Lyonne Verschoor

Lyonne Verschoor

Jun 18, 2018

Gekend zijn

overweging op zondag 17 juni 2018 in De Open Hof Oud-Beijerland

We staan stil bij de overstap van de achtstegroepers van kinderdienst naar tienerkerk, van basisschool naar brugklas.

 

verhaal voor iedereen: Niemand is zoals jij, Max Lucado

uit de Bijbel: Psalm 139: 1-6; 13-16 en 23-24

 

Alziend oog

Sinds een paar weken hebben we te maken met een nieuwe privacywet. Want we leven in een tijd dat we worden gekend door allerlei instanties; dat ons koopgedrag wordt doorgrondt; als ik google op recepten krijg ik reclame voor tomaten! Door de locatiegegevens op onze telefoon is bekend waar we zitten of staan en dankzij de vele camera’s en digitale data zijn onze wegen aan justitie vertrouwd. Je zou het er benauwd van krijgen. Uit angst zijn veel mensen gestopt met Facebook. Wie weet wat er allemaal voor informatie over jou rondzwerft… En van de nieuwe privacywet worden we gezamenlijk een beetje zenuwachtig. Wat mag er nog wel? En wat niet?

Big Brother is watching you… dat gevoel hoorde vroeger bij het Alziend Oog van God. In sommige kerken vind je zo’n afbeelding nog terug. ‘God ziet alles’ werd kinderen voorgehouden. Mocht vader, moeder, meester of juf soms iets missen, dan was daar in ieder geval God als opvoedkundige stok achter de deur. Zo werd Hij een boeman waaraan geen ontsnappen mogelijk was. Dat Alziend Oog zou vast geen oogje dichtknijpen voor jouw pekelzonden. Dat oog, dat zien van God, werd een belasting, drukte zwaar als schuld.

Is dat nu nog een issue? Ik denk het niet. Ik hoop maar van niet. Maar vlak de mensen niet uit. We kijken naar elkaar; hebben een mening klaar en plakken een stip of een ster. (Niemand is zoals jij, Max Lucado) Door social media wordt geroeptoeter nog makkelijker gemaakt. En geroddel is van alle tijden en alle plaatsen. We kunnen het nu eenmaal niet laten. Aan de alziende blikken van elkaar is soms niet te ontkomen. We gaan ons ernaar gedragen. Zetten ons mooiste gezicht op, ons beste beentje voor. Zodat niemand meer weet, soms zelfs wij zelf niet, wat echt is en wat nep. Zodat we soms eenzaam zijn omdat niemand weet wat ons ten diepste bezig houdt.

We geven onze kinderen geen boze God meer mee, geen alziend oog. Van jongs af aan mag Hij een helper zijn, een vriend, iemand die met je meegaat, zelfs als anderen je in de steek laten. Zijn vinger steekt niet belerend omhoog en wijst geen schuldige aan. Zijn hand is troostend op onze schouder, een bemoedigend zetje in de rug.

 

gekend zijn

‘Heer, U kent mij’. Het Bijbelse woord ‘kennen’ gaat niet over ‘weten’. Er zijn geen data mee gemoeid, geen informatie die rondzwerft en jou voor altijd kan achtervolgen. Het Bijbelse kennen (yada) is ‘beminnen’. (Adam (be)kende Eva… Genesis 4:1) Zo intiem als seks hebben; elkaar in je blootje zien, op z’n kwetsbaarst. Dat is het Hebreeuwse kennen. Met elkaar verstrengeld zijn in een liefdevolle relatie. David, de dichter, is er diep verwonderd over (Ps 139:10 ber). En tegelijkertijd kan hij er met zijn verstand niet bij. Met zijn verstand niet. Maar hij weet het tot in het diepst van zijn ziel. Dat plekje waar je op getrapt kunt worden; waar je diepste gevoelens zitten, je zielenroerselen, dat plekje waar je geraakt wordt, waar ook ruimte is voor een soul-mate, een zielsverwant. Dáár weet David dat hij liefdevol gemaakt is en dat die maker hem kent, van binnen en van buiten.

Soms is zoveel liefde niet te verdragen. Dan zou je eraan willen ontsnappen; vluchten voor God. Als de verloren zoon die zijn liefdevolle vader de rug toekeerde en zijn eigen weg wilde gaan. De liefdevolle blik van de A(a)nder kan zomaar blootleggen wat er aan ons schort. De mildheid en het begrip van de A(a)nder doet ons des te meer beseffen waar we uit de bocht gevlogen zijn. In de grenzeloze goedheid van God zit ook een oordeel verborgen; een oordeel dat ons dieper peilt dan we zelf ooit kunnen; een peilstok die doorprikt tot de pijnlijke kern.

Ben jij de enige voor wiens ogen

Niets is verborgen van mijn naaktheid

Kan jij het hebben,

Als niemand anders,

Dat ik geen licht geef, niet warm ben,

Dat ik niet mooi ben, niet veel

Dat geen bron ontspringt

in mijn diepte

Dat ik alleen dit gezicht heb,

geen ander.

Ben ik door jou, zonder schaamte,

gezien, genomen,

door niemand minder?

Zou dat niet veel teveel waar zijn?

Zou dat niet veel teveel waar zijn?

(‘Ken je mij?’ tekst: Huub Oosterhuis)

 

Zo het niet veel te veel waar zijn?

Gods milde blik maakt dat we onszelf leren kennen. Vandaar dat gebed aan het eind van de Psalm: doorgrond mij, peil mij. Zie of ik geen verkeerde weg ga en leid mij over de weg die eeuwig is.

Het zijn geen ogen waarvoor we bang hoeven zijn. Er zit geen oordeel in. Alleen terechtwijzing. En vergeving. We hoeven er niet onder gebukt te gaan. Het vertelt ons dat we niet afhankelijk zijn van wat anderen van ons denken. Hun likes of dis-likes hoeven ons niet te deren.

 

op de goede weg

We zijn gekend. We kunnen er met ons verstand niet bij maar we kennen Hem in het diepst van onze ziel. En dan….

In het verlengde van dat Bijbelse kennen, beminnen en bemind zijn, ligt dat je ernaar handelt. Mij kennen, zegt God, bij monde van Jeremia, mij kennen is: recht en gerechtigheid handhaven, het recht van armen en behoeftigen beschermen. Niet gericht zijn op eigen voordeel alleen. (Jeremia 22:16-17) Jezus zegt: wie mij kent, kent mijn Vader. (Johannes 14:7) Aan Jezus kun je God aflezen. Hij belichaamt God, geeft handen en voeten aan Gods goedheid. Door de ogen vol ontferming waarmee Jezus de mensen overziet kijkt de Vader mee.

God kennen is over zijn weg gaan. Gewoon in het leven van alledag. Niet alleen op bijzondere dagen, op drempelmomenten als vandaag, maar alledag. Op sombere dagen, op stralende dagen. Gods weg gaan begint met kijken en kennen. Die ander zien in zijn kwetsbaarheid; onszelf durven laten zien. Gods weg heeft niets te maken met nep en schone schijn.

We hoeven dat niet alleen te doen. Net zo min als we onze kinderen alleen op weg sturen. Natuurlijk laten we hen stukje bij beetje los maar nooit helemaal.

Zo worden wij geleid op de weg van God. Ons leven is bij hem in goede handen.

Jun 10, 2018

In vogelvlucht

Leven met God in vogelvlucht

10 juni, PG De Open Hof, Oud-Beijerland

de adelaar: Deuteronomium 32: 10b-12

(foto: Bas Verschoor) 

 

de adelaar: Deuteronomium 32: 10b-12

 

Hij omringde het met zorg en met ​liefde,

koesterde het als zijn oogappel.

11Zoals een arend over zijn jongen waakt

en voortdurend erboven blijft zweven,

zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt,

12zo heeft de HEER zijn volk geleid,

hij alleen: geen andere god stond hem bij. 

vliegles

 

Onze oudste zat al tijden op zwemles en nog steeds zwom ze in het ondiepe bad. Ze vertrouwde niet op de kracht van haar armen en benen. En de draagkracht van het water vertrouwde ze al helemaal niet. Op een dag was ik het zat en zei tegen de badmeester: gooi haar maar in het diepe. Natuurlijk sprak ik eerst bemoedigende woorden; en natuurlijk stond de badmeester klaar met een haak. Ze werd in het diepe gegooid en ze zwom weg.

Nog vele malen heb ik het gevoel gehad dat ik mijn kinderen in het diepe gooide. Eigenlijk bij alles wat zij voor het eerst gingen doen. Vaak ging het goed; soms ging het fout en dan schoten we reddend te hulp. Als ouder weet je: ze zijn niet bestemd voor het veilige pierenbadje; je kunt ze niet bij je houden. Ze zijn bestemd om te vliegen.

 

Een arend gooit haar jong niet uit het nest in het diepe. Ze voedt het en begeleidt het naar zijn sprong in het diepe. Na enkele weken begint het jong te springen en vleugelbewegingen te maken. Soms wordt hij even door de wind opgetild, waardoor het lijkt alsof hij weg gaat vliegen.

En op een dag maakt hij echt zijn eerste vlucht.  Soms helpt moeder door enkele meters buiten het nest te gaan zitten met wat voedsel. Maar als de vleugels nog te zwak zijn, of het jong gaat de mist in, dan stort het neer. En moeder grijpt niet in!

 

Kijk, zegt Mozes tegen zijn volk, als hij vlak voor zijn dood afscheid van hen neemt. Kijk, dat is nou het verschil met de Eeuwige, onze God. Zoals de arend zijn nest en het jong voortdurend in het oog houdt, zo verliest God zijn volk nooit uit het oog. Zoals een arend boven zijn nest zweeft om op de vlucht te jagen, zo zweeft God boven zijn volk en schrikt Hij de vijanden af. Maar waar de arend haar jong niet op vleugels draagt, doet God dat bij zijn volk wel! Hij draagt ons met de kracht van zijn liefde, op de adem van zijn Geest.

Vergeet niet, zegt Mozes, dat jullie geboren zijn om te vliegen. Niet om in Egypte te blijven hangen. Niet om je ziel en zaligheid aan afgoden te verkopen. Jullie zijn bestemd om zelfbewust en verantwoordelijk te leven met elkaar en tot Gods eer. Niet om het pierenbadje van het bestaan te poedelen maar om risico’s te nemen, te leren en af te leren, om te stijgen tot grote hoogten, om in stormen terecht te komen en op je vleugels te vertrouwen. En op God.

 

de mus: Psalm 61: 3 ber. en Matteus 10:28-31

 

Laat me als een kleine vogel schuilen mogen

waar Gij uw vleugels om mij slaat.

Want Gij weet wie ik mij wijdde, dat ik zeide:

Heer, Gij zijt mijn toeverlaat.

 

'En weest niet bevreesd voor hen, die wèl het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. 29Worden niet twee ​mussen​ te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. 30En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld. 31Weest dan niet bevreesd: gij gaat vele ​mussen​ te boven.' NBG ‘51

schuilen

Iemand zei tegen me: ik word zo moe van naar de kerk gaan. In de preek hoor je altijd maar wat je moet dóen. Ik denk dat dat klopt. Voor een groot gedeelte gaat geloven over ethiek, normen en waarden. Zo komt geloven naar buiten; zo krijgt het handen en voeten. Wie kijkt met gelovige ogen, ziet wat de wereld om hem heen, de mens naast haar, tekort komt. Wie Jezus volgt, weet dat daarbij hoort dat je je aan zijn geboden houdt. Gods liefde kreeg immers lichaam in hem. En nu hij regeert in de hemel, zijn wij dat lichaam waarin Gods liefde woont op aarde.

Toch gaat daar iets boven uit. Want maatschappelijke betrokkenheid is niet alleen aan christenen voorbehouden.

Sociale bewogenheid is niet wat een gelovig mens ten diepste kenmerkt. Het is het besef dat wij in de barheid van dit bestaan een veilig nest hebben om op terug te vallen. Het is het vertrouwen dat wij, wat wij ook doormaken, ons ook klein mogen maken, zonder zwak gevonden te worden.

Want er is een Vader, een Moeder, een schoot vol ontferming. Wij zijn in ons wezen afhankelijk. Wat wij nodig hebben wordt ons gegeven. Door de genade, Gods goedheid, mogen we licht door het leven gaan.

We zingen zo een couplet van een van mijn liefste liederen. De laatste regel is zo hoog dat je op je tenen moet staan om erbij te kunnen. Soms is het nu eenmaal zo dat je er niet bij kunt, dat God bij je is.

Het persoonlijk leven van de dichter, Paul Gerhardt -hij leefde in de 18e eeuw- kende veel verdriet. Door een conflict met de overheid werd hij uit zijn predikantenambt gezet. Hij verliest twee van zijn jonge kinderen en daarna ook zijn vrouw. Vanuit dat hartverscheurende leven komt hij toch met een lied dat zingt dat een mens mag schuilen bij God. Ja zelfs, dat het allemaal weer goed komt. Ik zei al, soms moet je op de tenen van je geloof gaan staan. In de Trouw van woensdag stond het zo: Geloof is een besef dat zich nauwelijks onder woorden laat brengen. Een besef dat ook nog weer eens kan wankelen, dat half vergeten raakt in het dagelijks gewoel.

 

de duif: Matteus 10: 16

 

'Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif.' 

integer

Jezus’ leerlingen hadden met uitdagingen te maken toen Jezus hen uitzond om het koninkrijk te verkondigen. Het evangelie maakt je kwetsbaar want het is een boodschap die dwars tegen de werkelijkheid ingaat. Het legt de vinger op de zere plek en daagt uit om andere prioriteiten te stellen. Je maakt je er niet altijd populair mee. We leven in een tijd dat de kerk aan relevantie verliest. En persoonlijk lopen we in het dagelijks verkeer ook liever niet te koop met ons geloof. Toch zijn ook wij ‘gezondenen’. Ik vraag me af wat Jezus’ aansporing voor ons kan betekenen.  

 

Behoud de onschuld van een duif. Ik heb het voor mezelf vertaald met: behoud de integriteit van een duif. De beste dienst die wij het evangelie kunnen bewijzen is door te leven naar wat wij belijden; door aanspreekbaar te zijn op wat wij geloven. Durven wij op ons werk ook de menselijke maat te hanteren of gaat het alleen om efficiëntie en winst? Doen we mee aan geroddel of stellen we er een ander geluid tegenover? Laten we ons meeslepen door de waan van de dag of zoeken we onze rust en stabiliteit in het Evangelie? Zoeken we confrontatie of dialoog? Niet om de braafste leerling van de klas te zijn maar wel omdat we ons ervan bewust zijn dat aan ónze goedheid Gods goedheid af te lezen valt. Wij zijn het lichaam van Christus; dat lichaam waarin God woonde op aarde.

We hoeven niet naïef te zijn in onze onschuld. We zijn tenslotte ook oplettend als een slang. Zo blijven we als christen in balans en zoeken we onze weg in een harde wereld die wel wat zachtheid gebruiken kan. In de woorden van Paulus vind ik een kernachtige samenvatting van het leven als duif: Laat u niet overwinnen door het kwade maar overwin het kwade door het goede. (Rom 12:21)

Een duif keert altijd terug naar degene die hem gezonde heeft. Zo mogen wij steeds terugkeren naar God; om door hem gevoed te worden, om nieuwe krachten op te doen. En ons opnieuw te laten zenden.

May 17, 2018

Pinksterbloemen

Vrolijk geel staken ze hun kopje boven het gras. Er kwamen er steeds meer: paardenbloemen. Mijn man is van het gras. Hij ging in de aanval, want als je er eenmaal eentje hebt, weet je dat binnen de kortste keren het gras ermee vol zit. En toch, rijdend over de snelweg, of door de polder, zie ik de weiden vol met die vrolijke, gele bloemen en dan geniet ik er toch ook weer van. Zo uit de verte vormen ze met elkaar een prachtig zomers plaatje.

Als Jezus zijn leerlingen op pad stuurt om zelf boden te zijn van het koninkrijk van God, dan waarschuwt hij hen dat mensen hen soms liever zullen zien gaan dan komen. Zij zullen worden beschouwd als hinderlijk onkruid, dat mensen liever willen uitrukken en verbranden. Als hij hen uitzendt zegt hij: ‘Pas op voor de mensen, want ze zullen je voor het gerecht brengen en je geselen in hun synagogen. Jullie zullen omwille van mij worden voorgeleid aan gouverneurs en koningen en een getuigenis moeten afleggen ten overstaan van hen en de heidenen.’ (Mt 10:17v) Mensen die tegen de waan van de dag in roepen dat het anders kan, anders moet, zijn meestal niet populair. Ze ontmoeten weerstand. Maar het zijn diezelfde mensen die iets van de vrolijkheid en lichtheid van de grote zomer laten zien.

De paardenbloem bloeit fel en kleurig en wordt dan een pluizige bol vol zaadjes die verwaaien op de wind. Met Pinksteren vieren we dat God zijn vertrouwen schenkt aan de mensen. Als Jezus zijn vrienden moet achter laten, laat hij een stukje van zichzelf achter. De Geest van God die hem inspireerde tot levenskunst blaast hij zijn vrienden in. ‘Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’ Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest.’ (Johannes 20: 21v) Als de zaadjes van de paardenbloem verspreiden zij zich over de aarde, aangevuurd door God zelf.

Het kan niet anders of de inspanningen van mensen die zich laten aansporen door de Geest van Jezus zullen zich vermeerderen. De vruchten van die Geest zijn aanstekelijk. Liefde wordt meer als je het weggeeft; vreugde wordt groter als die wordt gedeeld, vriendelijkheid zal vriendelijkheid opwekken en wie goedheid zaait, mag goedheid oogsten.

Misschien laat ik er wel eentje staan in de tuin. Zo’n Pinksterbloem.

May 07, 2018

Een open venster

overweging op zondag 6 mei 2018 in  De Open Hof te Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Genesis 8: 1-14

 

honderdvijftig dagen

Honderdvijftig dagen lang was de aarde helemaal met water bedekt. Hoelang duren

honderdvijftig dagen als je met acht mensen in een ark ronddobbert over het water? Hoe langzaam verstrijkt de tijd als je geen idee hebt van een plan of hoe nu verder? Wat doet de gedachte met je dat er maar een heel dun houten wandje zit tussen jou en de dood? Wat doet dat met je vertrouwen?

 

Misschien is het verhaal van de ark wel met het oog op deze o zo menselijke vragen in de Bijbel terecht gekomen. Het zondvloedverhaal is geen uniek verhaal. Er zijn vele vloedverhalen bekend. De Babyloniërs kenden het bijvoorbeeld ook. (Gilgamesj Epos) Overal en altijd voelen mensen zich bedreigd, onzeker over hun leven, onzeker over de rol van God daarin, en zij bezweren die angst met verhalen over redding uit de nood. De ballingen in Babel eigenden zich het zondvloedverhaal toe en lieten er God een bepalende, reddende, rol in spelen. Zij gaven een eigen, nieuwe betekenis aan het oude verhaal. Wij vinden dat plagiaat, toen was het heel gewoon.

Honderdvijftig dagen in stilte en in het donker. Eindeloos duurt de onzekerheid. Zo eindeloos als het wachten van de ballingen op hun terugkeer naar Jeruzalem.

Eindeloos duurt het als je ziek bent en behandelingen ondergaat; als je terecht komt in de diepte van een depressie; als het mantelzorgen je zwaarder en zwaarder valt en er is geen uitzicht op een plaats op dagopvang of verpleeghuis. De uren kruipen voor wie waakt of wakker ligt van bezorgdheid. Dat stille en donkere, uitzichtloze ronddobberen is ons niet onbekend.

 

Het verhaal van Noach houdt ons dan in de eerste plaats voor dat wij gedragen worden. Uit de bouwtekeningen van de ark (Genesis 6) kunnen we opmaken dat deze geen kiel heeft en daardoor stuurloos is. Hij is niet bestemd om te varen of een bestemming te bereiken. Hij is er alleen maar om Noach en de zijnen te dragen, te bewaren voor het water.

De tijd kan voorbijkruipen en ons schip kan onbestuurbaar zijn, maar we mogen ons gedragen weten. ‘God zij geprezen met ontzag. Hij draagt ons leven dag aan dag. Hij droeg ons door de diepte heen. De Here Here doet alleen ons aan de dood ontkomen.’ (NL 68:7) Die ervaring, dat geloof, wordt uit de doeken gedaan in dit verhaal.

een venster

Ondanks dat wij het tegendeel wel eens voelen zal God zijn mensen nooit vergeten. Hij blijft aan hen denken. Met de woorden van de Psalmen is dat: Hij blijft hen indachtig. Ze laten hem niet lós. Hij zal hen niet loslaten. ‘Indachtig’ is het wezen van God; het is zijn barmhartigheid. Noach heeft God steeds voor ogen gestaan. Want het was hem te doen om de redding van de mensheid, van de schepping. Dat horen we af aan het verhaal. De wind die over de vloed gaat waaien en het water onder en boven de aarde dat weer op zijn plaats wordt gewezen. Het brengt ons zo weer terug bij Genesis 1. In den beginne zweefde Gods Geest, zijn adem (ruach), over het water. Na het licht op de eerste dag wordt op de tweede en derde dag het droge lang tevoorschijn geroepen: bestaansgrond voor de mens. Het zondvloedverhaal is de schepping 2.0. Alles wordt nieuw. De mens zal veilig kunnen wonen.

 

Één ding wordt niet opnieuw geschapen. Één ding is er steeds geweest: het licht. Gods licht. Volgens de bouwtekeningen in Genesis 6 had de ark een lichtopening van een el groot. Een teken van hoop. Ik herhaal nog maar eens die prachtige tekst van Leonard Cohen: There’s a crack in everything. That’s how the light gets in. (Anthem, Leonard Cohen). Hoe gebroken het bestaan soms is, hoe kapot je bent, ergens valt Gods licht naar binnen.

Die lichtopening is in dit hoofdstuk plotseling een venster; een venster dat Noach na veertig dagen open doet. Bijbelse tijd van afwachten en wachten, woestijntijd; tijd van beproeving en tot inzicht komen. Noach heeft de moed gevonden of gekregen om het venster te openen. Om uit te kijken over het water en te speuren naar tekens van hoop. Hoezeer Noach’s leven ook op slot zat, hij opent het venster vol verwachting.

 

de duif

Dan laat Noach een raaf uitvliegen. [Het is een oude navigatietechniek om vogels te laten uitvliegen om te kijken of er land in zicht is. Ons woord ‘kraaiennest’ herinnert daar nog aan.]  De raaf blijft heen en weer vliegen. Wat hebben raven tenslotte met mensen?

Duiven zijn anders. Die keren terug naar de mensen. De duif keert terug naar Noach omdat zij geen plek vindt om te rusten. Een rabbijnse vertelling daarbij zegt: ‘Als de duif wel een rustplaats gevonden had, was zij niet teruggekeerd. Is dat niet hetzelfde

als met Israël, waarvan geschreven staat: Zij wonen te midden der volkeren en vinden geen rust. – Als zij wel rust gevonden zouden hebben, zouden zij niet tot God

teruggekeerd zijn. (zie Klaagliederen 1:3) De duif keert terug naar Noach. Zo keert Israël terug naar de Eeuwige die zich ontfermen zal.

Dit komt later in de Bijbel nog een keer terug. Een duif die terugkeert naar de handen van degene die hem heeft laten uitvliegen: Jona. Zijn naam betekent duif. Hij liep weg voor zijn roeping zoals ook Israël, zoals ook wij, wel eens weglopen voor onze roeping. Wij willen niet altijd Gods postduif zijn. Maar duif Jona heeft een belangrijke boodschap te vertellen. Dat God zich inderdaad houdt aan zijn belofte om nooit meer de aarde te vernietigen. Dat zijn ontferming altijd groter zal zijn dan zijn boosheid. Jona, zegt Hij, zou ik geen verdriet hebben om Ninevé, die grote stad, met al die mensen en ook nog al die dieren? (Jona 4:11).

Het is de duif die die boodschap van ontferming brengt: Jona, Israël, Gods gemeente.

olijfblad

Steeds na zeven dagen laat Noach de duif uitvliegen. Hij telt de dagen. Als weken van schepping, van sabbat naar sabbat. Noach telt met God als uitgangspunt. Daarin is zijn verwachting verankerd. De duif brengt een jong olijfblad mee terug. Een teken van vrede en vriendschap. Vrede tussen God en de mensen. Hij heeft zich met hen verzoend en hen nieuw bestaansrecht gegeven, vaste grond onder de voeten.

Als alles achter de rug is en Noach is gesetteld op de nieuwe aarde zal hij een wijngaard aanleggen. Olijfboom en wijnstok samen wijzen naar een wereld van vrede en recht, een menselijke en leefbare wereld; de wereld die God voor ogen staat. (Hosea 2:24)

May 02, 2018

Stil

Stil

Bij een uitvaart lopen we vanuit mijn kerk, De Open Hof, door het park naar de begraafplaats. Een heilzame wandeling van een minuut of tien. Zacht en geleidelijk gaan we over van de herinneringen aan het leven van de overledene naar het definitieve afscheid van de dood en het graf. De wandeling stemt tot nadenken over de kwetsbaarheid en sterfelijkheid van ons mensen. Ons gemijmer wordt tot een geheel met de geluiden van het park; de wind in de bomen, het gesnater van de eenden en de zingende vogels. En soms ook de jonge stemmen van spelende kinderen. Leven en dood, dood en leven, in een weldadig en zinnig verband.

Sinds kort zet ik onderaan de liturgie van de uitvaartdienst dat we ‘in stilte’ naar de begraafplaats lopen. Een noodzakelijke toevoeging omdat mensen het niet altijd op kunnen brengen om in rust die wandeling naar het graf te maken. Liever dan onze gedachten te laten verwijlen bij de doden bespreken we de onbenulligheden van het moment, waarvan het meeste kan wachten tot later bij de koffie. Wat is dat toch? Benadrukken we soms al pratend dat wíj er nog zijn? Bezweren we onze angst voor de dood met geluid alsof we fluiten in het donker? Of voelen wij ons zo heer en meester over het leven dat wij niet hoeven stil worden bij de dood?

Het is bijna 4 mei. We zijn twee minuten stil. Ik denk aan niemand in het bijzonder. Ik ben van na de oorlog. Mijn ouders zijn van na de oorlog. En toch ben ik stil en denk ik na over de kwetsbaarheid van mensen en hun sterfelijkheid; aan mensen die stierven in de strijd om de vrijheid, aan onschuldige slachtoffers, aan kinderen, aan mannen en vrouwen die in verzet kwamen. Wat zij hebben doorgemaakt, de levens die verloren gingen, daar wórd je stil van. En als je bedenkt dat vrijheid nog altijd geen gelopen race is, dat mensen nog altijd slachtoffer kunnen worden om wie ze zijn of wat ze geloven en dat verzet tegen onrecht nog altijd bitter nodig is, dan kun je alleen maar beschaamd zwijgen.

Er zijn mensen die menen lawaai te moeten maken om 20.00 uur op 4 mei. De kalme gang van het gesprek slaan ze zondermeer over; de bedachtzame stilte van hoor en wederhoor hebben zij niet gezocht. Wat is dat toch?

Ik blijf maar denken aan dat ene lied over Jezus: ‘stem die de stilte niet breekt, woord als een knecht in de wereld’. (NL 321:3) Van hem geloven wij dat hij kon spreken zonder de stilte te breken. Zijn spreken was dienend; wat hij te zeggen had droeg bij aan het gesprek. Het liet mensen aan het woord die anders geen recht van spreken hadden, het was helend. Zo te kunnen spreken. En anders zwijgen.

Apr 30, 2018

een ark vol leven

overweging op 29 april 2018 PG Nieuwland in Westmaas

uit de Bijbel: Genesis 6: 5-22

‘Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken’ van Toon Hermans

 

wat is dit voor een God?

Waar kinderen dit verhaal prachtig vinden  - de dieren twee aan twee, de regenboog - zorgt het voor veel volwassenen voor indringende vragen. Wat is dit voor een God die de mensen en de dieren laat omkomen? Hoe kan God dit toelaten?

En het klopt toch niet dat na deze zondvloed er nooit meer rampen geweest zijn die mens en dier vernietigen? Hoe zit dat met tsunami’s en aardbevingen, met orkanen en overstromingen? En hoe zit dat met de vloedgolven van verdriet of pijn die mensen persoonlijk kunnen overdonderen?

Wij benaderen het verhaal met vragen. Terwijl het verhaal bedoeld is als antwoord op vragen, van mensen lang geleden. Waar komt het kwade vandaan? Wat is daarin de rol van God, en die van mensen? Dit is een verhaal dat de grootste angst van de mens onder woorden brengt, de angst om om te komen.

 

spijt

Het begon allemaal zo mooi: een prachtige tuin en God zag dat het goed was. Mensen om de aarde te behoeden en te bewerken; broers die naar elkaar zouden omzien. Maar het is mislukt. En de Schepper heeft er geen hoge pet meer van op. In zijn ogen zijn alle mensen op aarde slecht: alles wat ze uitdachten was even slecht. Hij kreeg er spijt van en hij voelde zich diep gekwetst.  Letterlijk staat er: het ging hem aan zijn hart.

Nog een keer vertelt het verhaal: God zag dat de aarde door en door slecht was en dat iedereen een verderfelijk leven leidde. In onze tijd zouden we zeggen: ze leven vanuit de filosofie ‘na ons de zondvloed’. Wat moet er gebeuren om dit te veranderen?

 

Er zijn twee dingen die God kan doen: helemaal niets of iets. Als God helemaal niets zou doen, dan leunt Hij achterover en laat de mensheid over aan wat ze zelf aanrichten. Ze verdienen elkaar daar beneden. Het gaat vanzelf een keer zo fout dat het wel afgelopen moet zijn. Of misschien moeten we denken: God heeft het zo van te voren bedacht. Het zal wel ergens goed voor zijn. Maar als God helemaal niets zou doen, vanuit welke motivatie dan ook, dan zou Hij overkomen als kil en onaangedaan. Onbewogen.

 

Maar God gaat iets doen. Iets waar we ook grote moeite mee hebben. Want wat is dat voor een God die zo’n vernietigend besluit neemt? Iets doen is in dit geval net zo hard en onbewogen als niets doen. Maar dat is God nu juist niet.

 

God is niet kil en onbewogen. Het gaat hem aan het hart dat zijn bedoelingen niet uit de verf komen. Was ik er maar nooit aan begonnen, heeft Hij misschien gedacht. Het wordt toch nooit wat. ‘Zou God nog in ons geloven’ stond op een van de beste Loesje-posters. Vindt Hij zijn schepping nog de moeite waard. Moet Hij er mee doorgaan of niet? Er hangt hier een spannende beslissing in de lucht: wel doorgaan, niet doorgaan. Een goddelijk besluit, een pijnlijk oordeel.

 

waarom?

Ik stel mezelf die vragen op mijn sombere dagen ook. Is de schepping nog de moeite waard? Komt het ooit goed? Komt er een dag dat het vrede is, dat mensen elkaar het licht in de ogen gunnen? Zullen we ooit stoppen ons druk te maken over ons eigen hachje alleen?

Sommige mensen menen in de wereldgebeurtenissen tekenen te zien van het einde der tijden. Kijk dan, zeggen, het moet wel fout gaan.

We maken ons zorgen om de aarde en terecht. Hoe loopt dit af? Wij maken ons dus dezelfde zorgen als God. De hemel en de aarde zijn verbonden in hun gezamenlijke zorg om de goede afloop. God en mensen delen de bewogenheid om wat mensen en dieren overkomt.

 

We kennen de afloop van het verhaal allemaal. We zullen een onomwonden antwoord krijgen op de vraag of het God nog wat kan schelen. Eigenlijk is dit hoofdstuk alleen te verdragen omdat we ook het einde kennen. Maar nu blijven we stilstaan bij het begin van het verhaal: waarom nam God het besluit om een einde te maken aan het leven van de mensen?

Dat was geen daad van boosheid of wraak. Het was geen strafoefening. Geen vertoon van goddelijke macht of nog erger: van goddelijke willekeur. Maar een uiterste poging om de wereld voor nog meer ellende te behoeden. Zo moeten we dit verhaal lezen: niet als een verhaal van ondergang en dood maar als een verhaal van bewogenheid en hoop. En God heeft reden om te hopen en te blijven geloven in de mens. In een mens. Want Noach leidde een voorbeeldig leven, in nauwe verbondenheid met God. Anderen zouden een voorbeeld moeten nemen aan hem.

 

reddingsverhaal

Door die ene te bewaren, met zijn gezin, door van alle dieren er twee te redden, zet God in op de toekomst, op een nieuwe schepping. Er is een Joods spreekwoord dat zegt: Wie een mens redt, heeft de mensheid gered. En dat is wat dit verhaal ten diepste wil overbrengen: God heeft door het redden van Noach en de zijnen de mensheid gered. Hij wil de aarde behoeden voor nog meer ellende en bederf. Hij heeft haar veilig gesteld voor de toekomst.

 

Het is dus een reddingsverhaal. Een van de vele reddingsverhalen in de Bijbel. Redding omdat God hoop heeft gehouden. Hij heeft hoop gehouden vanwege Noach. Een man die wandelde met God.

Een samenbrenger, geen breker. Een deler, geen nemer. Een omarmer, geen buitensluiter. Niet hoog te paard, veel eerder laag te ezel. Precies, ook Jezus is een rechtvaardige. Een mens in wie God de hele mensheid aanziet en door die ene een reddingsverhaal schrijft.

 

Dat het een reddingsverhaal is blijkt wel uit de nauwgezette omschrijving, de bouwtekening die ook in de Bijbel is terechtgekomen. Van de plaatjes weten we dat je met deze bouwtekening een raar soort boot bouwt: eerder een soort drijvende doos van drie verdiepingen hoog. De hele schepping, alles wat vliegt, kruipt en loopt, wordt veilig gesteld in de ark. Om opnieuw te kunnen beginnen.

 

Later in de Bijbel horen we van een andere drijvende doos, net als deze bestreken met pek. Daarin wordt Mozes gered. En door hem een heel volk.

 

Het verhaal van de ark vertelt me dat ik reden heb om te blijven vertrouwen. Dat er redding mogelijk is, ook als het water ons aan de lippen staat. Met God kunnen we wonen op het water. Als ik in mijn bestaan wordt bedreigd door wat dan ook, zal ik toch blijven drijven.  

Wie een beetje timmermansinzicht heeft, zal ontdekken dat de ark geen kiel heeft. Hij is stuurloos. Hij is ook niet bedoeld om er een doel mee te bereiken, niet bedoeld om mee te varen, maar om te dobberen. Om gedragen te zijn in moeilijke tijden. Zo wil de Eeuwige onze God zijn.  

 

we hebben mensen nodig

Wat voor reddingsplan God ook bedenkt, hij heeft er zijn rechtvaardigen voor nodig. Helden. Mensen met wie God in zee kan gaan, letterlijk en figuurlijk. Mensen die doen wat God heeft opgedragen. Ook als dat volstrekt belachelijk lijkt: Noach, wat sta je toch te timmeren? Een watermassa?! Doe toch niet zo pessimistisch, het zal zo’n vaart niet lopen. Hoe zo, ga jij met de trein naar je werk. Joh, zolang er vliegtuigen over gaan, zet dat toch geen zoden aan de dijk. Waarom bezoek jij die oude dame? Als je weg bent, is ze je al weer vergeten. Loop jij met een collectebus? Weet je dan niet dat het meeste aan de strijkstok blijft hangen?

Noach mag dan naïef lijken, hij is onverstoorbaar. Hij timmert rustig door omdat hij gelooft in wat hij doet. We hebben mensen nodig, dicht Toon Hermans, die zonnen ontsteken voordat de wereld verregent, sterren ophangen in de mist, water naar zee dragen. Mensen die dansen in de regen; die van de daken roepen dat er liefde is als al die anderen schreeuwen: alles heeft geen zin.

En die mensen zijn er, god zij dank. Mensen die leven vanuit de overtuiging ‘neen, de wereld gaat niet onder. En zij zien in ieder einde weer een nieuw begin.’

Die mensen hebben we nodig. Die mensen heeft God nodig. Mensen die geloven in een aarde zoals God die heeft bedoeld. Zoals Noach, die van zijn geloof zijn way of life maakte. Hij wandelde met God.

Dus laten we het goede doen zonder ons af te vragen waar het dan wel goed voor is. Zonder ons de vraag te stellen naar het waarom.

Laten we iets doen omdat niets doen geen optie is.

We kunnen bij elke rimpeling of ramp onze vuist ballen en naar boven roepen: God waar ben je? Ik wil zo’n mens zijn die antwoord geeft als uit de hemel klinkt: Mens, waar ben jij? Met vallen en opstaan.

overweging op zondag 22 april 2018  PG De Open Hof

In deze dienst vieren we het 50-jarig jubileum van een de organisten.

 

uit de Bijbel: Ezra 3: 1-6 en 10-13 en 1 Korintiers 13: 1-7

 

Van welke muziek houdt God? (ds. Jeroen Jeroense, in: Doornse Catechismus)

Muziek gaat over verwondering. Over het wonder dat tussen de regels door grenzen worden overschreden. De grens van de taal: want muziek of een lied kan verwoorden waar wij geen woorden voor hebben. Zing het maar, zeggen we als iemand niet uit zijn woorden komt. Als het gaat over intense ervaringen als liefde, vertrouwen, verdriet, twijfel, stamelen we maar wat maar het lied wéét het en verwoordt het. Mirjam zingt een lied als Gods volk door de zee is getrokken; David zingt! Maria zingt een lied als de engel haar betrekt bij Gods plan; de engelen zingen een lied als haar zoon is geboren.

Muziek overschrijdt de grens van wat wij voor mogelijk houden: want muziek heeft de kracht om ons boven ons zelf uit te tillen. Het opent een andere werkelijkheid. In het verdriet om de dood zingen we van het leven.

Als de wereld in brand staat zingen we  van vrede. Ten tijde van de ballingschap zong Gods volk over bevrijding en thuiskomen. Dat zou toch een feest zijn! (Ps 126) Als wij ons alleen voelen, zingen we van Gods nabijheid. Kyrie wordt op dezelfde adem gezongen als Gloria. Alleen al door te zingen dat het anders kan zijn, beginnen wij te geloven dat het echt zo zijn kan; beginnen we ernaar te leven. 

Muziek overschrijdt de grens van het gewone en alledaagse. Muziek brengt ons in hoger sferen. Het zet de deuren van ons hart open. Er is ruimte. Ruimte voor God. Ruimte voor zijn Geest. De muziek is een ladder naar de hemel waarlangs wij opklimmen naar God. Het is daarom dat Calvijn het zingen van de gemeente benoemde als bidden. Als de gemeente zingt, dan bidt zij en strekt zij zich uit naar God. En God komt dichterbij. Hij troont, hij woont, in het lied van zijn gemeente. Daarin is hij aanwezig. We zingen hem naar ons toe. En hij laat zich door ons verbidden.

Van welke muziek houdt God? Er zijn mensen die menen dat Hij alleen van Bach houdt. Ik denk dat Hij aanwezig is in alle vormen van muziek waarmee het hart van mensen is gemoeid.

 

fundament

Als de teruggekeerde ballingen de tempel willen herbouwen, bouwen zij een plaats voor de ontmoeting met God. Dáár zal zijn aanwezigheid worden ervaren. Dáár zal Hij wonen. Maar laten er geen misverstanden over ontstaan dat Gods aanwezigheid gebonden zal zijn aan stenen en aan muren. Gods aanwezigheid is verbonden met wat er ín die tempel zal plaatsvinden: de dankdienst aan hem; de ere-dienst. Eerst wordt er geofferd, gebeden, feestgevierd. Zoals dat in de Wet van Mozes is vastgelegd. God woont daar waar hij wordt geëerd. Daarom moet het eigenlijke fundament eerst worden gelegd: priesters in vol ornaat stellen zich op met trompetten, met cimbalen, en zij danken God. Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw aan Israël. Ook als zij het wel eens hebben laten afweten, eeuwig duurt zijn trouw. En heel het volk begon te juichen en de Heer te prijzen omdat de fundamenten van de tempel van de Heer werden gelegd. Zij juichen niet om de stenen; zij juichen om de muziek, om de lofzang. Dát is het wezenlijke van de tempel, het hart van elk godshuis: de lofzang wordt er gaande gehouden; Gods trouw wordt hooggehouden. Zonder lofzang verliest de gemeente van God haar opdracht uit het oog, verliest zij haar bestaansrecht.

 

zingen is dubbel bidden

Augustinus schijnt gezegd te hebben: Zingen is dubbel bidden. Kenners en fijnproevers zullen meteen corrigeren: Góed zingen is dubbel bidden. En daar hebben ze gelijk in. ‘Qui bene cantat bis orat.’ Tja, definieer wat goed zingen is. Moet het mooi klinken? Moet het toch Bach zijn?

Als ik de teksten van vandaag erbij pak, ontdek ik een paar criteria voor ‘goed zingen’. De priesters en Levieten zingen in beurtzang; ze zingen elkaar toe als woord en antwoord. En het volk stemt in met gejuich en lofzang. Wij noemen dat in de eredienst ‘acclamatie’, instemming, bevestiging. Goed zingen lijkt me: samen zingen, samenspel. Gemeenschap. We bevestigen elkaar in het lied dat we zingen: ja, het is écht zo. Ja, het zal echt zo zijn.

Dat lijkt me een tweede criterium: goed zingen is het goede zingen. God is goed, eeuwig duurt zijn trouw, zingen de priesters bij de herbouw van de tempel. Dáár kunnen we het over eens zijn. Dat is wat ons op de been heeft gehouden in alles wat we doormaakten. Dat zal ons staande en gaande houden tot in eeuwigheid.

Het derde criterium vind ik in de brief aan de gemeente in Korinte. Alles dat wij doen zonder liefde maakt alleen maar herrie. Een talent dat wij alleen inzetten om er zelf beter van te worden: kabaal. Kennis zonder mededogen, geloof zonder barmhartigheid, goede daden zonder liefde: dreunende gongs, schelle cimbalen. Goed zingen heeft te maken met het hart. Het hart dat zich opent voor God; voor het leven dat je leeft, voor de mens naast je. Fijnbesnaard leven, afgestemd zijn op een ander, aangeblazen door Gods Geest, dan zit er muziek in jou.

 

juichen en huilen

De emoties lopen hoop op als de fundamenten voor de tempel worden gelegd. De ouderen, die de eerste tempel nog hadden gezien, huilden luid. Maar vele anderen juichten en jubelden. Er wordt gehuild om wat voorbij is; de tempel in zijn oude glorie. En er wordt gejuicht, mensen zijn enthousiast vanwege de vernieuwing.

Het is soms om te janken als we inventariseren wat we allemaal zijn kwijt geraakt.

De vergrijzing slaat toe bij zangkoren. Op school wordt bijna geen aandacht meer besteed aan muziek en zang. De leeftijd van de gemiddelde organist is hoog en er komen niet veel jonge mensen bij.

Het is soms om te janken: een nieuw liedboek. Engels zingen. Bij de piano. Opwekking? Taizé? Is dat allemaal nou wel nodig? Kinderliederen? Ze hebben toch hun eigen dienst?

Anderen staan erbij te juichen. Zij verwelkomen de mogelijkheden van de beamer, nieuwe muziek. Hun verdriet zit hem erin dat dat soms wordt afgedaan als: dat is geen muziek, zo doen we dat hier niet. 

Ezra vertelt dat in zijn tijd juichen en huilen niet meer van elkaar te onderscheiden waren. Het werd één geluid, één gemeenschappelijk lied dat tot op grote afstand te horen is. Wat we ook het liefste zingen, laten we elkaar vasthouden. Zo nodig af en toe compromissen sluiten met onszelf en instemmen met de lofzang die de ander graag zingt. Dan zal de muziek, hoop ik, vertrouw ik, nooit verstommen en zal Gods Naam onder ons blijven.

Apr 17, 2018

Waar is je broer?

overweging op 15 april 2018 ~ Protestantse Gemeente i.w. Poortugaal

Genesis 4: 1-16

medemens zijn

Het is een bitter raadsel waarom mensen elkaar het ergste aandoen. Wat is dat toch in ons, dat wij, de mensensoort, elkaar kapot willen maken? Dat wij verjagen wie ons het liefste zijn, macht willen uitoefenen? Wat is dat toch, dat wij hard zijn in ons oordelen en veroordelen van elkaar; waarom kunnen wij onszelf niet opzij zetten? Vanaf het begin is het duidelijk dat dat wél de bedoeling is. God zei: het is niet goed dat de mens alleen is. En God maakte een ander, een luisterend oor, een weerwoord, een helper. Het is met de schepping ingegeven dat wij niet alleen op de wereld zijn, dat wij medemens zijn. En vanaf het begin is de Bijbel er duidelijk over: dat is ontzettend moeilijk.

Kain en Abel

Twee broers zijn er. Kain is de oudste. Zijn naam betekent zoiets als 'schepper' of 'bezitter'. Hij is de eerstgeborene, de trots van zijn moeder die uitroept: met hulp van de Heer heb ik het leven geschonken aan een man! Kain is landbouwer. Hij bezit de aarde en bewerkt die. Met opgeheven hoofd kan hij rondlopen. Hij mag er zijn! En dan heb je ook nog Abel. Geen verrukte uitroep van zijn moeder dit keer. Ze was tenslotte al moeder en deze komt er bij. Eigenlijk mag hij geen naam hebben. Hij is de eeuwige nummer twee, de broer van zijn broer. 'Zuchtje'  betekent zijn naam. 'Nietigheid'. Alles wat hij in zijn leven zal zijn, zal hij zijn dankzij zijn broer. Zijn schapen lopen op het land dat Kain bezit. Zo zit de wereld in elkaar. We zeggen niet dat dat goed is maar we constateren dat dat verdrietig genoeg zo is. Er is rijk en arm. Wij en zij. Machthebbers en machtelozen. Er zijn mensen die slagen in het leven en losers. De anderen, de medemens die altijd in de buurt is. Het geheim van het bestaan is dat die twee, Kain en Abel, het met elkaar moeten zien uit te houden. Het geheim van het bestaan is dat alleen vanuit ontferming leven mogelijk is.

oog voor Abel

Het verhaal begint met een offer. God merkte Abel en zijn offer op maar voor Kain en zijn offer had hij geen oog. Die volgorde is belangrijk. In de kinderbijbel waaruit mijn juffrouw op de zondagsschool las, wordt uitgebreid uit de doeken gedaan dat Kain niet oprecht was in zijn bedoelingen en niet echt dankbaar was. (Anne de Vries, Groot Vertelboek voor de Bijbelse Geschiedenis; zie ook: Hebreeën 11:4) Sommige schilders hebben het zo verbeeld dat de rook van Abels offer recht omhoog steeg en dat de rook van het offer van Kain als een zwarte walm neersloeg. Maar het gaat niet om Gods verwerping van Kain! Het gaat om zijn voorkeur voor Abel. Die ergerlijke voorkeur van God voor de minsten van de mensen. Die mensen waarmee Jezus later zal eten en hij zal zeggen: ik ben niet gekomen voor de rechtvaardigen. En: ik ben gekomen om het verlorene te zoeken. (Mat 9:13; 15:24) Dáárom is Gods aandacht niet bij Kain en zijn offer, maar bij het offer van Abel, de kwetsbare mens. God zal zijn oog altijd laten vallen op de kwetsbare, de achteraankomer, de loser.En hij vraagt van de Kains, de sterke en geslaagde mensen, zijn blik te volgen. Maar dát kunnen we dus niet altijd opbrengen, vertelt dit verhaal. Kain wordt woedend. 'Hij liet zijn gezicht vallen' zegt de oude vertaling (NBG '51). Hij kijkt niet naar zijn broer. Niet naar God. Elk contact is verbroken. God kijkt naar Abel maar Kain volgt zijn blik niet. Hij heeft aan niemand een boodschap. 

waar is je broer?

'Waar is je broer?' vraagt God. Dat weet ik niet, zegt Kain. Moet ik soms waken over mijn broer? Ja, natuurlijk! De aarde schreeuwt dat zo is. Abel mag dan tot zwijgen zijn gebracht, de stem van je medemens breng je nooit tot zwijgen. Hij klinkt nu zelfs nog harder. Dit is overigens de tweede vraag die klinkt in een verhaal dat nog maar net begonnen is. In het vorige hoofdstuk klonk: Mens, waar ben je? En nu: Mens, waar is je broer? Om die twee vragen draait ons hele bestaan. Hoe sta jij tegenover God? Durf jij je aan hem te laten zien in al je naaktheid en kwetsbaarheid. En hoe sta jij tegenover je medemens? Is hij of zij lucht voor je? Zie jij die ander met dezelfde ogen als God dat doet? Want daarover gaat dit verhaal. Niet over moord, maar over kijken. 

De drang om gezien te worden, geliefd te zijn, zit in ons allemaal. We willen gehoord worden, liever dan eerst te luisteren. We willen gezien worden, liever dan eerst aandacht te hebben voor de ander. We eisen onze plek onder de zon op. Misschien wel omdat we bang zijn dat de liefde die de ander krijgt in mindering wordt gebracht op de liefde voor ons. Ik denk even aan de verloren zoon (Lucas 15). Die keerde terug en zijn vader was zo blij en dankbaar. Maar de oudste kon die dankbaarheid niet meevoelen. Ook niet toen zijn vader zei: mijn jongen, jij bent altijd bij mij en alles wat van mij is, is van jou. Zolang er verloren zielen zijn, zolang er armen zijn, zolang zal God naar díe mensen omzien. Gelukkig zijn wij, als wij ons zwak en klein voelen: God zal naar ons omzien. Gelukkig zijn wij, als wij sterk zijn: wij mogen omzien naar onze broeder en zuster. Jezus zal daarover zeggen: wat je hebt gedaan voor de minsten van mijn broeders en zusters, dat heb je voor mij gedaan. (Mat 25:40) 

dolend en dwalend

Voor Kain is geen plaats. Wie geen oog heeft voor de ander, geen ontferming heeft, zal dolen en dwalen. Volgens de regels van de bloedwraak is Kain nu aangeschoten wild: wie hem ziet mag hem doden. Maar dat is dus niet de bedoeling. Het lijkt soms wel of geweld nooit ophoudt; of kwaad altijd met kwaad vergolden wordt. We zouden soms bijna gaan denken dat wij gedoemd zijn om te leven met geweld, van kwaad tot erger, met wraak en wantrouwen en angst voor de ander. Maar dat is dus niet waar. Dat is niet de bedoeling. God merkt Kain met een teken, een Kaïnsteken. In onze taal heeft dat een negatieve betekenis. Het slaat op doorlopende wenkbrauwen, die mensen soms een nors of zelfs moordlustig uiterlijk geven. Zo zetten mensen elkaar maar al te makkelijk weg: eens een moordenaar, altijd een moordenaar. Wij plakken mensen ons merkteken op, oordelend en veroordelend, zonder al te veel voorkennis, zonder al te veel ontferming. En dat is nu juist waar dit teken op duidt. Het is geen teken van veroordeling, maar van Gods ontferming. Niemand zal Kain doden vanwege de moord op zijn broer. Niemand zal hem met een vinger aanraken want God legt zijn hand op hem. Alsof God wil zeggen: wie aan Kain komt, komt aan mij. Zo makkelijk als wij elkaar soms afschrijven, zo makkelijk schrijft God ons niet af. Hij laat zijn gezicht niet vallen maar laat het licht van zijn gelaat over ons schijnen en is ons genadig. (Numeri 6:25)

overweging op zondag 8 april 2018       De Open Hof Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Genesis 3: 1-13; 20-24

 

over een appel en andere misverstanden

Het gaat niet over een appel. En toch zit die appel in ons gezamenlijk geheugen. Het woord ‘zonde’ komt in het verhaal niet voor en het gaat ook niet over vallen. En toch hebben theologen het verhaal de ‘zondeval’ genoemd. Sindsdien zijn we allemaal zondaars -de vrouw nog het meest van alles- , geneigd tot alle kwaad en niet in staat tot enig goed (zondag 3, vraag 8). God bedoelde het zo goed, maar de mens heeft het verziekt. Tot op vandaag dragen wij de schuld van Adam en Eva mee; we zijn ermee behept, we hebben het geërfd. Het paradijs is verloren gegaan. Waren zij nu maar van die appel afgebleven, dan hadden wij niet met de gebakken peren gezeten. (W.R. van der Zee, De wereld wordt vaderland)

 

een onhoudbare uitleg

Zo’n uitleg is ronduit rampzalig te noemen.

Drie opmerkingen daarbij:

Een: Kijk eens in de ogen van een pasgeboren kind en houd dan maar eens vol dat mensen zondaars zijn vanaf het moment dat ze geboren worden.

 

Twee: waarom zouden wij leven vanuit de gedachte dat de wereld vol kwaad is, en vol zonde, en dat daar niets meer aan te doen is. Waarom zouden wij volhouden dat wíj daar niets aan kunnen doen. Alsof wij willoze slachtoffers zijn en geen eigen verantwoordelijkheid hebben. Dat past niet bij het levensgevoel van vandaag en het  gaat lijnrecht in tegen wat de Bijbel ons van den beginne wil meegeven: dat de mensen door God gewild zijn en dat Hij het in hun handen legt om de aarde bewoonbaar te maken. Nergens wordt in de Bijbel teruggegrepen op Genesis 3 om zich te verweren: wij kunnen er niets aan doen.

 

En drie: anders dan wij misschien hebben geleerd is dit geen Bijbelse geschiedenis. Er is geen paradijselijk begin geweest en er was geen schrijvende pers bij om dat voor het nageslacht te noteren. Het is een verhaal om de vragen waar mensen mee worstelen te beantwoorden. Vragen als: hoe zit dat toch met de wereld, zo vol goed en zo vol kwaad. Hoe kan het dat er natuurrampen zijn en ziekten waardoor mensen lijden. Waarom is het níet goed? En: hoe zit dat toch met de mens die vol goede bedoelingen zit maar toch zo vaak kwaadwillige beslissingen neemt? (zie Romeinen 7:19) Waarom is er zoveel strijd tussen mensen? Het zijn vragen waarin je kunt vastlopen.

 

Dit verhaal vertelt dat lijden, dood en kwaad in de schepping zitten ingebakken. Die boom vol verleidelijke vruchten stond daar; de sluwe slang kroop daar rond en de mens kon het niet laten om die éne boom met rust te laten. Het kwaad is met de schepping meegekomen; dat is een bitter raadsel en niemand weet het antwoord. Of misschien moet het antwoord zijn dat geen lijden, geen kwaad, buiten de Schepper om gaat. Die ook de slang heeft geschapen. De boom. De mensen.

 

verbondenheid

Het gaat dus niet over een appel. En niet over zonde, of vallen. Maar waar dan wel over? Het gaat over de mens die leeft in verbinding; met God, de Schepper. Met de aarde, die hij behoeden en bewerken mag. Met zijn vrouw, de medemens. En met  elk van die verbindingen komt ook verantwoordelijkheid mee. Voor de relatie met God, voor de aarde en alles wat leeft, voor de medemens. Dit verhaal gaat over de verantwoordelijke mens, over de mogelijkheden die er zijn en over de mogelijkheden die hij verspeelt. Elk van die verbindingen kan worden verziekt. 

 

Nogmaals: dit is geen Bijbelse geschiedenis. Adam is de eerste mens. Maar in de traditie van Israël staat hij voor dé mens. Voor alle mensen. Voor jou en mij. Het verhaal vertelt dus niet hoe die eerste mens de fout inging. Het vertelt dat altijd weer mensen zullen bezwijken voor de verleiding. Elk mens, zegt dit verhaal, is opnieuw verantwoordelijk; elk mens wordt opnieuw aangesproken en voor de keuze gesteld om te doen wat goed is of om het te verzieken.

 

Als Israël dit eerste verhaal toevertrouwt aan het papier, zijn ze gevangenen in Babylon. En zoals zij het zien is dat door hun eigen schuld. Zij deden wat kwaad was in de ogen van God en nu zitten ze daar. Ver van huis. Het lijkt wel of ze verjaagd zijn uit onze eigen tuin.

Als relaties zo worden verziekt, kunnen we elkaar niet meer recht in de ogen kijken. Dan voelen we ons schuldig. We schamen ons. We zijn ons er intens van bewust hoe onvolmaakt we zijn.

 

schaamte

Dat  gebeurt ook met die eerste twee mensen. Ze eten van de vrucht en hun ogen gaan open voor hun naaktheid. Ze waren zo onbevangen mannelijk en vrouwelijk en toch één. Samen Gods evenbeeld. Totdat het kwaad was geschied. Dan voelen ze zich blootgesteld aan elkaars blikken. Plotseling zijn ze mensen die iets voor elkaar te verbergen hebben. Schaamte doet zijn intrede. Maar ook wantrouwen en angst. Alles waardoor de onbevangen omgang tussen mensen wordt geschaad.

Ook de relatie met God is erdoor beschadigd. En ze verstoppen zich. Als we al woorden aan dit  verhaal moeten verbinden is het dus niet zonde. Maar schaamte: we zijn niet volmaakt. We staan naakt voor God en hebben niets om trots op te zijn.

 

waar ben je?

‘Waar ben je?’ vraagt God.

En daarmee bedoelt God niet: waar hang je nu weer uit? Maar: wat bezielt je? Wie bezielt je? Waar ben je in verstrikt geraakt, wat is er met je? Ja, waar zit die eerst mens? In zijn rats. En het ergste is nog wel dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn keuze. Adam wijst naar de vrouw. De vrouw wijst naar de slang. Het is mensen eigen om zich te verschuilen, om weg te duiken voor verantwoordelijkheid.

Het ligt aan ons karakter ‘zo ben ik nu eenmaal’ of het ligt aan onze opleiding, aan onze moeilijke jeugd, aan de ander. Maar nooit aan ons zelf.

En dat is wat de Bijbel dus niet van ons neemt. Telkens weer komt Gods woord als een roep om tevoorschijn te komen. Lef te tonen. Verantwoordelijkheid te nemen.

 

De eerste mensen worden de tuin uitgezet. Dat is opvallend! De straf die stond op het eten van de boom van kennis van goed en kwaad was de dood. Maar God is een barmhartige God; hij gelooft in de verbondenheid tussen hem en de mensen. Ze gaan niet dood. Ze gaan léven. Het zal niet altijd makkelijk zijn. Kinderen baren zal zwaar zijn maar liefdevol erkent Adam dat zijn vrouw de moeder van alle levenden, Eva, zal zijn. Nieuw leven zal er altijd zijn en ‘elk nieuw geslacht ervaart zijn trouw.’ NL 100:4) 

Het bestaan is zwaar, het brood is duur. Maar: ‘that’s life’. De opdracht die Adam kreeg in de tuin is buiten de tuin precies hetzelfde: de aarde bewerken. En altijd zal er wat te oogsten zijn. Want God heeft zijn handen er niet van af getrokken. Niet de dood, maar het leven geeft God de mens. Liefdevol bekleedt hij hen met dierenvellen, hun mantelzorger voor nu en altijd.

 

Wat een prachtverhaal om te horen op de tweede zondag van Pasen, als wij het leven vieren. De Opgestane heeft zijn leerlingen ook niet aangesproken op hun brevet van onvermogen -een verrader, een loochenaar, een ongelovige…- maar heeft juist al zijn vertrouwen in hen gesteld om zijn gemeente te bouwen; om zijn koninkrijk op aarde gestalte te geven.

overweging op Palmzondag 2018 De Open Hof Oud-Beijerland

een dubbel gevoel

Ik weet niet altijd goed wat ik met Palmzondag aan moet.

Het is zo’n vrolijke zondag; met Hosanna; met de opwinding van de kinderen en hun Palmpaasstokken. Maar het is ook de zondag van de Mattheus Passion; de eerste dag van de Stille Week; de dag waarop het gezang omslaat in de verbeten roep: kruisig hem. Het is dubbel.

 

Die dubbelheid herken ik ook in mijzelf. Ik ben niet zo optocht-achtig. Aan mijn lijf geen polonaise. Daarbij komen vragen als: zou ik daar gezien willen worden? Wat zou men van mij denken? Zou ik mijzelf of mijn gezin ermee in gevaar brengen? Zou het wat uithalen dat ik daar liep? 

 

hoop

In onze voorbereidingsgroep haalden we herinneringen op aan optochten waarin we zelf ooit meeliepen. Solidair met de dwaze moeders….. in verzet tegen kernwapens en de dreiging die ervan uitging…… de moeizame tochten van West naar Oost-Duitsland. Ik denk aan de stille tocht op 4 mei, maar bijvoorbeeld ook de duizenden mensen die op Witte Donderdag meelopen in The Passion rond een verlicht kruis.

Wie meeloopt stelt zichzelf al die vragen niet. Het gaat om het signaal dat er van uit gaat; Het gaat om de droom dat het anders kan en moet. En om onze betrokkenheid daarbij. Het gaat om het verlangen, om de hoop.

 

‘Hoop is geen blind optimisme.

Hoop is niet de ontkenning dat er struikelblokken op je pad zijn.

Het is niet aan de zijlijn staan of je onttrekken aan de strijd.

Het is dat ding binnen in ons dat volhoudt dat er

ondanks alle bewijzen van het tegendeel iets beters op ons wacht

als wij de moed hebben er naar te reiken, ons ervoor in te zetten,

en er voor te vechten.’ (Barack Obama)

 

droom

Mensen die meelopen bij The Passion hebben daarvoor zo hun eigen redenen. Maar de rode draad door hun verhalen is altijd hoe bijzonder het is dat al die eenlingen even één zijn; dat er geen wanklank is; geen strijd over al dan niet geloven, en welk geloof dan. Al lopend wordt een verlangen waar, een droom wordt realiteit. Het spel wordt echt.

 

Als Jezus op een ezel Jeruzalem binnenrijdt, wordt de oude droom van Zacharia uitgespeeld. Zacharia profeteerde over vrede voor Jeruzalem, over een nederige koning die binnenrijdt op een ezel en alle wapens zal verbannen. (Zach 9:9) De plek klopt ook: bij de Olijfberg, waar volgens Zacharia God zich zal openbaren bij het einde der tijden.

In alles is Jezus het tegenbeeld van wat nog vers in het geheugen ligt van de eerste christenen. Marcus schreef over de hoopvolle intocht van Jezus na die ándere intocht in Jeruzalem: in het jaar 70 marcheerde de romeinse krijgsheer Vespasianus Jeruzalem binnen. Hij verwoeste de stad, de tempel. Nam vele oorlogsschatten en krijgsgevangenen mee; er vielen heel veel doden. In schril en hoopvol contrast tekent Marcus op dat er een vredekoning is; dat zachtmoedigheid, nederigheid en rechtvaardigheid een krachtiger wapenrusting is dan alle speren en zwaarden bij elkaar. Hij bemoedigt en voedt de hoop dat goedheid sterker zal zijn dan slechtheid en dat liefde haat overwint. (Desmond Tutu) Wie daarin gelooft, moet aansluiten bij die optocht van hoop.

 

geen slotscene

Maar denk niet dat die hoopvolle optocht door de tijd je zo het paradijs in zal loodsen. Het zou een glorieus slot zijn geweest van het evangelie: Jezus die juichend wordt binnengehaald; het zaad van de vrede is geplant en zal geen groeien. Maar de intocht in Jeruzalem is geen slotscene, het is een opmaat. De Olijfberg is óók de plek waar Jezus bidt dat de beker van het lijden aan hem voorbij mag gaan; het is de plek waar zijn leerlingen het niet kunnen opbrengen om wakker te blijven en te bidden; het is de plek van het verraad.

 

weer dat dubbele gevoel

Bij de voorbereiding deze week, de dag van de gemeenteverkiezingen, vroegen we ons af of wij zouden stemmen op een partijleider die opriep tot rechtvaardigheid, gelijke beloning voor iedereen; tot solidariteit met de mensen die het minder hebben; iemand die uitdaagde een dienend leven te leiden, in de zorg waar zoveel mensen nodig zijn; iemand die de lat lager legde, want we hoeven niet allemaal naar de universiteit. Wie loopt zo iemand achterna als je weet dat je dat gaat voelen in je eigen portemonnee; dat jouw kansen op de carrièreladder zullen dalen.

Daarbij moeten we toch reëel blijven: in een harde wereld wil je je kinderen niet soft opvoeden; ze moeten voor zichzelf kunnen opkomen. Dat hele beeld van een koning op een ezel wekt vervreemding op. De kernwaarden die erbij horen: zachtmoedigheid, geduld, mildheid, liefde, rechtvaardigheid, gaan we het daarmee echt redden in de wereld van vandaag? Weer dat dubbele gevoel.

 

en toch

En toch…. wat zal er veranderen als niet iemand gewoon iets anders gaat doen? Iets hoopvols. Iets dat getuigt van vrede, of van God. Iets dat is geïnspireerd op wat Jezus deed.

Franciscus noemde zijn lichaam ‘broeder ezel’. Dwars, eigenzinnig en eigenwijs op zijn tijd. De werken van onze handen, de wegen van onze voeten, de woorden uit onze mond…. ze zijn lang niet altijd even aardig. We hebben onze eigen voorkeuren, trekken liefst ons eigen plan. Dat staat soms haaks op wat Jezus heeft voorgedaan; op wat de Geest ons vraagt te doen. En toch… die ezel droeg Jezus Jeruzalem binnen. Die ezel die ik ben kan ook vandaag Jezus ter sprake brengen en de hoop zijn intrede laten doen.

Page 7 of 14