Lyonne Verschoor

Lyonne Verschoor

een eekhoorn in de kerk

 

Op de radio praat een bevlogen vrouw over een bijzonder project: de Mattheus Passion voor kinderen. Dirigent Ton Koopman maakte met zijn dochter een kernachtige selectie van koren en aria’s uit de Mattheus Passion. Het heet een kinderconcert, maar het mag niet kinderachtig worden. Nijntje-taal is uit den boze. Alles wordt uitgevoerd zoals Bach het heeft bedacht, met een koor, solisten en een volledig orkest. Marieke Koopman speelt daarbij de dochter van Pilatus, die haar vader indringende vader stelt over Jezus en hem het dilemma voorlegt hoe het kan dat een goed mens moet worden gedood.

Het bijzondere van dit project (en soortgelijke projecten) is dat kinderen in aanraking komen met een stuk traditie en cultuur. Zij mogen ervan genieten en zij beleven dat ook nog eens samen met hun (groot)ouders. Zullen ze alles begrijpen? Waarschijnlijk niet, maar de gezamenlijke beleving is belangrijker dan dat; en misschien is het zaadje van de nieuwsgierigheid naar muziek wel geplant.

 

In de kerk willen we kinderen in aanraking brengen met Bijbelverhalen. Het lijkt wel of we daar steeds onhandiger in worden. Het valt ook niet mee. In sommige kerken is nog maar een handvol kinderen en dan ook nog eens van uiteenlopende leeftijden. Er zijn kinderen met autisme, met ADHD. Ze zijn met heel andere dingen bezig dan dat jij als kinderdienstleiding aan de orde wilt stellen. Ga er maar aan staan. Daarbij stel ik mezelf ook de vraag of wij soms verloren zijn wat men in de klassieke muziek aan het uitproberen is: de gezamenlijke beleving van jonger en ouder; en de beleving van het schone en betekenisvolle zonder dat al te veel te willen uitleggen.

 

Als het in de kerk spannend gaat worden  - de Bijbel gaat open en het verhaal van God en mensen mag gaan spreken – gaan kinderen en grote mensen voor even uit elkaar. We hebben er goede redenen voor. Ouders willen liever niet dat anderen zich storen aan het gewiebel van hun kinderen of willen zelf ook graag in rust kunnen luisteren. We denken dat het voor kinderen saai of te moeilijk is om in de kerkruimte te blijven. Of allebei! Van een gezamenlijke beleving of verwondering bij het verhaal is dus geen sprake.

Ik durf zelfs te stellen dat er van beleving weinig sprake is. Met plaatjes, voorbeelden en soms tenenkrommende verhaaltjes, vullen we in wat een kind zou moeten horen of zien. Met een vraag als ‘Heb jij dat ook wel eens…..?’ geven we het verhaal onze betekenis mee en laten de kinderen geen ruimte meer om het zelf te ontdekken. Als de voorganger de kinderen een vraag stelt, heeft hij of zij zelf vaak al het antwoord in zijn hoofd. Dat is een verborgen agenda die de kinderen niet serieus neemt. De dominee is niet oprecht nieuwsgierig naar de antwoorden van de kinderen.

 

Ik liet nog niet zo lang geleden de kinderen in de kerk een plaat uit de Kijkbijbel zien van de blinde Bartimeus. Voor mij een vertrouwde illustratie van het verhaal. De kinderen vroegen zich af wat hij op zijn hoofd had. Had hij zich soms bezeerd? En als dat bakje naast hem bestemd was om er geld in te krijgen, mocht hij wel uitkijken dat het niet werd gepikt. Zo had ik er nog niet naar gekeken. Het was een mooie les in terughoudendheid.

 

Klassiek is het mopje van de juffrouw van de kinderdienst die de kinderen vroeg: Het is roodbruin, het heeft een lange pluimstaart en woont in een boom. Wat is dat? Een van de kinderen stak zijn vinger op en zei: Het klinkt als een eekhoorn maar als u het vraagt zal het de Here Jezus wel zijn.

 

Collega Klaas Touwen zegt: Een (Bijbel)verhaal is een bodemloze put van betekenissen. Geloof in de kracht van het verhaal en ga het vooral niet uitleggen. De kracht van het verhaal is niet dat er waarden en normen mee worden overgebracht. Ook geen kennis. De kracht van het verhaal is dat er iets van God in mee komt. Het verhaal is een ruimte is waarin God kan worden gevonden.

Kunnen we die ruimte ook samen betreden, volwassenen en kinderen? Dan schaffen we de kinderdienst af en we gaan op zoek naar de gezamenlijke beleving en verwondering bij de oude rituelen, gebaren, woorden en verhalen. We geven kinderen een taak die bij hen past. Wie goed kan voorlezen is lector en er is vast ook iemand die kan helpen bij het dekken van de avondmaalstafel.

In die zoektocht naar het gezamenlijke leren we verdraagzaam te zijn naar de kinderen. Natuurlijk zitten ze niet altijd stil. We creëren een gemeenschap die wil vieren en verwonderen. Soms moeten de kinderen daar voor op hun tenen, soms moeten de ouderen even door de knieën. Niemand van ons zal alles begrijpen maar dat hoeft ook niet. Wat voor het verhaal geldt, geldt voor de hele kerkdienst: er wordt niets overgebracht dat we zouden moeten begrijpen, geen kennis. Er wordt ruimte gemaakt voor God.

overweging op zondag 11 maart 2018 PG De Open Hof

4e zondag van de veertigdagentijd

 

Johannes 6: 35; 41-51

 

ik ben het brood

Je brood verdienen; je de kaas niet van het brood laten eten; zoete broodjes bakken. Brood is: werken, vechten voor je plekje onder de zon en vrienden worden met de juiste mensen. Wie het minder voor elkaar heeft moet droog brood eten, en als het ons goed gaat gaan de dingen als warme broodjes over de toonbank. Brood gaat over leven dat bestaat uit werken. Dit brood moet je verdienen.

 

Bijbels brood is ander brood. Bijbels brood komt uit de hemel. Het is het manna in de woestijn waardoor het volk leerde vertrouwen dat God voor hen zou zorgen. Bijbels brood is Tora. Want een mens leeft niet van brood alleen, maar van het woord van God. (Deut 8:3) Bijbels brood is genadebrood, geschenk van God.

Ik ben dat brood uit de hemel, zegt Jezus. In mij wil God zelf zich aan jullie geven.

Maar de mensen om Jezus willen daar niet aan. Zij zitten vast in dat brood op de plank, dat nodig is om te leven. Dát moet Jezus hen geven. Maar wat Jezus je wil geven, wat hij voor je kan zijn, kun je niet verdienen of ergens mee winnen. Je kunt het niet afdwingen en je hebt er geen recht op; het wordt je gegeven.

 

verlangen

Wij zijn allemaal op onze eigen manier drukke mensen. En veel van onze drukte, veel van ons zorgen, heeft te maken met brood op de plank, liefst met een goede boterham. Veel van onze energie en tijd zit in onze baan of opleiding, in ons huis, in zorgen om materiele dingen. We besteden veel aandacht aan hoe we er uit zien en aan beetje fit blijven. Veel van onze tijd zit ook in bezorgdheid om elkaar, mantelzorg. Ons geluk is -denken we- maakbaar. Het léven is maakbaar. Het is allemaal in onze hand.

En toch lopen we er soms in vast. Of we worden stilgezet door een onverwachte gebeurtenis als ziekte, een burn-out, ontslag.

We vragen ons af wat de zin is van al dat drukke gedoe. We vragen ons af of we er wel toe doen. Onrustig zijn we; even van ons a-propos want we vinden geen vervulling meer in wat we normaal gesproken doen. Er zit een verlangen in ons naar….. naar gezien worden zoals we zijn, naar stilte, naar iemand die luistert; een verlangen naar leren aanvaarden dat de dingen soms zijn zoals ze zijn, naar vrede met ons zelf, met God.

 

Wat Johannes bloot legt is dat ons verlangen altijd groter is dan wat het leven ons te bieden heeft. We zijn nooit vrij van honger naar meer of dorst naar iets anders. We blijven op zoek. Streven naar meer en hoger. Eigenlijk zegt Johannes met zijn evangelie: zoek niet meer. Er wordt jou iets aangeboden: leven! Leven zoals het hoort te zijn. Leven om het leven zelf. Als hij klaar is met zijn evangelie schrijft Johannes eronder: Dit heb ik opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God en opdat u door te geloven lééft door zijn naam. (Johannes 20:31)

 

protest

Jezus’ optreden heeft veel mensen tegen de haren ingestreken. Johannes noemt ze steevast ‘de joden’. Zij protesteren. Murmureren als eens Gods volk in de woestijn. Liever de vleespotten van Egypte -dat was tenminste duidelijk- dan de onzekere weg van het Godsvertrouwen. Jezus’ prediking is onaanvaardbaar voor veel mensen. Als hij spreekt over liefde, noemen zij de regels waaraan je je moet houden. Als hij spreekt van bevrijding, noemen zij de macht van de zonde. Het zijn die mensen die menen de waarheid in pacht te hebben; de mensen die weten hoe het eigenlijk hoort. Schrift-geleerden. Het zijn die mensen die vandaag met de Bijbel in de hand iedereen vertellen wat wel kan en niet en op grond daarvan anderen veroordelen, buitensluiten. Het is een verstikkende interpretatie van Gods Woord en van geloven. Dat is geen leven.

 

leven

Jezus houdt mensen leven voor. Leven in nauwe verbondenheid met God; leven voor en met elkaar. Mensen die elkaar willen dienen, die willen delen van wat ze hebben, die elkaar de voeten willen wassen. Bij onze voorbereiding afgelopen woensdag maakten we daarbij de kanttekening: we ontvangen om het ook weer te delen met anderen. Voeding voor onze ziel, kracht uit de hoge, de aansporing om niet alleen te leven voor ons eigen brood op de plank.

Huub Oosterhuis schreef daarbij: ‘Wie zijn leven niet wil geven, niet wil delen, met een ander, gaat verloren.

Wie wil geven wat hij heeft, die zal leven, opgegeten, die zal weten dat hij leeft.’ Dat is misschien geen makkelijk leven, of een rijk leven, maar wel een gezegend leven. Een broodnodige manier van mens-zijn. Een leven met de kwaliteit van de eeuwigheid. Eeuwig leven.

Want zo benoemt Johannes de keuze voor Jezus: je krijgt in je geloof deel aan alles waar hij voor staat. Je deelt in het brood, in het licht, in zijn Geest. Je krijgt al deel aan de vernieuwde aarde. Wie leeft met Jezus, wordt uitgedaagd zó te leven dat het impact heeft, dat het meebouwt aan de aarde die God voor ogen staat. Daar zal geen afbreuk aan worden gedaan. Het is eeuwig. Het behelst ook de belofte dat wij op de laatste dag door hem gewekt zullen worden.

Dat wij ook in onze dood geborgen zullen zijn bij hem. Als wij avondmaal vieren voelen we ons dan ook des te meer verbonden met die mensen die ons in geloof zijn voorgegaan, onze geliefden.

Jezus zegt: wie bij mij komt, zal geen honger meer hebben. Vandaag kómen we. We lopen naar voren, met lege handen. We pakken het met beide handen aan: Gods liefde en goedheid die in Jezus gestalte heeft gekregen.

Feb 26, 2018

Een met God

korte meditatie bij Meister Eckhart, vesper 25 februari PG De Open Hof

 

De mensen zouden niet zo veel moeten nadenken over wat ze moeten doen; ze zouden veel meer moeten nadenken over wat zij zijn. Zouden zij goed zijn en zou hun levenswijze goed zijn, dan zouden zij licht uitstralen, en dan zou er een heerlijk licht uitgaan van al hun werken. Als je rechtvaardig bent, dan is ook wat je doet rechtvaardig. Denk niet dat je heiligheid kunt grondvesten op daden; veeleer groeit heiligheid uit de grond van je hele wezen. Want niet de daden heiligen ons, maar wij moeten de daden heiligen.

 

Het gaat niet om wat je doet. Het gaat om wat je bent. Zegt Meister Eckhart.

Maar wat ben je dan? 

In deze lijdenstijd denken we na over wie Jezus was.

Mens? God?

Doet het er toe? We kunnen ons eindeloos verliezen in discussie hierover maar wat telt is: Hij wás.

Als Zoon heeft hij zich zo geïdentificeerd met de Vader dat nauwelijks meer waar te nemen was waar de een begon en de ander ophield. Zij waren één. Eén in hun liefde, één van verlangen, één wil.

 

Jezus zei daarover, in zijn afscheidswoorden bij die laatste maaltijd met zijn vrienden:

 

Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen,

en vanaf nu kennen jullie hem, want jullie hebben hem zelf gezien. (Johannes 14: 7)

Zo éen, zo eigen was Jezus met God dat hij zichzelf opzij kon zetten.

Zelfs verloren kon laten gaan, als een zaad in de aarde.

En hoe meer Jezus zichzelf vergat, des te meer God in hem gestalte kon krijgen.

Dat is het leitmotiv van het Johannesevangelie: God is mens geworden en heeft onder de mensen gewoond, vol goedheid en waarheid. God is mens geworden, omdat de mens Jezus ruimte voor hem maakte in zijn lijf, in zijn ziel.

 

Dat is wat hem mens maakte. Niet wat hij deed maar wat hij was:

een met God. Ruimte voor God. God zelf.

 

Jezus had het vermogen los te laten.

Hij zat niet vast aan aardse verlangens.

Hij maakte zich niet druk over het halen van doelen.

En liet zich niet afleiden door de waan van de dag.

Door zijn manier van leven, door zijn liefde voor de mensen,

was hij geheel en al op God gericht.

 

Durven wij net als Jezus alles zo los te laten

dat wij zingeving vinden in wat wij zijn.

Kunnen wij afstand doen van alles wat ons normaal gesproken in beslag neemt.

Durven wij onszelf prijs te geven om te zijn: Mens. Een in liefde met God.

 

Een heilige doelloosheid. Die ons dichtbij de ander brengt.

Een belangeloos leven; we hebben er niets bij te winnen.

Als grondslag voor de naastenliefde.

Gewoon er te zijn. En van daaruit te handelen.

Zonder er iets van te verwachten of er iets voor terug te willen krijgen.

 

Eckhart zei: Wie duizend jaar lang aan het leven zou vragen: waarom leef je? Die zou, als het kon antwoorden, niets ander te horen krijgen dan: ik leef omdat ik leef. Dat komt omdat het leven vanuit zijn eigen bestaansgrond leeft en opwelt uit zichzelf; Wanneer een oprecht mens, die handelt vanuit zijn eigen bestaansgrond, de vraag kreeg: waarom doe je de dingen die je doet? zou hij, als hij het juiste antwoord gaf, enkel zeggen: ik doe die dingen om ze te doen.

Feb 26, 2018

God ging voorbij

overweging op 25 februari 2018 in PG De Open Hof

tweede zondag van de Veertigdagentijd

 

uit de Bijbel: 1 Koningen 19: 3-18 en Marcus 9: 2-10

 

het is genoeg geweest

Kijk nou toch! Daar ligt Elia, weggekropen onder een bremstruik.

Hij is gevlucht voor koningin Izebel die gezworen heeft geen profeet in leven te laten.

Het is genoeg geweest!

Sommigen zullen het herkennen:

het loodzware besef voor een verloren zaak te strijden.

Ik denk aan ouders en grootouders die er verdriet van hebben

dat zij hun geloof niet hebben kunnen overbrengen

aan hun kinderen en kleinkinderen.

Wat heeft het voor zin je geloof vast te houden

als je het levensbelang ervan niet hebt kunnen doorgeven aan het nageslacht.

Ik denk aan het enthousiasme van mensen

die dromen hoe de dingen beter kunnen worden.

Ze lopen de benen uit hun gat voor acties, collectes

maar voelen wel aan dat hun enthousiasme niet aanslaat bij anderen.

Ik denk aan mijzelf, aan al die mensen die blijven geloven in een kerk, in een God,

terwijl mensen om je heen je voor gek verklaren dat je nog bij die club wilt horen

en jij alleen komt te staan.

 

Het is genoeg geweest.

Zeggen mensen die moegestreden zijn; weerloos tegen de overmacht van de pijn;

ik kan niet meer, zeggen mensen die zoveel duisternis ervaren dat zij geen licht meer zien. Ik wil niet meer, zeggen zij die zich vertwijfeld afvragen wat God met hen voor heeft. Die bremstruik van Elia, daar zitten mensen die we kennen. Daar zitten we soms zelf. Opgebrand. Innerlijk leeg.

 

engelen

Goddank voor engelen die ons opzoeken bij die bremstruik van teleurstelling en mislukking. Ze schudden ons wakker, ze voorzien ons van voedsel om overeind te blijven. Zonder verwijten. Zonder te gaan preken. Maar gewoon praktisch.

Die engelen vertellen ons dat Elia dan wel wil opgeven.

Maar God geeft Elia niet zomaar op.

Elia mag zich voelen zoals hij zich voelt, maar hij moet wel verder.

Hij mag niet ten onder gaan aan zijn teleurstelling en zijn zelfbeklag.

Een tweede engel wijst hem de weg.

Waar Elia het doel en de zin van zijn leven was kwijtgeraakt

wordt hem nu gewezen dat er een reis is, een weg te gaan.

En als er een weg is om te gaan, is er ook een bestemming.

Goddank voor engelen die hun ogen op de weg houden en voor God die hen stuurt.

 

door de woestijn

Gesterkt door het brood en de bemoediging van de engelen gaat Elia weer op weg. Hij gaat naar de Horeb, de berg van God.

Elia reist veertig dagen en veertig nachten.

Bijbelse tijd om aan te duiden dat er iets geleerd kan worden,

dat Elia zich klaar mag maken om te ontvangen van de Allerhoogste.

Goedbeschouwd loopt Elia terug naar de bronnen van zijn geloof, naar zijn wortels.

Want Horeb, dat is de brandende braamstruik, de Godsnaam: Ik zal er zijn.

Horeb, dat is de Tien Woorden, dat is verbond, belofte.

Horeb, dat is Mozes’ ontmoeting met God.

Het is een reis terug die tegelijkertijd een reis vooruit betekent.

Want in de Bijbel is het wél zo dat in het verleden behaalde resultaten garantie bieden voor de toekomst.

Eenmaal aangekomen gaat Elia opnieuw liggen slapen in een grot.

Maar daar is ons geloof niet voor bedoeld: om ons in slaap te laten sussen.

Om een gevoel van veiligheid te creëren waardoor we niets meer doen.

 

wind, aardbeving en vuur

Daarom roept God Elia naar buiten.

Verschuil je niet maar neem je plek in voor het aangezicht van de Heer.

Elia hoeft niet aan te komen met zelfbeklag dat hij zo zijn best heeft gedaan en dat het toch niets uitmaakt. Naar buiten, Elia!

Sta pal voor je roeping; wees bewoner van het huis van je geloof.

ook in de pijnlijke, moeilijke situatie waarmee jij wordt geconfronteerd.

Neem je plek in voor God, wees een mens van God,

ook als het leven hard voor jou is

of als jij bij de mensen om je heen geen begrip of weerklank vindt voor wat jou beweegt.

Naar buiten. Want daar zal God zich openbaren. 

Er gaan krachtige boden voor hem uit:

eerst een krachtige windvlaag.

Zoals de windvlaag die ooit de zee spleet zodat het volk met droge voeten kon oversteken.

Hoe had Elia toch dit geloofsverhaal, deze belofte toch kunnen vergeten?

De tweede bode die voor God uitgaat is een aardbeving.

Was Elia dan vergeten dat de aarde schudde op zijn grondvesten toen God zijn verbond sloot met Mozes?

Dan is er het vuur. Zoals de vuurkolom die als een gids het volk door de woestijnnacht leidde.

Ontleende Elia geen vertrouwen meer aan het geloof dat God onze wegen leidt?

 

Een voor een trekken de oude verhalen in deze natuurverschijnselen aan Elia voorbij. Als een bevestiging dat Elia niet vergeefs zijn vertrouwen op God had gesteld. En als boden van iets nieuws. Want Elia heeft zelf ervaren dat God in zijn situatie nu níet die krachtige bevrijder is die met sterke arm zijn volk uitleidt.

Wie wacht op God die bevrijdt van alles dat ons leven zwaar maakt, wacht vergeefs.

 

in deze stilte

Dan klinkt het gefluister van een zachte bries, de stem van de stilte.

Stil als een aai over je wang, de kus van een moeder terwijl het ligt te slapen.

Zoals in het gedicht van Beets. God die toefde… een moment voelbaar nabij is.

Onze onrust en vragen tot rust brengt. Hij weet en dat weet jij... Het eeuwige vragen naar het waarom valt even stil. Ik sta er niet meer alleen voor, ik heb er nooit alleen voor gestaan.

 

Stilte betekent niet dat God afwezig is, ons maar aan laat modderen.

Wij weten het misschien niet, ervaren het niet, maar er is gefluister dat Hij er is.

Ook als wij ten dode bedroefd zijn. Moedeloos als Elia.

Verlangend naar een teken uit de hemel dat niet komt.

 

In die woordeloosheid, in die stilte hult God zich

en komt hij ons tegemoet.

De vraag is of wij het kunnen uithouden met die stilte.

Ik denk dan aan Jezus die God Vader noemde.

Maar op het moment dat de Zoon de Vader het hardst nodig had

was er niets dan stilte.

 ‘Mijn God, waarom verlaat je Mij?’

Toch vond hij in die stilte de moed om te aanvaarden en verder te gaan.

 

op de berg

Het is niet voor niets dat Marcus vertelt van een hoge berg. Zo kan hij God ter sprake brengen en vertellen dat de hemel heel dichtbij is. En het is ook niet voor niets  dat Elia en Mozes met Jezus in gesprek zijn. Zij lijken op de engelen die bemoedigen en de weg wijzen. Jezus mag vasthouden aan zijn roeping; zijn weg zal niet licht zijn, hij zal weerstand ondervinden en struikelen over onwil en ongeloof, maar hij zal nooit alleen zijn. Hij zal gevoed worden door de bronnen van zijn geloof, de Wet en de Profeten. Hij zal aangesproken worden door de Allerhoogste die bevestigt dat Jezus zijn geliefde kind is. En hem ook in zijn roeping bevestigt door de leerlingen op het hart te drukken: luister naar hem.

 

Wie gelooft weet dat het erop aankomt in het dal. Daar waar mensen wonen, werken. Daar waar mensen ploeteren, ziek worden, opgebrand raken. Waar het bestaan ons voor vragen stelt. Dáár moeten we zijn.

Daarom moet Elia terug. Terug naar zijn taak, zijn roeping als profeet. Er moeten koningen worden gezalfd, een opvolger aangewezen. Elke dag kunnen wij ons afvragen waar God ons nodig heeft; waar er werk aan de winkel is. Elia mocht dan denken dat hij alleen was, maar er zijn er nog meer. 7000 mensen die niet bezweken zijn voor de afgoden. Zo staan ook wij er niet alleen voor in de taak die we soms als ondankbaar of zwaar ervaren.

Terug. Dat moeten ook de leerlingen van Jezus. De ontmoeting met de stralende Jezus, die haast wel geleken moet hebben op de Opgestane Heer, is er om hen de bemoediging te geven het met het naderende lijden uit te houden. En om hen dichtbij hen die lijden te brengen. Als zij beneden komen, staat daar een wanhopige vader, met zijn zieke zoon.

 

'De moerbeitoppen ruischten;'

God ging voorbij;

Neen, niet voorbij, hij toefde;

Hij wist wat ik behoefde,

En sprak tot mij;

 

Sprak tot mij in de stille,

De stille nacht;

Gedachten, die mij kwelden,

Vervolgden en onstelden,

Verdreef hij zacht.

 

Hij liet zijn vrede dalen

Op ziel en zin;

'k Voelde in zijn' vaderarmen

Mij koestren en beschermen,

En sluimerde in.

 

De morgen, die mij wekte

Begroette ik blij.

Ik had zo zacht geslapen,

En Gij, mijn Schild en Wapen,

Waart nog nabij.

 

Nicolaas Beets

te groot voor het geluk alleen

 

De aarde is vervuld

van goedertierenheid,

van goddelijk geduld

en goddelijk beleid.

 

Gods goedheid is te groot

voor het geluk alleen,

zij gaat in alle nood

door heel het leven heen.

(LvdK 223, NL 650)

 

Dit lied blijft voor mij een van de mooiste gezangen in het Liedboek. Tegelijkertijd is het ook een lied dat je niet makkelijk meezingt. Want wat betekent ‘Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen?’

 

Het is een lied over goedertierenheid, een woord dat lang niet meer door iedereen wordt verstaan. De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt het met ‘trouw’ en de Bijbel in Gewone Taal met ‘goedheid’. In de Bijbel is goedertierenheid een eigenschap van God. Het hoort thuis in het rijtje liefde, barmhartigheid, ontferming, genade, vergeving en al die andere woorden die willen omschrijven dat God het beste voor heeft met mensen. Hij heeft zich aan ons verbonden voor altijd. Die belofte doet Hij en daarop kunnen wij Hem aanspreken.

Psalm 33 vormde de inspiratiebron voor dit gezang. Deze Psalm bezingt de  schepping en de grootheid van de Schepper. Hij heeft de hemel geschapen en omdat Hij gesproken heeft zijn er sterren. Hij bewaart de aarde voor de zee. Maar in al zijn grootheid verliest niet uit het oog.

Noemen we Hem daarom de Allerhoogste? Er is niets boven Hem; dus de Eeuwige hoeft zijn blik niet omhoog te richten. Er is niets naast Hem, want er is niets aan Hem gelijk. Hij hoeft dus ook niet om zich heen te kijken. Dan blijft over dat hij vanuit de hemel naar beneden kijkt en de mensen gade slaat. Psalm 33 doet ons zingen: ‘Vanwaar Hij woont in het licht verheven, ziet God op deze aarde neer. Al wat door mensen wordt bedreven, een open boek is het voor de Heer.’ God leest ons vanuit de hoge en ziet zo des te beter wie door de diepte gaan; wie toeven in het graf, wie godverlaten zijn. Tot waar je niet dieper en donkerder kunt, is Gods goedheid bij mensen. Zelfs als het de mensen zelf zijn die de duisternis hebben doen ontstaan.

 

We kunnen soms zomaar uit het geluk vallen. Onverwacht en onverhoeds grijpt het noodlot ons in ons nekvel. Maar uit Gods goedheid vallen we nooit. Als de liefde van een moeder, de bemoediging van een vader, is die altijd om ons heen. Gods goedheid voorkomt niet dat wij het moeilijk hebben, maar is er wel bij. Het zijn juist deze woorden over Gods goedheid en het menselijk geluk die vaak gekozen worden voor boven een overlijdensaankondiging. Hoe moeilijk de woorden misschien te doorgronden zijn, ze spreken de taal van ons hart.

 

Onderweg naar Pasen gaan we mee op de weg die Jezus ging. Hij was de goedheid van God in levende lijve, sprekend zijn Vader in zijn vergevingsgezindheid, in zijn vermogen te helen en te genezen. Als de Zoon sterft, sterft met hem een stukje van de Vader, zijn goedheid gaat in het graf ten onder. Dat is bijna niet te verdragen zonder het perspectief van Pasen.

Gods goedheid  - wat mooi dat de dichter Barnard haar ‘zij’ noemt – sterft als een daad van solidariteit met allen die lijden, sterven moeten, godverlaten zijn als Jezus aan het kruis. Zij/Hij gaat kapot aan alles waaraan wij kapot gaan. Nog intenser mogen we dat lezen als: God is dáár waar wij zijn.

 

Zij daalt als vruchtbaar zaad

tot in de groeve af

omdat zij niet verlaat

wie toeven in het graf.

 

Jezus reikte ons de gelijkenis van het zaad aan. ‘Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.’ Wie verloren gaat aan het leven, wie zichzelf verliest in het geven aan de ander, mag vooruit zien naar iets nieuws. Zaad dat in de aarde valt belooft oogst. Jezus die gestorven en begraven is, wordt gewekt tot nieuw leven.

Wie dat gelooft kan aanvoelen wat er verborgen zit in dat ongrijpbare ‘Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen. Zij gaat in alle nood door heel het leven heen.’

Feb 13, 2018

rein

overweging op zondag 11 februari 2018 PG De Open Hof Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: 2 Koningen 5: 1-3 en 9-15b en Marcus 1: 40-45

 

lichtgeraakt

Marcus vertelt dat andere zieken mensen om zich heen hadden die zich om hen bekommerden. Petrus’ schoonmoeder was ziek. Maar zij lag gewoon thuis in bed. En Petrus en zijn vrienden brengen haar bij Jezus onder de aandacht. Zodra bekend wordt dat ze is genezen, brengen mensen uit alle hoeken van de stad zieken en bezetenen bij Jezus. (Marcus 1: 29-34) Deze man heeft niemand om hem bij Jezus te brengen. Vanuit de angst ‘waar je mee omgaat, daar word je mee besmet’ werden melaatsen uitgestoten. Deze man staat er alleen voor.

Wie in deze gemeente ziek is komt op de weekbrief en kan rekenen op mooie kaarten, de bloemen uit de kerk. Een warm bad voor de zieke; we sluiten niemand buiten. Tegelijkertijd kan de ervaring van het ziek-zijn heel anders zijn. Wie langer ziek is, merkt dat de stroom kaartjes minder wordt. Wie heel erg ziek is, merkt dat mensen hem mijden. Want ze weten zich geen houding te geven.

Of je wordt het beu om alleen maar aangesproken te worden op je ziekte. Je bent zoveel meer dan de volgende chemokuur of je beperkingen. Daarbij zijn we met elkaar enorm gesteld op gezondheid. Een fit leven, liefst zo lang mogelijk, is de norm. Dat kan degene die tobt met zijn gezondheid eenzaam maken.

Het gevoel er alleen voor te staan, zoals die melaatse man die niemand had om hem bij Jezus te brengen, zal ons ook niet vreemd zijn. ‘Het is toch al zo lang geleden’, zeggen we tegen iemand die een lief heeft verloren. Dat je je verhaal niet meer kwijt kunt, dat je je tranen moet inslikken en een lach moet laten zien, maakt even eenzaam.

 

Wie melaats is, krijgt een dunne huid. Die is kwetsbaar, makkelijk te kwetsen, lichtgeraakt. Die melaatse zou vandaag iedereen kunnen zijn. Ieder van ons die zou willen dat er iemand was om hem of haar het goede aan te zeggen; ieder van ons die verlangt naar het helende van een aanraking, een zoen.

 

Je zou kunnen zeggen: niet die man is ziek; de samenleving is ziek. Omdat ze naar hem kijken zoals ze naar hem kijken. Omdat ze hem mijden, uitstoten. Soms denk ik dat wij ook anno nu als gemeenschap erger ziek zijn dan menig zieke. Wie wil eindigen in een verpleeghuis? Met schrik denken we aan luiers. Aan kwijlen. En wie heeft niet ooit iemand horen zeggen: als ik dement word, hoeft het voor mij niet meer? Wij hebben een verknipte manier van kijken naar ziekte en beperkingen. Ons beeld is verziekt. Daardoor komen mensen buiten te staan.

 

moed

Nu heeft deze man iets wat veel anderen niet meer kunnen opbrengen: moed. Hij gaat zelf naar Jezus toe en hij smeekt hem om hulp. Hij moet ergens het vermoeden hebben gehad dat Jezus iets te bieden heeft. Om hulp vragen gaat ons over het algemeen niet makkelijk af. Dat zou betekenen dat we zwak zijn. We blijven liever alleen dan dat we iemand vragen om langs te komen. We reiken liever zelf de helpende hand dan dat we vragen of iemand iets voor ons wil doen. We laten de kans liggen om aangeraakt te worden. Hulp vragen kost ons te veel moeite. Terwijl, zo lezen we vandaag, daarin het begin van heel wording kán liggen.

Heel-zijn, dat is ook het verlangen van de man die naar Jezus gaat. Hij vraagt niet om genezing. Maar om reinheid. Een frisse blik van de anderen op zijn leven, niet meer met de nek worden aangekeken of gemeden. Herstel van relaties, met mensen, maar ook met God. Want in de Bijbel heeft melaatsheid te maken met de relatie tot God. Het is dan ook de priester die de diagnose stelt. En het is de priester die vaststelt of jij genezen bent. (Leviticus 13) Daarom moet de man zich aan de priester gaan laten zien en het voorgeschreven reinigingsoffer brengen. Zo zal hij bevrijd worden van wat er aan hem kleefde, van wat er in de weg stond tussen hem en God.

 

Wij kijken zo niet tegen ziekte aan. Tegelijkertijd hebben we ook de ervaring dat er iets kan zitten tussen ons en God. We voelen ons door hem in de steek gelaten. We hebben vragen voor hem waarop we geen antwoord krijgen. Of we lopen rond met een schuldgevoel omdat we hem tekort hebben gedaan. Het is als een wondje waaraan we steeds maar pulken zodat het tenslotte gaat etteren. Er is iets verziekt tussen mij en God.

 

Compassie

Jezus reageert zoals je hoopt dat mensen reageren als je hen om hulp vraagt. De man zegt: Als u wilt, kunt u mij rein maken. Jezus zegt: ik wil het, wordt rein. Maar daarvóór heeft Jezus iets veel waardevollers gedaan: hij stak zijn hand uit raakte hem aan. Omdat hij medelijden kreeg. Het raakte hem diep; hij kreeg er pijn in zijn buik van. (‘splangchnizomai’ in het Grieks = je ingewanden trekken samen)

Zo diep kun je de betrokkenheid bij een ander voelen. Je hebt zo lief dat het pijn doet. Je voelt aan wat die ander nodig heeft. Je kunt niet onbewogen blijven. Daarom vind ik de Engelse vertaling zo mooi: moved with compassion. Jezus toont compassie. Dat is meer dan medelijden. Het is de wil om dicht bij de ander te zijn. Op die wil doet de melaatse een beroep.

Op hetzelfde moment dat Jezus de melaatse man aanraakt, wordt ook hij onrein. Een zelfde lot treft hem: de dunne huid, het verwond worden door anderen, de eenzaamheid, het uitgestoten zijn. Hij werd door mensen gemeden, hij droeg onze ziekten en nam ons lijden op zich. Dat staat in Jesaja (Jesaja 53) en tot vandaag kijken we zo naar Jezus. Als een mens die de wil had om zo dicht bij de mensen te zijn dat hij inderdaad werd besmet waarmee hij omging.

 

De compassie van de Zoon is een eigenschap van de Vader. Jezus was daarin zijn sprekend evenbeeld. Wij gaan God aan het hart en kunnen altijd een beroep doen op zijn barmhartigheid.

(ook het Hebreeuwse woord dat in het OT gebruikt wordt voor de barmhartigheid van God heeft te maken met onze binnenkant. ‘Rechem’ = baarmoeder. Zie bijv Exodus 33: 19)

Hij kent ons in alles dat ons leven verziekt of waar we ziek van worden. Hij is er als we naar hem toe komen. Misschien volgt niet de gehoopte genezing van de ziekte die we onder de leden hebben. Maar het mag toch moed en kracht geven om verder te gaan. Het mag iets van heelheid geven; bevrijding, opluchting, dat we dit niet alleen hoeven dragen.

Jan 29, 2018

Kwetsbaarheid

kwetsbaarheid

 

‘Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens’ is een veel geciteerde dichtregel van Okke Jager. Vaak te zien boven overlijdensadvertenties omdat het de ervaring van mensen is dat hun geliefden zo dierbaar, zo kostbaar zijn, maar ook zo kwetsbaar dat zij hen moesten afstaan aan de dood. Nu we toeleven naar Pasen zouden we van Jezus hetzelfde kunnen zeggen. Zijn levensweg loopt vroegtijdig dood.

De mensen herkenden in Jezus de lijdende rechtvaardige, uit de profetie van Jesaja. Kostbaar mens, rechtvaardig, vol liefde ‘hij was een man die het lijden kende

en met ​ziekte​ vertrouwd was. Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam.’ Kostbaar en tegelijkertijd zo kwetsbaar, door een onrechtvaardig vonnis veroordeeld: ‘Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open.’ (Jesaja 53:3-8)

 

Toch is deze dichtregel geschreven met het oog op het leven. Hij is te vinden op een kunstwerk, een granieten boekrol, op het terrein van een psychiatrisch ziekenhuis in Deventer. Graniet is weerbarstig materiaal. Even weerbarstig als het leven van mensen soms, even hard als onze werkelijkheid. Moedeloos, machteloos kun je ervan worden. Anderen gaan er juist als krachtpatsers tegenin om te ontdekken dat het hen uitput, dat ze hun hoofd keer op keer stoten.

Okke Jager bracht met zijn gedicht een derde mogelijkheid onder woorden: ‘de zelfbewustheid van de krokus die het beton doet openbarsten.’ Leven, ondanks je pijn en verdriet, dwars door je moeiten heen. Gewoon doorgaan in het besef dat je kwetsbaar bent, maar sterker dan je had durven dromen. Die kwetsbaarheid past bij het leven van Jezus. Tegen alles in leefde hij naar de wil van zijn Vader en was hij in staat tot grote dingen: wonderen van heelheid, van vergeving, van leven. Als een krokus die door beton heen groeit, bracht Jezus te midden van alle hardheid zachte krachten in beweging.

 

Verraadt ons aller angst zich niet

in wie het leven weerloos liet?

De glasglans stemt de blazer mild.

De kaarsvlam vormt de hand tot schild.

De krokus wijst beton zijn grens.

 

Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.

Jan 29, 2018

voor iedereen

overweging op 28 januari 2018   

 

We staan enkele kerkdiensten stil bij de verschillende facetten van het heilig avondmaal. Vandaag was dat: ‘voor iedereen’.

 

uit de Bijbel: 1 Korintiers 11: 17-34 en Lucas 5: 27-32

 

niet voor mij

Zij was ergens in de dertig. Betrokken lid van de gemeente, serieus bezig met haar geloof. En ze had een grote wens: meedoen met het avondmaal. Met iedereen mee naar voren lopen. Ze kon met jaloezie kijken naar de kinderen die aan de hand van hun ouders meegingen en brood en druivensap kregen. Zij mocht het niet van zichzelf. Ze was opgevoed met huiver. Je kon toch niet ‘zomaar’ aan tafel gaan. Denken we er dan niet te makkelijk over? Ze voelde in zichzelf de spagaat van wel willen maar niet durven. En ze zag ook met hoeveel vreugde alle anderen wél deelnamen. Het is ongetwijfeld een herkenbaar voorbeeld. Want of u ként iemand die niet naar de kerk komt als er avondmaal wordt gevierd, of u bént zo iemand die het avondmaal mijdt.

Voor veel mensen is het avondmaal nog steeds een beladen onderwerp. In hun oren klinken de woorden uit het avondmaalsformulier van hun jeugd; de waarschuwingen niet te lichtzinnig te zijn, want je zou jezelf een oordeel eten en drinken. Paulus heeft het over onwaardig eten en drinken. Daardoor twijfelen we soms aan onszelf, of aan elkaar, of wij wel waardig zouden zijn. Gaandeweg zijn er allerlei spelregels bijgekomen, geschreven en ongeschreven. Als Paulus toch eens wist hoe zijn woorden nog na-echoën.

Woorden die hij met het oog op de situatie in Korinte schreef. Want let op: we lezen andermans post. In feite is het niet voor ons opgeschreven.

 

in Korinte

Waarom heeft Paulus dit toch zo geschreven?

Omdat er een probleem is in de gemeente. Er worden mensen voorgetrokken. Sommigen voelen zich meer dan anderen. De sociale verschillen in arm en rijk, vrij mens of slaaf, verschillen die er in de gemeente van Christus niet toe zouden moeten doen, worden wel doorgetrokken. Stel je voor dat het avondmaal voor de eerste christenen ook echt een avondmaaltijd was waarbij de herinnering aan Jezus een plaats had. Iedereen nam iets mee voor de maaltijd. De een kon zich wat meer veroorloven dan de ander, maar zo met elkaar werd de tafel toch goed gevuld. Maar wat gebeurde er: mensen aten alleen zelf van wat ze hadden meegebracht. Zodat mensen die weinig hadden meegebracht, ook weinig hadden, terwijl anderen dronken werden. 

Dát zijn praktijken die de gemeente van Christus onwaardig zijn; gulzig eten zonder oog te hebben voor de honger van de ander. Als je van de honger komt, zegt Paulus, kun je beter eerst thuis je maag vullen.

Onwaardig eten van het brood en drinken uit de beker betekent je schuldig maken tegenover het lichaam van Christus. Jezus was een mens uit één stuk. Zo moet ook de gemeente van Christus uit één stuk zijn; een eenheid, een lichaam met vele leden waarvan er niet een meer is dan de ander. Daarbij hoort dat mensen rekening houden met elkaar en oog hebben voor elkaars honger. Daarbij hoort dat je plaats maakt aan de tafel, ook als je iemand liever niet bij jou aan tafel ziet. Omdat hij uit een andere sociale kring komt, omdat je haar levenswijze afkeurt, omdat je iemand niet aardig vindt. De gemeente is het lichaam van Christus. En wie de gemeenschap onderuit haalt tast het lichaam van Christus aan.

Het oordeel is dat je ellende en kwaad over jezelf afroept door geen rekening met elkaar te houden. Paulus wijst erop dat mensen ziek zijn geworden en zelfs gestorven. Helemaal helder waar hij op doelt is het niet. Maar als we zijn redenering doortrekken, dan zijn die gebeurtenissen geen straf van God maar gevolg van een verkeerd omgaan met elkaar. Als je toestaat dat mensen honger lijden, kun je op je vingers natellen dat zij verzwakken. Als ik mijn ogen sluit voor misstanden kan ik ook verantwoordelijk worden gehouden voor de gevolgen. Als geldt ‘wie goed doet, goed ontmoet’ is het andersom even geldig.

 

toets jezelf

Nog even over dat toetsen waarover Paulus begint: laat iedereen zichzelf eerst toetsen…. Voor sommigen is dat de vraag geworden: zal ik wel of zal ik niet aan het avondmaal gaan. We wegen onszelf, elkaar, en worden te licht bevonden. Maar dat stáát er echt niet. Er staat: laat iedereen zichzelf eerst toetsen vóórdat hij van het brood eet en van uit de beker drinkt. Onderzoek je motieven, stel ze zo nodig bij, en ga dan avondmaal vieren. Wegblijven bij de maaltijd van de Heer is geen optie. Paulus zegt ook niet tegen de gemeenteleden in Korinte: in jullie toestand is het beter even geen avondmaal te vieren; denk er eerst nog maar even goed over na. Nee, juist nú moeten ze avondmaal vieren en voelen dat het gaat om de gemeenschap (de verbondenheid) met het lichaam van Christus en met elkaar.

Als we bij onszelf zouden ontdekken dat we zijn afgedwaald, dat onze prioriteiten verkeerd zijn komen te liggen, dan juist is het goed om bij het avondmaal weer letterlijk en figuurlijk binnen te krijgen waar het om gaat: om Jezus en de genade die hij belichaamt. Het is een moment van vernieuwing van binnenuit. Resetten.

 

voor iedereen

Daarom heb ik ook de lezing van Levi erbij genomen vandaag. Het is duidelijk dat we hier met een naar mens te maken hebben. Levi zamelt de belasting in voor de Romeinen; hij is dikke maatjes met de bezetter. Bovendien eisten veel tollenaars meer dan het bedrag dat zij moesten innen, zodat ze er zelf rijk van werden. Levi is corrupt en hebberig. Hij is niet iemand met wie je graag een feestmaal gebruikt. De Farizeeën en hun Schriftgeleerden staan er mopperend naar te kijken: waarom eet die Jezus met tollenaars en zondaars?

Jezus bagatelliseert dat allemaal niet en voert geen verzachtende omstandigheden aan; hij gebruikt het woord ‘ziek’ en ‘zondaar’. Er mankeert wel het een en ander aan Levi. Hij moet veranderd worden. Als hij Levi’s gedrag ziek noemt, zegt hij ook iets over de mopperaars: zie zijn dus gezond. En als Levi een zondaar is, mogen zij zichzelf tot de rechtvaardigen rekenen. Als ze dat nu alleen nog in de praktijk zouden leren brengen!

Het is ongelofelijk wat een gezag er uit gaat van Jezus’ woorden: Volg mij. Levi stond op, liet alles achter en volgde hem. Eerst: Levi stond op. Dit is een opstandingsverhaal. Het gaat over iemand die geen leven had en nieuw leven krijgt. Hij liet alles achter. Zijn oude ik, de hebberigheid, het gebrek aan compassie, zijn verslaving aan geld of macht, of wat dan ook maar. Het behoort tot het verleden. Vandaag, met Jezus, begint een nieuw leven. Laten we nooit van onszelf denken: ik ben niet goed genoeg in Gods ogen. Of: die ander is niet goed genoeg in Gods ogen. Wie ziek is kan genezen worden; wie gezondigd heeft, mag vergeving horen en een nieuw leven beginnen. We hoeven niet voorop te lopen, we mogen volgen. We zijn ook niet alleen, maar deel van een grote groep volgelingen. En de groep, de gemeente, kan mensen bij de les houden. Aansporen om een nieuw leven te beginnen. Want we zijn allemaal hetzelfde; we hebben allemaal het diepe besef dat we Jezus nodig hebben; dat we genezing nodig hebben. We hebben allemaal het diepe weten dat we genadebrood eten en leven van de vergeving. We zijn dus allemaal even welkom aan dat feestmaal met mensen van allerlei komaf, waar ook Jezus aanwezig is.

 

 

Jan 16, 2018

het feest van God

overweging op zondag 14 januari 2018 PG De Open Hof

 

In vier zondagen bekijken we de verschillende aspecten van het heilig avondmaal. Deze zondag: het feest van God.

 

uit de Bijbel: Numeri 13 en Johannes 2: 1-11

 

het eerste teken

Dit heeft Jezus gedaan in Kana, in Galilea als eerste wonderteken. Het eerste. Daarmee wil Johannes niet alleen maar zeggen dat er nog meer zullen volgen. Hij wil vooral zeggen dat dit teken het principe is waarop de rest is gebaseerd. Johannes wil niet vertellen hóe Jezus is  begonnen maar waaróm het hem is begonnen. (woorden geleend van Nico ter Linden, Het verhaal gaat)

Het is een teken. Maar waarvan? Waar verwijst het naar? Welke be-teken-is moeten we er aan geven? Er moet toch meer over dit wonderteken te zeggen zijn dan dat Jezus met een fantastische truc mensen het feest van hun leven heeft gegeven.

 

We weten dat Johannes het evangelie van Jezus Christus op zijn eigen manier verteld, anders dan de andere drie evangelisten. Veel minder verhalend. Hij gaat er vanuit dat de mensen dat inmiddels allemaal wel weten. Dus vertelt hij niet over de geboorte van Jezus maar over het licht. Want dát hebben mensen in hem herkend. Dát heeft hij voor de mensen betekend.

 

wijn en brood

Wat Johannes ook niet vertelt, en dat is heel opvallend, is de instelling van het avondmaal. Johannes vertelt wel van een laatste maaltijd, maar niet dat Jezus het verband legt tussen zijn lichaam en het brood; zijn bloed en de wijn. Dat hoeft ook niet. Dat heeft hij al gedaan. Maar op zijn eigen manier.

Vandaag vertelt Johannes over de wijn. Ongeveer 600 liter water staat daar in Kana. Dat wordt 600 liter wijn. Wijn, rood als bloed, en het smaakt naar meer. Jezus zal later over zichzelf spreken als de wijnstok. De wijn die wij van die wijnstok drinken, drinken wij tot zijn gedachtenis.

 

Johannes zal in hoofdstuk 6 vertellen van het teken van het brood. Meer dan vijfduizend mensen van 5 broden en 2 vissen. Er is meer dan genoeg. ‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben.’  Wat je nodig hebt om overeind te blijven in dit leven, word je gegeven. En als wij eten van het brood, doen wij dat tot zijn gedachtenis.

 

Het tekort aan brood, aan wijn wordt opgeheven omdat Jezus er is. Hij voorkomt dat het feest in het water valt. Hij zorgt voor feestvreugde, levensvreugde, een dronken omarmen van het leven. Jezus zorgt niet voor de wijn. Hij ís de wijn.

Voor Johannes ligt de basis in dit teken van de wijn. In Jezus’ bloed dat vloeit. In de liefde voor de mensen die door Jezus’ aderen stroomt. Overvloedige liefde. Aanstekelijke liefde. Want wij worden uitgenodigd uit die liefde te leven, te doen als hij. Hij is de beste wijn die voor het laatst is bewaard. En op het laatst zal ook blijken hoe groot die liefde wel niet is. Want zijn lichaam werd gebroken als brood, zijn bloed vloeide als wijn. En als laatste, op de dag van de opstanding, zullen mensen ontdekken dat de Vader zo’n liefdevolle opoffering alleen maar kan beantwoorden met liefde en leven.

 

Kanaän - Kana

Hoe moet Johannes nu toch duidelijk maken wat hij bedoelt? Want we voelen aan ons water dat het zo is. Dat het zo moet zijn. En tegelijkertijd is het zo lastig te begrijpen. Misschien wel omdat het zo moeilijk is, grijpt Johannes terug op vertrouwde beelden.

Hij vertelt over een bruiloft, Bijbels beeld van het liefdeverbond tussen God en mensen. Hoeveel deuken dat huwelijk ook heeft opgelopen door de ontrouw van mensen, Gods liefde gaat nooit voorbij. God de bruidegom, wij de bruid. Zoals Jesaja eens profeteerde. (Jesaja 62: 4v; Hosea 2: 16-22) )

Een bruiloft op de derde dag. De dag dat het tohoewabohoe, de woeste wirwar zonder onder en boven, definitief leefgrond werd. Het is de dag dat de aarde ontstond en het groen begon te groeien. Het is de dag waarop God niet een maar twee keer zag dat het goed was.

De derde dag is ook de dag dat het er op aan komt; de dag dat God in het spel komt en dat het allemaal anders wordt dan gedacht. De derde dag gaat over het leven; soms weggerukt voor de dood vandaan. Voor Abraham die een ander offer vond dan zijn zoon; voor Israel toen de Eeuwige zich openbaarde op de Sinai, voor Jona die door de vis werd uitgespuugd; voor Jezus in het graf.

Een bruiloft in Kana. Feest in het land dat God heeft beloofd. Feest in het land van melk en honing, met druiventrossen zo groot dat twee man ze moeten dragen. Land van ons verlangen. In Johannes’ evangelie zal het gaan over een verbond dat hersteld wordt, over leven door de dood heen en het zal gaan over beloofd land. Land waar Jezus je, als de nieuwe Jozua, binnenleidt.

 

het leven is een feest

Ze zeggen: het leven is een feest maar je moet zelf de slingers ophangen. In Kana is geen wijn meer. Weinig gastvrij van de bruidegom. Of hebben de gasten zich veel te gulzig te goed gedaan zonder daarbij aan anderen te denken? Dan is er maar weinig liefde voor elkaar. Op een bruiloft, nota bene. Betekent dat ook dat de liefde voor God is uitgedoofd?

Je zou het denken. Want niet alleen de wijn is op. Er zit ook geen water in de vaten voor het joodse reinigingsritueel. Is het geloof een hol vat geworden? Zijn de oude gebruiken, de oude woorden leeg en zonder betekenis geworden? Wordt er nog aandacht besteed aan reinheid, die altijd de innerlijke reinheid weerspiegelt?

 

In het huwelijk tussen God en mensen loopt het al te vaak ook anders dan verwacht. We leven aan hem voorbij. We verwachten soms iets van hem maar ervaren we het niet. En wat als alle feestelijkheid uit ons bestaan verdwijnt, als er tekort is, ballen we onze vuist naar de hemel en roepen: Dat koninkrijk van U, wordt dat nog wat? (Graf te Blauwhuis, Reve) Dat bruiloftsfeest waarvoor we zijn uitgenodigd, hebt U daar al een datum voor geprikt?

En die slingers ophangen? Ach, dat lukt ons ook niet altijd. Omdat we hard zijn voor ons zelf. Omdat we elkaar vreugde niet gunnen. Omdat we vooral bezig zijn met eigen zaken en zorgen. En die ander zoekt het zelf maar uit.

De verspieders in Kanaan vertellen ons ook dat je ook gewoon bang kunt zijn om je toe te vertrouwen aan de toekomst. Angst voor het onbekende. Onzeker over wat het van jou vraagt.

Het verhaal van de bruiloft in Kana is eerlijk over ons leven: je komt tekort. Of je schiet te kort in liefde voor elkaar. Maar dat tekort, vertelt Johannes, wordt opgeheven door God zelf. Want er is God wat aan gelegen dat zijn huwelijk niet in het water valt. En er is God wat aan gelegen dat de grote bruiloft niet in het water valt. Daarom is Jezus op dit feest, om de toekomst van God en mensen te redden. En de glazen te vullen met liefde.

 

nog een keer brood en wijn

God vraagt ons keer op keer ten huwelijk. Tot de dag van het grote bruiloftsfeest, het moment dat de liefde in alles en iedereen volkomen zal zijn. De bruiloft in Kana is niet de grote bruiloft waarvoor God ons uitnodigt. En toch schuiven ze over elkaar heen. In het gewone mensenbestaan is daar even iets zichtbaar, iets te proeven van de grote bruiloft. En het smaakt naar meer. Als we wijn drinken aan de tafel van de Heer krijgen we een ‘voorsmaak’ van dat feest van God.

 

 

Jan 11, 2018

Bestaat God?

Bestaat God?

 

I

Niemand kan met zekerheid bewijzen dat God bestaat. Desondanks geloven miljoenen in het bestaan van Iets of Iemand. Als algemeen het verlangen naar een God leeft, of dat nu in Nederland, in Indonesië of in Israël is, voedt dat het vermoeden dat hij of zij bestaat. Dan is God de bron waaruit alle godsdiensten en overtuigingen ontspringen en de oorsprong van de veelkleurigheid van geloven.

In een multiculturele samenleving is dit een aantrekkelijk antwoord. Het nodigt uit om nieuwsgierig te zijn naar de beleving van de ander en biedt tevens de ruimte om trots te laten blijken wat jij zelf gelooft.

 

Een ander antwoord zou gegeven kunnen worden vanuit de verwondering over de wereld om ons heen. Als alles zo mooi is en zo op elkaar ingesteld, zal Iets of Iemand toch aan het begin staan van de wereld? Inmiddels zijn wetenschappers in staat gebleken veel te ontrafelen van de mysteriën van ons bestaan maar uiteindelijk komen ook zij aan de grens van wat onomstotelijk kan worden vastgesteld en blijft de mogelijkheid open voor een Eerste Oorzaak of een Laatste Dragende Grond.

 

Een volgend antwoord wordt gevonden in de beleving van goed en kwaad. Als mensen worden overvallen door het kwade lot, blijft in hen het vertrouwen levend dat niet het onrecht het laatste woord zal hebben maar het goede. Daarmee wordt zin gegeven aan ons leven en worden wij uitgenodigd zelf ook vorm te geven aan het goede.

 

II

 

Voor mij bestaat God, als kan ik het niet bewijzen en voel ik evenmin de behoefte om dat te bewijzen. Ik kies ervoor dat God bestaat, op dezelfde manier als je er voor kiest, meer of minder bewust, om iemand te vertrouwen. De geloofsverhalen van mensen van vroeger en nu bevestigen dat dat een gerechtvaardigd vertrouwen is, waardoor zij hun bestaan richting konden geven.

 

Voor mij betekent het bestaan van God dat ik een mooier mens kan zijn. Iets of Iemand nodigt mij uit, daagt mij uit medeverantwoordelijk te zijn voor een leefbare aarde. Daar gaat een onweerstaanbare aantrekkingskracht van uit en het voedt mijn hoop dat een wereld volgens Gods bedoelingen inderdaad mogelijk is. Geloof in Gods bestaan zet mij voortdurend op het spoor van wat mogelijk is of wat nodig is voor de dag van morgen. Ik ontmoet God in situaties die om mijn inbreng vragen of in mensen die mijn pad kruisen. Ik ben daarin nodig om lief te hebben en het goede te doen.

 

Evenzeer heb ik God nodig om liefde en goedheid te ervaren om door moeilijke tijden heen te komen. Die liefde ontdek ik in mensen en in nabijheid is God nabij. En soms is er onberedeneerde kracht, ontvangen als uit de hoge.

 

gepubliceerd in Doornse Catechismus - Oude vragen, nieuwe antwoorden

Aarnoud van der Deijl, Stephan de Jong & Anne-Marijke Spijkerboer (red.) Kampen 2009.

 

 

Page 8 of 14