Lyonne Verschoor

Lyonne Verschoor

 

uit de Bijbel: Ester 5:1 - 6:11

 

lied: De wijze woorden, NL 1001 cantorij 1, allen 2 en 3

 

Gods woord wil deze wereld omgekeerd

‘Gods woord wil deze wereld omgekeerd’. (Nieuw Liedboek 1001) De melodie is prachtig maar ik vind het een moeilijk lied. Dat lachen zullen zij die wenen….. kun je dat zingen als je net een waardeloze diagnose hebt gekregen of als je je lief mist?

Dat honger en dorst zijn verdwenen en mensen veilig wonen…. kunnen we dat zingen in de wereld van vandaag? En dat de onvruchtbare vruchtbaar zal zijn, kinderen zal baren? Wat zou ik dat graag vertellen als blijde boodschap aan hen die nooit vader of moeder zullen worden, geen grootouders zullen worden. De wereld omgekeerd? Wanneer dan? Hoe dan? Ik kan de verzuchting van Gerard Reve goed begrijpen: ‘Gij weet waarom het is, ik niet. Dat koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ (Graf te Blauwhuis, Gerard Reve, in: Nader tot U) Was het maar vast zo, dat we leefden in een wereld omgekeerd.

 

geduld

Het uitgesmeerd lezen van het boek Ester vraagt om ons geduld. We leggen onszelf de discipline op om niet vooruit te hollen naar het happy end. En zeker vandaag hebben we een hoop geduld nodig. Waarom zegt Ester niet meteen wat ze op haar hart heeft? Waarom niet één maar twee etentjes? Het is een traag verhaal. En misschien is dat maar goed. Wij zijn mensen van een snelle wereld. Informatie gaat snel. Bestellingen zijn snel bezorgd. De meeste problemen kunnen snel en doeltreffend worden verholpen. Daar zijn we aan gewend geraakt en als iets niet snel wordt geregeld worden we ongeduldig. Het past niet meer zo goed bij onze beleving van de tijd dat je ook wel eens geduld moet opbrengen; dat geloven ook te maken heeft met de lange adem. Het staat bijna haaks op onze manier van leven dat we ook moeten wachten, verwachten. En dat daarbij hoort dat je lijdt wat je overkomt, of meelijdt met wat een ander overkomt. Want niet alles is maar zo gerepareerd.

Rollen worden niet zomaar omgedraaid. Dus moeten we moedig zijn, als het om onszelf gaat. En trouw, als het gaat om die ander. En solidair als het gaat om de wereld waarin je leeft. Het trage verhaal van vandaag helpt ons in onszelf te onderzoeken hoe onverschillig we zijn geworden over de wereld waarin we leven. Het helpt ons ons cynisme boven tafel te krijgen en onze mismoedigheid. Maar boven alles wijst het ons op ons geduld. Het vraagt aan ons of ons geloof ook een lange adem kent en bestand is tegen de lange duur. Het vraagt ons of wij overeind blijven.

 

flee or fight

Maar wat kun je doen om staande te blijven in de wereld van vandaag. Om het hoofd te bieden aan wat ons overvalt, plaagt, pijnigt? Wat doen de Joden in het verhaal van Ester? De datum van het vernietigingsplan van Haman komt langzaam maar zeker dichterbij. Wat te doen? Vluchten? Waarheen dan? Vluchten kan niet meer, ‘k zou niet weten hoe…… ‘k zou niet weten waar naar toe…’  (Annie M.G. Schmidt) Is vluchten überhaupt een goede strategie om overeind te blijven? Je kop in het zand steken en wachten tot het over gaat? Helpt het om uitvluchten te bedenken waarom iets geen zin heeft of waarom jij niets hoeft te doen?

Ester vlucht niet maar dóet iets. Het volk staat achter haar en vast en bidt. Door te vasten en te bidden werd ook het onheil van Ninevé afgewend (zie Jona) maar zou het nu ook zin hebben? Heeft het zin om te bidden en te vasten als er een ramp op je afkomt. Heeft het zin om God te vragen: waarom doet u niets? Waar bent U toch? Of moeten we wachten tot de vraag andersom wordt gesteld: waarom doe jij niets? Waar ben jij?

Of zoals Buber het zei: ‘Als iemand je om hulp vraagt, benader hem dan niet met vrome woorden en zeg niet: Heb vertrouwen en breng je zorgen bij God. Handel in plaats daarvan alsof er geen God is, alsof er maar één persoon in de wereld is die kan helpen, alleen jijzelf.’ Leef alsof er geen God is. Alleen jij.

Op de derde dag trekt Ester daarom iets moois aan. En gaat ze naar de koning. Er moet iets gebeuren en zij lijkt daarvoor de aangewezen persoon. Want toevallig heeft zij als enige Jodin toegang tot de koning. Ze gaat op de derde dag. Dat is de Bijbelse manier van vertellen dat God niet ver weg kan zijn.

 

toeval

In dit verhaal is een grote rol weggelegd voor het toeval. Toevallig woont Ester in het paleis. Toevallig kan de koning niet slapen en leest hij hoe Mordechai een moordaanslag op zijn leven heeft weten te voorkomen. En toevallig sluipt Haman die nacht door de paleistuin om een paal neer te zetten voor Mordechai. Dat is misschien niet zo toevallig want hij is bezig met wat het daglicht niet verdragen kan. Maar dat terzijde.. Hoe zit dat toch met dat toeval?

Wij leven in een dynamische wereld. Alles om ons heen beweegt. Het een wat meer dan het ander. Een steen beweegt niet zo maar toch worden we tijdens de vakantie gewaarschuwd voor het gevaar van vallende stenen. Die steen kan vallen omdat zijn bestaan als steen samenhangt met andere dingen. Met de wind die erosie veroorzaakt bijvoorbeeld, of met de regen die beweging veroorzaakt. En zo’n vallende steen kan mijn hele vakantieplanning in de war sturen.

Als stenen al bewegen en dingen in beweging zetten, hoeveel te meer dan de mensen? Als een steen de toekomst kan veranderen, dan mensen toch veel meer? En als een steen is geschapen om steen te zijn, de bloem om bloem te zijn en de vogel om te vliegen, zoals Jezus zei, is het dan niet onze bestemming om mens te zijn en met alles dat in ons is de toekomst vorm te geven? Bijvoorbeeld door het toeval aan te grijpen…..

 

God wordt niet genoemd in Ester en toch is hij niet ver. Maar hij is niet de Almachtige die met zijn sterke arm bevrijding bewerkt en het puin van de mensen opruimt. Hij is niet degene die ons een lot oplegt.

Hij is ook niet de Voorzienige die het levenspad van Ester in zijn levensboek heeft opgetekend waardoor zij niet anders kan dan gáán, want zo staat het beschreven.

Hij is wél de zuigkracht van de toekomst, de trekkracht van de hoop die moed en wijsheid geeft om eigen beslissingen te nemen, en om eigen verantwoordelijkheid te dragen. God is de verborgen kracht in onze wereld; hij is in de interactie tussen mensen; hij is in de liefde, de moed. (De stem van de Roepende, Gijs Dingemans, Kok 2000) God is in dat wat beweging oproept, in dat wat de toekomst vormgeeft. In wat ons toevalt aan mogelijkheden en kansen. Hij is de roepstem van ons bestaan. Zo alleen gaat Ester dus niet. 

meer waar en beter is de liefste mens dan een gedroomde god (Huub Oosterhuis)

Leef alsof er geen God is en laat je aanspreken door hem, door een mens, door het toeval… Ik zeg niet dat de wereld omgekeerd daardoor sneller komt. Nog steeds geldt dat we geduld moeten hebben. Het boek Ester vertelt ons ook dat we vertrouwen mogen hebben dat ons geduld een keer beloond wordt.

Dat wie zijn verhaal vertelt als een verhaal mét God, het vertrouwen mag hebben dat het goed komt.

 

Voor die droom is durf nodig. (Nieuw Liedboek 1001) Het is maar een kwijnend vlammetje en eigenlijk is het dwaasheid. Het brengt je niet over de makkelijkste wegen; je zult kreunen, vechten, waken. Jij bent water naar zee. Jij bent de druppel die langzaam de steen uitholt, de emmer laat overlopen. Geduldig en bereidwillig verwachten wij de dag dat Gods koninkrijk alles in allen zal zijn, de wereld omgekeerd. 

 

overweging op zondag 27 januari PG De Open Hof

In deze dienst stond ik ook stil bij mijn 25-jarig ambtsjubileum.

 

korte inleiding op de lezing

 

Vorige week hoorden we hoe het Joodse meisje Ester gekozen werd tot koningin. Vandaag horen we niets over haar. De mannen staan op het toneel.

Onder hen is Haman, de zoon van Hammedata, een nakomeling van Agag. Dat wordt in het boekje meerdere malen zo herhaald. Waarom?

Agag was koning van Amalek, een volk uit de geschiedenis van Gods volk. De Amalekieten vielen Israël, in de woestijn, toen het uitgeput van uitgehongerd was, van achteren aan, daar waar de zwakste mensen zich bevonden. (Deut 25:18)

Aan die gebeurtenis heeft God een opdracht verbonden: dat zijn volk ervoor zou zorgen dat niets nog aan het volk van Amalek zal herinneren. Dat het kwaad met wortel en tak moet worden uitgeroeid.

Die opdracht hadden de rechters en later ook de koningen van Israel. Koning Saul had daarin een misser begaan. Hij trok ten strijde tegen het volk Amalek, waarover toen koning Agag heerste. Hij maakte heel veel oorlogsbuit en hij spaarde ook het leven van koning Agag, die zag hij als een mooie aanwinst voor zijn prijzenkast.

Saul ging dus tegen God in. En, zo vertelt het verhaal, omdat Saul het kwaad liet leven, zag dat kans zich voort te planten. En zo is daar dan nu Haman, met zijn vernietigingsplan.

Het boekje Ester vertelt hoe sluipend het kwaad is. Het gaat verkleed als een meneer met goede manieren. Het doet een beroep op vage onderbuikgevoelens over wie anders zijn. Het kwaad moet worden gestopt. Maar het blijft etteren als niemand iets doet of zegt -uit angst of onverschilligheid of vanuit de gedachte ‘het zal zo’n vaart niet lopen’. Dit boekje vertelt hoe het zou kunnen gaan…… als wij maar de moed hebben.    

 

uit de Bijbel: Ester 3: 1-15

 

buigen

Als predikant stá je altijd ergens. Ik stá in Oud-Beijerland. Je staat ook altijd ergens vóór, natuurlijk. Maar daar wil ik zo over hebben.

Vandaag zien we Mordechai fier rechtop staan. Hij stáát voor zijn geloof. Hij zal niet buigen voor Hamam. Buigen klinkt hier als: capituleren voor het recht van de sterkste, bakzeil halen en daarmee iets van je eigen waardigheid inleveren. Mordechai buigt niet omdat hij maar voor Een buigt, voor de Allerhoogste. Wij maken die beweging niet zo vaak; al zijn we ons er wel van bewust dat wij in het licht van Gods grootheid maar klein zijn en dat zijn onmetelijk grote liefde ons soms beschaamd stelt en onze kleinheid aan het licht brengt. Toen ik werd bevestigd in het ambt knielde ik. Want het is op die momenten dat we een voorschot nemen op de toekomst, dat we beloften doen zonder te weten of we ze waar kunnen maken, dat we ons bewust zijn dat we ‘ook maar’ mensen zijn. Op onze trouwdag, als we belijdenis doen, als we het ambt op ons nemen… of bij de rand van het bed als we de dag overdenken.  ‘Ons leven is onder de macht gesteld van de Heer die mijn dagen en nachten telt….’ (NL 840) Dat moet je soms voelen om het echt te laten worden.

 

Mijn taak ervaar ik soms als te groot, te zwaar. De kansel te hoog, het woord te onbereikbaar, de situatie achter de voordeur te verdrietig of te onzeker. Dat dan de ouderling van dienst bid om Gods Geest en leiding doet me elke zondag weer goed. Al was het maar om weer te beseffen dat het niet van mij afhangt; dat ik ook niet alleen ga. Daarom maken we ons soms klein, in ons knielen, in ons gebed, in ons vertrouwen.

 

staan

Om ons daarna op te richten en ergens voor te stáán. Net als Mordechai. Hij is een Jood. Hij gelooft in de God van Israël en houdt zich vast aan de Tora. En wie gelooft, weet wat hem te doen staat. Je kunt niet belijden dat er een God is en daaraan geen consequenties verbinden. God kennen heeft niet zoveel te maken met dogmatiek, of met gesteggel over de juiste formuleringen of uitleg. Wie gelooft wordt niet afgerekend op zijn woordenschat maar op zijn/haar daadkracht.

God kennen is behept zijn met verantwoordelijkheid, het is een roep om gehoorzaamheid. (Levinas) Geloven is ant-woord zijn op Gods woord. En daarom probeer ik de verhalen zo te vertellen, zo te vertalen naar deze tijd, dat we weer weten wat ons te doen staat. ‘Ik word wel eens moe van jou’, zei iemand. Ik beschouw het maar als een compliment. Want de Schrift mag ons onrustig maken, opjagen, ons vooruit duwen naar een betere versie van onszelf, naar een mooiere versie van ons samenleven.

 

Dat is niet altijd makkelijk en het is ook niet altijd helder hoe we dan ons leven in zouden moeten richten. Soms is meelopen met de meute makkelijker. Veiliger. Soms biedt buigen voor de situatie  - het is wat het is-  meer zekerheid dan een andere richting kiezen. 

 

het gezicht van het kwaad

In ons verhaal heeft het kwaad het gezicht van Haman: een op het oog keurige mijnheer die in het politieke systeem omhoog gevallen is. Hij strooit de zaadjes van het kwaad rond door in te spelen op vage onrustgevoelens over wie anders leven. Hij gebruikt halve waarheden en lijkt vanuit bezorgdheid te spreken. Nu buigt er eentje niet, maar straks komt iedereen in opstand….. stemmingmakerij die wortelt in angst, maar o zo keurig met een glaasje wijn erbij. 

 

Strooien met halve waarheden, inspelen op angst en bezorgdheid, keurig in de vorm van het openbare debat, het is niet iets van lang geleden. Het debat over vluchtelingen kan onfrisse vormen aannemen als iemand begint te roepen dat we dat geld beter aan de ouderenzorg kunnen besteden. Social media is de moderne zeepkist waar we onze vrijheid van meningsuiting tot aan de grenzen oprekken. Je wordt maar zo meegezogen. Stemmingmakerij is ons niet vreemd. We wijzen graag van ons af en deinzen niet terug voor stereotyperingen.

Als het dan niet lukt om oneer en onfatsoen een halt toe te roepen… als je verzuimt om te benoemen wat niet door de beugel kan…. dan word je deel van die boosheid waarvan we bidden dat we ervan verlost mogen worden. (verlos ons van de boze….)

 

Buigen we of blijven we staan?

Juist de afgelopen tijd zijn er voorbeelden van een kerk die stáát. Het speelgoed op de stoelen vroeg in de kerstperiode aandacht voor het kinderpardon. In Den Haag wordt openlijk verzet gepleegd met het kerkasiel en twee weken geleden namen veel kerken stelling rond de Nashville-verklaring. Ik ben er trots op bij een gemeente te horen die ergens voor staan wil. En tegelijkertijd is het zo gewoon als wat, omdat het in ons DNA zit tegen het onrecht in te gaan. Want onrecht dat het altijd heeft gemunt op de mensen in de achterhoede, op kinderen, op zwakkeren. Het kwaad richt zich altijd juist op díe mensen die God in het bijzonder aan het hart gaan. Het richt zich tegen de menselijkheid en ondergraaft de solidariteit. Waarden waar Jezus Christus pál voor stond. De mensen gingen hem aan het hart omdat ze God aan het hart gingen. Wij kunnen daarom niet anders dan omzien naar mensen; zoeken naar gerechtigheid, opstaan tegen kwaad, een halt toeroepen aan haatgevoelens en ons niet laten meevoeren in stemmingmakerij.

 

de kracht van verhalen

Soms zeggen mensen: ik heb de kerk niet nodig om een goed mens te zijn. Of, ik heb het geloof niet nodig om een goed mens te zijn. Misschien niet. Wij hebben inderdaad geen patent op medemenselijkheid. Maar zonder de kerk, zonder geloof, zonder God, vallen ook al die prachtige verhalen weg. Verhalen van hoop, van troost, van tot inkeer komen en vergeving. Verhalen die soms haaks staan op de situatie waarin mensen zich bevinden. Verhalen die mensen samenbrengen en tot een luisterende en lerende gemeenschap vormen. Verhalen die een broodnodig tegenwicht bieden aan alle andere verhalen die worden opgehangen en als zaligmakend worden gezien. Het verhaal van onze economie, het verhaal van onze portemonnee, het verhaal van de angst… Niet voor niets wordt breed uitgemeten in de krant als iemand iets goeds heeft gedaan; we omarmen die goedheid en vriendelijkheid en zachtheid omdat die zo broodnodig is als tegenverhaal.

En daar sta ík voor. Al 25 jaar mag ik verhalen vertellen uit de Bijbel. Verhalen uit een tijd die ons vreemd is, met gewoonten die we niet kennen en over mensen die mijlenver van ons af staan. Het zijn verhalen die ontsloten moeten worden; die geproefd en herkauwd moeten worden om ze op waarde te kunnen schatten. Het is soms net schatgraven. Ik heb daar de tijd voor gekregen en ik vind het een dankbare taak om mensen mee te nemen in mijn zoeken en in mijn ontdekkingen.

 

omkering van waarden

De schat van vanmorgen is diep verstopt. Het kwaad lijkt de vrije hand te krijgen en wat kan Mordechai daar nou in zijn eentje tegen beginnen? Toch wordt ook in dit gedeelte zonder Gods Naam te noemen de belofte dat Hij reddend nabij zal zijn al uitgerold.

 

Haman werpt het lot om een datum te bepalen voor zijn vernietigingsplan. Dan gaan

er gaan brieven uit naar alle provincies. Niemand kan zeggen dat hij het niet heeft geweten. Op de dertiende dag van de eerste maand gaan de brieven de deur uit. Op de veertiende dag van de eerste maand is Gods volk gewoon om de pesachmaaltijd te vieren, de maaltijd ter herinnering aan de uittocht uit Egypte. Op de vijftiende dag van de eerste maand is het Paasfeest.

 

Als we de komende weken verder lezen horen we hoe boontje om zijn loontje komt; wie omhoog is geklommen zal laag vallen en wie omlaag werd gedrukt wordt omhoog geheven. Alles andersom. De slaaf wordt vrij, de knecht wordt heer, de gekruisigde wordt verheven en krijgt een naam boven alle naam. Dat is het ten diepste waar wij als gemeente voor staan. Het evangelie van alles andersom; de belofte van alles wordt nieuw.

Jan 21, 2019

Verborgen

Ester 2 ~ PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

(Afbeelding: Marja de Lange, Aurora Productions) 

korte inleiding op de lezing

De komende 6 weken lezen we met de kinderen mee in het boek Ester. En dat vraagt om geduld. Want we nemen kleine stapjes. Vandaag is Ester nog geen heldin. En de schurk van het verhaal zit nog achter de coulissen.

 

We beginnen bij koning Ahasveros. Hij heeft net een extravagant feest gegeven van 180 dagen om zo alle rijke en machtige mannen in zijn enorme rijk aan zich te binden. Dat doet hij nog eens dunnetjes over met alle bewoners van zijn burcht.  Tijdens dat feest laat hij zijn vrouw halen om voor hem en het hele dronken mannengezelschap te dansen. Dat weigert ze. Zijn raadsheren geven hem de raad de koningin weg te sturen. Want het mocht toch niet zo zijn dat andere vrouwen haar voorbeeld zouden gaan volgen! Aldus gebeurt. Maar al snel heeft de koning er spijt van. Hij blijft maar aan de koningin denken. De kamerdienaren zien het gebeuren en besluiten dat er een nieuwe koningin moet komen. Zoveel heeft de koning dus eigenlijk niet te vertellen.

 

Het boek Ester is een toneelstuk, een komisch drama met uitvergrote figuren. Niet waar gebeurd, wel vol waarheid. Het zou zo maar vandaag kunnen spelen want een van de centrale thema’s is Jodenhaat; we willen het niet maar haat naar mensen om hun geloof, ras, kleur, geaardheid of wat maar ook komt nog steeds voor.

 

uit de Bijbel: Ester 2: 1-17

 

Afwezige God

Politici mogen zich graag beroepen op de joods-christelijke wortels van de Nederlandse samenleving. (Sybrand Buma, CDA; Geert Wilders, PVV) Het lijkt een manier om de normen en waarden van ons land te definiëren in een tijd dat veel mensen van buitenaf hier hun heil zoeken. Het zou een typering zijn van onze identiteit en een samenbindende factor.

Volgens onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau ziet de gemiddelde Nederlander dat helemaal niet zo. Wat ons samenbindt is de Elfstedentocht en koningsdag. Kenmerkend voor onze identiteit zijn oliebollen, het Wilhelmus, pakjesavond en molens, polders en de Nachtwacht. En als het gaat over onze waarden dan zijn het de vrijheid van meningsuiting en de gelijkwaardigheid tussen mensen die worden genoemd. (bron: Trouw, 15 januari 2019; Kerk en Wereldlezing door Joep de Hart, religieonderzoeker SCP)

Het aantal kerkgangers daalt in rap tempo en waar eerst werd gedacht dat mensen dan wel niet in God, maar toch wel iets ‘Iets’ geloofden en elders hun spirituele heil zouden zoeken blijkt dat ook tegen te vallen. God verdween niet alleen in Jorwerd. Hij wordt steeds meer in een hoek gedrukt tot het moment dat hij helemaal verdwenen is uit het leven van mensen. Ondergesneeuwd in alle andere zaken die onze aandacht vragen. Van zijn plaats gedreven door al het andere dat we ‘aanbidden’, een belangrijke plaats geven. De grote Afwezige.

 

In het boek Ester is God de grote Afwezige. Zijn Naam wordt niet genoemd. Hij mag ook geen naam hebben. Er is geen plaats voor hem in het enorme rijk van Ahasveros, dat zich uitstrekt van Ethiopie tot India. Hij gaat onder in het feestgedruis van ‘You only live once!’ (YOLO) want in Ester wordt wat af gefeest en gedronken. De hoofdrolspelers zoeken vooral naar eer en verering van zichzelf. Het spel om de macht laat geen ruimte voor de macht van God en in het spel om wie de mooiste en de beste is, is God de eerste verliezer.

Een afwezige God. Omdat hij geen ruimte krijgt. De filosoof Nietsche (1844 -1900) zei het zo: God is dood. En wij hebben hem vermoord. Hij zag om zich heen hoe God als samenbindende factor aan het verdwijnen was. Hij zag dat het christelijk geloof niet meer de identiteit bepaalde van de mensen en dat zij daardoor hun eigen leegte hadden gecreëerd.

 

Verborgen God  

In het boek Ester gaat het niet over God.

In Het Verhaal gaat vraagt Nico ter Linden zich af of we het überhaupt over God kunnen hebben in tijden van gruwelijke vervolgingen. ‘Is het dezelfde huiver die velen verhindert nog onbevangen de naam van God op de lippen te nemen na de Endlösung ten tijde van Hitler die – anders dan de vernietiging van Haman in het boek Ester – niet werd verijdeld?’ (Het Verhaal Gaat, blz 215) Kunnen we het wel over God hebben in het licht van menselijke gruweldaden, ook in onze tijd? Is Hij daar wel bij?

 

Of wordt er soms niet over God gesproken omdat ieder voor zichzelf moet bepalen of en wanneer er sprake is van God in de interactie tussen mensen. Misschien is hij wel verborgen aanwezig in de hoe de gebeurtenissen verlopen, in het toeval. Of misschien is hij verborgen aanwezig in mensen en wat zij doen.

 

Een derde gedachte kan zijn dat God zichzélf verbergt en zwijgt. Waarom zou hij uiteindelijk zijn mond opendoen en zichzelf laten zien en horen? Iedereen kent hem toch? Van generatie op generatie is doorgegeven dat God trouw is aan mensen en dat Hij hún trouw vraagt in het onderhouden van zijn geboden. Maar liever dan dat hangen ze hun ziel en zaligheid aan andere zaken en roepen zo in veel gevallen het kwaad over zichzelf af. Vlak voor Mozes sterft en hij het leiderschap over Israël zal overdragen voorspelt de Eeuwige dat het zo zal zijn. De mensen zullen ontrouw worden. En ik, zegt God, ik zal mijn aangezicht verbergen. (Deuteronomium 31:18)

Het boek Ester stelt een vraag die herkenbaar is: waar is God als wij niet merken dat hij er is? Is hij er wel? En, als wij niets van hem merken, hoe weten we dan wat hij van ons vraagt? Moeten we dan raden naar zijn wil? Waarop baseren we dan de keuzes die we maken?

 

een verborgen mens

Vandaag worden er nog niet zoveel keuzes gemaakt. Ahasveros is stuurloos zonder zijn koningin Wasti en het zijn de kamerdienaars die aansturen op een schoonheidswedstrijd: er moet een nieuwe koningin komen. Mooi, maagd. Zo groen als gras, zou je kunnen zeggen. Eentje die weinig in te brengen heeft. Ester heeft ook weinig te kiezen. Ze wordt zomaar meegenomen naar het koninklijk paleis. Het is een mooi voorbeeld van: ‘het leven overkomt je, terwijl je andere plannen maakt.’ (John Lennon, Beautyful Boy) Je kunt plotseling te maken krijgen met een alles veranderende diagnose, met verlies van je werk, van je liefde, met onverwachte gebeurtenissen die je bij je lurven pakken. Dan ben je ineen net als Ester een willoos slachtoffer van het lot, een speelbal van de gebeurtenissen. Ze heeft maar te lijden wat haar overkomt….. niet klagen maar dragen….. Ik hoop dat u het hardgrondig met mij oneens bent op dit moment. Dat u inwendig aan het protesteren bent omdat het niet klopt wat ik beweer, dat een mens zich altijd moet voegen naar de omstandigheden. Want het klopt toch niet dat wij ons laten meevoeren zonder verzet te plegen en maar afwachten hoe een ander ons behandelt? Of hoe het leven ons behandelt? Het klopt toch niet dat wij onze eigen plannen en verlangens, onze eigen wil en wilskracht verbergen. Hadassa, zeg maar dat je Ester heet. Verberg je identiteit. Verberg je eigen verwachting voor dit leven. ‘Ik ben verborgen’, dat betekent de naam Ester. Nietszeggend in alle opzichten neemt ze haar plaats in aan het hof. De ándere betekenis van haar naam is ‘ster’. Maar stralen doet ze niet. Nog niet. 

 

in het verborgene

Wie van jullie kijkt er naar ‘Wie is de mol?’ Jullie weten dat er in elke aflevering hints verborgen zijn waaruit je zou kúnnen opmaken wie de mol is. En wie ze nu niet ziet, krijgt achteraf de onthulling en het inzicht: kijk, toen en toen had je het kunnen weten.

Die hints zijn er vanmorgen ook.

Het sprookje van een eenvoudig Joods meisje, dat wordt ingelijfd als een Perzische prinses, ken ik ergens van: een gewoon Joods jongetje dat in een rieten mandje in de Nijl wordt gezet en opgroeit als Egyptische prins.

Zijn zusje Mirjam, blijft staan kijken wat er gebeurt. Zo loopt Mordechai dagelijks langs het vrouwenverblijf om te kijken of Ester al aan de beurt is.

De Egyptische prins Mozes zal later zijn volk voorgaan, uit het slavenland vandaan. Zou prinses Ester soms ook zo’n rol gaan spelen?

Het zit in ieder geval allemaal mee. Heel toevallig komt Ester bij Hegai terecht. Deze haremwachter heeft een zwakke plek voor Ester en geeft haar een voorkeursbehandeling. Lijkt dat niet op Jozef, die in de gevangenis bevriend raakt met de gevangenbewaarder en een betere behandeling krijgt? Door dat gelukkige toeval en andere gebeurtenissen wordt Jozef onderkoning en kan hij zijn broers, die leven in hongersnood, voedsel geven.

De verborgen hints geven richting aan het verhaal. Misschien is God toch niet zo verborgen als we dachten. En zal Ester niet het leven leiden dat haar overkomt maar zelf een hoofdrol opeisen en stralen zoals ze is bedoeld.

Maar wat zit er in voor mij?

Misschien de oproep geduldig te zijn. Het is ons nu eenmaal niet gegeven om het volgende hoofdstuk van ons levensverhaal al te lezen, al ben ik nog zo benieuwd. Ik mag wel leven met vertrouwen. Ik haal er ook uit dat ik als een echte Molloot mag zoeken naar hints dat er richting zit in mijn leven; dat ik geen speelbal ben maar meedoe als een volwaardige speler. Misschien vertelt dit verhaal dat mijn situatie soms hopeloos en vastgelopen kan lijken, maar dat er altijd ergens beweging in zit. Misschien ontdek ik zelfs dat God ergens meedoet….

korte inleiding op de lezingen

 

zondag 13 januari 2019  PG De Open Hof - Oud-Beijerland

De afgelopen week heeft de omstreden Nashville-verklaring de gemoederen behoorlijk bezig gehouden. Een verklaring die homo’s, lesbiennes, bi-seksuelen en transgenders als zondige mensen afwijst. De scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, René de Reuver, heeft meteen de verklaring afgewezen. Hij zegt dat het gesprek niet met dit manifest is gediend. Wij onderschrijven dit. Onze gemeente heet niet voor niets een Open Hof. Iedereen is hier welkom als kind van God. Om dat te onderschrijven wappert deze week de regenboogvlag voor onze kerk.

 

Ik ben er geen voorstander van om de Bijbel te laten buikspreken; dat wil zeggen, teksten opzoeken om je gelijk te halen. Toch heb ik, naast de lezing die voor vandaag op het rooster staat, er zelf een tekst bij gezocht met het oog op de ontstane commotie en dreigende verdeeldheid. Het is een tekst van Paulus aan de gemeente in Rome: over het niet veroordelen van elkaar.

 

Wat is er aan de hand in die gemeente? Mensen zijn het niet met elkaar eens, over het al dan niet vieren van de zondag; over het eten van vlees. En in die verdeeldheid zetten mensen hun hakken in het zand: hun standpunt is het beste.

Maar verdeeldheid breekt de gemeente af; zij is, in al haar verscheidenheid, het éne lichaam van Christus op aarde. Paulus pleit ervoor dat gelovigen elkaar zullen aanvaarden, zoals wij allemaal aanvaard zijn door Christus.

 

Paulus’ toon is pastoraal en voorzichtig. Zo horen we hem niet altijd. Natuurlijk heeft hij een eigen mening maar die neemt hij niet als uitgangspunt. Hij roept op tot verdraagzaamheid, tot gesprek. Zou dat ook niet gelden in het geval van seksualiteit en samenlevingsvormen? Laat verschillen geen aanleiding zijn tot een veroordelen van elkaar en laat ruimte voor die verschillen.

Dat zou Paulus’ tekst vandaag kunnen betekenen in de hardheid die is ontstaan tussen christenen onderling. Niet polariseren, geen hard tegen hard.

Wat mij betreft bestaat de eenheid van Christus’ lichaam ook in de vele soorten mensen en liefde en in het niet veroordelen van elkaar als mensen.

 

uit de Bijbel: Romeinen 14: 5-14 en Lucas 3: 15-16, 21-22

 

ons volgekladderd leven 

Water is in de Bijbel nooit gewoon water. Water is de levensangst van mensen. Het is het gewoel van de wereld van vandaag met al haar vragen en problemen; het zijn de golven van meningen die je meesleuren als je je niet ergens aan kunt vasthouden.

In dat water, dat ‘aller wereld water’ (NL 524) gaat Jezus kopje onder. Hij is niet anders dan anderen; hij is met hetzelfde sop overgoten als ieder mens en met zijn beide benen stevig op dezelfde grond als alle andere mensen zal hij aan zijn roeping beginnen.

Van begin af aan moet duidelijk zijn dat Jezus, al is hij bijzonder, zich juist in het gewone mens-zijn zal laten kennen. Geen onbeschreven blad, niet zonder zonde, maar een mens die zoekt naar een vernieuwde verbinding met God in de doop. Zo komt Jezus ons dichtbij; want wij zijn geen van allen onbeschreven bladen. We hebben krassen op onze ziel opgelopen. Onze levensverhalen kenmerken zich door zwarte bladzijden, door gemaakte fouten en doorhalingen. Sommige bladzijden zouden we willen óverschrijven. Dat alles is Jezus op het lijf geschreven. Ons leven is hem op het lijf geschreven. Hij draagt het, hij verdraagt het.

 

Ik kan me niet aan de gedachte onttrekken dat wij geroepen zijn om net zo te zijn. Met onze voeten stevig op de grond, ín deze wereld, niet onttrokken aan deze wereld of boven deze wereld. En alle uitdagingen waar deze wereld voor staat, ook de gebrokenheid, zijn óns op het lijf geschreven. Het is ons pakkie-an. Want geloven heeft te maken met het geleefde leven, met mensen en hun verhalen. En daarom heeft geloven ook altijd te maken met mee-leven, met menselijkheid, met barmhartigheid.

 Als het geloof de maat wordt waarmee anderen worden gemeten, als geloof de dekmantel wordt voor het onbarmhartig wegzetten van mensen als zondig, dan gaat er iets mis. Dan is het tijd om elkaar terecht te wijzen en te zoeken naar manieren om het gesprek te voeren. Gelukkig is die corrigerende beweging deze week ruimhartig op gang gekomen.

Op de onbarmhartige afwijzing van zoveel mensen reageerden predikanten, gelovigen, kerken met het geluid ‘ik sta naast je’. En op veel gemeentehuizen en bij kerken wapperde de regenboogvlag.

Een collega schreef hoopvol dat door de verklaring misschien wel licht is gezaaid. Omdat het gesprek open is gebroken en mensen zich geroepen hebben gevoeld zich uit te spreken, te omarmen, te ontfermen. Maar ook burgerlijke gemeenten en kerken voelen de urgentie om een klimaat te scheppen van acceptatie en veiligheid. De zware steen die in het water is gegooid veroorzaakte een plons en grote kringen maar het zijn de rimpelingen die uiteindelijk het meest effect zullen hebben.

 

jij bent mijn geliefde

Daar staat Jezus in dat woelige wereldwater. Mens van God. Daar staat dé mens. ((zie bijv Jesaja 42:1 en Hosea 11:1) Daar sta ik, daar sta jij. En je hoort: Jij bent mijn geliefde, in jou vind ik vreugde.

Op Youtube zijn filmpjes te vinden van jonge mensen die zichzelf filmen als ze hun ouders gaan vertellen dat ze homoseksueel zijn. Ze zijn nerveus. Wie weet wat ze allemaal al hebben doorgemaakt. Hoe ze hebben geworsteld met wie ze zijn, met de vooroordelen van anderen. Wie weet hoe onzeker ze zich voelen in hun omgang met leeftijdgenoten. Gelukkig verlopen bijna alle filmpjes hetzelfde. De vaders, de moeders, openen hun armen voor dat worstelende kind en zeggen: ik houd van je. Jij bent mijn geliefde, in jou vind ik vreugde. Zo zonder veroordeling zegent God Jezus met zijn Geest en daarmee zegt hij alle mensen toe: jij bent mijn geliefde.

 

Vanuit deze woorden werkte in de jaren ’80 pater Jan van Kilsdonk als pastor in Amsterdam. Hij was steun en toeverlaat voor veel mannen die met HIV waren besmet. Toen al, toen het klimaat nog veel kouder was, schreef hij:

 

‘Als wij op deze aarde zoveel vrouwen en vrouwen en mannen en mannen gadeslaan die zelfs in een bedreigende cultuur niet ophouden een eigen liefdesaanleg met ontroerende ernst en bloei te handhaven, dan kan een gelovige niet anders begrijpen: deze behoefte en deze kunst om te beminnen en om bemind te worden, is niet zomaar een toeval, nog minder een ongeval. Zij is een vondst, een ontwerp van de Schepper. Zij is een gave én opgave. Net zoals zon, maan en sterren dat zijn, of zwart, bruin of blank, of man en vrouw als paar.’

 

Van Kilsdonk zegt daarmee: de Schepper heeft zich niet vergist.

 

Laten we eens bedenken wat het betekent dat die ander de geliefde is. Dat die ander aanspraak maakt op mijn acceptatie, op mijn ontferming, op mijn liefde. Omdat God die mens aanvaardt, zich over hem ontfermt en haar liefheeft. Er zijn ‘anderen’ bij wie me dat makkelijk afgaat: mijn man, mijn kinderen, familie…. Maar die ander die niet zo dichtbij staat of die ik minder sympathiek vind….. die ander die ik ervaar als anders…. die ander die iets in me losmaakt… Als het uitgangspunt is: ‘jij bent mijn geliefde’, dan overschrijdt dat alle grenzen. Het is een ongemakkelijke opdracht. Want het betekent dat we moeten accepteren dat niet iedereen zich voegt naar onze verwachtingen; dat mensen verschillen; dat we onszelf soms niet herkennen in die ander.

En dat kan gaan over seksualiteit en identiteit, maar evengoed over hoe jonger en ouder met elkaar omgaan, of mannen en vrouwen, of mensen van verschillende kerken of zelfs van verschillende geloofsrichtingen. Hoe houden we liefdevol het gesprek open? Hoe gaan we begaanbare wegen met elkaar? Dat zijn voor mij vooral de vragen die de Nashville-verklaring heeft opgeroepen. Kunnen we het ook uithouden met elkaar als we het níet eens zijn, op de manier die Paulus bedoelt (Romeinen 14) Kunnen we het uithouden met elkaar als de opvattingen van de ander ons te ver gaan, of ons pijn doen?

 

Als die ander de geliefde van God is legt dat de manier waarop wij met elkaar omgaan onder kritiek. Wij zijn doorgaans nogal snel met onze mening.

Leggen elkaar normen op. Of ontkennen het bestaansrecht van de ander met de Bijbel in de hand zoals afgelopen week is gebeurd. Die ander, die de geliefde is van God, geeft mij de opdracht op dezelfde manier, met dezelfde mildheid, naar die ander te kijken. Dat is niet voor iedereen even makkelijk. En het gaat niet vanzelf. Maar het is wel waar wij ook als gemeente van Christus voor staan.

 

Het uitgangspunt ‘jij bent mijn geliefde’ brengt de waarheid aan het licht over Gods liefde voor dé mens, ongeacht wie zij zijn en hoe zij leven. Hij houdt van jou. Hij schept vreugde in jou. En laat geen mens je vertellen dat het anders is.

 

Als Jezus uit de hemel hoort dat God van hem houdt, gaat de duif van de hoop op een nieuwe wereld op zijn schouder zitten. Eigenlijk had ik dáár moeten beginnen: dat God van mij houdt en dat ik vanuit die liefde voor míj niet anders kan dan de ruimte open houden voor gesprek. Omdat God van mij houdt, en dat prachtige geschenk van aanvaarding en liefde hoopvol op mijn schouders legt, kan ik niet anders dan vanuit liefde mijn weg gaan. Want zó begint Gods nieuwe wereld.

zondag 30 december 2018          PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

Er is deze zondag geen overweging maar een monoloog uit de mond van Maria, Simeon en Hanna.

 

Lucas 2: 22-24

 

Maria aan het woord

Mijn lieve kind, ik heb je uit de hemel gekregen. Te leen. Je bent niet van mij. Daarom dragen wij jou vandaag op aan God. Uit zijn hand hebben we jou ontvangen, in zijn hand leggen we jou terug, in het vertrouwen dat Hij met jou zal meegaan.

Al vanaf het begin, toen de engel mij overviel met de vraag of ik jouw moeder wilde zijn, heb ik geweten dat jij je van mij zou losmaken en dat jij je eigen weg zal gaan. Ach, doen niet alle kinderen dat? Dat is de pijn waar alle moeders mee te maken krijgen. Vandaag denk ik aan al die moeders die hun zonen en dochters hebben zien naar een oorlog; aan moeders die hun kinderen moesten laten gaan voor hun eigen strijd en verzet, voor hun eigen roeping. Ik heb het bange vermoeden dat jouw weg zwaar zal zijn en mijn pijn groot zal zijn.  

Dat staat voor mij vast zoals je naam vanaf het begin vaststond: Jezus. Dat betekent ‘God redt’. Een hele opdracht voor zijn klein kindje. Een jas die jou nu nog veel te groot is. Een koningsmantel, zei de engel. En ook dat jij voor altijd in vrede zult heersen. We verlangen er allemaal naar, naar die vrede die God ons door de profeten altijd beloofd heeft. Maar moet jij daar voor zorgen?

Ook ons eerste kraambezoek, herders die toevallig in de buurt waren, begonnen over die vrede. Zij konden er niet over uit wat ze hadden gehoord. Engelen aan de hemel die een spreekkoor aanhieven: Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’ Weer die vrede, weer die roeping voor jou. Ik heb maar gezwegen en ik bewaar die woorden in mijn hart. Maar ik houd ook mijn hart vast, lieve jongen.

Voor nu doen we wat we kunnen als je ouders. We nemen je mee naar de tempel. We wijden je in in ons geloof en leren jou Tora. Als jij het licht voor de wereld moet zijn, zullen wij dat licht koesteren en beschermen, want doven mag het niet.

 

luisteren: Mary, did you know

 

Lucas 2: 25-35

 

Simeon aan het woord

 

Ik voelde die dag dat ik naar de tempel moest gaan en toen ik de jonge ouders met hun kind zag aankomen, wist ik waarom. Mijn hele leven had ik de verwachting meegedragen dat ik de Messias zou mogen zien. Die hoop betekent natuurlijk veel voor mij persoonlijk. Ik weet dat ik zal sterven met de Messias voor ogen; ik weet dat ik zal sterven in de wetenschap dat mijn vertrouwen niet is beschaamd. Die rust wens ik iedereen van mijn generatie toe.

Maar boven de hoop voor mijzelf uit, steeg de hoop voor mijn volk, voor de generaties na mij. Ik heb altijd, ook tegen het tij van de tijd in, de hoop hooggehouden dat God zou omzien naar zijn volk. Ik heb altijd de vlam van de hoop levend gehouden voor de ánderen, voor de mensen na mij.

Ik geloof dat als ik getroost zal sterven, de generatie na mij getroost zal kunnen leven. Want mijn hoop heeft vaste vorm gekregen, mijn hoop is waar geworden in een kind in mijn armen. In dat kind, -ach, in elk kind toch-  zag ik redding, licht.

Je voelt meteen aan dat een kind met deze roeping het niet makkelijk zal krijgen. Deze geroepene, dit teken van God, zal weerstand opwekken. En het hart van zijn arme moeder zal als door een zwaard doorstoken worden.

Ik kon daarom mijn handen niet thuis houden: ik móest hen zegenen. Ik droeg het over aan hen, de volgende generatie. En ik zegende hen met mijn geloof, met mijn verwachtingen, met mijn hoop voor de toekomst. Ik kon wel zingen!

 

Lucas 2: 36-40

 

Hanna aan het woord

 

Ik hoorde Simeon zingen over de redding van Israël en ik kon niet anders dan mij er bij aansluiten. Ik wilde met iedereen praten over dat kind, over de hoop op de bevrijding van Jeruzalem. Ik hoop zo dat ook jullie je mond er niet over kunnen houden. Dat jullie, ongeacht jullie leeftijd en ongeacht wat jullie hebben meegemaakt, ook steeds ter sprake zullen brengen dat God goed is en ons heil op het oog heeft, niet onze ondergang. Ik ben 84 en al lang weduwe. Toch heb ik nooit de moed verloren.

Het was geen makkelijke boodschap die Simeon bracht en ik had wel medelijden met de jonge ouders. Dit kind wacht lijden. Toch was ik onverminderd blij. ‘Blijde door zijn lijden’, (zie Nieuw Liedboek 478: 4) is dat raar? Ík denk dat het een geschenk is, genade. Het is ons gegeven te geloven dat dit kind liefde zal brengen. En het is ons gegeven te vertrouwen dat die liefde sterker zal blijken dan zijn lijden.

Kerstnachtdienst 2018      De Open Hof -  Oud-Beijerland

 

We lazen uit de Bijbel: Lucas 2: 1-20 en zongen de winnende tekst van de wedstrijd om nieuwe woorden te bedenken bij een oud lied: ‘Stille Nacht, heilige nacht’.

 

Als wij niet meer geloven, Paul van Vliet

 

Als wij niet meer geloven dat het kan

Wie dan wel?

Als wij niet meer vertrouwen op houden van

Wie dan wel?

Als wij niet meer proberen

Om van fouten wat te leren

Als wij ’t tij niet kunnen keren

Wie dan wel?

 

Als wij niet meer zeggen hoe het moet

Wie dan wel?

Als wij niet meer weten wat er toe doet

Wie dan wel?

Als wij er niet in slagen

de ideeën aan te dragen

voor een kans op betere dagen

Wie dan wel?

 

Als wij niet meer geloven dat het kan

Wie dan wel?

Als wij er niet mee komen, met een plan

Wie dan wel?

Als wij er niet voor zorgen

dat de toekomst is geborgen

voor de kinderen van morgen

Wie dan wel?

Als wij onszelf niet dwingen

een gat in de lucht te zingen

waar zij in kunnen springen

Wie dan wel?

 

God van Jezus,

de muziek, de kaarsen en de sfeer, lokten ons vanavond hier naar toe.

Het idee om niet alleen te zijn, maar mens onder de mensen, was uitnodigend.

En vooral dat kind, toegankelijk en zonder oordeel, roept ons vanavond.

Dat kind waarvan wordt gezegd dat U zich daarin laat zien.

Als dat zo is, dan bidden wij dat wij U zullen ontmoeten in het komend uur.

Laat U kennen in het kind van Bethlehem, in Jezus uw Zoon. Amen.

 

het wonder van kerst

Voor veel mensen is het geen Kerst als ‘Stille nacht, heilige nacht’ niet heeft geklonken. Dit lied, dat deze kerstavond zijn 200e verjaardag viert, klinkt in meer dan 40 talen. Het verbindt jonge en oude mensen, mensen van overal. Zo zagen we in het filmpje. (kerstcommercial Zalando 2018) De essentie van Kerst samengevat in een lied.

Er zijn ontroerende verhalen bekend van de zeggingskracht van dit lied. Zo gaat het verhaal van de kerstvrede tijdens de Eerste Wereldoorlog. Midden tussen al het oorlogsgeweld zwijgen de kanonnen op kerstavond. Als de wapens even zwijgen denken velen aan thuis. Die kerstnacht is een stille nacht.

De stilte wordt doorbroken door een lied: Stille Nacht, heilige Nacht…. Aarzelend wordt het lied beantwoord met Silent night, holy night. Die nacht komen de soldaten uit hun loopgraven en groeten elkaar met de vrede van Kerst. Dit kerstwonder houdt het vol tot nieuwjaar.

En in het boekje ‘Kerstmis in Scheveningen’ beschrijft een gevangene in het Oranjehotel (Binnert Philip de Beaufort, 1919-1945) hoe hij op kerstavond 1943 de Bijbel openslaat om zijn celgenoot voor te lezen. ‘Harder’ wordt er geroepen uit de naastgelegen cel. ‘Lees ons allemaal voor’ roept iemand anders. Staande op een krukje, met zijn mond voor het luchtrooster, leest hij zo luid en duidelijk mogelijk het kerstevangelie. Hij vertelt van zijn geloof dat Jezus de Redder is en dat niets, ook de oorlog niet, hen kan scheiden van de liefde van God. Het is muisstil op de gang. Zelfs de dronken bewakers lijken even te stoppen met hun gebral. Tot iemand begint te zingen: Stille nacht, heilige nacht..

Iedereen begint mee te zingen. Het lied verbindt die avond Katholieken, Protestanten en Joden. Het overstijgt alle verschillen. Zolang het lied wordt gezongen, is het waar.

 

stille nacht

Hoe stil is eigenlijk de nacht van het kerstwonder? Lang geleden in de buurt van Bethlehem zal het misschien stil zijn geweest, op het gemekker van schapen en herders na. Maar Lucas laat ons ook haarfijn weten van het rumoer op het wereldtoneel door grote namen te noemen, Augustus, Quirinius; in die namen klinkt macht door, overheersing. Er is een decreet, een bevel. Jozef en Maria zijn niet vrij om nee te zeggen tegen de volkstelling.

Maar in die overmacht is in stilte iets anders begonnen. Op een eenvoudige plaats in dat grote rijk, door een kind in een voerbak tegenover grote namen, machtige mannen. In die stilte is iets gaan zingen. Een hoopvol geluid, maar ook een kritisch geluid. Want de geboorte van een kind dat vrede zal brengen is luid en duidelijke kritiek op de koningen en machthebbers die wel claimen vrede te brengen maar het niet doen. Het is een aanklacht tegen de onherbergzaamheid en het wantrouwen. In die stille nacht, is een kind vragen gaan stellen bij de manier waarop mensen met elkaar omgaan; zijn wij allemaal gelijk of maken we onderscheid? Het kind stelt de vraag hoe wij onze macht gebruiken en voor wie wij ons verantwoordelijk voelen. Het kwam in zijn tijd ongelegen en er was geen plaats voor hem. Het is de vraag hoe gelegen hij in ons bestaan komt.

Het mag dan een stille nacht geweest zijn maar als het stil blijft hebben we er niets aan. De vragen die uitgaan van dat kind in de voerbak verdienen een antwoord. En het lied dat de engelen zingen ‘Vrede op aarde’ heeft alleen dan waarde als we er iets mee willen doen. Vandaag is er in veel kerken een stil protest tegen het huidige asielbeleid waardoor kinderen dreigen te worden uitgezet. Laten we ergens deze dagen een moment van stilte nemen om te bedenken op welke manier wij het licht van Christus verspreiden.

 

heilige nacht

Het was een stille nacht, een héilige nacht. Het heeft iets met God te maken. In dat pasgeboren kind wordt hij zelf geboren tussen de mensen. Zijn liefde voor de wereld krijgt gestalte. Zijn goedheid en mildheid zullen wonen op aarde. In die heilige nacht wordt duidelijk dat God juist afstand doet van zijn heiligheid en grootheid. Hij maakt zich klein en menselijk.

In de Bijbel lezen we de oproep dat mensen heilig moeten zijn. Wees heilig, want ik ben heilig, zegt God. (Leviticus 19: 2; 1 Petrus 1:16) Geen heilige boontjes. Geen heilig verheven zijn boven allen die niet of anders geloven. Maar heilig zoals ik dat net omschreef: het heeft iets met God te maken. Laat in ons leven toch iets mogen doorschijnen van wat God is, van wat goed is. Laten wij ons toch ook klein en menselijk opstellen. Of laten wij de stilte doorbreken met de heilige verontwaardiging over wat er misgaat: de onvrede in ons bestaan, de spanningen in onze familiekring, het onrecht op het werk. Laten we heilig verontwaardigd zijn over de wereld van vandaag en daar iets mee doen.

 

Stil is de nacht

Stille nacht, heilige nacht…. het klinkt als een wiegelied en de oude tekst past nauwelijks meer in deze tijd. In de nieuwe tekst klinkt het verlangen van mensen door naar rust in het vluchtige bestaan. Maar daar mag het niet bij blijven. Rust roest. Het mag niet stil blijven deze nacht. Zolang we zingen is er verbinding. Zolang we zingen verdwijnt de hoop niet onder wanhoop. Zolang we zingen weten we wat ons te doen staat. Want zolang we zingen kan het waar worden. Vrede op aarde voor de mensen die God liefheeft.

 

1. Stil is de nacht, schitterend zacht

straalt van ver sterrenpracht.

Mensen komen, mensen gaan

door hun vluchtig voorbijgaand bestaan

ademt eeuwige kracht.

Wonderlijk stil is de nacht.

 

2. Stil is de nacht, iedereen wacht

op het licht, op de kracht

die verdrijft de duisternis

en die groeien doet al wat er is,

die verzoent en verzacht.

Wonderlijk stil is de nacht.

 

3. Kijk om je heen, mensen bijeen

zingen zacht ‘stille nacht’.

Wat onzegbaar is, wat je niet ziet

houd zich schuil in dit goddelijk lied.

Volg de stem van je hart.

Zing door het nachtelijk zwart.

 

Cees Engelen

Dec 17, 2018

Wat kan ik doen!

overweging op zondag 16 december 2018 PG De Open Hof, Oud-Beijerland

derde zondag van Advent

 

uit de Bijbel: Lucas 3: 7-18

 

donderpreek

Johannes gaat er met gestrekt been in: ‘Addergebroed’ noemt hij de mensen die gekomen zijn om zich te laten dopen. Denkt dit gespuis nu werkelijk dat het ergens goed voor is om zich te laten dopen? De doop is geen magisch ritueel waardoor je je eigen gang kunt blijven gaan zonder de consequenties te hoeven aanvaarden. Een slecht mens die zich laat dopen is nog steeds een slecht mens. Bij de doop hoort omkeer, inkeer, vernieuwing. Je kunt je er niet op laten voorstaan dat je door geboorte hoort bij Gods volk. Het zal gaan om jou zelf; om de vruchten die jij draagt. En als jij geen goede vruchten draagt zou je net zo goed omgehakt kunnen worden; de bijl erin en in het vuur ermee.

Die rechtlijnigheid van Johannes heeft te maken met zijn geloof dat Gods koninkrijk snel zal aanbreken. Die hoop groeide onder de spanning van de Romeinse overheersing en de toenemende sociale ongelijkheid. Er was haast bij en er kon geen sprake zijn compromissen. Je ging er voor of niet en dat had eeuwigdurende consequenties. Met dat alles kondigt Johannes de komst van de Mensenzoon aan.

Het is me wel een donderpreek! En het mooie is dat de mensen er niet voor weglopen. Kennelijk komt Johannes oprecht over in zijn bezorgdheid, in zijn kritiek. Hij spreekt mensen aan. En ze vragen hem: ‘Wat moeten we dan doen?’

 

Wat moeten we dan doen?

Ik vind dat een prachtige vraag. De mensen staan open voor de mogelijkheid dat er iets veranderen kan en dat zij zelf daaraan kunnen bijdragen. ‘Wat kan ik doen’ klinkt zo heel anders dan ‘kan ik er wat aan doen’. Daarmee schuiven we alle verantwoordelijkheid van ons af. Of wat dacht je van: ‘Daar is toch niets aan te doen.’ Of: ‘Ik kan niets doen, want ik heb het druk, ik heb andere prioriteiten, een ander kan het beter….’ ‘Wat kan ik doen’ geeft bereidwilligheid aan. En de hoop op verbetering. De mensen bij Johannes geven ermee aan dat ze betrokken willen worden in zijn verkondiging van Gods koninkrijk. ‘Practice what you preach.’

Het blijkt verrassend eenvoudig om een vernieuwd mens te zijn, met de neus in de richting van Gods nieuwe wereld. Heb je twee stel onderkleren? Deel dan met wie er geen heeft en doe hetzelfde met je eten. Johannes roept niet op tot grote daden; hij heeft geen helden nodig. Al lijken heldendaden soms eenvoudiger dan om vriendelijk te blijven of eerlijk te leven.

‘Wat moet ik doen’, vragen de tollenaars. In plaats van hen de les te lezen dat ze om te beginnen helemaal geen tollenaar moeten willen zijn, zegt Johannes dat ze niet meer tol moeten vragen dan voorgeschreven is. Blijf eerlijk binnen de grenzen van je beroep en maak geen misbruik van de macht die jou gegeven is.

‘Wat moet ik doen’, vragen de soldaten. En ze krijgen geen preek dat ze de wapens neer moeten leggen maar dat ze betrouwbaar moeten zijn.

Wees betrouwbaar in je werkomgeving. Ik denk dat dat voor veel mensen al een hele tour is. Weten je collega’s of je manager überhaupt dat jij gelovig bent? En de eisen die je werk aan je stellen kunnen soms haaks staan op wat jij gelooft. Toch gaat het Johannes daar om. Om solidariteit, om fatsoen, om rechtvaardigheid. Om medemenselijkheid.

De vraag wat je kunt doen betekent dat je in je eigen werkelijkheid zoekt naar mogelijkheden. Want je christen-zijn kan niet zonder gevolgen blijven. Dus vraag je je af wat jij kunt doen aan de milieuproblematiek, of aan maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wat kun je doen in de opvoeding van je kinderen? Of als je boodschappen doet?

 

wan

Door mensen op te roepen tot verandering bereidt hij de weg voor de komst van de Messias. Door bij onszelf te rade te gaan wat wij in onszelf zouden kunnen veranderen, bereiden wij ons voor op de geboorte van Jezus. Die inkeer en zelfreflectie zou ertoe kunnen leiden dat wij onszelf onder de maat vinden. Dat we overtuigd raken van de gedachte ‘dat een mens geneigd is tot alle kwaad’ en niet in staat tot enig goed. (Heidelberger Catechismus zondag 3, vraag 8)

Juist deze derde zondag van Advent wil ons niet mineur brengen maar roept ons op tot vreugde: Gaudete! Want ondanks al onze remmingen en beperkingen, ondanks onze praktische bezwaren weten we best dat we sterk genoeg zijn om iets te veranderen.

Als kind heb ik altijd verkeerd begrepen wat Johannes zegt over Jezus: ‘hij houdt de wan in zijn hand om de dorsvloer te reinigen.’ en: ‘Hij zal het kaf in onblusbaar vuur verbranden.’ Bij de wan dacht ik aan een soort roe, zoals Piet die vroeger had. Een strafwerktuig. Dat beeld past ook bij de donderpreek van Johannes. Maar de Messias blijkt heel anders, veel zachtmoediger dan Johannes.

Geen bijl, geen vuur, geen roe.

Een wan is een platte mand. Daarin gaan de gedorste graankorrels. Met vliesjes en al. Kaf en koren gaan in de mand, goede en slechte mensen. De wan wordt om en om geschud. De vliesjes verwaaien op de wind. Dat kaf zal worden verbrand en er zal niets van overblijven. Johannes roept: pas op dat jij dat kaf niet bent. Dan ben je op een heilloze weg en niet meer te redden. Het is niet te laat om je leven te beteren.

 

Of misschien is het wel zo dat ik die graankorrel ben, kaf en koren tegelijkertijd. Een mens met heel zijn hebben en houwen, met zijn falen en fouten, met zijn mislukking en onwil. En zijn goede wil en vreugde, met zijn liefde. De mand wordt geschud door de Heer en wat verwaait is dat wat verkeerd was, dat wat schaamtevol was. Dat wordt niet meer gezien. Maar wat terugvalt telt veel zwaarder: de vrucht van mijn leven. De wan is een teken van genade. Gods uitgestoken hand. Toegestoken om ons te redden uit machteloosheid, heilloosheid, schuldgevoel, reddeloosheid.

‘Wat kan ik doen?’ De vraag stellen betekent hem beantwoorden. En dan begint het. 

overweging op 9 december 2018, derde zondag van Advent 

PG de Regenboog in Harderwijk

 (foto: doopvont in de Laurenskerk in Rotterdam)

 

inleiding op de lezingen

Let op, ik zal mijn bode zenden. Zo begint de lezing uit Maleachi. Die bode is een voorbode; degene die aankondigt dat God zal komen om recht te spreken, de mensen te zuiveren. De mensen in Jeruzalem krijgen deze boodschap omdat zij het kwaad tot erger maken door zich niet te houden aan Gods geboden.

 Ook in de Lucas-lezing gaat het over een boodschapper van God: Johannes.

Lucas introduceert hem met oude woorden uit het boek Jesaja.

Alsof hij wil zeggen: dit is allemaal oud nieuws.

Bij mensen is het steeds hetzelfde liedje: ze dwalen af van goede wegen

en moeten worden teruggeroepen.

Maar ook God is consequent en altijd dezelfde in zijn wens om mensen

vast te houden en hen voor altijd te redden.

 

De teksten van beide lezingen komen ook voor in de Messiah, het kerstoratorium van Händel. Het swingende ‘Ev’ry valley’ en het kwetsbare ‘But who may abide’. Omdat het ook bij kerst hoort dat wij ons bezinnen op wie we zijn en wat we doen. Om zo Jezus steeds opnieuw in ons leven welkom te heten.

 

uit de Bijbel: Maleachi 3: 1-4 en Lucas 3: 1-6

 

gezongen in deze viering: Neem mij aan zoals ik ben, Nieuw Liedboek 833

 

onheilsprofeet

Maleachi is de laatste profeet in het Oude Testament. Ik moet eerlijk zeggen dat ik nog nooit uit dit boekje heb gepreekt. Misschien omdat ik het op het leesrooster nooit tegenkwam of misschien wel omdat het geen makkelijke kost is. Maleachi is een beetje een onheilsprofeet. Hij zegt de mensen in Jeruzalem hardgrondig de waarheid. Wat is er aan de hand? Ze zijn elkaar ontrouw. Hoe kan dat, als je gelooft in de trouw van God? Ze brengen hem halfslachtige offers, kreupele dieren en zo. Ze tonen God hun dankbaarheid op een onoprechte manier. En ze zeuren. Ze roepen naar boven waarom God niets doet aan alle ellende op de wereld.

En Maleachi roept daar boven uit: er komt een dag dat God terugkomt. Er komt een dag dat de offers die aan God worden gebracht weer oprecht zijn. En Hij zal er dan blij mee zijn. Zul jij dan overeind blijven?

 

Een donderpreek dus. Van Maleachi. Voor de mensen toen. Maar roept hij niet ook de mensen van nu op kritisch naar zichzelf te kijken. Hoe trouw zijn wij? Aan elkaar. Aan wat we geloven, aan onze waarden. En waaruit blijkt onze dank aan God?

Zijn wij ook zo berekenend in wat wij hem offeren?

Gaan we er helemaal voor of maar een klein beetje? Mag ons geloof ook wat kosten? En maken wij ons er ook niet schuldig aan dat we God ter verantwoording roepen waarom hij niets doet aan de ellende op deze wereld? Zouden wij niet ook willen weten waarom hij toestaat dat oorlog en geweld voortduren? Waarom grijpt Hij niet in?

 

Maleachi is geen makkelijke; hij laat je niet met rust maar vraagt door; prikt menselijke waarheden en zekerheden door; doorziet geloof zonder daden en daden zonder geloof. Maleachi is, net als de andere profeten, geen waarzegger. Hij rolt geen blauwdruk uit voor de toekomst. Hij is wel een waarheidszegger. Hij zegt mensen de waarheid. En de waarheid is dat mensen in staat zijn om de wereld kapot te maken. Dat zij zichzelf zullen vernietigen als zij zich laten leiden door eigenbelang, door hang naar macht, door ‘hebben hebben’. Maar, zeggen de profeten, als mensen zich laten leiden door de woorden van God, dan zal het hen goed gaan. De mensen zijn onbetrouwbaar. God is dat nooit. En zal dat nooit zijn.    

 

waar ben jij?

Is het nou echt nodig om dat op de tweede zondag van Advent te lezen? We willen toch kaarsjes aansteken en toeleven van donker naar licht; we willen vast kerstliederen oefenen en ons verheugen op het feest. We zijn toch met z’n allen in verwachting van een prachtig Kind! Dat klopt. Maar, zegt de kerk der eeuwen, wij zijn ook in verwachting van zijn terugkeer op aarde. Wij verwachten Gods toekomst; wij verwachten zijn vrede, zijn heelheid en gerechtigheid. En die verwachting is een heel actieve verwachting. Die verwachting blijft weg bij de vraag waarom God niet ingrijpt in de narigheid van de wereld van vandaag. Die verwachting blijft weg bij de vraag waarom God niets doet maar keert de vraag juist om: wat doe jij dan? Ben jij een beetje toekomstbestendig bezig? Dat is de vraag die Maleachi ons stelt. Dat is ook de vraag die Johannes de Doper stelt als hij de mensen oproept zich te laten dopen en hun leven te vernieuwen. Past wat jij doet, hoe jij leeft, bij de wereld die God voor ogen staat? Geloof jij in een nieuw begin, in een verbeterde versie van jou?  

 

 

 

But who may abide? (Aria uit de Messiah van Händel)

Stel dat God vandaag verschijnt, hoe zal hij ons dan aantreffen?

Stel dat God een smid is en ons leven tegen zijn licht houdt en uitzuivert wie wij zijn?  

Of stel dat hij wolwasser is en ons zo scherp als loog op de huid zit met de vraag hoe we hebben geleefd? Wat blijft er dan van ons over?

Kijk, dat wij fouten maken is niet het ergste. Maar dat we accepteren dat we mislukkelingen zijn. Dat is erg. Dat we schuldig zijn of een schuldgevoel hebben, dat is niet het ergste. Dat we geen poging doen vergeving te zoeken, te veranderen, dat is erg. Dat wij leven in een akelige wereld is niet het ergste. Het ergste is dat wij er onverschillig over worden. Of erin berusten en geen pogingen meer doen om er wat van te maken. Dat we verdrietig zijn is niet het ergste maar dat we geen troost meer kunnen vinden, dát is erg. Dat we niet meer geloven in een nieuw begin, dat kan ons worden aangerekend. Niet meer geloven in een nieuw begin, leven zonder hoop, haalt de essentie van ons christen-zijn onderuit. Zo loop je je bestemming mis. Je wordt niet de mens die je kunt zijn. Wat jij te bieden hebt, komt zo niet uit de verf.

 

De nieuwe tekst van ‘Take me as I am’ is prachtig maar in de oude tekst klonk zo mooi het beeld van de zilversmid van Maleachi door: zuiver uit wie ik zal zijn. Het zit er gewoon in. Dat vind ik troostend. Wij hoeven ons zelf niet opnieuw uit te vinden. Niet ver te zoeken of hoog te reiken. Het zit er in. Zilver ben ik, goud. Kostbaar in Gods ogen. Goed om dat elke dag op te diepen. Neem ook de Engelse tekst er weer eens bij: Summon out who I shall be. Zeg het mij aan, roep het uit, roep mij tevoorschijn. God weet allang wat hij aan ons kan hebben. Laten we de tijd nemen om dat ook af en toe zelf weer op een rijtje te krijgen. De tijd om om te keren. En laten we niet vergeten ook zo naar elkaar te kijken: als iemand in wie het beste, het mooiste verborgen zit. Wij kunnen dat in elkaar naar boven roepen. Als wij ook die ander steeds weer een nieuw begin gunnen.

Een wijze leraar zei eens tegen zijn leerlingen: Je moet je één dag voor je dood omkeren. En zijn leerlingen zeiden tegen hem: Hoe kan dat nu?

Hoe weten we nu wanneer we ons moeten omkeren? En de wijze leraar zei: Precies, daarom moet je het vandaag doen.

Dec 04, 2018

stom

Stom

Ik doe mee aan een schrijfopdracht. Schrijvend beleven, je eigen leven beschrijven…. een intuïtief proces. Bijna zoals ik gewend ben een tekst te lezen voor ik aan de preek kan beginnen maar dan veel dichterbij. Vandaag lees ik Lucas 1: 5-25, de engel vertelt Zacharias dat hij en Elisabet een kind zullen krijgen. Ja, ondanks dat ze al op leeftijd zijn. Zacharias is een voorganger, net als ik. Hij leeft vroom en gelovig; dat wil zeggen, hij houdt zich aan de geboden van de Heer, net als zijn vrouw. Toch kan hij het bericht van de engel niet geloven. Hij is letterlijk stomgeslagen. Een voorganger die geen woorden meer heeft…. dat lijkt me erg. Daar sta je dan, op de kansel met je mond vol tanden.

 

Nog erger lijkt het me dat je zelf geen vertrouwen hebt in de woorden die je verkondigt, op de beloften die je voorleest. Zacharias is een voorganger zonder hoop, zonder verwachting. Als ik dat niet meer zou hebben…. ben ik dan nog wel een goede voorganger? Of laat ik, net als in het verhaal van Zacharias, de gemeente buiten staan. Dat wil zeggen: in de kou. Ik vind het nogal een verantwoordelijkheid en tegelijkertijd besef ik dat dit mijn roeping is. Voorgangers zijn kwetsbaar. Ik ook.

 

Liever zou ik zijn als Elisabet. Ook van haar wordt gezegd dat ze zich strikt houdt aan de geboden van de Heer. Maar bij haar is het geen eenrichtingsverkeer. Zij verwacht ook iets terug. Elisabet kan haar zwangerschap niet anders zien dan als een geschenk van God. Hij heeft zich haar lot aangetrokken. Hij heeft dit voor haar gedaan.  

 

Gelukkig is Zacharias getrouwd. De voorganger is niet alleen. Als de baby is geboren vindt hij eerst zijn geloof terug. Op een leitje schrijft hij: het kind moet Johannes heten. Dat betekent: God is genadig. Dat was Zacharias even kwijt maar nu weet hij het weer. Daarna komt zijn spraak terug en hij kan zijn mond niet meer houden. 

(www.attraversiamo.nl

afbeelding: Alexandre Ivanov

eerste zondag van Advent 2018 – Protestantse Gemeente De Open Hof

 

We lezen uit Zacharia. Hij was profeet in Jeruzalem, in de tijd dat de ballingen waren teruggekeerd naar hun stad in puin. Zacharia roept de mensen op om te beginnen met de herbouw van de stad, de tempel. En met het herbouwen zullen ze ook hun roeping weer ontdekken. Zacharia gelooft dat als het volk terugkeert tot God, God ook zal terugkomen bij hen. Dan zal een nieuwe tijd aanbreken. Op de angst en de puinhoop zal God bij de mensen zijn. Zoals God eens de zee doormidden spleet om zijn volk doorgang te geven, zo zal Hij eens de bergen splijten.   

 

Daarna lezen we uit Lucas. Ook hij schreef op de puinhopen van het bestaan, als de tempel in Jeruzalem voor de tweede keer in de geschiedenis is verwoest; de stad lag in puin na de plundering door Titus. Gelovigen waren overal heen gevlucht. Als je eigen wereld instort, is het toch niet zo gek om te denken dat de hele wereld instort. Dat het einde nabij is. Maar ook Lucas houdt de hoop hoog. Hij bemoedigt mensen om het vol te houden en zich vast te houden aan de verwachting dat Jezus zal terugkeren op aarde om alles goed te maken.

 

uit de Bijbel: Zacharia 14: 4-9 en Lucas 21: 25-31

 

het einde van de tijd

Er gaan dagen voorbij dat ik niet denk aan het einde van de wereld. Eigenlijk gaan alle dagen voorbij zonder dat ik denk aan het einde van de wereld. Ik kan niet zoveel met het beeld dat op een dag God actief en almachtig zal ingrijpen in onze werkelijkheid om daar een heel nieuwe werkelijkheid van te maken. Die almachtige God heb ik achter mij gelaten. Hij past niet een tijd van mondige mensen die zelf bijna goddelijk zijn in alles wat ze tot stand kunnen brengen. God zie ik vooral in wat mensen voor elkaar betekenen. Ik zie hem oplichten in goedheid en aandacht, in trouw en de bereidheid te vergeven. ‘Ubi caritas et amor, Deus ibi est.’

Het zijn pittige teksten vanmorgen. Die we in onze tijd niet zo makkelijk meer een plaats geven. Toch is het goed om ze juist aan het begin van Advent te lezen. Waarom? 

Zacharia en Lucas vertrouwden erop dat God óók boven ons menselijk handelen uitstijgt. Dat God groter is dan wat mensen voor elkaar kunnen krijgen. Dat soms, onverwacht en ongedacht, er meer mogelijk is dan wij voor mogelijk houden. Dat soms, onvermoed maar o zo welkom, er iets van God lijkt door te siepelen in ons leven. Dáár kan ik dan weer wel wat mee. Omdat mensen mij vertellen dat het zo is. Omdat ik soms zelf ervaar dat er meer moet zijn tussen hemel en aarde. Dat ik gedragen wordt, merkwaardig getroost….

Daarom kunnen die moeilijke teksten toch iets troostends hebben. Zij sporen aan de moed niet op te geven als onze mogelijkheden uitgeput lijken te zijn. Ik lees de woorden van Lucas dat er een tijd van grote angst en verwoesting zal komen niet als de voorspelling van een ramp die onherroepelijk een keer over ons wordt uitgestort omdat het eerst veel slechter moet worden voordat het beter wordt. Geen voorspelling maar een erkenning van het feit dat het nu eenmaal zo in elkaar steekt: de werkelijkheid is beangstigend en het leven is soms levensgevaarlijk. Kijk naar Jemen. Naar Syrië. Of naar de afdeling kinderoncologie….. Naar ‘Deze vieze oude wereld kun je gerust weggooien zei ze…’ (Hans Lodeizen) Maar we gooien niets weg. We leven met de hoop dat er iets beters denkbaar is. Iets waarin ook wij van betekenis zijn. En dat aansluit bij datgene (of Diegene) die al het menselijk handelen overstijgt.

 

leven met hoop *

Leven met hoop. Dat is misschien wel wat ons gelovige leven kenmerkt. En hoop is dan niet: een vroom maar ook naïef optimisme dat alles ooit wel eens goed zal komen; een woord zonder daad. Hoop is ook niet: ontkennen wat er allemaal misgaat in het leven, in ons leven, en onze kop in het zand steken; een woord zonder uitzicht. Hoop is niet: ergens in mee gaan omdat je weet dat het succes zal hebben; een woord uit berekening.

Hoop is een manier van leven, een weg om te gaan. Een innerlijk kompas dat je de weg wijst of de tijden nu goed of kwaad zijn. Het is een state of mind die de werkelijkheid met al zijn ellende overstijgt. Hij wordt niet meer of minder als het je goed gaat; het staat soms onder druk maar wordt niet minder als het je slecht gaat.

Meestal is het zelfs zo dat als het slecht gaat de hoop juist groeit. Hoe hard het ook stormt, de hoop houdt vol. (zie ook: Hope is the thing with feathers, Emily Dickinson) Ik heb iemand gekend die altijd zei: Ik ben ongeneselijk hoopvol. Dat was hij tot aan zijn dood.

 

Die hoop, zo onbegrijpelijk en niet van deze wereld, vindt zijn wortels in God. De Bijbel staat vol verhalen van de weg die God en mensen samen gaan. Hij biedt bevrijding, doortocht. Geen situatie is zo doodgelopen of hij wijst een uitweg. Zelfs uit de dood. Want in Jezus balt alle hoop zich samen.

Wie hoop heeft, heeft het vertrouwen dat wat hij doet of besluit ook zinvol zal zijn. Dat het misschien wel bij zal dragen aan een betere wereld. Of misschien niet. Die  zekerheid hebben we nooit. Wél dat wat wij doen en wie wij zijn van betekenis zijn.

Die hoop zet ons aan tot goede woorden, opbouwende daden, tot onzelfzuchtigheid en goedheid. Die hoop voorkomt dat we onverschillig worden, of cynisch. Die hoop bewaart ons voor moedeloosheid en lamgeslagen niks doen. Die laat ons niet bij de pakken neerzitten maar steeds weer opstaan.

 

de vijgenboom

Dát het beter wordt is soms te zien. Er zijn tekens die daarop wijzen. Jezus zegt: Kijk maar naar de vijgenboom. In de koude donkere winter bereidt hij zijn knoppen al voor voor de zomer. Die tekens van buiten kunnen wij alleen zien als ook van binnen het verlangen is om ze te zien. Alleen wie hoop heeft, ziet de bevestigende tekens. En ook in onze ‘vieze oude wereld’ is genoeg hoopvols te zien en te beleven: mensen die bereid zijn water naar zee te dragen, druppels op gloeiende platen te laten vallen, een mens te redden omdat de menselijkheid anders op het spel staat.

Wat ik zo mooi vind aan het beeld van de vijgenboom: je kunt de groei van een boom niet tegenhouden. Je kunt de voortgang van de seizoenen niet tegenhouden. Onherroepelijk komt na de winter de zomer. Zo onherroepelijk, vertelt Jezus, is de groei van Gods nieuwe wereld.

 

(*Vaclav Havel schreef op deze manier over de hoop in: Verhoor op afstand

Er wordt een gedicht aan hem toegeschreven: De weg van de hoop)

 

‘Deze vieze oude wereld’, Hans Lodeizen

 

Zei ze..

 

Deze oude vieze wereld

die kun je gerust weggooien:

de romantiek van

uilskuikens

 

het is verdomd

moeilijk om te leven

zie in de hemel:

alles is rotzooi

maar als we maar hoop hebben

 

zo lang we maar

hoop hebben….

Page 5 of 14