkenbaar is. Dat we die verwondering kennen, het plotselinge, intense weten: God bestaat. Hij is de maker van het prachtige uitzicht na een lange klim; de schilder van de bloemenkleuren, de oorsprong van het sneeuwklokje, na die lange regenachtige winter. En dan hebben we het alleen nog maar over wat we kunnen zíen. Er is zoveel te ruiken, te horen. Ik leerde van mijn moeder het lied: Klein vogelijn, op groene tak…over het lied van de vogels en de muziekmeester daarachter. Er is ook zoveel dat wij níet zien; er trekken nog steeds dieren over de wegen der zeeën die wij niet kennen. Er is ook zoveel dat we niet begrijpen: de prachtige samenhang tussen alles wat leeft. De werking van ons brein, ons lichaam, onze plek onder de hemel met al die sterren, zo nietig. We weten nog niet de helft. En dat alles draagt ‘Gods handtekening’. (Psalmen voor Nu)

 

Ondertussen zien we natuurlijk ook heel duidelijk de handtekening van de mens: de ecologische footprint, de verstoring van die prachtige samenhang in de natuur, de schade, het misbruik, de schuld… Dat is wat dit prachtige loflied op de schepping óók oproept. Het roept vragen op bij de gebrokenheid van het bestaan, bij de onbeholpenheid van mensen; het roept ook de vraag op of we ons niet te véél god wanen. Die vragen poetsen we niet weg, ze blijven staan en krijgen een plaats in ons gebed om ontferming en in de verantwoordelijkheid die we voelen. Mórgen, maandag, weten we wat ons te doen staat omdat we vandaag, zondag, met David mee zingen: ‘Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam op heel de aarde.’ Vandaag kijken we om ons heen om te ontdekken hoe de glans van God over ons bestaan ligt. Misschien wel ondanks alles. Ik hoop dat jij dat ziet. En hoort. Dat de schoonheid van alles wat God heeft gemaakt en aan ons gegeven tot je doordringt, ook als je verdrietig bent, of bezorgd. Vandaag gaan we op de tenen van ons geloof staan om te ontdekken waarvoor wij God een loflied willen zingen.

 

de kinderen

David legt het loflied in de mond van kinderen en baby’s. Logisch, hoor ik Henk in mijn achterhoofd zeggen, kijk dan toch naar die nageltjes. Dan moet je God wel loven. Maar David bedoelt iets anders, denk ik. Het is een lastig stukje. Lastig omdat David in dezelfde adem de vijand noemt. Wat doet die daar ineens?

‘In de mond van kinderen doet Gij klinken uw machtig heil, zo maakt Ge uw vijand stil en doet uw haters  buigen voor uw wil.’ Dat is de berijmde Psalm. Kinderen leggen de vijand het zwijgen op. Op hun stemmetjes bouwt God een macht, een sterkte, om de vijanden tegen te houden. Hoe kan dat nou? Je zou er bijna uit afleiden dat Gods hoop voor deze wereld eerder op kinderen is gevestigd dan op volwassenen. Terwijl zij nota bene ‘bijna een god’ worden genoemd. Hoe kan dat nou? Het zijn toch de kinderen die, als het gaat over vijanden, de prijs betalen. Zij worden als eerste vermalen door oorlogsgeweld, beroofd van eerlijke kansen op een mooie toekomst. En toch zijn zíj het die de vijand ontmaskeren.

Hoe vreemd het ook klinkt, het is een omkering die we kennen;

een omkering waarin we God herkennen.

God beschermt de vreemdeling en steunt de weduwe en wees. (Psalm 146) Hij geeft brood aan wie hongerig is en richt wie gebogen gaat op. Hij kiest niet de oudste, of de eerste de beste, maar wijst de jongste aan, de minst vanzelfsprekende. Gods handtekening staat niet alleen op dat grote, onmetelijke, prachtige maar ook op het kwetsbare, zwakke en weerloze. Niet de mens, bijna een god, maar het zwakke en weerloze, zal de macht van het kwade breken.

 

de mens

Ik vertelde jullie over Henk. Hij kwam niet meer in de kerk. Niet meer. Te veel gebeurd in het verleden. Maar één keer per jaar kwam hij wel. Van Witte Donderdag tot Pasen woonde hij alle vieringen bij. Voor hem was het onbestaanbaar dat hij dát niet zou geloven: dat het altijd weer Pasen werd. Die verwondering bracht hem linea recta bij de Vader. Verwondering over die ene mens die de weg van de liefde ging.  

Van Hem vertellen de evangelisten hoe Hij aan het eind van zijn leven op een ezel de stad Jeruzalem binnenrijdt. Mensen begroeten hem zingend. De hogepriesters en de schriftgeleerden zien het met lede ogen aan en horen in de tempel kinderen zingen: Hosanna voor de Zoon van David. Verontwaardigd gaan ze naar Jezus toe. Hoor je die kinderen zingen?! Jazeker, zegt Jezus. Heb je dan nooit gelezen: Door de mond kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen.  (Matteus 21:16) Jezus snoert zijn tegenstanders met een beroep op de kinderen en de Schrift de mond.  

 

Voor wij straks brood en wijn delen bidden wij zingend over hem: ‘Hij heeft zich gegeven, verloren als graan… Hij was in de wereld, Hij stierf aan de nacht. Geen groter liefde: zijn laatste adem gaf ons het leven. Hij was als brood, gebroken, gedeeld, levend brood. Hij werd onze beker, overvloed van bruiloftswijn, zijn bloed voor ons’. (NL 403d) Zwakker en weerlozer dan Jezus kan niet. Godverlaten alleen sterft Hij aan het kruis en toch zien we achter die donkerte Gods licht stralen. Omdat God naar dit mensenkind omkeek en hem met eer en luisterde kroonde.  (Hebr 2: 6-8)

 

God vertrouwde Jezus alles toe, legde alles aan zijn voeten. En Jezus leefde ons voor hoe een mens dáár mee omgaat. Hoe je mens bent. Medemens. Herder en hoeder.

Een zachte kracht, tegen alle lawaai en geweld in.

Bijna een god, evenbeeld van onze God die ons het mooiste heeft toevertrouwd, alle dieren, alle kinderen, alle mensen, door hem geschapen, door hem ondertekend. Hoe zullen we hem groter lof toezingen dan door de weg te gaan die ons gewezen is?   

Henk kwam overigens weer terug in de kerk.

Uiteindelijk vond hij daar de woorden en muziek die uitdrukking gaven aan zijn verwondering en geloof.

‘Heer, onze Heer, hoe machtig is uw Naam op heel de aarde.’