Lyonne Verschoor

Lyonne Verschoor

overweging op 7 januari 2018

in de Gereformeerde Kerk Numansdorp

 

uit de Bijbel: Jesaja 60: 1-6 en Matteus 2: 1-12         

 

wakker geschud door een kind

Elk jaar doen supermarkten nog meer hun best om de beste, ontroerendste kerstcommercial te maken. In de reclame van de Plus zien we een meisje heen en weer pendelen tussen de huizen van haar gescheiden ouders. Steeds een tasje inpakken, knuffel mee, twee kerstbomen opzetten. En het weten dat er één ouder alleen is, want je kunt maar in één huis kerst vieren. Het meisje pakt een gourmetpannetje in en legt het als kerstcadeau onder de boom van vader. Uiteindelijk zit iedereen aan dezelfde tafel. Oud zeer, de strijdbijl en spanning zijn even verdwenen. Deze commercial zorgde voor een hoop commotie.

Door de ogen van een kind werd de kleinheid van grote mensen weergegeven. Het zijn al te de kinderen zijn die voor de broodnodige opschudding zorgen. Een foto van een kind in een rampgebied zegt vaak meer dan een ellenlang bericht; vaak zijn het juist de beelden van kinderen die iconisch worden, op ons netvlies gebrand staan. Omdat ze genadeloos aan het licht brengen waar het misgaat. Omdat kinderen ons beschamen. Én ons terug brengen bij onze zachtheid.

 

Het nieuws dat er een koningskind is geboren zorgt voor opschudding in Jeruzalem. Herodes verwacht dat dit kind een bedreiging voor hem zal zijn, hem naar de kroon zal steken. Dat voelt hij goed aan. Tegelijkertijd onthult dit kind waar Herodes fout zit.

Want hij is niet uit op macht.

 

Hij heeft eerder herderlijke kwaliteiten: zachtheid, zorgzaamheid en de moed om ook in kou en donker bij de schapen te blijven; het lef om de leeuwen en beren weg te houden bij de kudde. Daarom wordt hij ook in Bethlehem geboren. Waar je herders mag verwachten. Zo stond het in de Schrift. (Micha 5:1) Maar waarom gaan de magiërs daar dan niet heen?

 

de ster

Had de ster niet meteen de weg naar Bethlehem kunnen wijzen? Heeft de hemel zich vergist? Waarom toch eerst naar Jeruzalem? Nico ter Linden kan het mooi omschrijven. Hij vertelt: ‘Omdat het geen astrologische ster is, maar een theologische. En het laatste wat die ster wil is aan Jeruzalem voorbij gaan, want Israël is en blijft geroepen om de volken van de wereld de weg naar God te wijzen.’ (Het Verhaal gaat 2, 186) 

Ze hadden het kunnen weten, de hogepriesters en schriftgeleerden. Maar er is er niet een die zegt: wacht even, ik ga met jullie mee! Ze blijven zitten waar ze zitten. Ze weten het teken aan de hemel niet op de juiste waarde te schatten. Kennelijk is het niet zondermeer zo dat de bestudering van de schrift je ook beter leert kijken, of meer vertrouwen geeft.

 

Wat zou nu maken dat wij, gemeente van Christus, hoopvol in beweging komen? Wat zou voor mij persoonlijk, voor u, het teken kunnen zijn om moed te houden, om verder te gaan? Zouden we dat teken überhaupt herkennen? Zouden we onze ogen er voor sluiten, omdat blijven zitten waar je zit minder eng is dan wat gaan doen. Je weet tenslotte wat het is, -ook al is dat soms beroerd-  en je weet niet wat het wordt. De magiërs uit het oosten vonden hun levensoriëntatie in de sterren. Ik vind het een passend moment, zo aan het begin van het nieuwe jaar, om mijzelf weer eens de vraag te stellen: wat wijst mij de weg? Wat bepaalt mijn keuzes, mijn beslissingen in dit leven? Ik zou natuurlijk graag volmondig zeggen dat dat mijn geloof is. Maar even vaak is iets anders bepalend: mijn eigen hachje, mijn gezondheid, mijn financiële zekerheid. Al maken die zaken vaak eerder dat ik blijf zitten…..

 

verbinding

De magiërs dus niet. We denken dat het er drie zijn. Omdat er over drie geschenken wordt gesproken. Vanuit de traditie kennen we ook hun namen: Melchior, Baltasar en Caspar. Sommige mensen zeggen: ze waren alle drie van een andere generatie en daarmee verbeelden ze dat je, op welke leeftijd je ook bent, steeds opnieuw je oriëntatie zoekt; steeds weer je weg zoekt naar God. Het is niet zo dat je er op een dag bént. En het wil misschien ook zeggen dat je niet noodzakelijk op moet trekken met generatiegenoten, de ouderen bij de ouderen, de kinderen bij de kinderen, maar samen.

Anderen zeggen: het zijn de drie grote werelddelen. Europa, Azië en Afrika. De wijzen uit het oosten zijn met z’n drieën de blanke, de gele en de zwarte mensen. En het kind verbindt, verenigt, ze allemaal samen. De wereldtop vergadert, in een huis in Bethlehem. Dát is de droom die we mogen hoog houden: het gaat om samen. En dat kun je op alle levensterreinen toepassen. Het kind verdeelt niet. Maar verbindt. Laten we toch die droom van verbinding, van eenheid ondanks verschillen, nooit laten varen.

 

aanbidding

De drie magiërs komen uiteindelijk terecht op de goede plek: een huis in Bethlehem. Er is geen wantrouwen, geen scepsis: is het echt hier? Ze zijn vol vertrouwen. Vervuld van diepe vreugde. En ze bewijzen het kind eer.

Ze zíen er wat in. Ze herkennen God op die onlogische plaats, op dat onverwachte moment. Ze zien er wat in: God is mens geworden. En dat betekent dat hij zichtbaar wordt in al wat menselijk is. In onze menselijkheid. In onze liefde. In vriendschap. Daar is God. In kwetsbaarheid. In wie om onze barmhartigheid vraagt, daar is God. Want wij bewijzen hem eer in de eer die we elkaar bewijzen.

 

We lezen ‘eer bewijzen’. We mogen ook lezen ‘aanbidden’. Komt, laten wij aanbidden. En hoe doe je dat dan? De magiërs brengen hem geschenken. Goud. Universeel symbool van overvloed, macht, aanzien. Goud zegt: kijk eens wat ik heb gepresteerd; kijk eens wat ik heb. Maar durf je het ook uit handen te geven? Blijft er dan nog wat van je over? Ben je ook gewoon maar mens? Een mens die zich laat kennen in liefde en vriendschap; een mens waarin God mag wonen?

 

Wierook brengen ze mee. Bijbels symbool voor de overgave, voor het gebed dat omhoog mag stijgen tot voor Gods troon. Kent God ons nog als biddend mens? Kennen wij elkaar nog zo? Weten we van elkaar waarvoor we bidden? Het is zo iets intiems, zo iets van onszelf. Bidden heeft te maken met ons kwetsbaarste, blootste zelf. Hem aanbidden betekent dat wij hem niets van onszelf onthouden.

En mirre brengen ze mee. De geurige olie waarmee de doden worden gezalfd. Matteus windt er vanaf het begin geen doekjes om: het leven van dit kind is een lijdensweg. En wie met dit kind wil leven, wie hem wil aanbidden, navolgen, kan weten dat hij niet de makkelijkste weg kiest.

 

We kennen de magiërs ook als: wijzen uit het oosten. In de Bijbel betekent wijsheid dat je aanvoelt dat er iets van God in het spel is. Denk maar aan wat in de Psalmen staat: het begin van alle wijsheid is het ontzag voor de Heer. Wijsheid is overgave en kwetsbaar voor God durven zijn. Wijsheid is alle eigen zekerheden loslaten en steunen op God en zijn geboden en beloften. Het is wijsheid dat de magiërs in het kind dat ze vinden een koning herkennen. Het is ook wijsheid dat zij zich door de hemel laten corrigeren in hun planning.

 

langs een andere weg

 

Want ze gaan langs een andere weg terug naar huis. Niet langs Jeruzalem, niet langs de plaats waar gouden kronen mensen definiëren. Niet langs de mensen die zich laten bewieroken en angst hebben om van hun troon gestoten te worden. Wie eenmaal heeft ontdekt dat God zichtbaar wordt in het menselijke zal andere keuzes maken. 

Jan 02, 2018

De weg voor je

Nieuwjaarsmorgen PG De Open Hof

 

Uit de Bijbel: Psalm 1

 

Als vroeger op school mijn schrift vol was, kreeg ik een nieuwe. Met een beetje geluk mocht ik zelf de voorkant uitzoeken. Op de eerste bladzijde deed ik mijn uiterste best om netjes te schrijven – niet mijn sterkste kant. Op de tweede bladzijde hield ik het ook nog vol maar gaandeweg had ik toch af en toe aansporing van de meester nodig om weer netjes verder te gaan. Goede voornemens heb ik niet maar toch dat gevoel van het nieuwe schrift blijft nu we een nieuw jaar zijn ingegaan. Gemaakte keuzes zijn aan heroverweging toe. Er liggen kansen, mogelijkheden, keuzes. En ook een zekere gespannen verwachting: wat brengt dit jaar?

Ooit moest er een boek worden samengesteld, het boek van de Psalmen. Er waren er genoeg maar met welke zou het boek moeten beginnen? De rabbijnen kozen voor Psalm 1. Over de keuzes die een mens kan maken; over wegen om te gaan, over het voornemen netjes te schrijven, over het links laten liggen van de wegen van het kwaad, over rechtvaardig te leven. Het hoofd van de Psalmen gaat over de mens die ervoor kiest de weg van de Tora te bewandelen. De weg van de verbondenheid met God en je medemens. De weg die je gaan en staan en zitten bepaalt. Niet noodzakelijk de makkelijkste weg. Maar altijd beter dan de weg van het kwaad, de weg van hen die zich van God en zijn gebod niets aantrekken. Het is de weg van de rechtvaardigen. De weg van de mensen die zelf tot hun recht komen als mens van God en die erop uit zijn anderen tot hun recht te laten komen.

 

Veertig jaar kreeg Gods volk in de woestijn de tijd om zich de Tora eigen te maken. Om te leren samenleven met mensen en God volgens deze tien richtlijnen. En vlak voor Jozua het volk het beloofde land zal binnenleiden, drukt God hem nogmaals zijn woord op het hart: Verdiep je er dag en nacht in. En het zal goed met je gaan. Precies de woorden die ook in Psalm 1 staan.

Die woorden van God, ze zijn een gave, een geschenk. En de schenker ervan komt mee. Hij zal zijn mensen bijstaan; hij zal niet van hun zijde wijken en hen niet verlaten. (Jozua 1:5). Wie de weg van de Tora kiest weet zich op die dus niet alleen. God gaat voor, om de juiste weg te wijzen. En als het moet is hij achter je, om je te steunen, naast je, om je te bemoedigen.

Die woorden van God zijn ook een opgave. Het is een geschenk dat verplicht. Maar wie zich aan de goddelijke richtlijnen houdt, mag zich een gezegend mens weten. Zijn leven zal niet vergeefs verlopen maar vruchtbaar zijn. Een stukje van het paradijs zal in en om hem heen zijn. Een boom, stromend water, vruchten om te plukken.

 

Op de eerste pagina van het nieuwe jaar zijn we ons ervan bewust dat er zeker gebroddeld zal gaan worden; er zullen fouten worden gemaakt door ons en ook buiten onze schuld zullen er zwarte bladzijden worden geschreven. Dat neemt niet weg dat we kunnen bijsturen. Opnieuw beginnen met een schone lei. Bijsturen om op de goede weg te blijven. Onthoud dit: toen Israël onder leiding van Jozua het beloofde land was binnengetrokken, eindigde het verhaal niet met: en ze leefden nog lang en gelukkig. Nu ze het geheim van samenleven kenden, nu ze de weg naar vrede en gerechtigheid kenden, begon het pas. Ze waren in het beloofde land maar ze waren er voor een groot deel zelf bij of er inderdaad iets van zichtbaar werd.

 

2018 wordt vast niet het jaar dat alles goed komt; maar misschien af en toe iets. Ik geef ons als gemeente en ieder van ons persoonlijk graag de woorden mee die Jozua meekreeg, zo vlak voor het nieuwe land. Met die woorden durven we een nieuw jaar zeker aan.

 

 

Wees vastberaden en standvastig; laat je door niets weerhouden of ontmoedigen. Want waar je ook gaat, de Heer, je God, staat je bij. (Jozua 1: 9) 

Jan 02, 2018

Wat een jaar!

Oudejaarsdag 2017 PG De Open Hof

 

Uit de Bijbel: Prediker 1: 2-9

 

Prediker: Het wordt toch nooit wat.

Je zou aan mij niet moeten vragen hoe ik terugkijk op het afgelopen jaar. Ze noemen me niet voor niets een pessimist, een cynicus zelfs. Wat mij betreft is er niets nieuws onder de zon. Je kunt kunt honderd keer zeggen waar het fout ging in 2017. Uiteindelijk gebeurt volgend jaar precies hetzelfde. Elk jaar denk ik: zou het nu dan eens afgelopen zijn met die ellende. Maar nee hoor.

Weten jullie nog hoe 2017 begon? Met een terroristische aanslag op één januari in Istanbul! Er zouden er nog vele volgen. Herinneren jullie je de aanslag in Manchester, tijdens een concert waar heel veel tieners waren? Het houdt maar niet op in Syrië. En bij de vele duizenden die rondzwerven over de aarde zijn nu ook de Rohingya gekomen. Ik heb er geen woorden voor.

Er is zoveel onrust en dreiging, in steden waar ik nooit ben geweest, ver van mijn bed, en toch baart het me zorgen dat enkelingen bepalen wat er gebeurt. En dat ouderen, kinderen, vrouwen, onschuldigen, de prijs betalen.

Ook dichtbij huis weet ik me soms geen raad. Verwarde mensen brengen niet alleen zichzelf maar ook anderen in gevaar. De MeToo-discussie, die op gang kwam bij mensen in de schijnwerpers, heeft ook bij gewone mensen veel opgerakeld. Het heeft ons in ieder geval weer geleerd hoe kwetsbaar de omgang met elkaar is en hoe schadelijk macht over een ander kan zijn.

Al in augustus hadden we het over Zwarte Piet en het debat heeft definitief alle nuance verloren. Er zijn mensen die straatnamen willen veranderen, standbeelden willen neerhalen en de geschiedenis willen herschrijven. Waarmee we alleen maar aantonen dat een mens niet leert van de geschiedenis. Wat ik jullie toewens voor dit jaar: dat het niet gekker wordt.

 

Uit de Bijbel: Lucas 2: 25-32

Simeon: Het was een gezegend jaar.

 

Ik zag ze binnenkomen met het kind op de arm en ik wist meteen: dit is het kind waarop de wereld heeft gebracht. Nu zal het licht doorbreken voor alle mensen; nu zal de wereld vrede hebben, zoals ik nu vrede heb. Dit was het jaar van mijn leven want ik zag dat God zijn woord houdt en dat verlangen naar vrede en goedheid ook wordt vervuld.

De wereld van vandaag kan niet zonder geloof in goed en beter; wat moet er van ons leven worden als de Geest ontbreekt? De wereld van vandaag kan niet zonder het kind. In ieder pasgeboren kind wordt hij opnieuw geboren. Toen ik het in mijn armen nam, voelde ik het goede door mij heen stromen. Mijn zachtheid, mijn mildheid, mijn behoefte om te beschermen.

Niet alleen voor mij, maar voor zoveel anderen is het een jaar geweest van moed en zelfvertrouwen, van vastberadenheid en grote vreugde. Kinderen en kleinkinderen werden geboren. Studies zijn afgerond, carrières begonnen, ziektes overwonnen. In De Open Hof verheugen we ons over de groeiende samenwerking met Pameijer. Wat is het mooi dat de droom om van betekenis te zijn voor de samenleving ook een beetje uitkomt. We zijn dankbaar met het predicaat Groene Kerk; het is de erkenning dat we op de goede weg zijn en tegelijkertijd het goede voornemen om te doen wat wij kunnen om de aarde voor de volgende generatie te bewaren.

Feijenoord werd landskampioen; de dames wonnen het EK. En ik weet zeker dat ook u veel hebt om voor te danken.

Ik kan heengaan in vrede. Betekent het dat ik mijn leven als voltooid zie en wil sterven? Misschien. Vergeet niet dat heengaan in vrede ook te maken heeft met het omarmen van het leven en het in de praktijk brengen van je geloof.

‘Ga nu heen in vrede. Ga en maak het waar.’ Dat is mijn wens voor het nieuwe jaar.

 

Uit de Bijbel: Matteus 2: 16-18

Een moeder: Het was een verdrietig jaar.

 

Herodes liet in Bethlehem alle jongetjes van twee jaar en jonger ombrengen. De gedachte dat een ander aanspraak zou kunnen maken op zijn macht maakte hem bang en gevaarlijk tegelijkertijd. De moeders in Bethlehem huilden om hun kinderen en lieten zich niet troosten. Elke generatie heeft zijn eigen herodessen. En altijd weer betalen kinderen de rekening. Als ik geconfronteerd wordt met beelden daarvan, kan ik niet anders dan mijn ogen sluiten. Niet omdat ik hun ellende ontken, maar omdat ik het niet kan aanzien. Het was een verdrietig jaar.

Ook voor mensen dichtbij bracht het jaar veel verdriet. Mensen raakten in moeilijkheden; werden geconfronteerd met verdriet, verloren hun vertrouwen in de toekomst. Geliefden gingen dood en lieten een grote leegte achter. Massaal treurden we om Tijn, kleine held; om Eberhard van der Laan. Omdat met hen zoveel menselijkheid verloren ging.

Het is een jaar geweest dat mij voor grote vragen heeft gesteld: waarom toch? Waar komt toch dat lijden vandaan? En waar is God? Een antwoord krijgen we niet. We moeten leren leven met de ongerijmdheid van het bestaan. Tegelijkertijd weet ik ook dat hij de vraag zal stellen waar ik dan ben. Maar het helpt soms om een adres te hebben voor die verwarring en boosheid. En om te bidden: Heer, ontferm U. Wat ik jullie toewens: dat jullie je weg naar hem altijd zullen blijven vinden.

 

lied voor het nieuwe jaar: Ga maar gerust

(melodie: Finlandia; tekst: Sytse de Vries)

 

1. Ga maar gerust, want Ik zal met je meegaan.

Ik ben je baken, ook in diepe nacht.

Ik ben de stem die steeds in jou zal opstaan.

Ik ben de hand die op je vriendschap wacht.

Ik ben het licht dat voor je voeten uitgaat.

Ik ben de wind waardoor je ademhaalt.

 

2 Ga maar gerust, want Ik zal met je meegaan.

Ik ben de zon, waarvoor het donker knielt.

Ik ben de groet, waarmee ook jij kunt opstaan.

Ik ben de hoop, dat zaad diep in je ziel.

Ik ben het lied dat fluistert in de bomen.

Ik ben de dag, die schemert in je droom.

 

3 Ga maar gerust, want Ik zal met je meegaan.

Ik ben de liefde, die een mens je schenkt.

Ik ben de hoogste toon die jij kunt aanslaan.

Ik ben de verte, die verlangend wenkt.

En, kom je thuis, de laatste mist verdwenen,

ben Ik de hand, die al je tranen wist.

 

Nogmaals Prediker: Het was een jaar als alle andere jaren.

 

Ben ik een pessimist? Een cynicus? Ik noem me zelf liever een realist. Ik ben niet zo diepgelovig als Simeon. Maar uiteindelijk kom ook ik altijd weer uit bij God, als het mysterie dat ons leven draagt.

Het leven is voortdurend in beweging. De gebeurtenissen wisselen elkaar af. Zo heeft alles zijn tijd. Is het een dooddoener of juist troostend er een tijd is om te huilen én om te lachen? Niet alleen kun je na zonneschijn regen verwachten. Ook komt na regen zonneschijn. Als we dat elkaar toch kunnen blijven voorhouden; als we elkaar daarmee bemoedigen…..

In de opeenvolging van de dingen kunnen wij geen verandering brengen. We zouden best willen weten wat dit jaar ons brengt. Of we nu eindelijk weer eens reden zullen hebben tot lachen. Of dat we worden gepakt in ons geluk. Sommige mensen zouden dit jaar wel willen overslaan of vast een voorschot nemen en kijken hoe hun leven er -pakweg- in september uitziet. Of ze dan beter zullen zijn; of het beter zal gaan. Het verlangen om grip te hebben op de tijd hoort nu eenmaal bij mensen. We willen graag de vinger krijgen achter de bedoeling, de zin van ons bestaan.

Maar wij zijn God niet.

We kunnen heel veel maar met al onze kennis en wijsheid moeten we uiteindelijk vaststellen dat het niet in onze hand is. Ons rusteloze zoeken en vragen, ons streven, komt een keer tot rust. Ik geloof dat die rust in God is.

In heel dit ongerijmde bestaan blijf ik eraan vasthouden dat ons leven in zijn hand is. Een geschenk.

Mijn wens voor jullie is dan ook:

Prediker 9: 7 Geniet van het leven! Geniet van het brood dat je eet en van de wijn die je drinkt. Dat is wat God graag ziet. 8 Draag altijd mooie kleren. En zorg ervoor dat je lekker ruikt. 9 Geniet van het leven met de vrouw van wie je houdt. Je leven is zo voorbij. Geniet daarom van elke dag die God je geeft.

10 Als je de kans krijgt om iets te doen, doe het dan zo goed mogelijk.

 

kaarsengebed

Na elke bede zingen we een couplet van NL 511

 

1. Wij danken U, Heer onze God, voor het licht.

Voor uw Zoon, Licht voor de wereld.

Voor mensen die door hun nabijheid ons leven lichter maken.

Voor licht op ons pad, voor licht in ons hart. 

Wij danken U voor onze liefsten.

Voor alles waarop wij met vreugde en dankbaarheid terugkijken.

 

De eerste kaars wordt aangestoken

 

zingen: Door goede machten trouw en stil omgeven, NL 511: 1

 

2. Wij ontsteken een licht

voor wie verdrietig zijn

om wat het afgelopen jaar is gepasseerd,

om geliefden die zijn overleden

om kansen die zijn gemist

om brokken die zijn gemaakt.

Leid onze aandacht af van gisteren en eergisteren

dat wij niet blijven hangen in wat we niet kunnen veranderen.

Open onze ogen voor het goede van vandaag

en houdt ons steeds uw toekomst voor ogen

die eenmaal gestalte kreeg in uw geliefde mens, onze Heer.

 

De tweede kaars wordt aangestoken

 

zingen: Wil nog de oude pijn, NL 511: 2

 

3. Wij ontsteken een licht

voor wie gekleineerd worden door armoede,

voor wie ellende en oorlog zijn ontvlucht,

voor de kinderen van de rekening

voor mensen die leven op de puinhoop van hun verwoeste stad.

Behoed ons ervoor dat wij onze ogen sluiten

voor wat ver weg gebeurt.

 

De derde kaars wordt aangestoken

 

zingen: En wilt Gij ons, NL 511: 3

 

 

 

 

 

 

4. Wij ontsteken een licht

voor alle mooie en goede initiatieven

voor mensen die zich inzetten voor anderen

voor goede voornemens

voor hen die zoeken naar vrede, naar recht, naar heelheid.

Maak ook ons van harte bereid U te dienen.

Zegen het werk dat onze handen vinden om te doen.

 

De vierde kaars wordt aangestoken

 

zingen: Maar wilt Gij ons nog eenmaal, NL 511: 4

 

5. Wij ontsteken een licht voor ons zelf.

Er is zoveel dat ons in beslag neemt.

Wij leven zo vaak gehaast

en gaan voorbij aan wie en wat echt belangrijk is.

Breng rust in ons hoofd en ons hart.

Geef ons vreugde over wat ons lukt

en vrede met wat onaf blijft.

Bind ons elkaar in liefde op het hart.

 

De vijfde kaars wordt aangestoken

 

zingen: Laat warm en stil, NL 511: 5

 

6. Wij ontsteken een licht

voor wie onzeker zijn over wat het nieuwe jaar hen zal brengen,

voor hen geen zin meer in het leven zien,

voor hen die zich eenzaam voelen.

Geef hen een teken van uw nabijheid.

 

De zesde kaars wordt aangestoken

 

zingen: Valt om ons heen, NL 511: 6

 

7. We ontsteken een licht

om onze wanhoop te verdrijven

als teken

dat we durven geloven

dat de duisternis niet zal winnen

en dat er licht zal zijn voor iedereen.

 

De zevende kaars wordt aangestoken

 

zingen: In goede machten, NL 511: 7

 

 

Dec 27, 2017

Jozef gezocht

overweging op kerstmorgen in PG De Open Hof te Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 1: 1-14

 

Als de zon, Marianne Williamson

 

Onze diepste angst,

is niet dat we onmachtig zouden zijn.

Onze diepste angst betreft juist

onze niet te meten kracht.

Niet de duisternis, maar het licht in ons

is wat we het meeste vrezen.

 

We vragen onszelf af:

Wie ben ik wel om mezelf briljant, schitterend,

begaafd, geweldig te achten.

Maar waarom zou je dat niet zijn.

Je bent een kind van God.

Je dient de wereld niet

door jezelf klein te houden.

Er wordt geen licht verspreid,

als de mensen om je heen,

hun zekerheid ontlenen aan jouw kleinheid.

 

We zijn bestemd om te stralen,

zoals kinderen dat doen.

We zijn geboren om de glorie Gods die in ons is

te openbaren.

Die glorie is niet slechts in enkelen,

maar in ieder mens aanwezig.

En als we ons licht laten schijnen,

schept dat voor de ander

de mogelijkheid hetzelfde te doen.

 

Als we van onze diepste angst bevrijd zijn,

zal alleen al onze nabijheid

anderen bevrijden.

 

Jozef gezocht

Even dreigde er een probleem: voor de kinderkerstviering hadden we wel een kindeke met zijn moeder maar geen Jozef. We plaatsten een oproep op Facebook: Jozef gezocht. Ervaring niet vereist, tekst: geen, leeftijd onbelangrijk. Binnen een paar minuten hadden we Jozef gevonden.

Jozef lijkt niet zo’n grote rol te hebben in het kerstverhaal. Hij staat er maar zo’n beetje bij. Als de man van. Maria toon de haar bereidheid door zonder aarzelen ja tegen de engel te zeggen en tot het einde toe blijft zij bij haar zoon. Het kind in de voerbak stelt nu misschien nog niet zoveel voor maar wacht maar tot hij groter is. En Jozef? Daar hoor je niet zoveel meer van.

En toch waren we voor het kinderkerstfeest dringend op zoek naar Jozef. Het plaatje moest compleet zijn. Zonder Jozef hadden we waarschijnlijk vragen gekregen: waar is Jozef? Waarom doet hij niet mee? Zijn rol mag dan klein zijn, hij kan niet gemist worden. Waarom eigenlijk niet?

 

drager van het licht

Velen van jullie weten dat ik kerststalletjes spaar. En ik denk dat ik daar een antwoord heb gevonden op de vraag waarom Maria geen single mom kan zijn. Ik laat jullie een van mijn kerstgroepen zien. Kunnen jullie zien wie Jozef is? Maria en het kind zijn makkelijk. Maar welke is nu Jozef en welke is de herder? Wat het verschil maakt tussen beide figuurtjes is de lantaarn. En dat is Jozef. Jozef is de drager van het licht. Hij is als aardse vader de aangewezen figuur om het kind in de voerbak, dat het licht voor de wereld is, te dragen in zijn armen. Om het te beschermen, te laten groeien, te laten stralen. Soms heeft Jozef een kaars vast; zijn hand er beschermend om heen om te voorkomen dat de vlam uitwaait.

Ik vind het een troostend beeld. Jozef met zijn kaarsje vertelt me dat we nooit te min over ons zelf moeten denken. Niet moeten denken: ik speel maar een bijrol, ik kan makkelijk worden gemist. In de ogen van de mensen om je heen zou dat wel eens heel anders kunnen zijn. Denk ook niet: laat een ander het maar doen, die kan het vast veel beter. In Gods ogen zou dat wel eens heel anders kunnen zijn. Zonder het zelf te beseffen zijn we van levensbelang. We kunnen niet worden gemist.

Of, met de woorden van Marianne Williamson: Wie ben ik om mezelf briljant, schitterend, begaafd, geweldig te achten. Maar waarom zou je dat niet zijn? Je bent als kind van God bestemd om te stralen, om licht te verspreiden.

 

in het begin

Diep van binnen weten we dat het wáár is; weten we dat licht de basis is van alles. In het begin, zegt Johannes, in het begin was het woord waaruit leven en licht ontstond. Natuurlijk! Want de Bijbel begint met het verhaal van de schepping en het eerste woord dat klinkt, het eerste woord dat God uitroept is Licht! In het begin schrijft Johannes. En daarmee bedoelt hij niet zozeer een moment in de tijd. In principio is het in het Latijn. In principe, aan de basis, om te beginnen…is er het licht. Het eerste dat ik doe als ik mijn donkere huis binnen ga is het licht aandoen. Dat maakt mijn huis een plek om thuis te komen. Het eerste dat we doen als we samenkomen als gemeente is kaarsen aansteken. Zo vertellen we: we zijn thuis. Bij elkaar, bij God. En vaak branden er achter in de kerk ook kleine kaarsjes. Omdat we vertrouwen, hopen, dat geliefden die we missen thuis zijn bij God. Om te beginnen is er het licht. Licht dat schijnt in de duisternis.

Licht dat van de aarde een thuis maakte, een bewoonbare plek van samen leven. Dat woord van het begin trilt na tot op vandaag. In principe; zo is het de bedoeling

 

duister

En omdat we dat geloven, zien we ook waar het donker is. Johannes windt er ook geen doekjes om: het licht schijnt in de duisternis. Hij neemt mee dat er veel donker is in de wereld, in de mensen. Buiten ons om en door ons. Er is verdriet waar niemand schuld aan heeft; er is verdriet om wat mensen elkaar aan doen. Eenzaamheid, alleen thuiskomen in een donker huis. En toch is er altijd dat weten: zo is het niet de bedoeling. Boven de onvolkomenheid uit is er altijd het verlangen naar dat licht. Licht boven ons uit. Licht in ons.

Soms zien we er even iets van. In wat mensen voor elkaar betekenen. In de liefde. In de schoonheid, in muziek. In een baby. In alles wat goed is en heel en herinnert aan het licht van het begin. Als een licht heeft Jezus onder de mensen gewoond. Hoe zag je dat hij het licht was? Omdat hij vol van goedheid en waarheid was. Omdat hij de grootheid van de Vader openbaarde. Vleesgeworden woord, zeggen we. Licht in een lichaam. En in alles wat hij deed en zei eerde hij de Vader. Hij was bestemd om te stralen. En hij deed dat zó dat anderen ook gingen stralen.

 

licht

Jozef gezocht. Ervaring niet nodig, leeftijd onbelangrijk. Het kerstevangelie nodigt ons uit om onze rol op ons te nemen. Die van lichtdrager. Beschermer van het licht. Kandelaar voor het Licht van Christus. Blijf niet in je donkere hoekje zitten. Klamp je niet vast aan angst, aan valse zekerheden of schijn. Denk niet te gering over jezelf. Er wordt geen licht verspreid, als de mensen om je heen, hun zekerheid ontlenen aan jouw kleinheid. Jij bent bestemd om je plaats in te nemen in de entourage van Jezus. Jij mag zijn licht dragen. Zijn licht zal jou dragen.

 

 

Dec 20, 2017

Advent

1e zondag van Advent, Marcus 13: 24-32

 

Een deur wordt geopend

licht kiert naar binnen

vertelt van meer

dan waar wij op hopen

even ongelofelijk

als voorzichtig groen

uit een dorre tak.

Verwachtingsvol

heffen wij ons gezicht

naar dat licht.

 

2e zondag van Advent, Johannes 1: 19-28

 

Niet gekend

en ongezien

stond hij tussen de mensen

Als een licht in het donker

maar onbegrepen

Gods Woord

dat om antwoord vroeg

Mens als iedereen

maar toch zo mooi

anders

 

3e zondag van Advent, Johannes 3: 22-30

 

Mens word ik

in uw ogen

door te zijn

zoals U mij heeft bedoeld:

niet de bruidegom

maar zijn vriend

niet de boodschap

maar de boodschapper

niet het licht zelf

maar een van zijn stralen

help mij te groeien

 

door kleiner te worden.

Dec 20, 2017

Hoop

overweging bij de Top 2000 kerkdienst PG De Open Hof

17 december 2017

uit de Bijbel: Lucas 1: 26-38

‘Als ik niet meer mag praten over de hoop, houd ik mijn mond.’ Dat zei iemand tijdens de voorbereiding op deze dienst. We kunnen niet zonder de hoop dat het morgen beter gaat, dat de behandeling aanslaat, dat je snel zult herstellen, dat je een baan zult krijgen. We blijven hopen dat het goed komt na die ruzie of dat we de liefde van ons leven zullen vinden. Hoop is onze zuurstof, zonder stikken we en sterven we af. Want hoop doet leven.

Precies dát vormt de kern van de adventsperiode. Als de dagen op hun donkerst zijn, begint de kerk te zingen van licht. Als de media de gegevens voor alweer een treurig jaaroverzicht gaan verzamelen, vol geweld en mislukking, gaat de kerk daar dwars tegenin met een verhaal van hoop.

 

Met elkaar probeerden we onze vinger erachter te krijgen wat het nu precies is, hoop. Het is meer dan optimisme. Het is geen roze bril. En ook geen inhoudsloos klopje op de schouder: kop op, joh, morgen is alles beter.

 

Hoop ontkent de feiten niet. Het ziet de problemen, de spanningen, de angstige feiten onder ogen, maar legt zich daar niet bij neer. De hoop heeft geen fatalistische houding – het wordt toch nooit wat-  maar blijft zoeken naar mogelijkheden. En blijft kijken naar signalen of het toch anders kan zijn dan we van tevoren bedenken. Hoop is kerst, zei iemand. Dan flikkert er een lichtje op. Een licht dat wenkt, hierheen!

 

De hoop is niet een of ander gen dat je met de geboorte krijgt ingeplant. Het is geen persoonlijke eigenschap of karaktertrek. Om hoop te hebben hoef je niet het zonnetje in huis te zijn. Je moet alleen in morgen durven geloven. Wie blijft hangen bij de feiten zoals ze zijn, is rijp voor de wanhoop. Wie hoopt is een mogelijkheidsdenker.

(Robert Musil)

 

En dat, zegt de christelijke traditie, word je gegeven. Het is een geschenk. Er zit altijd iets in van genade. Iets van ondanks alles, tegen beter weten in, en toch…. De Bijbel wemelt van de verhalen die tegen de feiten in gaan. En een van de mooiste is die van een jonge vrouw die zonder nadenken ja zegt als God haar wil inschakelen voor zijn reddingsplan.

 

Zij wimpelt de engel niet af omdat ze er geen heil inziet; ze houdt haar scepsis voor zich dat het wel een heel klein begin is voor een koninkrijk van vrede: een baby. Ze zegt ja en neemt vandaag een stap die morgen voorbereidt. 

 

In de Bijbel gaat het over: geloof, hoop en liefde, deze drie. (1 Kor 13) En de liefde is de grootste. Eigenlijk waren wij het daar niet mee eens. Het is de hoop die ons terugbrengt bij de liefde; die ons aanspoort om ook hoopvolle dingen te doen en te zeggen. Want je kunt het niet alleen, zingen Nick en Simon. Met elkáár wordt het beter.

Het is de hoop die ons terug brengt bij ons vertrouwen en ons weer kracht geeft en goede moed. Misschien brengt de hoop ons ook wel weer terug bij God als we hem in de chaos van het bestaan zijn kwijtgeraakt en we pakken zonder vragen zijn hand.

 

Dat mensen geloven hoeft ons niet te verbazen. We begonnen deze dienst met What a wonderful world. De verwondering over bloemen, de levendigheid van kinderen, de kleuren van de regenboog brengen je bijna als vanzelf bij de Schepper.

Er moet een oorsprong zijn, het kan bijna niet anders.

Ook liefde hoeft ons niet te verbazen. Mensen zijn niet van steen. Ze zijn voor elkaar geboren. Natuurlijk zorgen ze voor elkaar. Alleen al het succes van een actie als Serious Request geeft aan dat we bewogen zijn om elkaar. Maar dat de hoop overleeft, dat is verbazingwekkend. Want de hoop staat voortdurend onder druk. Het is een vlammetje dat maar niet wil doven. (naar: Charles Péguy, Le Porche du mystère de la deuxième vertu) 

 

Met kerst zeggen we: de hoop is mens geworden. Herkenbaar in hoe Jezus in het leefde stond. Maar even herkenbaar in jou en mij.

 

 

Dec 20, 2017

Johannes 3: 22-30

overweging op zondag 17 december 2017        PG De Open Hof

derde zondag van Advent

 

uit de Bijbel: Johannes 3: 22-30

 

wat ik niet ben

Er zijn momenten geweest dat ik veel te veel ballen in de lucht hield. Ik was dominee, moeder, vrouw van Bas en ik was vergeten dat de volgorde andersom moest zijn. Sterker nog, dat er nog iets vóór moest: ik was in de eerste plaats gewoon mezelf. Maar haar was ik voorbijgelopen. Wat een collega toen tegen mij zei ben ik nooit vergeten: de wereld is al gered. Dat hoef jij niet meer te doen. Met andere woorden: jij bent de Messias niet.

 

Ik ben de Messias niet, zegt Johannes. Ik ben alleen maar de getuige, niet de bruidegom. Johannes is dienstbaar. Let maar niet op mij, zegt hij. En juist daarin blijft hij volkomen zichzelf.

 

Dat kan ook anders. 

Ik zie mensen die datzelfde zeggen: let maar niet op mij. Zij cijferen zichzelf weg, om voor een zieke partner te zorgen, om heen en weer te rennen tussen gezin en ouders. Om werk en gezin te combineren. Vaak in een poging te voldoen aan het ideaalbeeld van een goede moeder of een lieve zoon rennen zij zichzelf voorbij. Wie zij werkelijk zelf zíjn, komt niet uit de verf.

Let maar niet op mij, zeggen anderen.

Ik ben niks. Ik kan niks. Ik ben het niet waard. Verdrietig genoeg zijn zij ook niet wie ze mogen zijn.

 

Johannes blijft juist overeind door te zeggen wie hij niet is.

Het kan een enorme opluchting zijn om na te gaan wat wij níet zijn, en wat wij níet kunnen. De wereld zou er misschien beter van worden als we tegen elkaar durfden te zeggen: ik ben niet degene die jouw leed kan dragen. Ik ben niet degene die alle problemen in de wereld hoeft op te lossen. Ik ben niet degene die niet gemist kan worden omdat alles dan in het honderd loopt.

 

Want stilstaan bij wat je niet kunt zijn, of niet hoeft te zijn, geeft ruimte om uit te vinden wie je wél kunt zijn en wat je wél kunt betekenen. Aangeven wat je níet bent, geeft duidelijkheid over wat mensen wél van je kunnen verwachten. Door te zeggen wat hij níet is, groeit Johannes. Als mens. En uit een gesprek van deze week neem ik deze woorden mee: ik ben niet wat ik doe, ik ben niet wat ik heb, ik ben Gods geliefde kind. Ik mag er zijn als mezelf. (Later vond ik deze woorden terug in de diensten van Hour of Power)

Wie zo met zichzelf weet te leven, ziet in anderen geen concurrentie. Voelt zich niet aangevallen of aangetast in haar waardigheid. De mensen om je heen zijn niet per se beter of slechter maar gewoon zichzelf.

 

de kalme gang, de kleine taak

Johannes zegt: een mens kan alleen ontvangen wat hem door de hemel gegeven wordt. Ieder mens krijgt wat God hem wil geven. (Joh 3: 27 Bijbel in Gewone Taal) Dit is míjn taak, zegt Johannes. Zo kan het jouw taak zijn om moeder te zijn, of vader. Zo kan het jouw taak zijn om een verantwoordelijke baan te hebben. Of om vrijwilligerswerk te doen. Wat staat jou vandaag te doen? Wat is op dit moment in jouw leven écht belangrijk? Zoek dat uit en focus daarop. Het is genoeg.

In het liedboek staat een prachtig morgenlied hierover: De kalme gang, de kleine taak, zijn groot genoeg voor Godes zaak. (NL 215: 6) Want in ons gewone handelen, in de dingen die we moeten doen, eren we God. Dienen we zijn zaak, we bouwen een stukje van zijn koninkrijk.

 

Vandaag dopen we Thieme. In het voorgesprek met zijn ouders benoemden we hoe we onze kinderen de ruimte en vrijheid willen geven om te worden wie ze kunnen zijn. Gewoon zichzelf. Niet wie wij verwachten dat ze zullen zijn. Niet méér dan ze aankunnen, maar ook niet minder.

 

groeien door klein te zijn

Toen hij vrijkwam na zijn jarenlange gevangenschap zei Nelson Mandela: niemand is ermee gediend als jij jezelf klein houdt. Daarmee bedoelde hij niet dat je jezelf enorm belangrijk moet maken door jezelf compleet voorbij te rennen. Hij bedoelde ook niet dat jij jezelf ten koste van anderen groot maakt. Maar dat je bedoeld bent om te zijn wie je bent, om te stralen. Jij, als kind van God, bent in het licht gezet. En als jij straalt, als jij bent wie je kunt zijn, krijgen anderen die ruimte ook. 

 

Jezus moet groeien, zegt Johannes. En Jezus groeide omdat hij zonder vrezen de minste wilde wezen. (NL 838 : 2) Hij bleef trouw aan zijn roeping. Hij deelde uit: brood, goede woorden, genezing, vergeving. Hij deelde zijn liefde, zijn leven, zelfs zijn lichaam. En zo was hij de belichaming van Gods liefde. Hij kon alleen groeien omdat hij zichzelf liet zaaien als een graankorrel. Hij verloor zichzelf. Ten dode toe. En daarin groeide hij.

 

Volgende week als het kerst is, lezen we over kleinheid. Over een bescheiden onderkomen, een nederige geboorte. Een vorst zonder pracht, heel met gebreken, licht in de nacht. (NL 478) Hoewel het alle schijn tegen had, heeft het kind in de voerbak zijn roeping ontdekt. Hij ontving van harte wat God hem wilde geven en vond daarin zijn weg.

 

Dat het zo mag zijn dat wij in aanloop naar het feest van het Licht ontdekken waar ons licht schijnt. En daarin vreugde scheppen. Dat het zo mag zijn dat wij niet te gering denken over ons zelf. Maar ook niet te groot. Het gaat erom wie we zijn in het licht van de Messias en dat wij zijn licht verspreiden. Ik hoef de wereld niet te redden, dat heeft hij gedaan. Maar ik ben zijn getuige.  

overweging op zondag 10 december 2017        PG Carnissehaven

2e zondag van Advent

uit de Bijbel: Lucas 1: 57 - 79

 

knellende verwachting

Advent is verwachting.

In de praktijk blijkt dat een lastig begrip te zijn met de nodige haken en ogen. We hebben zo onze eigen invulling van wat verwachting is. En juist die moeten we in de weken voor Kerst naast ons neerleggen. Advent -verwachten- is veel meer niet, dan wel.

 

We zijn op kraambezoek bij Elisabet en Zacharias. Nooit gedacht, onverwacht, is daar een kind geboren. Buren en familie drommen naar binnen. Ze willen het kind besnijden. En hem een naam geven. Zacharias, naar zijn vader. Alles keurig zoals het hoort, naar de geschreven en ongeschreven regels van de traditie. Zo wordt dat nu eenmaal verwacht.

 

Wat kan verwachting benauwend zijn en knellen.

 ‘Mijn vader had verwacht dat ik de zaak zou overnemen’, zei de jongen die naar het conservatorium wilde om toch van de muziek te leven. Al zei zijn vader dat daar geen droog brood mee te verdienen was.

 

‘Mijn moeder had verwacht dat ik zou trouwen en kinderen krijgen’, zei de jonge vrouw die de liefde van haar leven had gevonden bij aan andere jonge vrouw.

 

‘Mijn vader verwacht dat hij bij ons te gast is met kerst’, zei de man die met zijn gezin samen wilde zijn.

 

Dit soort verwachting laat geen ruimte om te groeien. Heeft geen ruimte om te verrassen, te verwonderen.

 

Hoe eenzaam kunnen verwachtingen ons ook maken. ‘Ik had verwacht dat je wel zou bellen’ verweet de moeder haar dochter, die juist verwacht had dat moeder de eerste stap zou zetten.

 

‘We vierden altijd samen kerst’, maar dat is nu meer dan ik durf te verwachten, zei de man die in de steek gelaten was.

 

nooit verwacht

Over dit soort verwachtingen gaat het duidelijk niet in de periode van advent. Boven alle verwachting, buiten de verwachtingen om, gebeuren heel andere dingen. Buiten de gebaande wegen worden heel nieuwe wegen geopend.

Toen dit aan Zacharias werd kenbaar gemaakt door de engel Gabriel, werd hij sprakeloos. Wat hij ook verwacht had, dit niet. En hij sloeg dicht. Letterlijk en figuurlijk. Zijn gebed is verhoord maar hij blijft stom geslagen achter.

 

Die sprakeloosheid en het onvermogen om de hoop toe te laten kwam ik lang geleden tegen bij een dame in het dorp. MS hield haar aan bed gekluisterd. Wachten had ze inmiddels wel geleerd; op de verpleging, op bezoek, op de dominee. Maar verwachten deed ze niets meer.

Tot er iemand begon over een rolstoel. Speciaal voor haar. Haar wereld zou groter kunnen worden. Ze zweeg. Ze kon niet uitspreken dat ze er geen heil in zag. Ze kon niet zeggen dat ze er niet op durfde hopen.

Ze had geen woorden om te vertellen dat ze geen verwachtingen meer had. Ze was daarin even sprakeloos als Zacharias. Geen verlangens, alleen maar scepsis. Een onuitgesproken: ik moet het nog zien. Maar ze kreeg haar nieuwe rolstoel en de dagen die zich donker aaneen hadden geregen werden licht. Haar engel had gelijk gekregen.

Sprakeloos zijn we, als we niet meer kunnen bidden. Als we ervan uit gaan dat het toch nooit beter wordt dan dit. Als we fatalistisch zijn en niet meer willen uitkijken naar een betere wereld. Als ons verwachten ophoudt….

 

‘Ook deze tijd gaat voorbij’, houd ik soms mensen voor. Misschien zal je eens op deze periode terugkijken zonder verdriet, of zonder boosheid. Ik beschouw mezelf dan oprecht als iemand die van Godswege andere verwachtingen mag wekken dan de verwachting dat alles gaat zoals het gaat. Daarin kunnen we als mensen van de kerk engelen zijn, boodschappers van betere tijden. Geloof het maar, je zult het zien.

 

tegen de verwachting in

Maar hoe zit dat nu met Zacharias. De kamer vol buren. En hij zit er zwijgend bij. Zij willen hem besnijden en Zacharias noemen. Net als zijn vader.  Zo zal hij zijn opgenomen in de schoot van de familie, ingebed in de tradities van een buurgemeenschap, een geloofstraditie. Veilig en warm. Maar evengoed benauwd en vleugellam.

Niet dit kind. Hij zal geen deel worden van de gevestigde orde, niet zwijgzaam in hoop en geloof en niet monddood door de waan van de dag. Hij zal juist tegen alles wat gaat zoals het gaat aanschoppen. Aan geen enkele verwachting zal hij voldoen. Hij zal profeteren. Oproepen om te breken met de gang van zaken. Hij zal oproepen om de weg te bereiden voor de vrede, om het pad te effenen voor de mens die de aarde zal verlichten met hemels licht. Maar nu is het nog maar een baby. En hij moet een naam krijgen.

Johannes moet hij heten, zegt Elisabet. Maar er is niemand in je familie die zo heet, werpen de buren tegen. Dit kind zal dan ook geen voortzetting zijn van het verleden maar het begin van iets heel nieuws. Nieuws dat goed beschouwd oud nieuws is.

 Want: ‘God is genadig’, dat betekent Johannes.  

Dat God genadig is, is oud nieuws. Dat is nieuws dat is ingebed in traditie, dat wortelt in geloof van generaties. Maar tegelijkertijd is het meer dan waarop Zacharias had durven hopen. Daarom was hij met stomheid geslagen. Nu zal zijn zoon hem er voortdurend aan herinneren dat God genadig is en dat er altijd reden zal zijn om te hopen en te verwachten.

 

zoals verwacht

Zacharias is niet langer sprakeloos: hij heeft ook wat te zeggen, te zingen. In zijn lied klinken verhalen van het verleden. Over de reddende arm van de Eeuwige waarmee Hij zijn volk uitleidt uit angst en duisternis. Verwijzingen naar oude verhalen en citaten uit de Psalmen buitelen over elkaar heen. Het gaat over Abraham, over koning David.

Eigenlijk zingt Zacharias dat het te verwachten is dat God barmhartig zal zijn. Zo heeft hij zich altijd al laten kennen. Vanuit een eed die hij gezworen heeft, een oude belofte.

Zacharias zingt een nieuw lied, dat zo oud is als het geloof van zijn volk. Een lied over verwachtingen die waar bleken, over het doorbreken van bevrijding tegen de gevestigde orde in. Een lied over nooit-gedacht licht terwijl iedereen zich er al bij neer had gelegd dat het donker zou blijven.

 

Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God

zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan.

 

Het loflied van Zacharias heeft in de kerk der eeuwen zijn plaats gekregen in het morgengebed. Als de dag begint te gloren, als de duisternis plaats maakt voor het licht, zingt de kerk dit lied.

Ook als het ’s morgens nog te vroeg is om al licht te zijn, wordt dit lied gezongen in het morgengebed. In het vertrouwen dat hoe donker het ook is, Gods licht onstuitbaar op zal gaan. Dat door de scheuren en barsten in ons bestaan Gods licht op ons zal vallen.

 

Onstuitbaar is Zacharias in zijn zingen. Zolang heeft hij zijn mond gehouden, zo lang niet voor mogelijk gehouden dat er een doorkomen aan was voor zijn volk. Vergeet niet: het was in de dagen van keizer Augustus en het bewind van Quirinius over Syrië. Het wás donker en iets van licht en hoop gloorde.

Verwachting begint altijd klein. Bij het loslaten van je eigen invulling. Bij een belofte. Bij een kind, straks, weggefrommeld in een hoekje van het grote Romeinse Rijk.

Voverweging op zondag 10 december 2017        PG Carnissehaven

2e zondag van Advent

uit de Bijbel: Lucas 1: 57 - 79

 

knellende verwachting

Advent is verwachting.

In de praktijk blijkt dat een lastig begrip te zijn met de nodige haken en ogen. We hebben zo onze eigen invulling van wat verwachting is. En juist die moeten we in de weken voor Kerst naast ons neerleggen. Advent -verwachten- is veel meer niet, dan wel.

 

We zijn op kraambezoek bij Elisabet en Zacharias. Nooit gedacht, onverwacht, is daar een kind geboren. Buren en familie drommen naar binnen. Ze willen het kind besnijden. En hem een naam geven. Zacharias, naar zijn vader. Alles keurig zoals het hoort, naar de geschreven en ongeschreven regels van de traditie. Zo wordt dat nu eenmaal verwacht.

 

Wat kan verwachting benauwend zijn en knellen.

 ‘Mijn vader had verwacht dat ik de zaak zou overnemen’, zei de jongen die naar het conservatorium wilde om toch van de muziek te leven. Al zei zijn vader dat daar geen droog brood mee te verdienen was.

 

‘Mijn moeder had verwacht dat ik zou trouwen en kinderen krijgen’, zei de jonge vrouw die de liefde van haar leven had gevonden bij aan andere jonge vrouw.

 

‘Mijn vader verwacht dat hij bij ons te gast is met kerst’, zei de man die met zijn gezin samen wilde zijn.

 

Dit soort verwachting laat geen ruimte om te groeien. Heeft geen ruimte om te verrassen, te verwonderen.

 

Hoe eenzaam kunnen verwachtingen ons ook maken. ‘Ik had verwacht dat je wel zou bellen’ verweet de moeder haar dochter, die juist verwacht had dat moeder de eerste stap zou zetten.

 

‘We vierden altijd samen kerst’, maar dat is nu meer dan ik durf te verwachten, zei de man die in de steek gelaten was.

 

nooit verwacht

Over dit soort verwachtingen gaat het duidelijk niet in de periode van advent. Boven alle verwachting, buiten de verwachtingen om, gebeuren heel andere dingen. Buiten de gebaande wegen worden heel nieuwe wegen geopend.

Toen dit aan Zacharias werd kenbaar gemaakt door de engel Gabriel, werd hij sprakeloos. Wat hij ook verwacht had, dit niet. En hij sloeg dicht. Letterlijk en figuurlijk. Zijn gebed is verhoord maar hij blijft stom geslagen achter.

 

Die sprakeloosheid en het onvermogen om de hoop toe te laten kwam ik lang geleden tegen bij een dame in het dorp. MS hield haar aan bed gekluisterd. Wachten had ze inmiddels wel geleerd; op de verpleging, op bezoek, op de dominee. Maar verwachten deed ze niets meer.

Tot er iemand begon over een rolstoel. Speciaal voor haar. Haar wereld zou groter kunnen worden. Ze zweeg. Ze kon niet uitspreken dat ze er geen heil in zag. Ze kon niet zeggen dat ze er niet op durfde hopen.

Ze had geen woorden om te vertellen dat ze geen verwachtingen meer had. Ze was daarin even sprakeloos als Zacharias. Geen verlangens, alleen maar scepsis. Een onuitgesproken: ik moet het nog zien. Maar ze kreeg haar nieuwe rolstoel en de dagen die zich donker aaneen hadden geregen werden licht. Haar engel had gelijk gekregen.

Sprakeloos zijn we, als we niet meer kunnen bidden. Als we ervan uit gaan dat het toch nooit beter wordt dan dit. Als we fatalistisch zijn en niet meer willen uitkijken naar een betere wereld. Als ons verwachten ophoudt….

 

‘Ook deze tijd gaat voorbij’, houd ik soms mensen voor. Misschien zal je eens op deze periode terugkijken zonder verdriet, of zonder boosheid. Ik beschouw mezelf dan oprecht als iemand die van Godswege andere verwachtingen mag wekken dan de verwachting dat alles gaat zoals het gaat. Daarin kunnen we als mensen van de kerk engelen zijn, boodschappers van betere tijden. Geloof het maar, je zult het zien.

 

tegen de verwachting in

Maar hoe zit dat nu met Zacharias. De kamer vol buren. En hij zit er zwijgend bij. Zij willen hem besnijden en Zacharias noemen. Net als zijn vader.  Zo zal hij zijn opgenomen in de schoot van de familie, ingebed in de tradities van een buurgemeenschap, een geloofstraditie. Veilig en warm. Maar evengoed benauwd en vleugellam.

Niet dit kind. Hij zal geen deel worden van de gevestigde orde, niet zwijgzaam in hoop en geloof en niet monddood door de waan van de dag. Hij zal juist tegen alles wat gaat zoals het gaat aanschoppen. Aan geen enkele verwachting zal hij voldoen. Hij zal profeteren. Oproepen om te breken met de gang van zaken. Hij zal oproepen om de weg te bereiden voor de vrede, om het pad te effenen voor de mens die de aarde zal verlichten met hemels licht. Maar nu is het nog maar een baby. En hij moet een naam krijgen.

Johannes moet hij heten, zegt Elisabet. Maar er is niemand in je familie die zo heet, werpen de buren tegen. Dit kind zal dan ook geen voortzetting zijn van het verleden maar het begin van iets heel nieuws. Nieuws dat goed beschouwd oud nieuws is.

 Want: ‘God is genadig’, dat betekent Johannes.  

Dat God genadig is, is oud nieuws. Dat is nieuws dat is ingebed in traditie, dat wortelt in geloof van generaties. Maar tegelijkertijd is het meer dan waarop Zacharias had durven hopen. Daarom was hij met stomheid geslagen. Nu zal zijn zoon hem er voortdurend aan herinneren dat God genadig is en dat er altijd reden zal zijn om te hopen en te verwachten.

 

zoals verwacht

Zacharias is niet langer sprakeloos: hij heeft ook wat te zeggen, te zingen. In zijn lied klinken verhalen van het verleden. Over de reddende arm van de Eeuwige waarmee Hij zijn volk uitleidt uit angst en duisternis. Verwijzingen naar oude verhalen en citaten uit de Psalmen buitelen over elkaar heen. Het gaat over Abraham, over koning David.

Eigenlijk zingt Zacharias dat het te verwachten is dat God barmhartig zal zijn. Zo heeft hij zich altijd al laten kennen. Vanuit een eed die hij gezworen heeft, een oude belofte.

Zacharias zingt een nieuw lied, dat zo oud is als het geloof van zijn volk. Een lied over verwachtingen die waar bleken, over het doorbreken van bevrijding tegen de gevestigde orde in. Een lied over nooit-gedacht licht terwijl iedereen zich er al bij neer had gelegd dat het donker zou blijven.

 

Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God

zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan.

 

Het loflied van Zacharias heeft in de kerk der eeuwen zijn plaats gekregen in het morgengebed. Als de dag begint te gloren, als de duisternis plaats maakt voor het licht, zingt de kerk dit lied.

Ook als het ’s morgens nog te vroeg is om al licht te zijn, wordt dit lied gezongen in het morgengebed. In het vertrouwen dat hoe donker het ook is, Gods licht onstuitbaar op zal gaan. Dat door de scheuren en barsten in ons bestaan Gods licht op ons zal vallen.

 

Onstuitbaar is Zacharias in zijn zingen. Zolang heeft hij zijn mond gehouden, zo lang niet voor mogelijk gehouden dat er een doorkomen aan was voor zijn volk. Vergeet niet: het was in de dagen van keizer Augustus en het bewind van Quirinius over Syrië. Het wás donker en iets van licht en hoop gloorde.

Verwachting begint altijd klein. Bij het loslaten van je eigen invulling. Bij een belofte. Bij een kind, straks, weggefrommeld in een hoekje van het grote Romeinse Rijk.

Verwachting begeeft zich ook buiten de gebaande paden.

Wij hebben iets te verwachten. Al denken we soms van niet. Goedheid. Vergeving van zonden. Licht. Laten we ons zonder reserves daarvoor openstellen. Kijken waar al iets te zien is. Ons laten overrompelen, ook in onze donkere uren, door het licht. Laten we ons niet neerleggen bij een wereld verloren in schuld en duistere wolken. Laten we niet blijven hangen in verdriet of boosheid om onze eigen duisternis. Maar zoeken naar de kieren waardoor het licht zichtbaar wordt. Verwachting begeeft zich ook buiten de gebaande paden.

 

Wij hebben iets te verwachten. Al denken we soms van niet. Goedheid. Vergeving van zonden. Licht. Laten we ons zonder reserves daarvoor openstellen. Kijken waar al iets te zien is. Ons laten overrompelen, ook in onze donkere uren, door het licht. Laten we ons niet neerleggen bij een wereld verloren in schuld en duistere wolken. Laten we niet blijven hangen in verdriet of boosheid om onze eigen duisternis. Maar zoeken naar de kieren waardoor het licht zichtbaar wordt. 

Met een groep lazen we afgelopen weken in Exodus. Verhelderend om zo met elkaar bekende verhalen nog eens tot ons te laten doordringen. Een van de dingen waarover we bleven struikelen was het geweld in dit boek; tegen de farao van Egypte, tegen de volken waarmee Israël samenleefde. We konden ons niet voorstellen dat God en geweld een combinatie vormen.

 

‘Zolang Mozes zijn arm opgeheven hield, was Israël de sterkste partij, maar liet hij zijn arm zakken, dan was Amalek de sterkste.’ Exodus 17: 11

 

Geweld is overal om ons heen. Geweld dat al te vaak geen enkel argument nodig heeft om uit te barsten en waartegen geen logica is opgewassen. Mensen zijn tot oneindig veel kwaad in staat. En er zijn zoveel kinderen op deze wereld die niet anders kennen dan dit.

In de Bijbel krijgt het kwaad een naam: Amalek. Toen Gods volk was weggetrokken uit Egypte was Amalek die hen aanviel. Hij trof Israël in zijn zwakke plek, in de achterhoede waar de ouderen liepen; waar de kinderen liepen en de mensen die uitgeput waren. Een laffe streek waarmee Amalek het gezicht is geworden van het kwaad van alle tijden en alle plaatsen.

Geweld en kwaad is er altijd geweest. In vele vormen en gedaanten, met vele namen, heeft het onrecht de kop op gestoken en zal dat blijven doen. Altijd weer zullen mensen, volken, bewegingen er naar streven om dat wat goed en rechtvaardig is de kop in te drukken. Er is tenslotte maar een ding waar het donker bang voor is, dat is het licht en het kwade heeft slechts van goedheid te vrezen.

Niet alleen op het wereldtoneel wordt keer op de keer de strijd tussen goed en kwaad uitgevochten. Ook op intermenselijk niveau en zelfs in mensen zelf wordt deze strijd voortdurend geleverd.

In Exodus gaat Gods volk de strijd aan met Amalek en Mozes gaat hen in die strijd voor. Hij zal de staf van God in zijn hand omhooghouden en daarmee ook de normen en waarden hooghouden die hem en de zijnen onderscheiden van de Amalekieten. Hij zal hooghouden dat Israël vertrouwen mag op de God die hen heeft bevrijd uit Egypte en te drinken en te eten heeft gegeven in de woestijn. Zolang Mozes dat weet hoog te houden, heeft zijn volk de overhand. Als de vermoeidheid toeslaat, of misschien wel de twijfel of ze ooit zullen overwinnen, is Amalek sterker. Gelukkig zijn er twee mannen die ervoor zorgen dat Mozes kan zitten en die zijn armen ondersteunen.

 

Als ik mismoedig ben en eraan twijfel of het ooit nog wat wordt met deze wereld, als ik me verdrietig afvraag hoe de wereld eruit zal zien voor de kinderen van mijn kinderen, zakt de moed mij in de schoenen als de armen van Mozes. Laten er dan mensen zijn die met mij het vertrouwen hooghouden dat God daar is waar mensen de strijd aanbinden met het onrecht. Laten er mensen zijn die met mij de woorden van bisschip Desmond Tutu willen zingen: ‘Goedheid is sterker dan slechtheid; liefde sterker dan haat; licht is sterker dan duister; leven sterker dan dood. Hoopvol zijn wij, sinds hij ons liefhad.’ Mensen zijn tenslotte ook tot oneindig veel goeds in staat. 

Dec 05, 2017

Marcus 13: 24-37

overweging op 3 december 2017, 1e zondag van Advent

in de Open Hof te Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Jesaja 63: 19b – 64: 8 en Marcus 13: 24 - 37

 

dwarrelende bladeren

Wie gelooft staat lang niet altijd stevig in zijn schoenen. Er kan zomaar iets je leven binnen komen, waardoor grote vragen worden opgeroepen en je geloof niet in antwoorden voorziet. Eerder voor verwarring zorgt. Je zakt door de bodem van je geloof.

Kennelijk kent ons geloofsleven ook zo zijn seizoenen (Nico ter Linden, HVG blz 78) Er zijn tijden dat je bloeit en straalt omdat je weet dat God dichtbij is. Maar soms wordt het donker en merk je er weinig van. Moedeloos. Verward. Los. Eenzaam. Dwarrelende bladeren zijn we dan. Zo benoemt Jesaja het.

Bladeren zijn prooi voor de wind. Uit je zelf weet je geen richting meer aan te brengen en zolang je dwarrelt kom je nergens tot rust. Zo blijven we soms rondjes draaien in ons gepieker, in onze vragen, in onze eenzaamheid. We zouden God wel uit de hemel naar beneden willen trekken. Laat hij toch luisteren; iets doen; op z’n minst laten voelen dat Hij bij ons is. God, zegt Jesaja, zoiets is nog nooit vertoond: dat een god opkomt voor diegenen die op hem wachten. Scheur de hemel open en kom ons helpen. Wees de hand die ons vallen opvangt. (R.M. Rilke, Herbst)

 

We kunnen het ook zo vertellen: bladeren waaien met alle winden mee en als ze de grond raken zijn ze soms ver verwijderd van de boom die hen heeft gevoed. Als mens ben je soms je focus kwijt; andere zaken en zorgen vragen jouw aandacht. Je geloof komt op een laag pitje en voor je het weet dwarrel je stuurloos rond.

Geloven wordt niet voor niets ook een weg genoemd: je komt ergens. Je hebt richting. En die ontbreekt als je het verwaarloost en vergeet af en toe je navigatie te resetten. Ook dat brengt Jesaja onder woorden: afgevallen bladeren zijn we, afvallig, verwaaid op de wind van ons wangedrag. Het leidt nergens toe. Het kan alleen maar donkerder en winterder worden. 

Tenzij…….vanuit de vertwijfeling en het schuldbesef bidt Jesaja tot God: we zijn toch van U? U heeft ons gevormd, uit de klei getrokken. U kunt ons toch niet zomaar loslaten. Wees toch de hand die ons vallen opvangt.

 

dit is het einde (niet)

Eigen aan ons geloof is de hoop op beter. We houden ons vast aan de verwachting dat eens alle kwade krachten zullen uitdoven. We willen er niet aan dat de wereld op haar einde afstevent; zal vallen en vallen. We willen er niet aan dat de gebrokenheid van de wereld ons met scherven zal achter laten en al helemaal niet dat God ons zal laten barsten. En die verwachting hoort bij de eerste zondag van Advent.

Wij geloven niet in: het wordt nooit meer wat. We stemmen niet stilzwijgend in met het fatalistisch denken dat er weinig meer aan te doen is. Wij zijn mensen met hoop.

Onze wereld en de mensen die daarop wonen zijn niet alleen maar slecht, onrein, afvallig of losgeslagen. Alles wat leeft wijst ons voortdurend op de Schepper en de liefde die Hij erin gestopt heeft. En alles wat leeft wijst vooruit: want de wereld, de mensen, zijn geschapen om uiteindelijk geheel en al vervuld te zijn van God, van goedheid. Zoals een vaas bedoeld is om er bloemen in te zetten; zoals een instrument bedoeld is om te klinken. Je wéét dat het erin zit, je mag het verwachten.

 

Daarover spreekt Jezus in zijn toespraak over de laatste dingen, het einde der tijden. Daarover filosofeert de kerk altijd op de eerste zondag van Advent. Er zijn mensen die menen in de huidige ontwikkelingen signalen te zien van het naderende einde. De hongersnood op veel plekken op aarde, de grote strijd, de onzichtbare en ongrijpbare vijand IS, de onderlinge strijd tussen gelovigen. Zie je wel, zeggen die mensen, dit is het begin van het einde. Dit zijn de verschrikkingen waarover Jezus het heeft.

In mijn studententijd in Groningen stond er regelmatig een bakfiets op een van de bruggen. Het einde is nabij, stond erop. Er gebeurde niets en de bakfiets verdween. Tot enkele maanden later… maar niemand weet wanneer die dag zal aanbreken, de engelen niet, Jezus niet, alleen God de Vader. Kennelijk is dat einde niet iets om ons al te druk over te maken. Het komt wel. Jezus’ toespraak is dan ook geen spoorboekje met data en aankomsttijden. Het is veel meer een verwoorden van hoe het ís.

 

Als Jezus vertelt over het einde gebruikt hij daarvoor teksten, beelden uit de profeten. Mensen hebben altijd geleefd met de angst dat het zo niet kan doorgaan; dat we kapotgaan met z’n allen. Tot op vandaag is dat zo. Op mijn sombere dagen vraag ik me af in wat voor wereld de kinderen van mijn kinderen zullen opgroeien. Hoeveel rek zit er op onze wereld, op de draagkracht van mensen maar ook: wat kan de aarde nog verdragen voor ze bezwijkt onder alles wat wij bedenken?

 

Toen Marcus deze woorden opschreef, was er net een periode van verschrikkingen achter de rug. Veldheer Titus was Jeruzalem binnengetrokken en had dood en verderf gezaaid; de tempel was verwoest, mensen waren gevlucht, vermoord. Er waren spanningen die dwars door families heen liepen tussen Joden die joods wilden blijven en hen die Christus aannamen.

Hun wereld verging. En als je ervaart dat jouw wereld instort, ben je zomaar geneigd te denken dat de hele wereld instort. Dwarrelende bladeren waren de mensen in die dagen: los van de tempel, los van de zekerheden die het geloof bracht; eenzaam en vol vragen, opgejaagd en vervolgd als bladeren door de wind.

Zo zal het toch niet eindigen? De wereld zal toch niet roemloos ten onder gaan? Zal zij vallen uit Gods hand? En Marcus bemoedigt de bange gemeente en zegt: dit is het einde niet.

 

vijgenboom

Kijk naar de blaadjes van de vijgenboom. Voorzichtig zie je het groen tevoorschijn komen, als een voorbode van de rest. Zo zie ik in onze tuin dat de rododendrons al vol knoppen zitten. De winter moet nog komen, maar ik verheug me al op mei als de tuin roze en wit kleurt.

Afgelopen week opende iemand de bijeenkomst met een boom die zij op tafel zette. Ze las het gedeelte over de vijgenboom en gaf ons toen allemaal een blaadje. Met de opdracht: schrijf erop waarover jij je hebt verwonderd; wat voor jou een ‘wow-moment’ was. De blaadjes kwamen in de boom te hangen. En elk blaadje verwoordde iets van veerkracht, van groeikracht. En verder in de week was ik bij iemand op bezoek die reden genoeg had om het hoofd te laten hangen maar die zei; zo kijk ik niet. Ik zie geen verdriet en moeite. Ik zie andere dingen. Ik zie lieve mensen, ik zie bemoediging. Ik kijk naar wat ik wel kan.

Misschien goed om bij ons zelf na te gaan waar onze groeikracht zit. Wat zou jij op dat blaadje willen schrijven? Als dankbare voorbode, als signaal van: het is zo slecht en verdrietig allemaal niet. Als teken van zomer, van de grote zomer, van Gods koninkrijk.

 

hoopvol

 

Hoopvol zijn wij. Niet als een vorm van blind optimisme dat zorgen en verdriet wegwuift. Niet als een struisvogel die de kop in het zand steekt en ontkent dat er wat aan de hand is. Maar als een levenshouding. Wij houden het uit. Want we zijn alert op groene blaadjes, op hoopvolle signalen. We turen in het donker naar een teken van licht. We houden het uit, want we weten dat we nooit dieper zullen vallen dan in Gods eigen hand. Ons optimisme uit zich in hoopvolle daden, in hoopvolle woorden, in verwachtingsvolle dromen. De vlam van ons geloof zal niet doven maar waakvlam zijn. Want het licht is sterker dan het donker en het daglicht overwint de nacht. Zoek je weg niet langer in het duister, keer je om en zie Gods nieuwe dag. (NL 286)

Page 9 of 14