Lyonne Verschoor

Lyonne Verschoor

Nov 06, 2017

Wat is wijsheid?

overweging op zondag 6 november 2017 PG De Open Hof

uit de Bijbel: 1 Koningen 3: 5-15

alles wat je hebben wilt….

Stel dat je alles mag wensen.

Dat alles binnen je bereik ligt.

Wat zou je dan vragen?

Zou je rijk willen zijn en onbeperkt geld uitgeven.

Zou je vragen om vrede in de wereld.

Of dat iedereen gelukkig is.

Zou je wensen dat je zult genezen.

Of dat je een baan zult krijgen.

Zou je iets wensen voor je kinderen?

De vraag is of de wereld er echt anders of beter op worden

als God onze wensen in vervulling zou laten gaan.

 

 

 

Vraag wat je wilt, ik zal het je geven.

Het klinkt als een sprookje.

Denk aan Piggelmee in zijn omgekeerde bloempot

die van het tovervisje alles mocht vragen.

En wat hij vroeg, kreeg hij ook.

Maar de ene vervulde wens riep de volgende op:

meubels voor het huisje, een meid om het schoon te houden,

geld om de meid te betalen; het huisje moest een kasteel worden en uiteindelijk wilde vrouwtje Piggelmee heersen over de zee, waar ook het tovervisje woonde….

 

‘Vraag wat je wilt’ blijkt een vraag te kunnen zijn die dingen kan blootleggen.

Het is uiteindelijk de vraag naar de diepste verlangens en drijfveren van een mens.

Naar wat je denkt nodig te hebben. Naar wat je meent tekort te komen.

Naar waar jij recht op denkt te hebben.

Naar wat jij verlangt van God.

Het is de vraag naar jouw prioriteiten van het moment.

En het is de bewustwording van de schaduwkanten van jouw verlangen.

Jouw wens kan die van een ander in de weg zitten.

 

Vraag wat je wilt, zegt de Eeuwige tegen Salomo.

Daarmee neemt God een groot risico.

Salomo is jong en onervaren.

En hij heeft de moeilijke taak zijn vader David op te volgen die zijn naam heeft gevestigd. Het zal een hele klus zijn om uit Davids schaduw te stappen en op zijn eigen wijze invulling te geven aan het koningschap.

Salomo zou zomaar kunnen vragen om een klinkende overwinning op de vijanden waardoor mensen meteen zullen weten wie híj is.

Hij zou kunnen vragen om macht en een gevulde schatkist want zijn koninkrijk is klein en instabiel. En Salomo heeft vijanden gemaakt.

Salomo stelt zich bescheiden op. Hij spreekt met eerbied over zijn vader en uit dat hij zijn koningschap slechts te danken heeft aan het feit dat hij een zoon van zijn vader is. Het is niet zijn eigen verdienste. Hij spreekt zijn dankbaarheid daarover uit, maar ook zijn onzekerheid. Hij is jong en onervaren; het volk is groot en niet te tellen.

 Door niet meteen antwoord te geven op de vraag wat hij wil hebben, laat Salomo zich kennen als een mens die rekent met God. Gods macht gaat boven de zijne uit. Hoezeer wij ons soms ook koning wanen van ons eigen koninkrijk, het is God die ons naar de kroon steekt en zijn macht over ons uitspreidt. 

 

een luisterend hart

God vraagt hem: wat wil je hébben. En verrassend genoeg antwoordt Salomo met: wie wil ik zíjn. Hij vraagt om een opmerkzame geest. In het Hebreeuws staat er: geef mij een horend hart. Het hart is in de oudheid de plek van het nemen van beslissingen, de plek waar het inzicht huist. Vanuit het hart richt de mens zijn leven in.  

Een horend hart is een hart dat zich openstelt. En dáárdoor het onderscheid weet te maken tussen goed en kwaad. Een horend hart heeft weet van rechtvaardigheid.

Wie luistert met zijn hart, hoort andere dingen dan wie zijn oren laat hangen naar geldzucht, macht of de wensen van het eigen ik. Wie luistert met zijn hart stuit op andere prioriteiten dan de eigen.

Luisteren met het hart is wat Israël vanaf het begin heeft gekenmerkt; de centrale belijdenis luidt: Luister, Israël. De Heer, onze God, is de enige. Heb daarom de Heer lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. (Deut 6:4)

Houd de geboden die ik u geef steeds in gedachten. Met een hart dat luistert, komt je uit bij God en zijn geboden en wie uitkomt bij God komt altijd uit bij de ander, nooit bij zichzelf.

 Een horend hart hoort bij een open mind, een ontvankelijke geest. Niet wij bepalen wat we nodig denken te hebben of wat we te kort lijken te komen; wij stellen ons open voor wat God denkt dat we nodig hebben, voor wat hij denkt dat wij te kort komen. En met een hart dat luisteren wil, zullen we ontdekken wat hij ons geeft. We zullen ontdekken hoe dat onze hulp op hem is die trouw blijft tot in eeuwigheid. Misschien is er dan ook wel meer te zien dan we denken. Of is er ergens anders iets te ontwaren van God dan wij hadden verwacht. We laten ons gelovig verrassen.

Misschien kent u dit gebed:

Ik vroeg om kracht

en God gaf mij moeilijkheden om mij sterk te maken

Ik vroeg om wijsheid

en God gaf me problemen om me te leren  die op te lossen

Ik vroeg om voorspoed

en God gaf me hersens en spieren om mee te werken

Ik vroeg om moed

en God gaf me gevaren om te overwinnen

Ik vroeg om liefde

en God gaf me mensen met moeilijkheden  om te helpen

Ik vroeg om gunsten, en God gaf me kansen

Ik kreeg niets waarom ik vroeg

Ik kreeg alles wat ik nodig had.

 Je hebt alleen wel een luisterend hart nodig, een opmerkzame geest, om inderdaad te ontdekken waar en op welke manier God zich in jouw leven mengt.

 

en al het andere bovendien

Het beviel de Heer dat Salomo juist hierom vroeg. Hij zegent hem met wijsheid en onderscheidingsvermogen. En alles waarom hij niet had gevraagd, kreeg hij er bovenop. Het doet alvast denken aan wat Jezus later zal zeggen: maak je geen zorgen over wat je zult eten of waarmee je je zult kleden maar zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. Stel je prioriteiten. En al die andere dingen zullen je erbij gegeven worden. (Mat 6:33) Wie zich druk maakt om de dingen waarom het echt gaat, zal ontdekken dat er voor hem, voor haar, wordt gezorgd. Met dagelijks brood. En zelfs meer dan dat.

Grote rijkdom ontvangt Salomo. En overwinningen op zijn vijanden.

Nu Salomo niet om de voor de hand liggende dingen heeft gevraagd, zegent God hem er alsnog mee.

Maar wat Salomo niet zondermeer krijgt is een lang leven.

Dat hangt samen met het gehoorzamen aan Gods geboden.

Je van God noch gebod iets aantrekken is geen lang leven beschoren.

Wie alleen leeft voor zichzelf, zal alleen sterven.

 

Maar wie leeft met de geboden van God in de hand, weet zich deel van een groter geheel, mens in mens-heid, geroepen tot medemenselijkheid. 

 

overweging op zondag 29 oktober 2017 in Protestantse wijkgemeente Dorpskerk te Barendrecht

 

uit de Bijbel: Jesaja 25: 6-9 en Matteus 22: 1-14

 

een uitnodiging voor een feest

Wat een snertverhaal! In mijn herinnering zit een ander verhaal. Ik herinner het mij zoals Lucas het vertelt: de een heeft een akker gekocht waar hij naartoe wil; een ander wil een nieuw span ossen gaan bekijken en weer een ander is net getrouwd. Zij laten zich verontschuldigen. Zij hebben andere prioriteiten. Schandalig natuurlijk, maar het blijft zonder gevolgen. (Lucas 14: 16-24)

Matteus zet het veel scherper neer: de genodigden willen niet komen. Er zijn er zelfs die de dienaren van de koning mishandelen en doden. Dan is er dat incident met degene die geen bruiloftskleed en ook nog dat akelige laatste vers: Velen zijn geroepen maar slechts weinigen zijn uitverkoren. Met dat vers in de hand is meer kwaad dan goed aangericht. Voor velen heeft het geklonken als een dreigement, een donker perspectief van verloren gaan en niet behouden blijven.

 

We zouden het toch liever leuk houden. Een mooi verhaal over God die de mensen uitnodigt voor een feest; iedereen mag komen. We zouden toch niets liever willen dan dat iedereen dan kwam. Zoals Jesaja vertelt. (Jesaja 25) We zouden iedereen willen binnenlaten en liever niets horen over duisternis, gejammer en tandengeknars.

Van God verwachten we toch ook dat hij alles goed zal maken: de macht van de dood wegnemen, de tranen van de gezichten vegen. Het is toch die droom die Jezus in herinnering roept als hij begint te vertellen over een feestmaaltijd; dat alles goed wordt.

Maar God is geen sussende ouder die alles in orde maakt en wegkust. En wij zijn geen onmondige kinderen. Volwassen in alle opzichten, ook in onze relatie tot de Eeuwige, weten we dat onze daden niet zonder gevolgen blijven. En dat onze morele keuzes er toe doen. Dat horen we in dit verhaal. Op het scherpst van de snede, dat wel.

 

Nico ter Linden vertelt hoe hij dit verhaal aan de kinderen op school voorlas en hen vroeg hoe het nou kon dat niemand wilde komen. Een jongetje steekt dan zijn vinger op en zegt: Ze zijn bang dat ze hem moeten terugvragen. Dat zou het kunnen zijn. De koning wil de liefde vieren maar de mensen houden hem op afstand. Ze hebben belangrijker dingen aan hun hoofd. Eigen zaken en zorgen hebben prioriteit boven het feest van de liefde. Let op: telkens als het in de Bijbel gaat over een bruiloft ontbreekt de bruid. Ook hier: de koning geeft een bruiloftsfeest voor zijn zóón, de bruidegom. Maar van een bruid is geen sprake. Want dat zijn wij! Het feest voor de zoon, dat is Gods nieuwe wereld, zijn koninkrijk op aarde. De ontbrekende bruid, dat is de gemeente.

Dat zijn wij. Jezus, de bruidegom, vraagt om de hand van de mensen, om hun liefde. Maar keer op keer vertellen de evangelisten ons hoe Jezus’ woorden en handelswijze weerstand oproepen bij de mensen, en vooral bij gevestigde geestelijke orde. Ze kunnen er niet mee overweg. (Matteus 11: 20vv)

 

woede

Niet alleen wijzen de genodigden de uitnodiging af, vertelt deze gelijkenis. De dienaren worden mishandeld en gedood. De koning wordt woedend; hij laat de moordenaars ombrengen en de stad in brand steken.

Zou God écht zo zijn. Dat kunnen we toch niet geloven?

 

Matteus gebruikt expres deze harde woorden. Als hij begint met schrijven weet hij dat de dienaren van God de koning, Johannes en Jezus, zijn mishandeld en gedood. Hij heeft de stad Jeruzalem zien branden. Nog altijd herinnert de Triomfboog in Rome eraan dat keizer Titus de stad belegerde en dat een miljoen mensen omkwam. Diep geschokt kan Matteus dit niet anders zien dan als een oordeel dat zijn volk over zichzelf heeft afgeroepen. Omdat zij Jezus niet konden volgen in zijn liefde. Omdat zij de uitnodiging van God niet konden aannemen. Als wij dit verhaal doorvertellen moeten we het zó doen dat de worsteling en de wroeging van Matteus en de joodse gelovigen van die tijd daarin doorklinkt. We moeten het zó vertellen dat het verdriet van díe tijd erin meeklinkt.

 

Maar in de loop van de eeuwen hebben niet-joden zich meester gemaakt van dit verhaal en ervan gemaakt dat het joodse volk zo schuldig is dat het vervangen is door een ander godsvolk, de christenen. Dat is gevaarlijke theologie en zo heeft Matteus het niet bedoeld. Op die weg willen wij ons niet begeven. De droom van Jesaja blijft staan: Gods lieveling en eersteling Israël zal met de volken optrekken naar de heilige berg voor een feestelijke maaltijd.

 

herkansing

Terug naar het verhaal. Opnieuw laat de koning een uitnodiging rondbrengen. Bij de mensen die zich ophouden op de toegangswegen naar de stad. Buiten de poorten bevinden ze zich. Ze participeren niet in de samen-leving. Vreemde kostgangers zijn het. Zowel goede als slechte mensen. En ze zijn allemaal even welkom: met alles wat hen is gelukt en alles waarin zij hebben gefaald, met hun gebreken, met alles wat ze hebben en alles wat ze missen, met hun goede bedoelingen en hun zonden. Niet omdat hij houdt van ons zoals we zijn maar omdat hij potentieel ziet. Hij ziet in ons wie we kunnen zijn; als we niet meer blind zijn, als we niet meer doof zijn, als we niet meer verlamd blijven zitten waar we zitten. Geloven betekent onherroepelijk veranderen, groeien. Je bent ergens op aanspreekbaar.

 

bruiloftskleed

De mensen op het feest, goede en slechte mensen, hebben één ding gemeen: zij dragen een bruiloftskleed. Een mantel. Dat kan niet anders zijn dan de mantel van bevrijding, het kleed van de gerechtigheid. (Jesaja 61: 10) Je gaat gehuld in het geloof dat je als mens nooit gevangene bent van je misse-daden maar voor Gods aangezicht steeds opnieuw kunt beginnen.

Gekleed in de mantel van de gerechtigheid, in de wil om naar Gods geboden te leven. Hoe gebrekkig soms ook. De mantel is aan de ene kant een geschenk: het geschenk van de vergeving, de genade. Maar: het is geen doekje voor het bloeden. Want het echte leven is geen spelletje. Bij verlies stoppen we alles terug in de doos, volgende keer beter. Het echte leven kan echt fout gaan. Het mysterie van Gods vergeving is niet dat het allemaal niet zo belangrijk is wat wij al dan niet doen omdat het toch wel goed komt. Gods vergeving is vallen én opstaan, falen én verder gaan. Want het doet er wel degelijk toe hoe wij invulling geven aan ons leven met elkaar, aan ons geloven.

De mantel is aan de andere kant dus ook een manier van leven. Wij trekken het ons aan dat God iets in ons ziet. Wij trekken het ons aan dat het er toe doet hoe wij leven. En wij hullen ons in onze goede bedoelingen. Wij kleden ons, zoals Paulus schrijft, in medeleven, in goedheid, in bescheidenheid, in geduld. Je mag ons aan ons jasje trekken als het gaat om het verdragen van elkaar, om het vergeven van een ander. Want leven wij niet zelf vanuit Gods vergeving.

Dat is die mantel. Wie hem past, trekke hem aan. Maar wee je gebeente als je die jas niet aantrekt. Jezus vertelt hoe de man zonder bruiloftskleed naar buiten wordt gegooid, geboeid aan handen en voeten.   

 

eruit!

Gemeente, dit beeld wordt niet geschetst om te vertellen dat het zo ís. Maar om de urgentie en de noodzaak aan te geven. Het is belangrijk om de uitnodiging voor het feest niet alleen aan te nemen maar om je ook in te zetten voor het slagen van dat feest.

De uiterste duisternis is niet de plek die God voor ons maakt, maar de toestand waarin we terecht komen als we ons niet meer hullen in waarden als liefde, verdraagzaamheid en goedheid. De man die naar buiten wordt gegooid geeft extra nadruk, extra gewicht aan de uitnodiging. God is er niet op uit om ons te laten mislukken. Het gaat hem juist aan het hart dat wij erbij zijn. Er mag geen mens verloren gaan.

 

 

Oct 23, 2017

Ik zal er zijn.

overweging op zondag 22 oktober 2017            De Open Hof

 

Hier ben ik, hier woon ik, hier

in uw naam, in vier heilige letters

heb ik een dak boven mijn hoofd

 

zoals een wandelaar aan de rivier

thuiskomt in het gakken van ganzen

hier ben ik, beloofd is beloofd

(Anton Ent)

 

uit de Bijbel: Exodus 3: 1-14 en Matteus 28: 16-20

 

Wat is de naam?

‘Er is teveel van mij gemaakt, dat ik helemaal niet ben.’ Dat laat Stef Bos God zeggen in ‘het lied van God’. (CD ‘In een ander licht’ 2009) Speelbal voor de een, richtlijn voor de ander. Antwoord op alle vragen, schuldig aan alle leed. Willekeurig en hard. Alibi voor geweld. Mozes stelt een vraag die we zijn blijven stellen sindsdien: Wat is de naam van die God? Wie is Hij?

 

Het is goed te beseffen dat alles wat wij over God menen te weten in de eerste plaats veel over onszelf zegt. Over onze ervaringen. Over onze beleving van de wereld. Over onze vragen. Elk woord, elk beeld, is ontleend aan ónze werkelijkheid. Terwijl we tegelijkertijd geloven dat God van een ándere orde is.

Wat we wel kunnen zeggen is dat God een geheim is dat zich in ons wezen heeft genesteld. Ergens in ons is het vertrouwen geplant en gegroeid dat er een God is. En soms wordt dat vertrouwen bevestigd. Soms breekt er iets van door. Zoals op de berg Horeb. Dan is er iets over hem te vertellen.

Wie vraagt naar wie God is, krijgt een verhaal. Een naam met een verhaal. Vier medeklinkers, die bijna niet te vertalen zijn tot een fatsoenlijk woord. Vier letters die in het Hebreeuws niet worden uitgesproken. Vier letters die het geheim van de naam van God waarborgen; een naam om in te wonen.

 

Die naam stelt ons op de proef. Want die naam veronderstelt een ruimte die we open moeten laten. Die naam past niet bij een kerk die mensen voorschrijft hoe ze moeten geloven, of hoe ze over God moeten denken. 

 

heilige grond

We zijn in Midjan. Een engel verschijnt aan Mozes, in een vuur dat opvlamt uit een doornstruik. Mozes ziet het gebeuren en wil er het zijne van weten. ‘Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken.’

Vandaag de dag zouden de media er boven op zitten. Er zou gespit worden naar achtergrondinformatie. De ene na de andere deskundige zou opdraven om uit te leggen wat woestijn is, wat een doornstruik is, en hoe dit wonderlijke gebeuren verklaard kan worden.

Tegen al die nieuwsgierigheid, tegen het al te opdringerig dichterbij komen zegt God: kom niet dichterbij, doe je sandalen uit want je staat op heilige grond. God zoekt de verbinding met Mozes, maar die verbinding laat zich in de eerste plaats kenmerken door afstand, eerbied.

Het begin van alle wijsheid is eerbied voor God, zegt de Psalmdichter. (Psalm 111) Die eerbied schuilt erin dat wij beseffen dat wij God niet in onze zak hebben.

Zodra we dat gaan denken, komen we op het hellende vlak dat we menen te kunnen spreken in zijn naam. Dat we macht kunnen uitoefenen in zijn naam. Dat gaat fout.

 

Die eerbied, als begin van de wijsheid, schuilt ook in het afleggen van de pretentie dat we het allemaal zelf wel kunnen. Dat we niemand nodig hebben. Dat wij heersers zijn over het leven. Wie eerbied heeft voor God, heeft weet van de grenzen van wat onder ons bereik ligt, en van zijn eigen gebrek aan kennis over de grote levensvragen.

Het is juist de afstand die maakt dat we openstaan om te ontvangen: levenswijsheid, moed, zijn aanwezigheid in ons bestaan. Het is de afstand die maakt dat we naar hem verlangen als een dorstig hert naar water. We hebben hem nodig.

 

gehoord en gezien

God zegt: Gezien heb ik de ellende van mijn volk. Gehoord heb ik hun jammerklachten. Ik ken hun lijden. Heeft God dan ogen? Heeft God oren? Spreken we dan niet al te menselijk over hem? Roepen we dan niet dat beeld op van de man met de baard? Dat risico moeten we dan maar nemen want hoe kunnen we anders over hem spreken?

Of moeten we juist zeggen: alleen God heeft ogen. Want mensen zien alleen maar wat ze willen zien en sluiten al te vaak hun ogen. En alleen God heeft oren. Want mensen stoppen hun oren dicht voor het huilen van anderen. Als we het hebben over het zien van God, gaat het over ontferming. Als het gaat over het horen van God, gaat het over ontferming. Als later God nog een keer zijn naam uitroept, zal hij het zo ook zeggen: Ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken, en ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn. (Exodus 33: 19) Het ware zien en het ware horen passen dan juist bij God. En het past ook bij het verlangen van mensen om gezien te worden, gehoord te worden, om gekend te zijn in wat je niet aan iedereen laat zien. We kunnen dat niet anders dan zó vertellen; van een God die hoort en ziet.

 

Het gaat God aan het hart. En op het moment dat hij zijn zorg aan Mozes meedeelt, wordt het ook Mozes’ zorg. Hij kan niet meer zeggen: ik heb het niet geweten of het zal me een zorg zijn. Dat is het nu wel. Kennelijk werkt het ook andersom: God heeft mensen nodig. Mozes moet naar de farao gaan om een begin te maken met het bevrijdende werk van God.

 

Als we hebben over de naam van God is dat wat voorop gaat: er komt beweging in iets dat vastgelopen lijkt. Die naam zet in beweging. Want als God zijn naam bekend heeft gemaakt aan Mozes komt er beweging in een geschiedenis vol ellende en jammerklachten. Misschien horen ook wij ooit zijn stem en vinden we de moed om op te staan, om ons te laten bevrijden uit een situatie waarin we verstrikt zijn geraakt, om iets te doen dat voor een ander bevrijdend is.

 

 

 

 

er zijn

Maar Mozes gelooft er nog niet zo in en heeft allerlei bezwaren. ‘Wie ben ik, dat ik moet gaan?’ Wie ben ik? Wat zou er allemaal achter die vraag schuil gaan? Twijfel aan zijn capaciteiten? Denkt Mozes te min over zichzelf of is hij bang om hoogmoedig gevonden te worden. Is hij bang voor de afkeuring van mensen, bang om te falen?

 

Mozes komt ons hierin heel dichtbij. In onze angst te jong te zijn, of juist te oud. In onze verlegenheid dat een ander het toch veel beter weet of kan. In de schaamte iets niet te kunnen. Maar de vraag ‘wie ben ik?’ is geen excuus om dan maar niets te doen. Om weg te kijken als je geroepen wordt.

 

Wie die vraag stelt, ‘wie ben ik?’ krijgt als antwoord: hier ben ik. Het gaat God er niet om of Mozes een charismatisch leider is en of hij berekend is op deze opdracht. Als God ogen zou hebben, zouden ze bemoedigend toeknikken. Toe maar, ik heb er vertrouwen in. In Gods Naam zit ruimte. Hij zal zijn die hij zijn zal. Maar ook ik zal zijn wie ik zijn zal. En God ziet dat dat goed is.

 

Maar Mozes is er niet gerust op. Stel dat ik ga. Als ik ga…. wat moet ik dan zeggen als ze vragen naar uw naam. En God antwoordt: Ik ben die er zijn zal. Zeg tegen de Israëlieten: Ik zal er zijn heeft me naar u toegestuurd. Ik zal er zijn.

 

Dat klinkt een beetje vaag. Alsof God een echt antwoord uit de weg gaat. Het klinkt als een geheim. Maar tegelijkertijd onthult het dat het Gods wezen is om met mensen mee te gaan. Hij kan niet anders dan aanwezig, toegewijd zijn. Hoe het leven van mensen ook zal verlopen, hij zal er zijn. Hij moet er zijn, dat is hij aan zijn naam verplicht. Zijn wezen is er wezen. (Het Verhaal gaat, Nico ter Linden) De Eeuwige is een persoonlijke God, een God die zich waar maakt in het leven van mensen.

 

Wie is God? Dat kom je alleen te weten door de verhalen. Vraag het aan Abraham. Hij zal je vertellen hoe hij de sprong waagde maar toch ging twijfelen een Gods belofte. En hoe God zijn woord hield en hem zijn zoon Izaäk gaf. Vraag het aan Jacob die worstelde met God en gezegend werd met een nieuwe naam.

Of ik vraag het aan jou: Wie is God voor jou? Hoe heb jij hem leren kennen? In de onmogelijke opdracht die je toch hebt opgepakt? In de moed die je plots had? In je vertrouwen dat terecht bleek te zijn? Wie is God voor jou? Wanneer we elkaar die vraag stellen, wanneer we het antwoord met elkaar durven delen, betreden we heilige grond. Op afstand en eerbied mogen we luisteren naar elkaar. Luisteren hoe die ander Gods nabijheid heeft ervaren. Schoenen uit. We gaan niet als een olifant door de porseleinkast van het geloof.

Heilige grond is het. Want die ander deelt een ervaring die kostbaar is. Over verbondenheid, over kracht om door te  gaan, over een hand die droeg, vasthield. Nee, God heeft geen handen. Maar als hij handen zou hebben, zouden ze vasthouden, dragen. En ze zouden de missers van onze handen onder kritiek stellen.

 

 

 

nog een keer: er zijn

 

Wie is God? God is bij ons. Immanuel. In Jezus heeft hij onder de mensen gewoond, vol goedheid en oprechtheid. Vol barmhartigheid. Ogen en oren, handen en voeten, kreeg de Eeuwige door hem. En wij, naar hem vernoemd, geloven dat God zichtbaarheid wordt in onze menselijkheid. Dat hij geen andere handen en voeten heeft, dan de onze. Dat zijn barmhartigheid vorm krijgt in ons. Ons daartoe te laten roepen. Steeds weer. En te vertrouwen dat we niet alleen zijn. ‘Verborgen aanwezig deelt hij ons bestaan.’ (lied: Ik zal er zijn, Sela) 

Dit gebed is uitgesproken als Kyrie op zondag 8 oktober 2017 in De Open Hof. 

In deze dienst stonden we stil bij de toekenning van het predicaat 'Groene Kerk'. 

 

gebed om ontferming over de aarde

 

Bron van alle leven,

U hebt alle dingen geschapen,

en een eigen plaats gegeven in een kostbaar evenwicht.

Ook ons hebt U daarin een plaats gegeven

en ons de taak gegeven om de aarde te bewerken

en te zorgen voor alles wat leeft.

Maar het is juist de mens

die het evenwicht zo vaak verstoord.

Daarom bidden wij: Heer, ontferm U.

 

De aarde is in nood

omdat onze consumptiedrang groter is

dan zij kan verdragen.

Wij leven op te grote voet.

ten koste van de aarde,

en ten koste van mensen

die het minder hebben dan wij.

Daarom bidden wij: Heer, ontferm U.

 

Om de dieren

bedreigd in hun leefomgeving

door de veranderingen in het klimaat.

Om de gevolgen die wij niet kunnen voorzien,

om onze kop in het zand omdat het ver weg is

en moeilijk te begrijpen.

Daarom bidden wij: Heer, ontferm U.

 

Om het afval dat wij produceren,

om de plastic soep in onze oceanen

om het verdwijnen van diersoorten

om alles wat wij nog niet doen

om de afvalberg te verkleinen.

Daarom bidden wij: Heer, ontferm U.

 

Om de gevolgen van de klimaatverandering

voor mensen

op kwetsbare plekken op aarde

om droogte en het mislukken van oogsten,

om een teveel aan regen, om overstromingen

om de gerechtigheid die in de knel komt

als wij mensen aan hun lot overlaten.

Daarom bidden wij: Heer, ontferm U.

 

Bron van alle leven,

uit uw hand hebben wij de aarde ontvangen.

Laat haar niet vallen.

En houd in ons de onrust levend

dat het anders moet en anders kan.

Daarom bidden wij: Heer, ontferm U.

 

 

Oct 09, 2017

Genesis 2: 4-15

overweging op zondag 8 oktober 2017 in de Open Hof

We staan stil bij de erkenning ‘Wij zijn een Groene Kerk’.

 

inleiding 

In de Bijbel staan twee scheppingsverhalen. Kennelijk waren er ooit twee en hebben de samenstellers van de Bijbel geen keuze gemaakt. Een wijze beslissing, lijkt me.

Genesis bezingt de schepping als een lied van verwondering: zes dagen schiep God licht in het donker, orde uit chaos, groen, vogels en vissen, dieren. En als alles klaar is, als kroon op schepping maakte hij de mens naar zijn evenbeeld. Je zou er van naast je schoenen gaan lopen. Bijna goddelijk heeft God de mens gemaakt.

Genesis 2 beschrijft de schepping vanuit de kwetsbaarheid: uit stof heeft God de mens geschapen en bij de gratie Gods krijgt hij levensadem. Laten we ons maar niets verbeelden: stof zijn we.

 

De valkuil bij Genesis 1, het lied van de dankbare verwondering, is dat de mens overmoedig wordt. Hij zegt dan niet: om mij is de wereld geschapen, maar: de wereld is van mij, die is er voor mij. Dat gaat fout.

De valkuil bij Genesis 2, het lied van de kwetsbare bescheidenheid, is dat we denken: ik ben maar stof wat doet het ertoe. We modderen maar wat aan. Zo denken werkt verlamming in de hand. Dat gaat fout. Zeker als we goed tot ons door laten dringen dat volgens Genesis 2 de schepping pas kan beginnen als de mens er is.   

 

uit de Bijbel: Genesis 2: 4-15 en 2 Petrus 3: 13-14

 

voorwaarde

Of God uit het niets begonnen is met zijn scheppingswerk is voer voor theologen. In de Bijbel lezen we over een woeste aarde; nog leeg en zonder groen. In Genesis 1 is er veel te veel water, een oervloed. In Genesis 2 is er te weinig water. Het is een onvruchtbare, troosteloze bende. Maar God ziet er wat in. Hij maakt er wat van. God legt de basis voor leven.

Aarde is er; een levenloze akker. In het Hebreeuws is dat ‘adama’. Het is God die de akker tot leven wekt met zijn adem: water dat uit de aarde opwelt; damp staat er in de oudere vertalingen. Warme adem, warme levenslucht. Diezelfde adem die van de mens, in het Hebreeuws ‘Adam’, genomen uit diezelfde aarde, een levend wezen maakt. De aarde zit in ons DNA. Wij zijn van hetzelfde stof gemaakt en met dezelfde adem bezield. Nu kan God verder. Dat betekent dat de mens voorwaarde is voor de schepping, voor het leven. De mens gaat aan het verdere scheppen vooraf.

 

vertrouwen

Dat spreekt van een enorm vertrouwen van God, de Heer, op de mens. Hij heeft de mens scheppers naast God gemaakt. Hij heeft ons nodig. Om de chaos door zijn ogen te zien. Om te b zien dat de aarde vol belofte ziet en te vertrouwen dat er wat van te maken valt.

 

verantwoordelijkheid

God legt ook verantwoordelijkheid op de schouders van de mens. We kunnen de aarde maken en breken; vruchtbaar zijn of vruchteloos blijven, leven mogelijk maken maar ook dood en verderf zaaien. Onze ambities hebben ons ver gebracht. Zijn ook goed geweest voor de ontwikkeling van het leven op aarde. Onze wetenschap, onze techniek, ze betekenen veel. We hebben inzicht gekregen in de geheimen van geboorte, van groei. We hebben kennis gekregen van het heelal en hoe alles met alles samenhangt.

En tegelijkertijd voelen we op sommige momenten ook duidelijk het hellend vlak. Dienen we de aarde of dienen we vooral onszelf. Maken wij ons dienstbaar aan wat er leeft en groeit, of proberen we dat in een verdienmodel te stoppen. En de mensen van de aarde? Zijn we ook dienstbaar aan hen, aan de leefbaarheid? Heeft ieder mens voldoende om van te bestaan; welke offers willen wij brengen, waar kan het minder?

Bij de voorbereiding van deze dienst zei iemand van de werkgroep duurzaamheid: beheerder zijn is ook verzorger zijn. Zorgzaam zijn is: in zijn waarde laten; oplappen wat kapot gaat; koesteren wat zwak en klein is; en voor de lange termijn uitkijken naar oplossingen en mogelijkheden.

Wat ook werd gezegd: we moeten keuzes maken. Kiezen voor de auto of de fiets, voor de fairtrade-koffie, voor streekproducten in plaats van producten met een eersteklas vliegticket. Een van de belangrijkste taken van onze werkgroep duurzaamheid is dan ook de bewustwording. Inzichtelijk maken wat de keuzemogelijkheden zijn.

Zou het daarom zijn dat in die hof van Eden de mogelijkheid om te kiezen al is ingebouwd? Tussen al die prachtige bomen met heerlijke vruchten staan er twee waarvan de mens niet mag eten. Nadrukkelijk verbiedt de Eeuwige de mens om te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Die boom stelt je voor een keuze. Een keuze die je in de Tora steeds verwoord vindt: kiezen tussen goed en kwaad, tussen bederf en zegen, tussen dood en leven. Je leven is niet onderworpen aan toeval of het lot. Het doet er toe wat jij doet. Je hebt wat te kiezen. En het is jouw verantwoordelijkheid om te goede te kiezen. (bijv Deut 8: 11 en 30: 15) De boom bepaalt ons erbij dat er grenzen zijn.

 

voortgang

Wat hebben we nu? Een aarde waar leven in zit en een mens met een opdracht. Perfect! Het is klaar. Waar staan we vandaag? Een kerk vol mensen met goede bedoelingen en straks een bordje bij de voordeur dat we ons ‘groene kerk’ mogen noemen. Perfect. Niets meer aan doen. U zult met me eens zijn dat die redenering niet klopt. Het maken van aarde en hemel is nooit klaar. Er zit voortgang in. Ruimte voor verbetering en verandering. We horen het meteen al in het verhaal zelf als we verder lezen. Er mankeert iets aan. En God overlegt met zichzelf hoe dat uitgewerkt moet worden. Het is niet goed dat een mens alleen is. God maakt daarom de dieren, de vogels. De mens geeft ze allemaal een naam. Dat is het ook niet helemaal en God gaat verder met het vormen van een leefbaar klimaat voor de mens. Er komt iemand bij. Nu zijn ze samen. Verantwoordelijk voor elkaar. Verantwoordelijk voor de groei. Verantwoordelijk voor het maken van de goede keuzes. En dat is zo tot op de dag vandaag.

 

vernieuwen

Nu hebben wij in het in verband met de schepping graag over het paradijs. We bedoelen daarmee dat het bestaan perfect begonnen is. Eens was alles mooi en goed. En het is mislukt door de mens. We zijn opgezadeld met een eeuwig schuldgevoel of op z’n minst een verlangen terug naar die staat van zijn.

U heeft het de lector niet horen voorlezen want het staat er niet. Oorspronkelijk betekent ‘paradijs’ ommuurde tuin: de tuin in Eden, de veilige plek waar de mens mocht leven. Lekker overzichtelijk. We weten inmiddels wel dat de wereld groter is dan alleen onze eigen tuin. Sterker nog: als wij onze tuin volleggen met alleen maar tegels heeft dat gevolg voor de waterhuishouding van ons land. Alles hangt met alles samen. Ecosystemen.

Het is niet altijd te begrijpen maar dat betekent niet dat we onze ogen kunnen sluiten voor het feit dat onze kleine groene daden hier – of het nalaten daarvan-  van grote betekenis kunnen zijn ergens anders op de aarde.

De Bijbel trekt ons ook weg bij die tuin door de toevoeging van rivieren en streken. De genoemde rivieren en streken omschrijven de toenmalig bekende wereld. Eigenlijk zegt de verteller van dit verhaal: vanuit Eden komt de hele wereld in beeld. En woon jij daar ook niet ergens?

Als Petrus zijn vertrouwen uitspreekt op Gods belofte dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen zijn, voegt hij daaraan toe: waar gerechtigheid woont. Ik lees hier niet dat we de oude aarde inwisselen voor een nieuwe. Dan zouden onze inspanningen ook nergens voor nodig zijn. Dan maken we deze aarde gewoon op tot we een nieuwe krijgen. Een nieuwe aarde wordt gekenmerkt door de gerechtigheid. Door mensen die zich ergens op laten aanspreken. Een vernieuwde aarde. (het Griekse ‘kainos’ heeft een andere betekenis dan ‘neos’) Daarbij passen innoverende ideeën. Vernieuwingen. Een nieuwe aanpak. De dingen anders doen, als het moet tegen de stroom in. Want als God er vanaf het begin wat in zag, waarom wij dan niet.

 

volkomen

 

En misschien komt ooit de dag dat het volkomen zal zijn. Weer als nieuw. 

Sep 24, 2017

onbezorgd leven

overweging op 25 september 2017         PG De Open Hof

uit de Bijbel: Matteus 6: 19-34 en Romeinen 12: 9-21

foto: Bas Verschoor Natuurfotografie

maak je geen zorgen

Mijn moeder zei altijd: Een mens lijdt vaak het meest door het lijden dat hij vreest maar dat niet op komt dagen. Daarmee bedoelde zij dat wij ons niet zo druk moesten maken over…. vul maar in… waar maken mensen zich doorgaans druk over. Over hun gezondheid, of die van hun ouders. Over de kinderen. Over geld. Over wat er op je werk gebeurt, of had moeten gebeuren. Over wat er in de krant staat. Over de toekomst. Over de kerk, over de vacatures. Het zit nu eenmaal in de aard van het beestje dat wij ons zorgen maken. Het zit ook in de aard van ons bestaan dat daar zorgen uit voort komen. Het is geen volmaakt bestaan. Er zitten haken en ogen aan. We moeten wel degelijk zorgen dat we onszelf staande houden.

 

‘Maak je geen zorgen’ lijkt dan ook een onmogelijke opdracht.

Tegen wie zegt Jezus het eigenlijk? Hij spreekt de mensen aan die schatten verzamelen. Wie veel bezit, kan ook veel kwijtraken. Je kunt je daar zorgen over maken. Hoe krampachtig zijn wij als het gaat om bezit? Om schatten? Wij leven in een tijd dat wat je hebt, bijdraagt aan wie je bent als mens. Het hebben van een leuke auto, het nieuwste type smartphone; het hebben van een knappe partner, een goede baan…. En we willen het ook naar ons zin hebben. We willen dingen beleven. We willen respect. We willen gezond blijven. We willen samen leven met gelijkgestemden. Als dat ons gaat definiëren als mens, als ‘hebben’ uitgangspunt wordt, ligt het gevaar op de loer. Het gevaar van egoïsme, het gevaar van jaloezie, van hebberigheid, van spanningen, van oorlog zelfs. Ed Hoornik schreef er een prachtig gedicht over:

 

Op school stonden ze op het bord geschreven,

het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;

hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,

de ene werkelijkheid, de andere schijn. 

 

Hebben is een schijnwereld. Is overgeleverd zijn aan de goden. Verslingerd zijn aan Mammon. Terwijl we uiteindelijk allemaal weten: Hebben voegt niets toe aan wie we zijn.

Het zijn ten diepste twee verschillende manieren om in het leven te staan: leven om te hebben of leven om te zijn. Mens te zijn. Dat spanningsveld legt Jezus bloot als hij spreekt over bezorgdheid.

 

vogels en bloemen

Dáárom zeg ik jullie: maak je geen zorgen. Bijbelse bezorgdheid is jezelf zó in beslag laten nemen door bezorgdheid om het hebben, dat je aan mens-zijn niet toekomt. Jezus stelt een retorische vraag: ‘Is het leven niet meer dan voedsel en het lichaam niet meer dan kleding?’ Natuurlijk is dat zo. Maar misschien vraagt Jezus naar iets anders. Naar hoe vrij we zijn. Of we onszelf kunnen voorstellen dat onze eerste gedachte niet uitgaat naar wat we hebben. Hij vraagt ons of dat we niet bang zijn iets niet te hebben. Want in het hebben is geen zekerheid te vinden.  

 

Om het duidelijk te maken wat hij bedoelt wijst Jezus naar de bloemen. Hij wijst naar de vogels. Ze zaaien niet. Ze maaien niet en bewaren niets voor de winter. Wil Jezus dat we allemaal flierefluiters worden?

Trouwens, de vogels in de tuin hebben het over het algemeen ontzettend druk. In het voorjaar zien we ze af en aan vliegen met takjes en draadjes voor het nest. Als de jongen er zijn hebben ze geen seconde rust. En dan zit in de meeste tuinen ook een kat…. Wat bedoelt Jezus toch?

Kijk naar de vogels. Ze doen precies datgene wat je van een vogel mag verwachten: vogel zijn. Kijk naar de bloemen: ze hebben geen andere pretentie dan te geuren en te kleuren. Dáár zit het punt van vergelijking. Niet in een onrealistische zorgeloosheid. Niet in flierefluiterij. Maar in het toekomen aan waar je voor bestemd bent: mens zijn. Dat is wat de Bijbel noemt: rechtvaardigheid. Zijn wie je mag zijn. Mens onder mensen. Zijn is trouw. Zijn is blij zijn met wie blij is en verdriet delen. Zijn is zoeken naar wegen om de vrede te bewaren. Zijn is liefde.

 

zoek eerst

Jezus zegt niet dat het onbelangrijk is, eten en drinken en kleding. ‘Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben.’ Maar het heeft niet de prioriteit. De hemelse Vader heeft ons voor meer bestemd dan najagen wat we nodig hebben. Dat mag niet onze ziel en zaligheid in beslag nemen. Dan doen we onszelf en elkaar tekort. Zoek éérst…. het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. Zoek naar een samen leven waarin mensen tot hun recht komen. Álle mensen…. op vredeszondag is het goed om dat te zeggen. Komt veel strijd niet voort uit het denken in wij en zij en het gebrek aan verbinding? Is angst om tekort te komen niet vaak de drijfveer om anderen tekort te doen? Wij verlangen naar vrede. De weg er naar toe is die van het koninkrijk, van de gerechtigheid.

Wie zo leven durft, zal ontdekken dat andere dingen vanzelf komen. Als de gerechtigheid voorrang krijgt, is er voor iedereen genoeg.

 

zorgeloos of onbezorgd

Ons leven is niet zorgen-loos. We hebben zorgen, maken ons zorgen. En we weten ook dat als er één zorgen had, Jezus het wel was. Hij had zorg om de mensen, die leken te dwalen als schapen zonder herder. Toch leefde Hij onbezorgd.

 

Hij moet zorgen hebben gehad om zijn eigen lichaam, toch hadden die zorgen hem niet in hun greep. Hij werd er niet door geleefd en het maakte hem niet angstig. En wanneer de angst toch bezit van hem dreigde te nemen, zocht hij in vertrouwen zijn toevlucht bij de Vader.

Zijn volgelingen hebben in hem iets herkend, iets gevonden, dat ook hun eigen zorgen te boven ging. Zij vonden een mens die hen tegemoet kwam in hun armoede. Een nieuwe rijkdom die hun bestaan kleurde met ‘en toch’. Hun leven werd niet makkelijk en hun zorgen werden niet minder. Maar het werd aangevuld met hoop. Met een venster op een andere wereld, iets van Gods koninkrijk, dat opbloeide waar mensen samen waren in Jezus’ naam. Als Jezus zegt: ‘maak je geen zorgen’, bedoelt Hij daarmee niet: Pluk de dag. Maar: houd je ogen open voor die andere werkelijkheid.

 

aandachtig leven

Maak je dus geen zorgen over de dag van morgen. Blijf bij vandaag. Houd je ogen open voor wat vandaag nodig heeft. Ik vind het een heerlijke relativering dat kennelijk Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid vóór alles te maken hebben met de dag van vandaag en niet met een ver toekomst ver vooruit waarover we ons druk moeten maken hoe we er ooit zullen komen. God geeft ons een haalbare maat, een menselijke maat. Wat heeft de dag van vandaag nodig? Wie zijn de mensen met wie ik vandaag omga? Wat heeft mijn gezin vandaag van mij nodig? Met wie mag ik blij zijn en met wie deel ik verdriet? Hoe kan ik het goede doen? Morgen zien we wel weer.

 

Hebben en zijn 

 

Op school stonden ze op het bord geschreven.

Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;

Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,

De ene werklijkheid, de andre schijn.

 

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.

Is van de wereld en haar goden zijn.

Zijn is, boven die dingen uitgeheven,

Vervuld worden van goddelijke pijn.

 

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.

Is naar de aarde hongeren en dorsten.

Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

 

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,

Is kind worden en naar de sterren kijken,

 

En daarheen langzaam worden opgelicht.

Pogingen iets van het leven te maken

Deze zomer las ik de geheime dagboeken van Hendrik Groen, tachtiger en woonachtig in een bejaardenhuis in Amsterdam-Noord. Om te voorkomen dat hij depressief wordt van zichzelf neemt hij een jaar om een dagboek te schrijven en ook iets van de ware Hendrik Groen te laten horen. Wat volgt is een hilarische beschrijving over ouder worden en de misstanden in de zorg.

Tussen de regels door lees je ook de worsteling om iets van het leven te maken: ‘Je wordt geacht te genieten van je oude dag, maar dat valt verdomd niet altijd mee.’ Hendrik Groen vertelt over de uitdagingen rond zijn plasproblemen, over zijn depressieve vrouw en het verlies van zijn dochtertje. Toch besluit hij actief iets van het leven te maken onder het motto ‘Oud Maar Niet Dood’. Daarmee gaat het boek ook over het belang van vriendschap en voor elkaar klaar staan.

Het geheime dagboek van Hendrik Groen zou zomaar naast het boek Prediker kunnen liggen. Ook dat gaat over de eindigheid van het bestaan. We gaan allemaal dood, zegt hij. Maar: we zijn het nog niet! Probeer er daarom het beste van te maken. Eet je brood met vreugde, drink je wijn met een vrolijk hart. Geniet. Heb lief. En doe wat je hand vindt om te doen. Tot de jaren komen waarvan je zegt: in deze jaren vind ik weinig vreugde meer. Beeldend beschrijft de Prediker hoe het lichaam langzaam achteruit gaat. Bevende wachters (handen) staan voor het huis. De soldaten (benen) gaan kromgebogen voort; de maalsters (tanden) verdwijnen langzaam aan; de vrouwen uit het venster (ogen) staren en het fluiten van vogels wordt ijl van toon. Je durft geen heuvel te beklimmen. (Prediker 11)

Uiteindelijk zal ieder mens het leven los moeten laten. Voor Prediker is het een troost dat hij het leven weer terug mag geven aan zijn Schepper die hem de levensadem heeft gegeven.

Bekend is het gezegde: We willen wel oud worden maar we willen niet oud zijn. Tot op hoge leeftijd samen fietsen, vrijwilligerswerk doen, met de caravan op pad, dát willen we wel. De eenzaamheid van het verliezen van geliefden, vrienden, en het omgaan met lichamelijke beperking, dat liever niet.

Oud zijn is niet makkelijk. Juist wie oud is, ervaart zijn kwetsbaarheid en beseft niet zonder (Gods) hulp te kunnen. ‘Nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, o God zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind, kan verhalen van de macht van uw arm’ bidt de Psalmdichter. ‘Blijf mij me zodat ik in ieder geval nog kan vertellen van U’. Ooit zei een gemeentelid tegen me, toen we actief op zoek waren naar nieuwe taakdragers: ‘Aan mij hebben jullie niet veel meer maar ik kan nog altijd een boom zijn die schaduw biedt.’ Een gebed, een luisterend oor, een plek om even bij te komen… het lijkt weinig maar is dat het ook? En weten we onze ouderen daar ook voor te vinden?

 

Als ik oud word

mag worden

de dagen stil

want zonder lief

en leeg

want waarheen

met dat rare oude lijf

kom dan bij mij

schenk me een glas

en we drinken

op het leven

 

 

overweging op 10 september 2017         PG De Open Hof

uit de Bijbel: Deuteronomium 6: 4-9 en Lucas 10: 25-37

 

theorie en praktijk

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is een van de klassiekers uit de Bijbel. Of je met een been in de kerk staat of er met hart en ziel in betrokken bent, bijna iedereen kent dit verhaal. Al was het maar omdat de metafoor van de barmhartige Samaritaan ook in ons algemeen spraakgebruik is doorgedrongen. We kunnen ons er allemaal een voorstelling bij maken.

Er is een heel bekende, klassieke uitleg: iemand heeft hulp nodig. De dominee laat het afweten. De ouderling heeft ook geen tijd. Maar de buitenkerkelijke buurman schiet te hulp. Dan is de moraal van het verhaal: hulp komt uit onverwachte hoek. Maar het gaat dan niet echt over mij. Of ik zou die dominee moeten zijn die voorbij liep en dat is niet echt een glansrol. Op welke manier kan dit verhaal voor ons gaan leven? Op welke manier zou dit verhaal ook ons op het lijf geschreven kunnen zijn?

Ik benoem het expres zo, want ik denk dat dit verhaal gaat over ons leven, over ons lijf, over huid en haar.

 

Er komt een wetgeleerde bij Jezus. We weten dat de wetgeleerden en farizeeën door het hele evangelie heen moeite houden met Jezus. Ze weten niet wat ze met hem aan moeten. Daarom stellen ze hem af en toe op de proef. Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven? Alsof een wetgeleerde dat niet weet! De Wet ís leven. (Deut 30:15) Wie leeft met dat Woord wandelt over een goede weg; die is een boom aan stromend water. Dan ben je iemand die tot bloei komt. (Psalm 1) De wetgeleerde lepelt ook keurig het goede antwoord op. Leven, eeuwig leven zelfs, heeft te maken met de Heer liefhebben, met hart en ziel, met alle kracht en alle verstand. Met huid en haar dus. En je naaste als je zelf. Goed geantwoord. De theorie klopt. Nu de praktijk nog: Ga dat maar doen en je zult leven, zegt Jezus. Maar de wetgeleerde wil toch het laatste woord hebben. Wie is mijn naaste dan? wil hij weten. Alsof we daar criteria voor aan kunnen leggen; alsof we een theorie kunnen ontwerpen over de vraag wie onze medemens is en wie niet. En weer wijst Jezus hem naar de praktijk. Want als het gaat over Gods woord, gaat het meteen over: de daad bij het woord voegen. Wat heb je tenslotte aan de letter van de wet, aan Tora, als er niet iemand is om die letters leven in te blazen. De wetgeleerde krijgt geen antwoord waarover hij dan weer een nieuwe vraag kan stellen. Jezus vertelt een verhaal. Zodat de wetgeleerde niet meer buiten schot kan blijven.

 

toevallig

Maar ook ons is dit verhaal op het lijf geschreven.

Er was eens.. een man die van Jeruzalem naar Jericho reisde. Hij wordt slachtoffer van een roofoverval en blijft halfdood liggen. Toevallig komt er een priester voorbij. Hij heeft misschien net dienst gedaan in de tempel in Jeruzalem. Een gelovig iemand. Die zal toch zeker weten hoe het hoort. Maar de priester loopt met een boog om hem heen. De mensen die naar Jezus staan te luisteren zullen zich er misschien niet eens over verbaasd hebben. Een priester moet zich rein houden. Het aanraken van een dode zou betekenen dat hij zijn werk niet meer kan doen. Daarom neemt hij geen risico. (Numeri 19:13vv)

 

Toevallig komt er ook een leviet langs. Ook iemand die dienst doet in de tempel. Toch vast iemand die staat te popelen om niet alleen God lief te hebben maar ook de naaste. Maar ook hij neemt het risico niet en kiest wijselijk de andere kant van de weg. Dat is toch een godsdienstigheid waar je goed van buiten kunt. Van het geloof van deze priester en deze leviet is de man langs de kant van de weg nog niet beter geworden. Zoals ook van sommige dogma’s mensen niet beter worden. Als door onze Bijbeluitleg of opvatting van Gods Wet mensen klem komen te zitten, dan klopt er iets niet. Onze uitleg van de Schrift kan nooit ten koste gaan van mensen.

Het doet me denken aan Malle Babbe, uit het liedje van Rob de Nijs. Malle Babbe schuimt de straten af en volgt het dievenspoor van schooiers en soldaten. Maar ook heren van fatsoen weten haar borsten te vinden. Maar zondags in de kerk zitten ze met een strak lakens pak om hun zondige lijf. Met een zuinige cent in het zakje kopen ze hun ziel en hun fatsoen weer terug. Maar Malle Babbe zien ze dan niet staan.  Een mooie karikatuur van het geloof, maar zo lees ik tot nu toe ook de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.

 

Samaritaan

Toevallig kwam er een priester voorbij. En toevallig kwam er een leviet voorbij. Maar dán komt er een Samaritaan voorbij. Voor de duidelijkheid zet Jezus het lekker vet aan. Samaritanen worden door de Joden gezien als minderwaardig volk. Andersom is het trouwens ook zo. Maar beiden hebben de Tora hoog zitten. Beiden zien de Wet als richtsnoer voor het leven met God en mensen.

Maar deze Samaritaan heeft geen redenen om voorbij te gaan. Er is geen redenering maar een gevoel. Hij krijgt medelijden. Hij werd met innerlijke ontferming bewogen, zegt de oude vertaling. Het deed hem van binnen pijn dat die mens daar lag. En wie getroffen is door dat gevoel denkt niet na maar gaat wat doen. Dat heeft misschien wel niets met geloof te maken: een Joods grapje zegt: je hoeft niet in God te geloven als je zijn wil maar doet. Het gaat in de praktijk niet om geloof maar om liefde.

De verschillende personages in dit verhaal zijn heel herkenbaar. Tot onze schaamte moeten we erkennen dat wij inderdaad af en toe die priester zijn, of die leviet. Als we menen een geldige reden te hebben om iemand niet te helpen. Als we bewust signalen negeren en iemand níet willen aanhoren. Als we onszelf voorhouden te druk te zijn en iemand niet gaan opzoeken. Of als we een theorie hebben wie de eerst aangewezen persoon zou zijn om dit of dat te gaan doen. De overheid, de dochter, de dominee, die ander…. maar niet wij zelf.

Gelukkig zijn er ook mensen die hun agenda laten bepalen door wie er op zijn of haar weg komt. Mensen zoals de Samaritaan. Gelukkig zijn er ook momenten dat het ons overkomt. Dat we ons plots in een situatie bevinden waaruit we niet kunnen weglopen. Een situatie waarin we weten, nu komt het op handelen aan. Zo’n moment dat je hart zich samenknijpt om een mens in nood. Zo’n situatie dat je weet, nu kan ik het niet maken om niets te doen. Ik kan geen redenen verzinnen om er onder uit te komen. Ik kan geen afstand houden. Daarom noemen we de Samaritaan barmhartig. Omdat hij iets níet kan. Hij kan een mens niet aan zijn lot overlaten.

een naaste hebben of een naaste zijn

 

De vraag waarmee het allemaal begon was: wie is mijn naaste? Maar Jezus kiest een ander perspectief: wie is de naaste geworden van het slachtoffer. De naaste is niet de mens die naast je is. Je hébt geen naaste. Je bént een naaste. Wie is de naaste geworden van het slachtoffer. En de wetgeleerde antwoordt: de man die medelijden heeft getoond. Een naaste is barmhartig, warmhartig. Doet u dan voortaan net zo.

Sep 04, 2017

niemand

1. niemand

 

we vragen

waar ben je

roepen naar de hemel

waarom doe je niets

jij God van liefde

waarom laat jij dit toe

jij God van bevrijding

 

en jij

 

ik roep jullie

maar

er is niemand

 

Nu kom ik bij jullie terug, ik roep jullie.

Maar er is niemand, niemand geeft antwoord.

Waarom niet?

Jesaja 50: 2, Bijbel in Gewone Taal.

 

2. niemand

iemand moet het doen

zeggen we

maar uiteindelijk

doet niemand het

 

iedereen doet het

beweren we

en toch

pleit dat niemand vrij

 

laat niemand het doen

 

3. niemand

niemand weet hoe laat het is

niemand is te vertrouwen

niemand luistert

het kan niemand wat schelen

niemand heeft tijd

wees niemand

 

 

want niemand is vrij

Aug 31, 2017

een ereplaats

overweging op 27 augustus 2017 in de Open Hof

Jesaja 25: 6-9 en Lucas 14: 7-15, gelezen uit de Bijbel in Gewone Taal

 

een ereplaats

Jezus heeft een belangrijke uitnodiging te pakken: hij is uitgenodigd voor een maaltijd bij een belangrijke farizeeër. Op de sabbat nog wel. Het is niet zomaar een etentje maar een sabbatsmaaltijd. Het is dus al een hele eer om erbij te mogen zijn. Maar er is nog meer eer te behalen. Door een ereplaats te bemachtigen. Dichtbij de belangrijke gastheer. De ereplaats geeft status. En dat is een enorme oppepper voor je zelfvertrouwen. Wij vinden het nu eenmaal belangrijk wat zij van ons vinden.

 

Dat is niet iets van lang geleden maar een mechanisme van altijd en overal: mensen maken zich druk om status. De ereplaats is: een goede baan en wat is het dan leuk als mensen dat aan je kunnen zien; aan je kleding, aan je leaseauto, aan de sporten waaraan je kinderen kunnen meedoen. We delen op social media het mooiste plekje bij een concert, vakantiefoto’s op een geweldige plek. Want niet alleen jijzelf moet genieten van de goede plaats die je hebt veroverd, ook anderen moeten het kunnen zien. Of jij hebt het beste plekje omdat jij zoveel vrijwilligerswerk doet en die ander zit maar lui in zijn stoel. Erkenning, waardering, bewondering, misschien wel benijd worden, we hebben het nodig om lekker in ons vel te zitten.

 

Misschien haal je nu inwendig je schouders op en denk je: ik vind status en spullen zo onbelangrijk. Gewoon iets voor een ander doen, dat is pas belangrijk. Of: als mijn kind maar gelukkig is, het hoeft van mij niet zo nodig te presteren. Linksom of rechtsom, het zijn allebei manieren om om te gaan met status. Ook door te stellen dat het voor jou he-le-maal niet belangrijk is, geef je aan toch bezig te zijn met status.

Het gevecht om ereplaatsen laat mensen uiteen vallen in de hardlopers en de doodlopers. Er zijn mensen die zichzelf geslaagd voelen, maar ook mensen die onzeker zijn over zichzelf. We drijven elkaar op want het kan altijd nog mooier, nog beter, nog verder. We worden concurrenten, wedijveren met elkaar. 

Jezus is dus uitgenodigd voor een feestmaaltijd maar voorlopig is het nog niet heel gezellig. En dan is het ook nog eens op de sabbat. Gods dag.

 

een heilzaam voorbeeld

Jezus prikt door het gedrag van de gasten heen door een gelijkenis te vertellen. Een voorbeeldverhaal met een betekenis voor de goede verstaander. Het valt op dat Jezus niet het voorbeeld gebruikt van een maaltijd maar van een fééstelijke maaltijd (Bijbel in Gewone Taal) of bruiloft. (NBV, NBG,SV) Dat doet meteen heel sterk denken aan de feestelijke maaltijd uit Jesaja 25. En daarbij is de bruiloft vaak het beeld dat gebruikt wordt voor Gods koninkrijk.

Beeld van de toekomst, beeld van het samenleven zoals God het heeft bedoeld. De liefde, de verdraagzaamheid, die twee mensen in de praktijk brengen in hun huwelijk, zo heeft God de wereld bedoeld.

Geen gedoe over de beste plaatsen. Niemand die met een sneer op zijn plaats wordt gezet; niemand die wordt uitgelachen; geen spelletjes om de macht tussen ouder en jonger, mannen en vrouwen, autochtonen en allochtonen. Iedereen is uitgenodigd. En dat niet alleen: mensen voelen zich welkom bij elkaar.

Dat is niet alleen iets om van te dromen. Maar vooral iets om ons in te oefenen.

 

kom toch dichterbij

Jezus geeft aanwijzingen hoe wij ons kunnen voorbereiden op die feestelijke maaltijd waar iedereen tot zijn recht komt. Als je wordt uitgenodigd, zegt hij, ga dan niet op de beste plaats zitten. Doe niet mee aan dat gedoe om status. En als je zelf mensen uitnodigt, nodig dan die mensen uit die nooit op de beste plaats zitten. Zorg ervoor dat jouw feestje al een beetje lijkt op het grote feest van God.

 

De instinker van dit verhaal is dat we gaan denken: als ik nu maar bescheiden een plaats achterin kies voortaan, dán word ik vanzelf naar voren geroepen. Bescheidenheid als de weg naar succes dus. Ook wel bekend als valse bescheidenheid. Dát staat er niet.

Ik werd aangesproken door de woorden: kom hier op een betere plaats zitten. Kom toch dichterbij. Als je niet meteen zelf bent doorgeschoten naar de beste plaats, blijft er ruimte voor de uitnodiging. Als je je niet verstopt achter (valse) bescheidenheid, is er nog ruimte voor de verrassing. Iets of iemand kan jou wel-doen. Als je stopt met alleen voor jezelf op te komen, ervaar je dat ook een ander of Ander voor jou opkomt. Want die is er. Grote liefde, genade. Voor ons. Elke dag. We mogen groeien in dat besef en daaraan ons zelfvertrouwen ontlenen.

Ook dat behoeft oefening. Komt dit u bekend voor: je geeft iemand een cadeautje en die zegt: Dat had je niet moeten doen. Daar sta je dan met je cadeautje. Jezus zegt: kom toch dichterbij. We mogen ons oefenen in het ontvangen van onverwachte goedheid en weldaad. We mogen ons oefenen in dankbaar aannemen. Want wie weet hoe te ontvangen, kan er ook van geven. Juist omdat we weten dat we leven van Gods goedheid, kunnen we het ons veroorloven om onszelf minder belangrijk te maken en af te zien van bewondering of waardering.

 

Paulus schreef daarover: ‘Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf.’ (Filippenzen 2:3) Door die houding aan te nemen, kunnen mensen aan jou aflezen wat jij belangrijk vindt, waar je in gelooft. Door die houding kunnen mensen zien waar jouw vertrouwen ligt: bij God. Ze kunnen aan je aflezen dat niet jouw status of bezigheden je richting bepalen. Maar dat jij hebt ingezet op Gods belofte voor de wereld. Het is een heel concrete invulling van wat je gelooft. Niet inzetten op netwerken maar op je verbinding met Christus en handen en voeten geven aan zijn voorbeeld. Het leven is bedoeld als feest. En we hangen voor elkaar de slingers op.

 

het echte geluk

Het echte geluk, zegt Jezus, is voor jou, als je die mensen uitnodigt die niets kunnen terugdoen voor jou. Niet je vrienden, familie of je rijke buren. Je weet dat ze jou zullen terugvragen. Maar wees degene die zorgt voor een onverwachte weldaad, een welkome verrassing. Nodig mensen uit waarvan jij niets terug te verwachten hebt. Je kunt denken: er is geen eer te behalen aan het uitnodigen van arme mensen, zwervers en bedelaars. Tóch wel. Want je zult het echte geluk ontvangen. ‘Gij zult zalig zijn’ staat er in de oude vertaling; dat mooie woord uit de zaligsprekingen die weer alles te maken hebben met Gods koninkrijk. Gelukkig en gezegend ben je als je zo leeft. God zal je belonen op de dag dat de goede mensen opstaan.

 

Toch een beloning? Is het dan toch niet allemaal zo belangeloos als we prediken? Jezus zegt inderdaad: wie hier en nu niet zoekt naar status en afziet van de race om waardering en macht, zal straks een beloning ontvangen. Precies. Maar op een andere manier dan we denken. Het is geen beloning naar prestatie. Niet een afrekening aan het eind. Het is een voldaan uitrusten van het werk, het goede werk, dat is verricht.

Zie het als werken in de tuin. Je kunt je in het zweet werken omdat je bang bent dat de buren iets zullen zeggen van de hoeveelheid onkruid of omdat je wilt showen hoe mooi je tuin is. Dat is zoeken naar de verkeerde beloning.

Nee, je hebt gewerkt in de tuin en aan het eind het eind van de dag plof je neer in de tuinstoel met een koud biertje onder handbereik. Alles ligt er weer mooi bij. Je bent tevreden en blij met je zelf.  (geleend uit: Eten met Jezus, Stephan Paas)   

Dat is Gods koninkrijk; zo af en toe tevreden constateren dat het kan: een menselijke samenleving. Als wij er maar aan mee klussen. Tot de dag dat wij op de bank bij de Vader mogen overzien dat liefde overal en in iedereen is en dat zijn koninkrijk is aangebroken. Alles waarnaar we op aarde zoeken, zal verbleken bij wat we dan ontvangen.

 

Tot slot

 

Jezus vertelt dit verhaal niet alleen. Hij is dit verhaal. Hij heeft zichzelf klein gemaakt om ruimte te maken voor wie niet meetelde. Hij bleef van zichzelf uitdelen, tot de vernederende dood aan het kruis toe. Hij had geen erkenning nodig, geen bewondering. En God gaf hem de hoogste plaats, de ereplaats aan zijn rechterhand. Zo heeft hij voor ons de weg vrij gemaakt naar God, naar het koninkrijk van de hemel. 

Page 10 of 14