Lyonne Verschoor

Lyonne Verschoor

overweging op zondag 4 november 2018 PG De Open Hof

In deze dienst hebben we de overleden gemeenteleden herdacht. 

 

uit de Bijbel: Matteus 5: 1-10

 

 

wat is geluk?

Nederland staat op de zesde plaats in de lijst van gelukkigste landen. Dat geluk wordt gemeten aan ons financiën, onze gezondheid en levensverwachting, onze vrijheid. Gelukkig zijn we! Maar wat gebeurt er met ons geluk als we onze baan verliezen, ziek worden, sterven? Verdampt geluk zo makkelijk? Zijn we zo kwetsbaar in ons geluk dat het ons afgenomen kan worden?

Als Jezus mensen gelukkig prijst, dan hanteert hij heel andere criteria. Hij draait de boel volledig om. Hij spreekt niet over hebben maar over tekort komen; hij doelt niet op een makkelijk leven maar op een manier van omgaan met elkaar die je wat kóst: barmhartig zijn en opkomen voor een ander, oprecht zijn, zoeken naar vrede waar spanningen zijn. Je kunt je leven makkelijker inrichten dan vanuit deze waarden. Hoe ver kom je tenslotte in deze harde wereld met zachtmoedigheid of vriendelijkheid? Maar ik kan er wél wat mee. We hebben de ervaring dat wie goed doet goed ontmoet. Dat het bevredigend kan zijn om je in te zetten voor een mens, een hoger doel. Het bouwt ons als mens. We worden er rijker van als we ons richten op mensen, op wat God vraagt van ons. Het brengt ons geluk.

Maar hoe zit dat met de gelukwens van hen die verdrietig zijn? Dat vind ik op het eerste gehoor lastiger te begrijpen.

 

gelukkig wie treuren

Wat is er gelukkig aan verdriet? Willen we dat wel horen als we samen komen om namen te noemen van mensen die we missen; wat is geluk als het gaat om die leegte in ons hart?

Eerst iets over de eerste gelukwens, voor de mensen met een nederig hart. De Bijbel in Gewone Taal noemt hen: mensen die weten dat ze God nodig hebben. Gelukkig ben je als je weet dat je niet alles zelf kunt regelen en oplossen. Gelukkig ben je als je niet de schepper bent van je eigen bestaan maar weet dat je je leven aan God kunt overlaten. Gelukkig ben je als je weet dat God aan jouw kant staat. Voor veel mensen is dat gelukkig de ervaring: in tijden van verdriet en leegte wisten zij zich gedragen.

Gelukkig ben je als je verdriet hebt… die is lastiger. Maar stel dat we het omdraaien. Dat we leven in het op zes na gelukkigste land ter wereld omdat daar geen verdriet is. Als iemand ons vraagt: hoe gaat het? Dan zeggen we: goed hoor! In ons gelukkige land is geen ruimte voor tranen, dus we verbijten ons verdriet; zetten een masker op. We slikken onze tranen weg als we iemand verliezen. En we maken ons niet druk over elkaar. We maken ons niet bezorgd over mensen die minder gelukkig zijn met hun werk, of gezondheid, of in de liefde. Gelukkig zijn we toch als we ons wél druk maken over dat wat om te janken is? Gelukkig zijn we toch als we hardop onze pijn mogen benoemen bij God en mensen? Gelukkig zijn we als we ons verdriet kunnen tonen, want dan kunnen we getroost worden. 

 

getroost

Gelukkig wie verdriet hebben, want zij zullen getroost worden. Wie weet dat de maakbaarheid van ons bestaan, en de maakbaarheid van ons geluk, een grens heeft; wie weet dat uiteindelijk ons hele bestaan in Gods hand ligt, van begin tot einde, die is dichtbij God. Dat troost. 

Oct 22, 2018

Hebben en zijn

overweging op zondag 21 oktober 2018       PG De Open Hof

 

uit de Bijbel: Micha 6: 6-8 en Marcus 10: 17-27

 

afbeelding uit: Acht verhalen van Jezus, Butterworth/Inkpen

 

je bent wat je hebt

Verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen… Als we dit heel letterlijk zouden opvatten, dan staat er dat een goed christen alles wat hij heeft weggeeft. Omdat maar weinig mensen daartoe komen, bezorgt het verhaal met deze uitleg ons een slecht geweten. Het zadelt ons op met een gevoel van onbehagen en onvermogen. Het blijft wel de vraag of een andere, minder letterlijke uitleg, het ons makkelijker maakt.

 

Laten we ons proberen iets voor te stellen. We stellen ons voor dat we plotseling moeten vertrekken en we kunnen maar weinig meenemen. Stel dat het huis in brandt staat… wat nemen we dan mee? Je handtas, belangrijke papieren, de verzekeringspolis, de autosleutels? Of de klok uit de erfenis van oma, het fotoboek, dat ene souvenir van een mooie vakantie?

Waarschijnlijk zullen we, als er écht brandt uitbreekt, geen tijd hebben om ook maar íets mee te nemen en we zullen blij zijn dat we het er allemaal levend vanaf hebben gebracht. Maar daar staan we. Alles is weg….. Ach, het zijn maar spullen. Toch is het veel meer dan dat. Die spullen horen bij ons; het zijn herinneringen. Ze vormen een deel van ons. 

 

Op huisbezoek kijk ik altijd even rond. Want spulletjes vertellen een verhaal. Ze vertellen wie we zijn, wat we belangrijk vinden, wie ons lief is. Daarom doet het zo’n pijn om dat kwijt te raken. Het is alsof er een stuk van ons wordt afgescheurd.

Dan is het toch niet gek dat de rijke man somber wordt als Jezus hem zegt dat hij alles moet verkopen wat hij heeft en terneergeslagen weggaat.

 

Wat je hebt, spullen, geld, maar ook een diploma, een baan, een taak in de kerk of een bestuursfunctie, het zegt iets over wie je bent. Het maakt deel uit van je identiteit. De vraag is alleen hoe bepalend het is; hoezeer je eraan vast zit. Is wat je hebt het hogere doel in je leven? Is geld en goed richtinggevend geworden? Is jouw identiteit afhankelijk van spullen, functies? Hoe zit het dan met ons als wij dat kwijtraken? Als wij baanloos raken? Als we ziek worden en onze functies neer moeten leggen? Als we heel oud worden, in een verpleeghuisbed? Zijn we dan niemand meer?

 

je bent meer dan je hebt

Je bent altijd meer dan een optelsom van alles wat je hebt. Je bent mens met mensen; je bent een geliefd kind van God. Daar wijst Jezus de man liefdevol op. Met zijn vraag hoe hij deel kan krijgen aan het eeuwige leven, vraagt de rijke man naar de bekende weg. In de Tora staat dat dat het je goed zal gaan in het land dat God beloofd heeft als je je houdt aan de geboden. De toekomst, zegt Tora, begint nu. Eeuwig leven gaat over hier en nu. Over hoe mensen omgaan met elkaar. Niet moorden, geen overspel plegen, niet stelen, geen vals getuigenis afleggen en eerbied tonen voor de oudere generatie. Dat doe ik allemaal al, zegt de rijke man. Maar kennelijk vindt hij dat zelf niet genoeg. Wat verwacht hij eigenlijk van Jezus? Dat die hem zegt nog een grote gift te doen, een mooi offer te brengen of een verantwoordelijke functie erbij te nemen? 

Maar er gaat niets boven de wet van God uit. Daar hoeft niets bij. Jezus zegt: één ding ontbreekt u. Ga naar huis en verkoop alles wat u hebt. De man die alles heeft, heeft een ding niet.

Hoor wat Paulus zegt:

‘Al verkocht ik al mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven….. had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.’ (1 Kor 13: 3)

Als Gods geboden niet meer zijn dan regels en verplichtingen waaraan je je moet houden, dan verarmt ons leven. Jezus heeft ons dat anders voorgedaan: hij leefde met hart en ziel, met huid en haar, naar Gods geboden. Hij was gehoorzaam in liefde. En dat is het waar het de man aan ontbreekt. Zijn gehoorzaamheid aan Gods geboden is gehoorzaamheid tot op zekere hoogte. Het mag niet ten koste gaan van wat hij heeft. Want dat zou ten koste gaan van wie hij ís.

Het ontbreekt de man aan het inzicht dat wij worden wie we zijn in onze verbondenheid met anderen. En in onze omgang met God. Die twee zijn niet los verkrijgbaar. God dienen is de medemens dienen; de medemens dienen is God dienen.

 

hebben en zijn

In onze moderne samenleving zijn voorbeelden genoeg te vinden waar vooral geld leidend is geworden, vaak ten koste van mensen en menselijk welzijn. Geld verdienen, winst maken, bonussen hebben niet zoveel op met de liefde. Daardoor verwordt een samenleving en worden kwetsbare mensen de dupe.

De dichter Ed Hoornik verwoordt prachtig in zijn gedicht ‘Hebben en zijn’ (volledige tekst hieronder). Hebben, dicht hij, is schijn, is hard, is oorlog, verlangen naar meer. Zijn is tijd (hebben), leven in het nu, met elkaar. ‘Zijn is ziel, is luisteren is wijken, is kind worden en naar de sterren kijken en daarheen langzaam worden opgericht.’

 

Een ding ontbreekt u

De rijke man doet zijn best maar het koninkrijk van God blijft een verre onbereikbare droom. Hij heeft alles wat zijn hart begeert en toch ontgaat hem het echte leven. Gods koninkrijk kun je nu eenmaal niet kopen.

Een ding ontbreekt u, zegt Jezus. Doe het met liefde. Een ding ontbreekt u: het besef dat je geliefd bent. Met Psalm 23 zingen we: De Heer is mijn Herder. Het ontbreekt mij aan niets. Opvallend is dat we dit lied vaak zingen als het ons aan van alles ontbreekt, in moeilijke tijden. Maar het ontbreekt ons niet aan het vertrouwen dat we het van God moeten hebben. Dat Hij ons zal geven wat we nodig hebben om te leven. Dat zijn goedheid overvloedig zal zijn.

We zongen: ‘quien a Dios tiene, nada le falta. Solo Dios basta’. Wie zich aan God vasthoudt, komt niets tekort. Alleen God is genoeg. (NL 900)

 

We worden niet opgeroepen om alles weg te doen wat we hebben. We worden opgeroepen tot een aandachtig en liefdevol leven met elkaar en met God. En als je daarin wordt belemmerd door wat je hebt, dan doe je het weg. Zei Jezus niet een hoofdstuk eerder ook zo iets radicaals: als je hand je aanzet tot het verkeerde, hak hem dan af. (Marcus 9:43) Iedereen hier heeft z’n hand nog maar beseft wel de dringende oproep die er achter zit.

 

Dat het volgen van Jezus moeilijk is heeft hij in liefde voorzien. Zo onmogelijk als het is voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen, zo onmogelijk is het om het koninkrijk van God binnen te gaan. Voor een rijke zegt Jezus. Maar daarna breidt hij het uit: Kinderen, wat is het toch moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan. De leerlingen van Jezus zijn ontzet: kamelen en naalden, wie kan er dan nog gered worden? En je hoort ze bijna er achter aan denken: niemand dus.

Ooit een kameel door het oog van een naald zien kruipen? Dat wordt niks, dat koninkrijk van God en wij.

Maar Jezus zegt ‘Kinderen’ Kinderen, je hebt toch een vader, een moeder. Je kent toch de grenzeloze liefde en goedheid van God. Bij hem is niets onmogelijk. Kamelen niet en mensen in het koninkrijk van God niet.

 

Hebben en zijn

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

Ed. Hoornik

Oct 07, 2018

een en een is een

overweging op zondag 6 oktober 2018 PG De Open Hof Oud-Beijerland

 

Israelzondag: Vandaag staan we stil bij onze wortels.

Wortels die wij delen met het Bijbelse volk Israel, met het joodse volk vandaag.

De Hebreeuwse Bijbel is ons gemeenschappelijk erfgoed.

De God die daarin ter sprake komt is onze God, de Ene. Er is geen ander.

Joden en christenen blijven elkaars pad voortdurend kruisen, juist omdat

de oorsprong van de weg één is. We drinken uit dezelfde Bron.

 

Jezus is in zijn tijd een Joodse leraar. Hij onderwijst zijn volgelingen; hij leert hen Tora. Dat gaat vragenderwijs en vanuit de discussie met elkaar. We lezen dat Farizeeën bij hem komen met een vraag over de vraag of een man zijn vrouw mag wegsturen. Het is een testvraag. Jezus kan het eigenlijk niet goed doen.

 

Als Jezus zegt dat een man zijn vrouw niet mag wegsturen, krijgt hij de mannen tegen die dan geen sanctiemiddel meer hebben om hun vrouwen onder de duim te houden. Bovendien wijkt hij dan af van de regels in de Wet en krijgt hij ook de Farizeeën tegen.

Als Jezus zegt dat een man zijn vrouw mag wegsturen, krijgt hij de vrouwen tegen. En hij loopt de kans verstrikt te raken in de discussie wanneer er dan wel voldoende aanleiding is om een vrouw weg te sturen.

In die tijd waren er twee leraren die de toon aangaven. Rabbi Hillel en rabbi Sjamai. Rabbi Hillel vond dat je een vrouw om allerlei redenen weg kon sturen. Het laten aanbranden van de aardappels was al voldoende reden. Rabbi Sjammai vond dat je een vrouw alleen mocht wegsturen als er sprake was van overspel.

 

Jezus laat zich niet verleiden tot een juridische discussie.

Hij wijst naar de Tora. Naar het begin.

 

uit de Bijbel: Genesis 1: 26-31, Gen. 2: 21-25 en Marcus 10: 1-9   

 

mag het wel of mag het niet?

De Farizeeën willen Jezus op de proef stellen met hun vraag of een man zijn vrouw mag verstoten. Jezus vraagt hen wat het voorschrift van Mozes is; weten zij wat geboden is? Daarop geven de Farizeeën geen rechtstreeks antwoord. Zij reageren niet met wat er geboden is maar wat er is toegestaan. Zij gaan niet uit van het hoogst haalbare, de wet, maar van de mazen in de wet. Mazen die de verkeerde mensen, in dit geval de mannen, in bescherming nemen.

Het eigenlijke gebod, zegt Jezus, staat in Genesis. In het boek van het begin. Het eigenlijk gebod is een grondbeginsel, grondwet, basis om te leven. 

 

een en een is een

Het eerste basisprincipe, zegt Jezus, is ‘al bij het begin van de schepping heeft God de mens mannelijk en vrouwelijk gemaakt.’ God schiep mensen zó dat zij elkaar aanvullen. (Voor de fijnproevers: het Hebreeuwse ‘mannelijk’  - zachar – is afkomstig van het werkwoord dat prikken betekent. En het Hebreeuwse ‘vrouwelijk’ betekent letterlijk uitgehold; als het holletje waarin een kind kan groeien.)

God schiep mensen in verscheidenheid; zij onderscheiden zich van elkaar. Meer nog dan toen weten we hoe veelkleurig die verscheidenheid kan zijn.

 

In dat onderscheiden zijn van elkaar, in de verscheidenheid, ligt een opdracht. Want God heeft de mensen vanaf het begin op elkaar aangewezen. Om van een-zaamheid twee-zaamheid te maken. Om te leven in verbondenheid. Het is de schepping gelegd dat een mens niet voor zichzelf leeft, maar altijd met en voor anderen. Want zo wórd je mens, in relatie met anderen. Met mensen die jou tot hulp zijn, of een kritisch tegenover.  

 

Vanaf het begin is het de bedoeling dat twee tot eenheid komen. Hemel en aarde, God en mens, de man en zijn vrouw, de mens en zijn broeder / medemens, Israël en de volken. Zonder hun eigenheid te verliezen zijn ze op elkaar aangewezen, met alle uitdagingen erbij. Die dualiteit vinden we ook bij personen: Jacob en Ezau, Maria en Marta, de gemeente van Christus en de Joden. De Bijbel vertelt dat dat flink kan knallen; dat het hopeloos mis kan gaan. Tussen tegenpolen kunnen de vonken ervan af springen. Maar het is een blijvende opdracht om ons tot elkaar te blijven verhouden. En om vreugde te vinden in die verscheidenheid en de verbondenheid.

 

 

 

‘Wat God heeft verbonden, dat mag je niet scheiden.’ Dat overstijgt de vraag of mensen wel of niet van elkaar mogen scheiden. Dat gaat over de verbondenheid met je medemens waar je nooit onderuit kunt. Dat gaat over de vraag of wij elkaar weten vast te houden, ook als dat moeilijk is. Soms is het nodig om te scheiden, juist om elkaar te kunnen blijven vasthouden; om elkaar te kunnen hoog houden als ouders en opvoeders van kinderen. Want als mensen ergens in worden samengesmeed, dan is dat in hun kinderen. Daarin ben je letterlijk en figuurlijk ‘een’. En die verbondenheid, die mag je niet scheiden.

 

‘Wat God heeft verbonden, dat mag je niet scheiden.’ Deze tekst heeft mensen ongelukkig gemaakt. Omdat zij werden veroordeeld door hun omgeving. Omdat zij zichzelf en de ander oplegden te blijven in een ongelukkige relatie, waardoor de pijn en schade alleen maar groter werden. Daar is hij zeker niet voor bedoeld.

Naar de Farizeeën toe zegt Jezus: zoek niet de grenzen op van jouw macht als man over de vrouw maar zoek het beginsel in de onderlinge band en eenheid. Het is een pastoraal antwoord op een juridische vraag. Denk niet dat je zo met elkaar kunt omgaan; je vrouw wegsturen, denk niet dat je dat zomaar kunt doen….

 

niets kan ons scheiden

De schepping leert ons: een en een is een. In het samengaan van een man en een vrouw, in de relatie tussen mensen die van elkaar houden, komt dat op z’n mooist tot uitdrukking. Dat is een mini-samenleving waarvan iets mag uitgaan naar de grote samenleving. De harmonie, de vrede en vreugde van mensen die met elkaar verbonden zijn, houdt de wereld in het groot een hoopvolle spiegel voor. Mag het zo zijn! Wij hebben een prachtig huwelijk tot voorbeeld; dat van God en zijn volk. Het knalde soms maar ze zijn nog steeds bij elkaar. God heeft zich van harte getrouwd aan de mensen. En aan Jezus kunnen we aflezen dat hij de mens niet zal loslaten. Wij blijven zijn geliefde. Wij mogen erop vertrouwen dat niets ons kan scheiden van de liefde van God; de dood niet en het leven niet, engelen niet, machten en krachten niet, het heden en de toekomst niet, hoogtepunten en dieptepunten niet. Niets zal ons kunnen scheiden van de liefde van God, ons gegeven in Jezus. 

Sep 18, 2018

Alles is mogelijk

overweging in De Open Hof – Oud-Beijerland

zondag 16 september 2018 – Vredeszondag

 

uit de Bijbel: Jesaja 45: 20-25 en Marcus 9: 14-29

 

onmacht en ongeloof

Nooit voelden wij een grotere onmacht dan toen onze jongste in allerijl per ambulance naar het ziekenhuis werd gebracht. Of het moet het moment zijn dat we haar daar midden in de nacht achterlieten, niet wetend hoe het er in de morgen voor zou staan. Het is goed gekomen. Godzijdank. De onmacht was van tijdelijke aard. Maar wat als dat gevoel van machteloosheid niet weggaat? Wat doet dat met je geloof?

 

Het gebeurt met regelmaat dat iemand mij toevertrouwt vergeefs naar houvast te zoeken in het geloof in tijden van moeilijkheden of verdriet. Er is geen draagkracht, geen troost, geen hoop. Ze ervaren het als gemis, als verlies, dat het geloof niet meer voor hen betekent op dat moment. Soms voelt het zelfs als falen. Alsof ze nooit op de goede manier hebben geloofd.

 

In zijn onmacht heeft een vader met zijn zieke zoon de leerlingen van Jezus opgezocht. De zoon wordt bezeten door een geest die hem tot het uiterste drijft. Laten de leerlingen die geest toch uitdrijven. Het weinige dat de vader kon doen heeft hij gedaan. Zonder te weten of het zin zou hebben. Misschien wel tegen beter in omdat de jongen al zo lang ziek was. Zijn gezonde verstand zegt hem: het is niet anders. Leg je er nu eens bij neer. Maar hij gaat toch. De vader laat zich niet verlammen door zijn onmacht en vecht tegen beter weten in voor zijn zoon.

Maar de leerlingen van Jezus kunnen de geest niet uitdrijven. Terwijl het hen wel gegeven was om dat te doen. En het was hen eerder wel gelukt. (Marcus 6:13) Hoe kan dat toch? Was hun geloof niet groot genoeg? Mankeerde er wat aan hun gebed?

 

Het klinkt hard als Jezus zegt: Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Het is bijna niet te verdragen dat zijn leerlingen niet meer weten dat geloof helend werkt. Waar hebben ze hun vertrouwen gelaten? Jezus klinkt als eens Mozes tegen zijn volk: Hoe komen jullie zo dwaas? Waar is jullie verstand? (Dt 32:6) En hij herinnert dan Israël uitgebreid aan de bevrijdende daden van de Eeuwige. Ze hebben alle reden zich aan God toe te vertrouwen. Hij ging hen voor in de woestijn; hij voorzag hen van dagelijks brood en meer dan dat; hij opende de zee voor hen. Maar zich toevertrouwen aan Hem, dat durfden ze niet. Hoe moet dat straks, als Jezus niet meer in hun midden is en ze op zichzelf zijn aangewezen? Hoe moet dat met de gemeente van Christus die het zonder Jezus’ aanwezigheid moet zien uit te houden? Als ze al zwak zijn in hun geloof mét Jezus… hoe moet dat dan zonder…

 

geloof

Je zou kunnen zeggen dat de vader de leerlingen vóórgaat in vertrouwen. Al is het met de moed der wanhoop. Hij blijft overeind als een mens die voor de toekomst gaat. Hij roept om ontferming en hulp: heb medelijden met ons en help ons. Het is niet anders dan wat we als gemeente doen: tegen de klippen op bidden, kyrie roepen; Heer, ontferm U. Als u iets kunt doen…… roept de vader.

Jezus zegt dan: Alles is mogelijk voor wie gelooft.

 

We gaan dit niet lezen als: dus als je gebed niet wordt verhoord, heb je niet genoeg geloofd. We gaan dit niet gebruiken om elkaar te kijk te zetten als ongelovigen. 

 

Alles is mogelijk voor wie gelooft betekent dat wie gelooft altijd de mogelijkheid openlaat dat het onmogelijke gebeuren kan. Dat een zee droogvalt en het brood regent; dat een storm wordt gestild en een berg van zijn plaats komt. Alles is mogelijk betekent geloven dat het anders kan. Alles is mogelijk betekent dat je durft los te laten wat vertrouwd is: de zwaarte van het je zorgen maken, de pijn van het missen, het gewicht op je schouders. Alles is mogelijk betekent dat je je durft toe te vertrouwen aan wat er dan op je afkomt.

 

Dat geloof gaat altijd ook over ongeloof. En met zijn belijdenis heeft de vader zoveel mensen getroost: Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp. Laat God ons toch helpen met dat gebrek aan vertrouwen. Laat God zelf de adem zijn als wij roepen om ontferming, als wij bidden om vrede.

 

vredeszondag

Als het gaat om de wereld van vandaag, om alle onrecht, om de ongelijkheid in arm en rijk, om alle oorlogen, om de migratiestromen…. dan kun je daar wanhopig van worden. Sommige mensen lezen de krant niet meer; ze trekken zich terug in hun eigen veilige wereld en laten zich niet meer raken. Anderen worden cynisch en bekritiseren de goede initiatieven, de druppels op gloeiende platen. We kunnen niets doen. Het is onmogelijk. Als we zo denken neemt een kwade geest bezit van ons. Verlamd. Stomgeslagen. Terwijl we allemaal kunnen zijn als de vader en uit onze angst en berusting kunnen stappen. In de schreeuw van de vader schuilt hoop. Al is het maar vederlicht als een sneeuwvlok (verhaal onder aan de blz) de tak zal eens breken. Ons toevertrouwen aan de kracht van God betekent: deel hebben aan die kracht. In staat zijn te genezen, in staat zijn veranderingen te weeg te brengen. Waar de geest van vertrouwen ruimte wint, is er geen ruimte meer voor de geest van angst en onverschilligheid. (in: Pax 2018, Christiane Karrer)

 

gebed

Waarom konden wij het niet? vragen de leerlingen. En Jezus antwoordt dat dit soort kwaad alleen door gebed kan worden uitgedreven. Vanuit verbondenheid met God, vanuit vertrouwen dat het onmogelijke mogelijk kan worden, kan het kwade worden uitgedreven.

--

“Zeg, hoeveel weegt een sneeuwvlok?” vroeg een pimpelmees aan een wilde duif. “Minder dan niks”, gaf die ten antwoord. “Dan moet ik je een wonderbaarlijk verhaal vertellen”, zei de pimpelmees. “Ik zat op de tak van een den, dicht bij de stam, toen het begon te sneeuwen. Niet hevig, met stormgeweld, nee, als in een droom, zonder geluid of gewicht. Daar ik niets beters te doen had, begon ik de sneeuwvlokken te tellen die op de twijgen en naalden van mijn tak vielen en daaraan bleven hangen. Op de kop af drie miljoen zevenhonderd eenenveertigduizend negenhonderd éénenvijftig waren het er. Toen de drie miljoen zevenhonderd eenenveertig duizend negenhonderd twééënvijftigste vlok omlaag kwam –minder dan niks, zoals je zegt– brak de tak af.” Daarop vloog de pimpelmees weg. De duif, sedert de dagen van Noach gespecialiseerd in dit soort vragen, zei na enig nadenken bij zichzelf: “Misschien ontbreekt er nog maar één stem van één enkele mens om tot vrede in de wereld te komen.”

Twee dingen blijven me deze week bezighouden. Het eerste is een kort gesprek met iemand die nog vol zat van de preek van de gastdominee die in zijn kerk was geweest. Deze had gezegd: wij zijn allemaal nullen. En Jezus is een tien. Dat zat hem hoog. Het voelde als ‘zwaar, zeker nu er samen ook avondmaal gevierd zou worden. Een nul zijn… nooit goed genoeg. Je kunt het wel proberen maar je zult altijd tekort schieten. Mijn moeder zong het met een oud liedje mee: Als je voor een dubbeltje geboren bent, dan word je nooit een kwartje.

Het tweede is een leeravond rondom Henri Nouwen. We lazen met een groep enkele teksten uit: Een parel in Gods ogen. Het ging over de geliefde. ‘Jij bent mijn geliefde’ (Marcus 1:11) is voor ieder mens de diepste waarheid. Het is de basis waaruit je leven mag. God zegt: jij bent mijn geliefde. Jij bent een tien.

Het is makkelijker aan te nemen dat je niets bent, dan te leven vanuit de waarheid dat jij geliefd bent. Het hedendaagse leven komt luid op ons af en we worden onophoudelijk toegeroepen dat het sneller kan, beter moet. De gemiddelde mens moet aan zoveel eisen en verwachtingen voldoen dat de conclusie niet anders kan zijn dan: ik ben lelijk, ik stel niets voor, ik kan er net zo goed niet zijn.

We doen ons uiterste best om ons op social media van onze beste kant te laten zien en etaleren ons succes, ons plezier. Wie kent ons nog echt? Wie heeft weet van onze kleinheid? Het grootste gevaar voor ons ons leven, zegt Nouwen, is gelegen in het afwijzen van onszelf.

Ben ik een nul? Als je me afrekent op mijn succes, populariteit, menslievendheid of weet ik niet wat, misschien wel. Er zijn er zeker die hoger zullen scoren dan ik. Ben ik een nul? Zeker weten van niet! Want ik ben gekend én geliefd door God. Ik probeer weg te blijven bij stemmen die roepen dat ik niet goed genoeg ben. Blader ik door de Bijbel dan kom ik alleen maar nullen tegen. De jongste, de minst vanzelfsprekende, de mens met lek en gebrek, wordt door God geroepen om het voortouw nemen en anderen voor te gaan in (zelf)vertrouwen. Ik denk aan Jacob, aan Mozes die zo tegensputterde toen God hem riep, aan David… de rest vind je zelf wel.

Was Jezus dan wel een tien? Voor mij niet. En dat hoeft hij ook niet te zijn. Hij was degene die zich omringde met de losers en daardoor zelf ook een loser werd. Hij knielde neer om als een dienaar zijn leerlingen de voeten te wassen. Hij koos de weg van de liefde en liep er in dood. Sinds hij die weg is gegaan hoeft niemand zich meer een nul te voelen. Want dat doodgelopen leven, dat je mislukt zou kunnen noemen, was in alle opzichten gelukt. God bevestigde het met leven in eeuwigheid.

overweging op 26 augustus 2018          PG De Open Hof, Oud-Beijerland

afbeelding: www.jufliek.nl; Angelique Bos

 

uit de Bijbel: Handelingen 27: 13-44

 

de storm en het schip

Geloof weet van storm op zee. Daar laat de Bijbel geen twijfel over bestaan. De zee is chaos en onzekerheid. De zee is de dood. Het léven is de zee. Want wat kan een mens benauwde tijden doormaken; dreigen te verdrinken in wat hem overspoelt.

 

Geloof heeft weet van storm op zee. Voor je het weet leidt je geloof schipbreuk; raak je aan het twijfelen en waai je met alle winden mee. Of je raakt uit de koers, stuurloos zonder vertrouwen op God. (resp 1 Tim 1:19; Jac 1:6 en Ef 4:14)  En wat gooien we makkelijk de hoop op morgen overboord. Dát wil Lucas vertellen. Hij gebruikt er beeldende taal voor, vol schipperslatijn en aanduidingen van plaatsen die een leek niets zeggen maar een kapitein wél. Maar toch gaat het hem niet om een correcte beschrijving van de gang van zaken. Hij schrijft geen logboek. Het is nog altijd evangelie. Hij moet iets kwijt aan al die mensen die ook in een storm terecht komen; die van alles overboord gooien, voor wie de hoop redding vervliegt. Voor die mensen, voor de gemeente van Christus in zwaar weer, schrijft Lucas.

 

Aan veel oude kerkgebouwen kun je aflezen hoe er over de kerk werd gedacht: het dak met de gebogen planken en stoere dwarsbalken leek wel een omgekeerd schip. We spreken nog wel over ‘het middenschip’ van de kerk. Zo werd vroeger (en nog wel) gedacht over de gemeente van Christus; het is een schip dat vaart over de woelige wereldzee, door het stormen van de tijd. Een reddingsboot, een arke der verlossing; want, dacht men, buiten die boot, buiten de kerk, is er geen redding.

(lied: ’t Scheepke onder Jezus’ hoede) As je maar ín die boot zit, komt het goed.

 

ik stel vertrouwen in God

Je kunt er genuanceerder over denken -dat doe ik liever- , maar het beeld van schip en storm blijft overeind. Wat doet een storm met je geloof in God? Stel je dan meer vertrouwen in andere zekerheden? Gooi je je geloof overboord?

Voor Paulus blijft zijn vertrouwen als een paal boven water. Al eerder heeft hij van God gehoord dat het goed zal komen en dat hij in Rome voor de keizer van zijn geloof moet getuigen.(Hand 23:11) Het klinkt alsof God een plan heeft met het leven van Paulus. Het zal allemaal ergens goed voor zijn.

Die gedachte wordt versterkt als hij opnieuw bemoedigd wordt door een engel met dezelfde boodschap. Wees niet bang, Paulus! Wat mij betreft is dat al evangelie genoeg. Wees niet bang. Niet voor de storm, niet voor de dood, niet voor het leven. Wees niet bang. Dat horen Abraham, Mozes, Israël, Jozua, Gideon, Ruth, Saul, Maria, de herders in de nacht, de leerlingen in de storm…. Natuurlijk zijn ze bang.

En tegelijkertijd mogen ze weten dat ze veilig zijn; dat God bij hen zal zijn. Wees niet bang. En als je wel bang bent, weet dan dat je niet zult sterven van angst. (Huub Oosterhuis, over Psalm 23)

 

Aan die God behoor ik toe, zegt Paulus. Ik ben van hem. Heeft hij aan Jesaja gedacht? Ik moest er wel aan denken: Wees niet bang. Ik heb je bij je naam geroepen. Je bent van mij. Moet je door het water gaan, ik ben bij je. (Jes 43:1)

Paulus zegt niet: gelukkig heb ik dat niet overboord gegooid en heb ik mijn geloof vastgehouden. Hij zegt: Gelukkig heeft mijn geloof mij vastgehouden.

Gelukkig draagt God mij door de storm.

 

de veertiende nacht 

Voorlopig hebben ze op dat schip al dagen geen hap door hun keel kunnen krijgen van angst. Dan breekt de veertiende nacht aan. Verbaas je er niet over dat een storm twee weken kan duren want daar gaat het niet om. Het getal veertien roept een herinnering op. De herinnering aan Pasen. Op de veertiende dag van de eerste maand (Ezra 6:19) wordt Pesach gevierd. De veertiende nacht heeft te maken met die nacht die zo anders was dan alle andere nachten. Omdat in die nacht God zijn volk bevrijdde uit Egypte en hen door de woestijn voorging naar beloofd land. De veertiende heeft te maken met bevrijding, met vertrouwen op de Eeuwige dat op de proef werd gesteld, maar altijd terecht is gebleken. Lucas laat tussen de regels door lezen dat hij een Paasverhaal aan het vertellen is. Voor al die mensen die bang zijn. Hij vertelt eigenlijk dat Pasen, uittocht en opstanding, geen eenmalige gebeurtenis is; geen punt in de geschiedenis. Het is een gebeurtenis die herleefd mag worden, een moment dat zich herhaalt en herhaalt. Het is ons op het lijf geschreven.

Het is daarom dat hij zegt: Kom, de tijd om lijdzaam af te wachten is voorbij. Eet wat en vertrouw dat de redding dichtbij is. Toen hij dat gezegd had, nam hij een stuk brood, dankte God, brak het brood en begon te eten. Dat is de taal van het avondmaal. De taal van het paasverhaal. Dat is de taal waarin Jezus Christus woont en zich verbindt met zijn gemeente. Het avondmaal is niet alleen herinnering, het is niet van vroeger, het is ook van het heden. Eet. Sta op. Wees moedig. Wees dichtbij Jezus.

 

Paulus is een mens die weet van opstanding. Die weet dat het zo werkt, dat een mens soms eerst moet sterven voor er iets van God in hem kan opstaan. Dat je leven soms langs het randje gaat. Daarom is hij niet bang als het schip uiteindelijk stuurloos en zonder anker voor de kust dobbert. Het gaat niet om hem. Maar om God. Om wat God met hem voorheeft. En God heeft hem bestemd om het evangelie in het hart van het Romeinse Rijk te brengen.

Hoe loopt het af met Paulus?

Hij bereikt Rome en betrekt er een huis. Hij ontvangt daar mensen en vertelt iedereen over Gods koninkrijk en hij leert hen alles over Jezus Christus. Meer vertelt Lucas niet. Hij zet er een punt achter. Alsof Paulus daar nog steeds zit en mensen vertelt over God en zijn koninkrijk. Dat is natuurlijk niet zo maar nu zijn wij het die het verhaal vertellen. 

overweging op zondag 12 augustus 2018

Protestantse Gemeente De Open Hof

 

inleiding op de Bijbellezing

We lezen deze zomerperiode in Handelingen. De naam van het boek doet vermoeden dat het gaat om een feitelijke weergave van de dingen die mensen deden. In dit geval Petrus en Paulus, en de eerste christengemeenten. Maar dat is niet helemaal waar. Lucas, de schrijver van Handelingen, blijft een evangelist. Hij is geen journalist. Het blijft daarom geloofsgetuigenis en het wordt geen geschiedenis.

Opvallend is dat Lucas geen enkele voorkeur wil laten blijken voor Petrus of Paulus. Alles wat Petrus overkomt of doet, vertelt hij ook over Paulus. Gertjan heeft vorige week verteld over Petrus in de gevangenis en hoe hij wordt bevrijd. Datzelfde horen we vandaag van Paulus. Beide genezen een verlamde man en beide wekken een dode op.

Dat het om evangelie gaat, horen we vandaag heel duidelijk. Het Paasverhaal, de dood en de opstanding van Jezus, functioneert als onderlegger. Lucas trekt die lijnen over voor zijn eigen verhaal. De duisternis en de aardbeving bij Jezus’ dood, het openspringen van de graven en de buitenstaander die wordt geraakt en gered, het komt allemaal voorbij. Dat maakt dit een Paasverhaal.

We zijn inmiddels in Europa. In Filippi. We lezen uit de Samenleesbijbel.

 

uit de Bijbel: Handelingen 16: 16-34

 

wakker in de nacht

Het ziet er niet zo best uit: Paulus en Silas zijn opgepakt. Door de genezing van de jonge slavin hebben ze iemand beroofd van zijn inkomsten. Je moet nu eenmaal niet aan de portemonnee van mensen komen. Alles wordt erbij gehaald: het zijn Joden, buitenlanders die ons komen vertellen hoe het moet….. ze leven anders dan wij….. voor je het weet is de meute opgehitst en moet de lieve vrede worden hersteld. Ze worden een extra beveiligde inrichting opgesloten. Hun voeten gaan in een houten blok.

Het is niet toevallig dat Lucas datzelfde woord ‘hout’ ook gebruikt om te vertellen hoe Jezus heeft geleden. (Grieks ‘xulon’, Hand 5:30; 10:39, 13:29 en ook bv Galaten 3:13) Het lijden van Jezus is niet iets eenmaligs. Christus lijdt zolang mensen lijden (Blaise Pascal) Hij lijdt in de verlatenheid van mensen; hij lijdt in mensen die worden geslachtofferd, verraden. Hij lijdt in menselijke pijn en angst. (Nieuw Liedboek 561)

In volkomen solidariteit. Mens met mensen. Wie Christus zoekt, wie verlangt naar God, zoekt dus dáár. In de diepte. In de moeite. Paulus en Silas zitten vast. Met hun voeten in het blok kunnen ze geen kant uit. Het is middernacht. Een uur dat vertelt dat het nog lang geen morgen is en dat donkere uren van wakker liggen en piekeren zich voor je uitstrekken. Hoe kun je dan verlangen naar het eerste licht, naar de eerste beweging op de gang van het ziekenhuis… naar iemand, naar God… meer nog dan een nachtwaker uitziet naar de morgen. (Ps 130)

 

psalmen in de nacht 

Paulus en Silas zijn ook wakker. Ik zou me zo goed kunnen voorstellen dat ze elkaar wakker houden met angstige vragen wat hen nog meer te wachten staat; of met hun teleurstelling dat de Geest van God hen roept naar het onbekende Europa om hen vervolgens in de steek te laten. Of misschien kunnen ze niet slapen omdat hun rug zo’n zeer doet. Maar dat staat er allemaal niet. Om middernacht, in het diepste donker als ze geen kant op kunnen, bidden zij en zingen lofliederen voor God.

 

Ik was op bezoek bij iemand die slecht bericht had gekregen. Het dagelijks hardop bidden moest haar man waarnemen. Zij kon het niet. En het gebeurt zo vaak dat iemand zegt: bid u maar voor me; ik kan het niet.

Afgelopen zondag was Louis van Gaal de Zomergast op televisie. God had voor hem afgedaan. Want wat heb je aan een God die toelaat dat je vrouw jong moet sterven. Wat doe je als het noodlot toeslaat? Keer je je van God af of zoek je hem op? Als je geen kant op kunt en het licht van de morgen lijkt ver, is Hij dan ver of dichtbij? Ik herhaal nog maar een keer: God is ín onze moeite.

 

Lucas vertelt dat Paulus en Silas beginnen te zingen en te bidden. Zijn ze dan zo moedig en zo gelovig? Wie zal het zeggen. Het kan ook maar eens zo zijn dat zij hun angst te boven zingen. Dat zij zingen van hoop om de wanhoop weg te jagen. Als een kind dat fluit in het donker. Als de oude dame die in bed de psalmversjes uit haar schooltijd voor zich uit zingt. In diepe ellende zoeken mensen naar God. Denk aan Jezus die aan het kruis Psalm 22 uitriep.

 

En als hij wéét dat het einde van zijn leven nadert, lezen we hoe hij voor de laatste keer de pesachmaaltijd viert met zijn leerlingen. En nadat zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg. (Mc 13:26, Mt 26:30)

Die lofzang is verbonden met wat er ná komt:

beproeving, het gevoel van God verlaten te zijn. Maar ook: gedragen worden, gered worden, leven. Het Joodse volk heeft dat ervaren in de woestijntijd en de doortocht door de zee. Jezus ging die weg van zijn eigen volk, de weg door de doods Jordaan naar het leven. En Jezus’ leerlingen gaan diezelfde weg. Met het lied op de lippen dat God erbij is; dat hij redt van de dood.

 

smartlappen

Daarom lukt het Silas en Paulus om te zingen. Misschien wel Psalmen. Levensliederen, smartlappen, waarin wordt gebeden en gesmeekt, gevloekt en gezegend, gehoopt en getwijfeld. De Psalmen droegen Jezus op zijn lijdensweg. Zij zullen ook ons dragen. 

We zullen zingen, niet om de tijd te doden maar om in de nacht de dag op te roepen. (Barnard) Er staat niet dat het ons goed zal gaan als wij genoeg zingen en bidden. Wél dat ons vertrouwen op God terecht is; dat de belofte van Pasen onstuitbaar is.

Het lied van Paulus en Silas wordt kracht bijgezet. En het is opnieuw Pasen. Lucas wil vertellen dat mensen, ook na Pasen, te maken zullen krijgen met lijden. Dat mensen die hun houvast vinden in Christus, niet gespaard zullen blijven voor ellende. Wat dat betreft heeft een gelovig mens dezelfde garanties als ieder ander. Maar wat Paulus en Silas voor hebben, is dat zij daar over heen kunnen kijken. Zij hebben een ander perspectief. Het perspectief van licht dat terugkeert en hoop die niet sterven wil. Zij staan in het licht van Pasen. En deze nacht zullen zij met Christus opstaan.

 

geef mij licht

De andere gevangenen hebben aandachtig zitten luisteren naar het bidden en zingen. Laten we nooit onderschatten wat het belang is van de zingende en biddende gemeente! Ondanks alles, tegen alles in. Wij blijven fluiten in het donker, psalmen zingen in de nacht. We blijven zingen zolang de aarde bestaat; zolang er geen vrede is. We blijven zingen zolang mensen doodgaan. Omdat wij geloven dat Gods goedheid dwars door moeite en dood heengaat. Ook de gevangenbewaarder wordt erdoor aangestoken. Dieper kan hij niet zakken. Hij wil het liefste dood. Maar als hij vraagt om licht, krijgt hij het ook. Licht voor de wereld.

Aug 09, 2018

boerenslimheid

overweging op 5 augustus 2018  Eendrachtskerk Zuid-Beijerland

 

Bijbellezing: Lucas 16: 1-9

 

een goede mop

De gelijkenis die Jezus aan zijn leerlingen vertelt kun je ook vertellen als een goede mop: Ken je die al van de rijke man met al die landerijen? Die heeft dus een rentmeester aangesteld over al dat land. En die rentmeester moet op een dag bij zijn baas komen; hij krijgt te horen dat hij ontslagen is. Hij blijkt al die tijd ruim geleefd te hebben op kosten van zijn baas.

Maar wat denk je dat die rentmeester doet? Nog niemand heeft gehoord dat hij is ontslagen. Alsof er niets aan de hand is, gaat hij weer op z’n plek zitten en dan laat hij de mensen bij zich komen die op het land van die rijke man werken en daarvan ook moeten afdragen. Hij vraagt: wat ben jij mijn baas schuldig en hij vermindert dat gewoon. Van een van die mensen heeft hij zelfs de helft kwijtgescholden. Je begrijpt dat die man dolgelukkig was want voor vijfhonderd vaatjes olijfolie moet je keihard werken. Dat kan wel iets van een jaarloon zijn of zo. Schrijf het zelf maar even op, zei die slimmerd. Dus hij kan nergens op gepakt worden want hij heeft zelf nergens voor getekend. Doortrapt hè? Zijn kostje is nu gekocht, op kosten van de rijke man. De rentmeester kan niet meer stuk bij al die mensen. Hij is zijn baan wel kwijt maar hij kan bij die gaan eten, bij die gaan slapen. Wat een mop hè!

 

voorbeeldfunctie

De rentmeester gaat doortrapt te werk. Zonder na te denken over wie hij benadeelt, zorgt hij dat het goed met hem zal aflopen. Je zou verwachten dat Jezus over zoveel onrechtvaardigheid een streng oordeel zou uitspreken. Maar dat gebeurt juist niet. Jezus prijst de rentmeester om zijn slimheid en maakt hem zelfs tot een voorbeeld voor zijn leerlingen als hij zegt: De kinderen van deze wereld gaan veel slimmer met elkaar om dan de kinderen van het licht. Onbegrijpelijk. Wat moeten we met deze vreemde gelijkenis van Jezus? We halen er een paar dingen uit. Misschien dat we dan dichterbij de betekenis komen.

 

kinderen van het licht

Eerst maar eens die kinderen van het licht aan het eind van het verhaal. Wie zijn dat? Dat moeten de mensen zijn die aangestoken zijn door wat Jezus vertelt. De mensen die zich lichter voelen door het licht van Christus. In de brief aan de gemeente van Efeze schrijft Paulus: jullie zijn kinderen van het licht. Dan moet je dus geen dingen doen die het daglicht niet verdragen kunnen. Dan ben je transparant, je mag ergens op worden aangesproken. Kinderen van het licht, dat zijn wij.

 

Het belang van dit verhaal voor de mensen die het willen horen ligt in: ‘opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen.’  De rentmeester zoekt zijn zekerheid in de huizen van de nieuwe vrienden die hij heeft gemaakt met geld. Waren de kinderen van het licht maar net zo ijverig om hun toekomst veilig te stellen. Een toekomst in de eeuwige tenten, in de nabijheid van de Heer. Dat geldt voor de dag van morgen, voor ons leven. Dat geldt voor de dag dat wij voor altijd bij God mogen zijn. De rentmeester is een voorbeeld in zijn gedrevenheid om de toekomst veilig te stellen. 

 

de balans opmaken

God heeft ons als rentmeesters aangesteld over zijn schepping. Hij heeft ons de zorg gegeven over alles wat leeft; over elkaar. Hij kan ons vragen verantwoording af te leggen. Hij kan ons vragen de balans op te maken.

Stel dat wij moeten erkennen dat we tekort geschoten zijn; dat we de aarde hebben uitgeput om er zelf rijker van te worden. Dat zeeën vol liggen met troep van onze overvloed. Dat dieren te lijden hebben onder onze enorme honger naar meer.

 

Stel dat we de balans op moeten maken van ons eigen leven. Zullen we dan tevreden zijn met eindresultaat of constateren we tekorten? Is er een tekort in onze boeken omdat we anderen tekort hebben gedaan? Slaat de balans negatief door door kwaadwilligheid, onverschilligheid, door kwaad dat willens en wetens is gedaan of waaraan we nu eenmaal deelhebben omdat we leven in deze wereld en in deze tijd?

Kloppen onze boeken of hebben anderen of het lot ons tekort gedaan? Hadden we meer liefde, levensgeluk en kansen moeten krijgen? Wie zijn wij,  onderaan de streep? Zijn we mensen geworden die we hadden kunnen zijn, of hadden willen zijn? Hebben we geleefd als de kinderen van het licht en zijn we toegekomen aan de opdracht om goedheid voort te brengen, waarachtigheid en gerechtigheid? Die vraag zouden we onszelf elke avond moeten stellen. 

 

Dan kunnen we deemoedig en schuldbewust het hoofd schudden: nee, dat zijn we niet. Het had allemaal beter gekund. Of we kunnen wijzen naar anderen: nee, dat zijn zij niet. Zij hadden beter hun best moeten doen. Allebei kwam voor in Jezus’ tijd. Onder zijn gehoor bevonden zich zondaars, hoeren en tollenaars. Maar ook mensen met wijzende vingers.

Jezus daagt zijn hoorders uit om te begrijpen dat je je eigen belangen moet behartigen, je heil moet zóeken. Verzeker je van een plaats in Gods nabijheid, in Gods eeuwige tent. En stel daarop je vertrouwen. Want geld verdwijnt en Gods liefde is eeuwig.

 

Mammon

Maak daarom vrienden met behulp van de valse Mammon. Laat geld, dat van zichzelf niet in staat is tot enig goed, het goede dienen. Iets dat mensen tot slechte dingen kan verleiden, kan evengoed gebruikt worden om rechtvaardig te zijn.

En doe als de rentmeester. Accepteer dat de situatie van jouw leven is zoals het is. Daarmee zul je het moeten doen. Met alle tegoeden en alle tekorten daarin. Zoek daarmee creatief en kordaat naar God. We kunnen ons boos maken over alles wat we verkeerd vinden. We kunnen ook proberen uit te vinden hoe we het ten goede kunnen keren. 

Dit is het. Dit is onze wereld waarin wij met vallen en opstaan kinderen van het licht zijn. Een wereld vol onwaarachtigheid, kwaad en onrecht. Met mensen die gaan voor hun eigenbelang. Hiermee zullen we het moeten doen. En de structuren van onze wereld, die we misschien wel verfoeien, staan ons ten dienste om Gods goedheid in de praktijk te brengen. Met kromme stokken kun je ook recht slaan.

 

kwijtgescholden

Misschien prijst Jezus het optreden van de rentmeester ook wel omdat hij zelf zo heeft geleefd. Hij vergeeft wie de Heer iets schuldig zijn. Hij is het die zegt: ga zitten, maak er vijftig van. Verminder je last, voel je vrij. En hij geeft ons die vrijheid op kosten van de Heer, van God. Wie zoveel vrijheid zomaar krijgt is aan zijn stand verplicht een ander diezelfde vrijheid te gunnen. 

Paulus schrijft aan de gemeente in Efeze: wees goed voor elkaar en vol medeleven. Vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft. Wie liefde krijgt, kan niet anders dan de weg van de liefde gaan. Zorg dat je welkom bent bij mensen, dan ben je altijd welkom bij God.

overweging op zondag 29 juli 2018, De Open Hof, Ood-Beijerland

uit de Bijbel: Handelingen 10: 1-48

een ijsje op zondag

Ik zal een jaar of twaalf zijn geweest toen de ouders van een vriendinnetje mij meenamen voor een zondagmiddagwandeling in het Zuiderpark. Ik kende deze mensen ook vanuit onze kerkelijke gemeente. Tijdens de wandeling belandden wij op het terras van het paviljoen voor een ijsje. Dat ijsje wilde ik niet! Mijn ouders waren niet gewend om ons op zondag te trakteren. Zo jong als ik was wilde ik loyaal zijn aan wat zij mij hadden bijgebracht. Wat zouden ze er niet van vinden als ik hun regels zomaar brak? Misschien werden ze wel boos. En wat was het vreemd en verwarrend dat mensen van dezelfde kerk als mijn ouders zo anders met de dingen omgingen. Het dilemma herinner ik mij nog goed. Of ik het ijsje wel of niet gegeten heb, herinner ik mij niet meer.

 

Zo werkt het met regels, met gewoonten en tradities. Ze geven een duidelijk kader.. Ze bieden veiligheid en herkenbaarheid. Want zoals jij, zo zijn er meer. Door je te conformeren zijn veel vragen al beantwoord – bijvoorbeeld wat doe je op zondag-  en ben je verbonden met een gemeenschap. Regels zijn niet verkeerd. Ze kunnen het wel wórden, als ze de omgang met mensen in de weg staan. Dan wordt het tijd om ze te herzien. Tenslotte is ons geloof geen pakket van regels en tradities waaraan niet te morrelen valt. Het is bedoeld om ons in vrijheid de weg te wijzen door het leven.

 

Petrus en de regels

De apostel Petrus zou van zijn moeder vast geen ijsje hebben gekregen op de sabbat. Zoals hij veel dingen niet van haar kreeg omdat ze onrein waren volgens de Tora: geen varkensvlees bijvoorbeeld en geen waterdieren zonder schubben (Lev 11. Hoe zou Petrus haar kunnen teleurstellen? Hoe zou hij tegen de heilige geschriften van zijn volk kunnen ingaan door deze reinheidswetten en spijswetten te overtreden? Dat zou hij nooit doen! Als Jood zou hij ook nooit het huis binnengaan van een niet-Jood. Laat staan met hem de maaltijd delen. Dat hoorde gewoon niet.

 

Het moet dan ook een schok zijn geweest om in een droom, terwijl je honger hebt! een hemels tafellaken te zien met allerlei lopende en kruipende dieren, en vogels. Alleen al het feit dat onreine en reine soorten door elkaar heen zitten, maakt dat Petrus er niets van kan eten.

Drie keer moet God er in een visioen op aan dringen dat Petrus er van mag eten. Dat is geen toeval, maar Bijbelse nadruk. Had Petrus, in de nacht dat Jezus werd opgepakt, niet drie keer ontkend dat hij Jezus kende? (Joh 18)

Had de Opgestane Heer niet drie keer gevraagd: Heb je mij lief?

En had hij toen niet drie keer de opdracht gegeven om voor zijn schapen te zorgen? (Joh 21) De vraag die nu beantwoord moet worden is: wie zijn die schapen van de Opgestane Heer? Zijn dat alleen de Joden? Of niet? Maar heidenen, die zijn toch onrein? En hoe zit dat met de Tora, die al eeuwenlang de weg bepaalt van de mensen van God? Die leg je toch niet zomaar naast je neer? Aan de andere kant, zouden niet-Joden niet geraakt kunnen worden door het Evangelie?

 

betekenis

Vragen en verwarring. We kunnen ons er misschien iets bij voorstellen. Wat is goed? Wat is dwaling? Petrus legt die vreemde droom niet naast zich neer. Hij begon zich af te vragen wat de betekenis kon zijn. Wilde de hemel hem soms iets zeggen?

Ik vind dat mooi. Die openheid waarmee mensen zich soms af vragen wat de betekenis kan zijn van hun droom; de onbevangenheid waarmee mensen onderzoeken wat de betekenis kan zijn van iets dat zomaar op hun pad kwam. Of iemand. Het is goed om de tijd te nemen om schijnbaar toevallige situaties te onderzoeken en de mogelijkheid open te houden dat jij er wat mee moet. Ook als dat betekent dat jij je eigen grenzen moet opzoeken en zelfs overgaan. Ook als je daarmee terecht komt op onbekend terrein. 

Het kan heilzaam en vruchtbaar zijn om je koers te laten bepalen door een visioen, een stem. Er moet hier ooit iemand geroepen hebben: ‘nieuwe ruimte’, dat is wat Ontmoetingskerk en Thomaskerk nodig hebben. Op een dag is iemand aangestoken door het visioen van een wereld waarin duurzaamheid geen opdracht meer is maar een levenswijze. Op meerdere momenten – en nog – zijn we in beweging gekomen in het vertrouwen dat er iets van God te beluisteren was. Dat we misschien wel uit onze comfortzone moesten, maar dat het van hem was. Misschien denk je nu wel terug aan een koersverandering die jijzelf inzette. Gedreven door een droom, een stem, een ontmoeting, waarvan jij wist: dit komt van God. Dit is een hemelse hint.

 

Cornelius uit Rome

Terwijl Petrus nog nadenkt over de betekenis van het visioen, kloppen de mannen van Cornelius aan. Deze Cornelius vereert God in woord en daad, want hij bidt en hij bekommert zich om de armen. En Cornelius is een niet-Jood.

Petrus gaat mee, al weet hij niet waarheen. Noch waarom. De Geest heeft tot hem gesproken; er is een bepaalde gedrevenheid. Hij vertrouwt erop dat hij er juist aan doet om mee te gaan. En aangespoord door het visioen aarzelt hij niet om het huis van Cornelius binnen te gaan. Nadat Cornelius van zíjn droom heeft verteld, valt bij Petrus het kwartje pas echt: God maakt geen onderscheid tussen mensen. Hij trekt zich het lot aan van iedereen, uit welk volk dan ook, die ontzag voor hem heeft en rechtvaardig handelt.

En omdat de Geest waait waarheen zij wil, beroert zij iedereen die naar Petrus zit te luisteren, joden en niet-joden. Het is Pinksteren, daar in het huis van Cornelius. Maar anders dan op dat eerste Pinksterfeest (Hand 2) worden nu gelovigen zonder joodse achtergrond gedoopt.

U zult begrijpen dat Petrus hierop later flink is aangesproken door zijn achterban. Hoe kon hij dat nu doen? Maar het is door deze stap ‘out of the box’ van Petrus dat het evangelie de ruimte kreeg. Het is door de droom van Petrus dat Paulus de vrije hand krijgt om het evangelie te gaan verkondigen aan de heidenen en overal gemeentes te stichten. Als Petrus niet de moed had gehad om zijn eigen grens over te gaan en om gastvrij te zijn, dan hadden wij hier misschien helemaal niet gezeten. 

 moed

Het vraagt moed om iets in onszelf te moeten overstappen om die ander aan te horen, te accepteren. Het vraagt moed om onszelf te bevragen op wat de tijd van ons wil. Het vraagt moed om eens stil te zijn en een droom te laten spreken; misschien dat de hemel ons iets zeggen wil.

Het is moed waarop aanspraak gemaakt wordt als we bij elkaar aandringen op veranderingen: in de kerkenraad en de organisatie van de gemeente, in het pastorale systeem, dat altijd zo goed liep maar nu gaten vertoont. In de gastvrijheid naar welzijnsorganisaties door het ruimhartig openstellen van de Huiskamer. De vraag daarbij is nooit of anderen zich kunnen aanpassen aan ons, aan mij. De vraag is altijd of ik mij durf open stellen.  

 

Het is ook moed die nodig is om ons als kerk te kunnen handhaven in deze moderne tijd. Moeten we niet wat anders om te overleven in een tijd dat kerkgang niet vanzelfsprekend. Zijn er misschien andere manieren om het evangelie te verkondigen dan op zondag in een dienst? Hoe krijgen ook wij een

open oor en een open oog voor mensen die God zoeken? En durven we dan over onze grenzen heen te gaan? Waar het ons brengt, dat weten we niet. Maar Petrus kon ook niet vermoeden dat door zijn opstelling het evangelie zelfs de zee zou oversteken naar Europa.

 

levensles

Een korte samenvatting zou kunnen zijn: Gods liefde kent geen grenzen. Dat klinkt heel eenvoudig. Laten wij het dan net zo eenvoudig in de praktijk brengen en elkaar aanvaarden, zoals wij aanvaard zijn door Christus. (zie ook Romeinen 14 over verschillende invullingen van het geloof)

Al krimpen mijn gedachten

en raak ik woorden kwijt,

verlies ik taal en tijd,

uw woord is levenskrachtig.

Er zijn herinneringen,

uw hartslag in mijn oor,

als ik uw klanken hoor

en psalmen mee kan zingen.

 

Bovenstaande tekst staat in het Nieuwe Liedboek in de rubriek ‘levenstijd’ (NL 786). Wie lijdt aan dementie merkt dat gedachten krimpen. Het lukt niet altijd meer om helder te denken. Dingen verliezen hun logisch verband. Met het krimpen van de gedachten wordt ook de deelname aan het sociale verkeer minder. De tijd waarin we leven is gehaast en mensen stellen hoge eisen aan elkaar. Wie niet meer aan kan haken, haakt al snel af. Zeker als ook woorden kwijtraken en deelnemen aan een gesprek moeilijker wordt. Tot taal en tijd helemaal hun betekenis verliezen. Wat is tenslotte tijd als je leeft in het moment en het daarna weer bent vergeten.

Dementie heeft veel met ‘niet’ en ‘niet meer’ te maken. Iemand die lijdt aan dementie kan niet meer autorijden; niet meer de krant lezen of meepraten op een verjaardag; kan uiteindelijk niet meer zelfstandig wonen. Je verdwijnt naar de marge. Soms verdwijn je zelfs helemaal, als mensen zeggen: ‘het is mijn vader niet meer’ of ‘we zijn haar al kwijt voor het einde komt’. Alsof het woorden, taal en tijd zijn die ons kenmerken als mens.

Dementie neemt een mens alles af wat het leven waardevol maakt. En niet alleen degene die eraan lijdt, ook de omgeving. Relaties veranderen. Rollen worden omgedraaid. We verliezen datgene wat we het meest vrezen: onze menselijke waardigheid. ‘Zo wil ik niet leven’ zeggen sommigen. ‘Dat is onmenselijk.’ We doen alsof we pas mens zijn als we iets presteren, als we kunnen denken en praten, maar uiteindelijk is dat niet zo. Wat ons mens maakt is dat wij door God gewild en geschapen zijn. Hij heeft ons zijn adem ingeblazen. Zijn Geest woont in ons. Ook als onze geest aftakelt. Want dat betekent de-mentie. Maar zijn Geest blijft en stroomt door ons bloed. We horen zijn hartslag in ons oor. Gods woord is levenskrachtig. Dat is wat ons leven geeft; dat is wat ons mens maakt.   

 

Er zijn herinneringen…. Alsof je de boekenkast opruimt en alle nieuwe boeken het eerst opruimt. De oude boeken blijven staan. Het boek over de jeugd, het boek met emoties, het boek met vertrouwde gezichten, het boek van de Psalmen. Geert Boogaard dicht:

Toen wij dachten dat zij niets meer wist,

wilde ik nog iets proberen met een heel oud lied,

niet omdat we verlangden naar een laatste woord,

maar om met haar te schuilen in een psalm.

Ik zei: Ook al ga ik door een dal van de schaduwen des doods …

En zij: Ik vrees geen kwaad.

En ik: want Gij …

En zij: zijt bij mij.”

Lang blijven vertrouwde woorden hangen en zij troosten. En als zelfs die vergeten zijn mogen we erop vertrouwen dat God ons zal onthouden. Hij zal ons niet vergeten. Wij staan in zijn handpalm gegrift. Ook -juist- als wij het niet meer weten, geldt dat Hij bij ons is. ‘Ik ben er’ is zijn Naam. Dat betekent dat hij elk moment is; Hij is in het nu. In het verdriet van het moment, of in het plezier. Precies daar waar de mens, of hij nu lijdt aan dementie of niet, ook is. Altijd in het nu.

 

Deze tekst is gepubliceerd in het Kerkblad voor de Hoeksche Waard.

De aanleiding om hierover te schrijven ligt in het initiatief om de Hoeksche Waard een dementievriendelijke samenleving te laten zijn. Dat is noodzakelijk. In Nederland heeft 1 op de 5 mensen te maken met dementie. Omdat in de Hoeksche Waard de gemiddelde leeftijd hoger ligt, zal dat hier uit gaan komen op 1 op de 4 mensen. 

Page 6 of 14