Lyonne Verschoor

Lyonne Verschoor

uit de Bijbel: Genesis 16

 

overweging op 5 mei 2019 PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

Abram

‘Sarai en Abram kregen geen kinderen. Ze woonden intussen al tien jaar in Kanaän.’ In deze twee zinnetjes wordt uitgelegd hoe het zover heeft kunnen komen dat Hagar uiteindelijk vlucht naar de woestijn.

Meer dan tien jaar geleden volgde Abram de stem van God en de stem van zijn hart. Hij maakte zich los van zijn familie en woonplaats; hij gaf zekerheden en veiligheid op om op zoek te gaan naar het land dat God hem had beloofd en waar hij zou wonen met een grote familie om zich heen. Hij deed een sprong in het duister in het vertrouwen dat God hem zou zegenen. En er is nog niets van terecht gekomen. Het aanvankelijke vertrouwen van Abram is weggeëbd. En het lijkt wel of de belofte die hem heeft gebracht waar hij nu is, niet meer telt.

Wie deed het ooit, zo’n sprong in het duister? Wie heeft ooit de stem van zijn hart gevolgd, zonder te weten waar dat heen zou leiden? Ik kijk graag naar het programma ‘Ik vertrek’ en wat ik daarin zo mooi vindt is dat deze mensen, ondanks alle tegenslagen of slechte voorbereiding, blijven vertrouwen in een goede uitkomst. Zij weten steeds de weg weer terug te vinden naar wat hen voor ogen stond. Abram heeft wel gezegd ‘ik vertrek’ maar hij is de droom uit het oog verloren.

Wat zou het mooi zijn om zo af en toe terug te gaan naar het begin; als je niet meer weet waarom je aan een opleiding bent begonnen; als je niet meer weet waarom je met deze man of vrouw bent getrouwd; als je vergeten bent waarom je bepaalde beslissingen hebt genomen.

Als ons leven tegenvalt, weten we dan de weg terug te vinden naar de stem in ons hart, de stem van God? Dat is belangrijk. Want als die niet meer het kompas zijn om op te varen, dan waaien we met alle winden mee. Stuurloos. Het is daarom dat Abram in dit gedeelte van het verhaal zo’n slappeling is. Hij toont geen enkele ruggengraat naar Sarai. De gebeurtenissen gaan met hem op de loop en Sarai moet maar zien wat ze doet.

 

Sarai

We kunnen zo’n beetje raden wat het met Sarai moet doen dat zij nog geen kinderen heeft gekregen. Wie het overkomt dat zij ongewenst kinderloos is gebleven kent het verdriet en het gemis. Sarai verwijt het God. Hij geeft haar geen kind. We kunnen het Sarai niet kwalijk nemen dat zij door middel van een draagmoeder probeert om zelf toch moeder te worden. In die tijd was dat niet ongebruikelijk. Ook in onze tijd zoeken we naar mogelijkheden. En de wettelijke mogelijkheden, de medische wetenschap, kunnen onze liefste wens binnen bereik brengen.

Maar langs welke weg we onze kinderen ook gekregen hebben, het geluk dat ons overkomt stemt ons dankbaar. Nieuw leven is niet maakbaar, is niet iets waar we recht op hebben. Elk kind is een geschenk. Een geschenk uit Gods hand. 

En dát is Sarai vergeten. Ze begint met regelen en bedisselen om het leven naar haar hand te zetten. Ze heeft geen geduld met de toekomst. Ze heeft geen verwachtingen meer van God.

Begrijp me niet verkeerd: ik wil niet zeggen, dat wij niets zelf mogen regelen en maar af moeten gaan zitten wachten als ons leven anders verloopt dan we hadden gehoopt. Maar kennelijk is er een grens en komt er een moment dat we God voor de voeten gaan lopen. Harder lopen dan God, dat komt niet goed.

Hebben wij het vertrouwen om ons levenslot in Gods hand te leggen; hebben wij geduld met onze toekomst? Durven we ook af te wachten hoe onze situatie zich zal ontwikkelen. Of willen we onze eigen zin en willen we het nu? 

Sarai zal later ook een zoon krijgen. Achteraf zal ze kunnen vertellen dat het toch nog goed is gekomen. Maar dat het wachten haar lang viel en dat haar vertrouwen op de proef werd gesteld.

 

Hagar

Eindelijk, er wordt een kind verwacht. Tegelijkertijd hangt er heibel en narigheid in de lucht. Elke verhouding is zoek. Wie is nu de slavin en wie de meesteres, wie moet wie met respect behandelen? Uiteindelijk loopt het zo uit de hand dat Hagar, zwanger en wel, de woestijn in vlucht. Weg van de problemen die haar zijn overkomen; weg van de problemen waaraan ze zelf ook heeft bijgedragen. Alsof weglopen een oplossing is….

Bent u wel eens ergens voor weggelopen? Of ergens voor gevlucht? De Bijbel stelt dat dat je eigenlijk nergens brengt. Ja, in de woestijn. Waar het al gauw te dor is, te heet, te koud, te onveilig.

Stel, je relatie is niet best of de liefde is voorbij en je vlucht weg in je werk, in een hobby die veel tijd kost…. stel, je loopt weg voor je verdriet en uiteindelijk kom je er achter dat je het overal meeneemt; of je hebt grote brokken gemaakt, ellende veroorzaakt en je rent erbij vandaan. Heilloos. Vluchten brengt je nergens.

Daar bovenop is er ook de ervaring dat wie vlucht nooit onder Gods oog uit komt. ‘Waar kan ik heen gaan zonder dat u het merkt? Waar kan ik heen vluchten zonder dat u het ziet?’ (Ps 139: 7, BGT)

God weet Hagar te vinden. Een engel ziet haar zitten in de woestijn en stelt haar indringende vragen, bezinnende vragen: Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe? Vragen die tot nadenken stemmen. Vragen die er misschien toe leiden dat je andere beslissingen neemt dan weg te rennen. De hemel grijpt even in omdat God niet zal toelaten dat mensen hun bestemming in het leven missen. Omdat je nooit zo ver afgedwaald kunt zijn, dat terugkeren niet meer mogelijk is. Een engel stelt de juiste vragen zodat Hagar de verantwoordelijkheid kan nemen voor haar eigen aandeel in de aangerichte puinhoop. Daar hoort vergeving van de ander bij en de ontdekking dat je niet je eigen schuld voor altijd hoeft mee te dragen.

Ik denk (ik hoop) dat God zich in ons leven mengt, in ieder mens op ons pad die ons de juiste vragen stelt; dat hij aanwezig is in ieder mens die ons uit onze woestijn doet omkeren. Soms is terugkeren de enige manier om weer verder te kunnen. Om op een andere manier met elkaar verder te gaan. We lezen het verder niet maar als Hagar teruggaat zal ze misschien meer begrip hebben voor Sarai en met haar verdriet hebben om haar kinderloosheid.

Ze moet terug. Want verder met boosheid is geen leven. Leven met angst is geen leven. Ze moet terug en verantwoordelijkheid nemen voor haar leven. Ze mag weten dat ze niet alleen gaat.

  

God die mensen ziet

Gods zegen zal met haar meegaan. Haar kind mag er ook zijn. En iedere keer als ze straks haar zoon zal roepen ‘Ismael’, zal ze weer weten dat God naar heeft geluisterd. Want dat betekent Ismael: God hoort. God heeft gehoord wat Hagar uit Egypte te verduren heeft gehad door Sarai. Een stukje verder in de Bijbel wordt het precies andersom verteld: dat God de jammerklachten van zijn volk in Egypte heeft gehoord.

We zijn nog steeds in de woestijn. Er is voor Hagar in die zin nog niets veranderd. Behalve dan dat zij aan het denken is gezet en weer gevoel voor richting heeft gekregen. Toch brengt Hagar onder woorden wat er voor haar wél veranderd is: zij is gezien. Ze heeft een ontmoeting gehad met de God die mensen ziet. En dat is de bron waaruit wij drinken; het geloof dat ons in leven houdt.

overweging op Paasmorgen 2019  De Open Hof, Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 20: 1; 11-18

 

vroeg, toen het nog donker was

Johannes begint zijn Paasevangelie in het donker. De dag is al wel begonnen maar toch nog niet echt. Het is het moment tussen donker en licht, het moment van ‘het is er al wel maar nu nog niet’. Het is dat uur van de nacht dat de eerste merel begint te zingen, in afwachting van het eerste licht.

 

Met ons verstand weten we dat na elke nacht een morgen komt. Dat houden we niet tegen. Tegelijkertijd kennen we het onzeker wachten op de morgen; hoe langzaam kruipen de uren voor degene die waakt bij een geliefde, hoe lang duurt de nacht voor wie wakker ligt van de zorgen. We kennen ook de angst dat de nacht waarin we verkeren nooit meer overgaat en de vraag of het ooit nog licht zal worden voor ons.

 

Vroeg toen het nog donker was…. het zegt ook alles over het verlies van Maria. Had ze van verdriet niet kunnen slapen? We vonden het in ons voorbereidingsgroepje vrij overbodig dat tot twee keer toe wordt gevraagd: Waarom huil je? Want we konden allemaal meevoelen hoe het is om een geliefd mens te begraven.

Maar zou Maria het zien, dat het donker het licht al in zich heeft? Zou ze het morgenlicht gewaar zijn? En wij? Durven wij eraan te geloven dat onze nacht voorbijgaat?

Durven wij erop vertrouwen dat een moeilijke periode in ons bestaan zal plaats maken voor iets nieuws, iets anders? Hebben wij onze ogen ingesteld op het licht? Durven wij eraan te geloven dat God geen mens alleen laat in het donker?

 

het gaat voorbij

Geloof, zegt een wijs iemand, geloof is de vogel die licht voelt en zingt als de dageraad nog donker is. (Rabindranath Tagore) De merel wacht niet tot het licht geworden is om zijn lied te beginnen. Zo hoeft de mens niet te wachten met geloven en vertrouwen tot het beter wordt. Pasen betekent: voorbijgaan. Denk aan het Engelse Pass-over. Het gaat voorbij. Pasen is een kwetsbare belofte. (Kune Biezeveld, Als scherven spreken) Al kun je het nu niet geloven: de nacht gaat over in de dag, het licht verjaagt het donker. En in dat donker ben je niet alleen. Waarom zou God daar niet bij zijn? We zingen het: Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen. Zij gaat in alle nood door heel het leven heen. (Willem Barnard, Nieuw Liedboek 650) Dát is de belofte van Pasen. Er is een doorkomen aan. Je bent niet alleen. Jezus zong vanaf de grote kerk in Dordrecht: ‘Maar je bent niet alleen

Ik zal er voor je zijn. Als het even veel te veel wordt ben ik er altijd.’ (The Passion 2019, origineel Thomas Berge)

En toch wordt het Pasen’ zei iemand van onze voorbereidingsgroep, voor wie de stille week eindeloos duurt. En toch wordt het Pasen, zeggen we tegen hen voor wie het donker eindeloos duurt. Luister naar het zingen van de eerste vogel.

 

zien en horen

Je bent niet alleen. Dat was dit jaar het thema van The Passion. Maar Maria voelt zich heel alleen en dat snappen we. Ze ziet een weggerolde steen, een leeg graf. Er is geen lichaam, geen gedenkplaats. Alleen een niet weten: ‘ik weet niet waar ze hem naar toe hebben gebracht.’ Alles is leeg. En ze ziet niet dat Jezus dichtbij is.

 

Gelukkig is er ook wat te horen. Maria hoort haar naam roepen en dan keert ze zich om. Ik kan dat niet anders uitleggen als: dan komt ze tot inkeer, dan begrijpt ze. Ze herkent de stem van wie haar roept. Het doet denken aan Jezus die over zichzelf zei: ‘Ik ben de goede herder. De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.’ (Johannes 10: 3) Zou Jezus gekomen zijn om Maria naar buiten leiden, van het donker naar het licht? Staat hij daar om haar uit haar wanhoop vandaan te roepen? Zou dat niet de betekenis van Pasen voor ons kunnen zijn, dat wij worden bevrijd tot een nieuw bestaan? (Nieuw Liedboek 634, Henk Jongerius) Of betekent het dat opstanding, leven, dáár begint waar wij ons gekend weten, genoemd bij onze naam, geliefd in wie en wat we zijn.  

 

als nieuw

Wat betekent Pasen voor je? vroegen we aan elkaar. ‘Nieuw begin’, ‘nieuw leven’, ‘gelukkig worden’, ‘nieuw licht’ waren de antwoorden. Want daar waren we het over eens: Pasen heeft te maken met nieuw, met anders.

Jezus is niet meer de zichtbare en tastbare leermeester van Maria. Die moet zij loslaten.

 

We herkenden het dat het ook op ons wordt gelegd om verder te gaan als onze geliefden overlijden. We kunnen hen niet vasthouden. We gaan op een andere manier verder en onze geliefden krijgen op een nieuwe manier een plaats in ons leven. Iemand zei: als je iemand kost wat kost wilt vasthouden, dien je alleen je eigen verlangen, je eigen missen. Maar Maria is niet geroepen om haar eigen verlangen te dienen, maar om de belangen van de Heer de behartigen.

 

Zij moet de boodschap doorgeven dat Jezus naar zijn Vader gaat, die ook hun Vader is, en naar zijn God die ook hun God is. Maria moet Jezus loslaten maar hij zal hen als broeders en zusters vasthouden. En zij moeten ook elkaar vasthouden, als kinderen van de ene Vader.

 

je bent niet alleen

Je bent niet alleen. Jezus is dichtbij waar mensen uit zijn woorden leven. (Joh 14: 23) Hij is daar waar mensen leven in zijn Geest. Hij is daar waar mensen elkaar noemen bij hun naam, waar eenzaamheid doorbroken wordt. Hij is daar waar leegte wordt gevuld met een nieuwe, andere aanwezigheid. Zijn wij niet Christus’ lichaam op aarde? 

Het wit tussen de regels

 

Deze tekst had een plaats in de viering van Goede Vrijdag 2019 in De Open Hof, Oud-Beijerland

psalm 22: 1-6

 

Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?

U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.

‘Mijn God!’ roep ik overdag, en u antwoordt niet,

’s nachts, en ik vind geen rust.

 

U bent de Heilige, die op Israëls lofzangen troont,

Op U hebben onze voorouders vertrouwd;

zij hebben vertrouwd en u verloste hen,

tot u geroepen en zij ontkwamen,

op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd. 

 

Als je je zelfs door God in de steek gelaten voelt, hoe teruggeworpen ben je dan op jezelf. Hoe tot op het bot alleen, als je roept en geen antwoord krijgt.

Zijn vrienden kunnen het niet opbrengen met hem wakker te blijven en voor hem te bidden. Hij wordt vals beschuldigd en om niets veroordeeld. Bespot. Gekruisigd. Zijn weg loopt dood, zijn roeping is op een teleurstelling uitgelopen. Je kunt je om minder wanhopig voelen.

 

Toch is het goed om te benadrukken dat de woorden die Jezus uitroept aan het kruis niet zijn eigen woorden zijn. Hij gebruikt woorden van David; hij zingt een psalm.

Het is raar dat wij juist op heel verdrietige momenten onze toevlucht zoeken in een lied. Mensen zingen bij een brandende kerk; mensen zingen bij een uitvaart; mensen zingen uit protest; wij zingen door onze tranen heen, boven onszelf uit.

 

Psalm 22 is een lied met uitersten. De eerste regels zingen van intense verlatenheid. Maar dan, na een regel wit, verandert de toon van het lied en zingt het van vertrouwen op God; een God die mensen niet beschaamt, niet in de steek zal laten.

 

Wat is er gebeurd tussen het wit van de regels? Wat kunnen wij tussen de regels door lezen? Wat onttrekt zich aan onze woorden dat er wel moet zijn?

Volgens kerkvader Augustinus kunnen woorden dat wat van God komt niet uitdrukken. Alleen de stilte kan dat. In de stilte wordt de ruimte geschapen waarin God de mens tegemoet kan komen. In het verborgene voltrekt zich het wonder van dood en leven.

 

Alleen op Goede Vrijdag verlaten we de kerk in duisternis, ongetroost; de paaskaars is gedoofd. Het koor zwijgt, het orgel houdt zijn adem in. Je zou kunnen zeggen: wij gaan weg in het wit tussen de regels. Een stille zaterdag wacht. Het is bijna niet uit te houden. Maar alleen in die stille witte leegte kan het werk van God plaatsvinden.

 

Mijn God, mijn God, hoe zijt Gij mij nabij.

U deelt het duister van mijn diepste pijn.

Uw liefde houdt mij vast.

U bent erbij, zelfs in mijn lijden.

Mijn God, mijn God, hoe zijt Gij mij nabij.

(Uit: Als de graankorrel niet sterft, Marijke de Bruijne)

overweging op zondag 7 april 2019       PG De Open Hof

 

uit de Bijbel: Jesaja 58: 7-10 en Lucas 20:9-19

 

niet van jou

Mijn handwerkjuffrouw schreef in mijn poëziealbum: ‘Wat kreeg je van je schepper toen? Je leven. Wat mag je met dat leven doen? Het Hem geven.’ Mijn leven behoort aan God. Mijn adem, mijn vermogen te groeien, ik krijg het van hem. De vraag is wat ik ermee doe in de tijd dat het van mij is. En of de gulle gever ook de vruchten zal plukken van mijn groeien en bloeien.

De mensen om Jezus heen zullen dit meteen horen in het beeld dat Jezus neerzet met zijn gelijkenis over de wijngaard. De wijngaard, dat is Israël. Dat is Gods volk. Liefdevol heeft God zelf leefgrond voor hen gecreëerd. Niet alleen om in leven te blijven. Nee, zelfs om het leven te vieren met een goed glas wijn.

De wijngaard is Gods proeftuin; zo zal een goede schepping eruit zien. En bij een Bijbelse wijngaard horen Bijbelse vruchten: God verwacht recht; (rechtsbetrachting en geen rechtsverkrachting, Jesaja 5: 7))  God verwacht dat mensen er alles aan zullen doen dat mensen eerlijk met elkaar zullen leven. Zullen de wijnbouwers er iets moois van weten te maken? Zullen ze het besef blijven houden dat zij niet voor zichzelf werken? Zullen ze delen van de vruchten met wie niets heeft of zullen ze zich heer en meester wanen? Want dan zijn er slechts wrange vruchten te plukken.

 

 ‘Breng vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn’, roept Johannes de Doper. (Lucas 3:8) Zo hebben de profeten vóór hem ook opgeroepen tot rechtvaardigheid, eerlijk delen, solidariteit. En uiteindelijk is ook Jezus zo’n profeet die de vraag stelt: op welke manier draagt jouw leven vrucht? Ben jij je ervan bewust dat jouw leven in dienst staat van het grotere geheel of waan jij je god, een koning met een eigen koninkrijk waarin je geen inmenging duldt en geen kritische feedback? 

Ons gespreksgroepje was somber. Iemand zei: De wijngaard is niet van ons, de vruchten zijn niet van ons. En toch sterven er mensen van de honger. Een ander zei: als wij de aarde moeten teruggeven aan God, dan is dat met schaamrood op onze kaken. Zullen we nog iets van de schade kunnen vergoeden met klimaatdoelen, met het terugdringen van plastic? En we ervoeren in onszelf ook de onwilligheid om alles maar te delen. We hebben er toch zelf hard voor gewerkt? 

 

aan iemand anders geven

Jezus vertelt de gelijkenis aan de mensen om hem heen. Maar over hun hoofden heen heeft hij ook de hogepriesters, Schriftgeleerden en oudsten op het oog. (Lucas 20:1) Aan hen was van begin af aan het beheer van de wijngaard toevertrouwd, het hoeden van Gods volk. Het was hun taak om ervoor te zorgen dat wijngaard vruchten van gerechtigheid zou voortbrengen. Maar daarin zijn ze ontspoord; zij eigenden zich macht toe en verrijkten zichzelf. En telkens als er knechten van God, profeten, kwamen om hen opnieuw te bepalen bij hun opdracht, dan liep dat mis. En nu komt Jezus hen keihard en publiekelijk vertellen dat zij de relatie met God frustreren. Zij zijn de wijnbouwers die de knechten hebben gedood en ook de erfgenaam willen doden. Er zit een waarschuwing in voor de mensen om Jezus heen; een waarschuwing die niet alleen toen maar ook nu geldt: kijk uit wie je als je leiders kiest. Pas op wie je aanwijst als hoeders van het volk.

 

Wat zal de eigenaar van de wijngaard met die wijnbouwer doen, vraagt Jezus. Hij zal hen doden en de wijngaard aan anderen geven. Toen de mensen dit hoorden, zeiden ze: Dat nooit!  Het is niet helemaal duidelijk wie die mensen zijn. Het kunnen de religieuze leider zijn, in een vlaag van hoogmoed. Het kunnen ook de mensen zijn die zich vastklampen aan Gods trouw en barmhartigheid.

 

De eigenaar zal de wijngaard aan anderen geven. Lang is het zo uitgelegd dat de kerk de opvolger is van Israël. Gods volk heeft het verbruid, wordt gezegd. Zij wilden Jezus niet volgen, de christenen wel. Deze arrogante uitleg heeft anti-joodse gevoelens in de hand gewerkt en heeft veel gekost. De denkfout is dat in deze gelijkenis niet het hele volk wordt bedoeld, maar alleen de joodse leiders. Daarnaast is het ook goed op te merken dat Jezus zelf zijn evangelie heeft verruimd. Hij heeft zich niet alleen tot de Joden gericht maar ook tot de heidenen, de anderen. Door hem is de wijngaard van iedereen geworden. Of eigenlijk: van niemand. Alleen van God.

 

verantwoording

In ons gespreksgroepje bespraken we hoe het is om te leven met een God die tot verantwoording roept. Kunnen we uit de voeten met een God die vraagt: wat krijg ik ervoor terug? We begrepen wel dat het bij elkaar hoort: God geeft ons verantwoordelijkheid, over de aarde, over de dieren, over elkaar. We zongen het ook met Psalm 8. En bij die verantwoordelijkheid hoort ook dat je verantwoording aflegt. We kwamen uit bij woorden als ‘halfslachtigheid’, ‘tekortschieten’. We zagen onze zwakke plekken wel. En soms zien we die van de ander nog beter. We wéten dat we schuldig zijn. En we weten dat we daarin vergeven worden. We bedoelden niet dat we dan maar raak kunnen leven. Maar dat bij het afdragen van de vruchten van je leven ook hoort dat je tot inkeer komt; dat je je bekeert als de dat nodig is. Bij falen hoort vergeven worden, maar ook opnieuw proberen. Bij vallen hoort opstaan, maar ook op een andere manier je leven inrichten.

De tekst uit Jesaja 58 geeft daarin richting: je brood delen, gastvrij zijn, je bekommeren om je medemens… dan breekt je licht door als de dageraad. Je zult zijn als de zon die stralend opkomt en God zal bij je zijn. Dan begint het er op te lijken.

 

erfenis

Over één ding waren we het woensdag hartgrondig eens: wat een naar verhaal. Zoveel geweld. Je zou denken: drie keer is scheepsrecht. Maar nee, ook de derde knecht wordt afgetuigd en de wijngaard uitgegooid. Wat bezielt de eigenaar van de wijngaard om dan zijn zoon te sturen!? Hoe naïef om te denken dat ze ontzag zullen hebben voor zijn geliefde zoon! Maar dat hebben ze niet. Ze zien een erfgenaam, een kans om zelf erfgenamen te worden. Zij kunnen de zaak overnemen als ze de zoon uit de weg ruimen.

 

De grimmigheid van de gelijkenis bepaalde ons bij onze eigen feilbaarheid, bij de menselijke schuld. Maar ook bij het geduld van God. Die een nieuw begin maakt, ook al wordt zijn erfgenaam niet gespaard.

Deze erfgenaam, de geliefde zoon, is niet de kroonprins, niet degene die de zaak zal overnemen.

 

Hij is de hoeksteen van de tempel die uit levende stenen is gebouwd.

(1 Petrus 2:5-6) De steen die ondersteunt en bij elkaar houdt.

Hij is degene die trouw blijft aan zijn roeping en daardoor is hij degene die het geschenk van zijn leven uit handen geeft. Hij legt zijn leven terug in de handen van de Schepper. (Lucas 23:46)

 

Wat hebben wij geërfd toen hij stierf? Niets waarvan je rijk wordt of belangrijk. Eerder het tegenovergestelde. Dienstbaarheid hebben we geërfd, verbondenheid met anderen door barmhartigheid en mededogen, niet ‘ieder voor zich’ maar wij voor elkaar. Telkens weer zal Jezus sterven als wij aan deze erfenis geen recht doen maar ons gedragen als de onrechtvaardige wijnbouwers.

 

Wat hebben wij geërfd toen hij stierf? Vergeving en vrijspraak, leven in overvloed. Want hij bleef niet in de dood. Hij ging ons als erfgenaam van het leven voor. Wij hebben leven geërfd. Wat kregen we door Jezus toen? Het leven. Wat mogen we met dat leven doen? Het hem geven.

tekst bij Jesaja 35: 1- 6a en Marcus 2: 1-5   Aangepaste Gezinsdienst zondag 31 maart in de Eendrachtskerk te Zuid-Beijerland  

interviewer

-Ik sta hier in Kafarnaum, voor het huis van Jezus. Het was daar vandaag ontzettend druk. Er waren heel veel mensen gekomen om naar hem te luisteren. Het huis puilde gewoon uit en er kon niemand meer naar binnen. Naar buiten trouwens ook niet. Het stond mudje vol.

 

Ik vraag het eens aan iemand die erbij was.

Mevrouw, u was hier vanmiddag. En u wilde naar binnen. Wilt u daar iets over vertellen.

 

vriendin

-Wij waren dus speciaal gekomen vanmiddag. We wilden graag dat onze vriend Jezus zou ontmoeten. Onze vriend kon niet lopen. Wij namen hem altijd mee. Met z’n vieren droegen we hem dan. Je bent tenslotte vrienden van elkaar.

Dat is niet altijd leuk hoor. Een gehandicapte vriend. Als wij wilden opschieten, dan kon dat dus niet. We wilden ook wel eens zonder hem weg. Maar dan misten we hem toch. En dan namen we hem toch maar weer mee. En we wilden hem dus ook meenemen naar Jezus. Voor hem zelf hoefde dat niet zo.

 

interviewer

-Bij ons staat ook uw vriend. Ik zie dat u weer kunt staan en kunt lopen.

 

verlamde man

-Ja, dat gaat goed. Ik kan weer springen als een hert. Een wonder.

Maar, ik moet eerlijk zeggen…. van mij hoefde het niet zo nodig. Om naar die Jezus te gaan. Ik zag het niet zitten om er naar toe te gaan. Ik geloofde er ook niet in dat ik beter zou worden. Ik was de moed een beetje verloren. Ik was al bij zoveel dokters geweest en niemand die me beter had kunnen maken. Het kon me dus eigenlijk niet zoveel schelen dat we niet naar binnen konden.

 

vriendin

-Maar het kon ons dus wel iets schelen! Je kan toch nooit weten. Je moet toch moed houden. Dus toen hebben we hem op een matras gelegd en hem meegesjouwd. Hij (wijst) lag een beetje te mopperen: we kunnen er toch niet door. Laten we maar weer naar huis gaan.

Maar wij moesten en zouden naar binnen. Maar hoe we ook duwden, we konden er niet door.

We hebben het nog met een grapje geprobeerd en ‘brand’ geroepen. Toen gingen er wel een paar mensen opzij, maar het was niet genoeg om bij Jezus te komen.

 

interviewer

-En ondertussen lag u op dat matras. Wat ging er door u heen?

 

verlamde man

-Ik dacht, laten we maar naar huis gaan. Het wordt toch weer niks.

 

vriendin

-Maar daar dachten wij dus anders over. Moed verloren, al verloren. We hebben eerst gekeken of er een achterdeur was. Die was er niet. Maar wel een trap, een trap naar het dak. We keken elkaar eens aan en we dachten hetzelfde: naar boven! Ik had gelukkig een stuk touw in mijn zak zitten.

 

interviewer

-U heeft heel bijzondere vrienden.

 

verlamde man

-Ja, dat weet ik nu ook. Maar ik had er op dat moment nog steeds geen vertrouwen in. Ik lag te mopperen dat ik het niet wilde, en dat ik het eng vond. Ik ben misschien wel een beetje lastig geweest. Nu denk ik er anders over, hoor.

 

interviewer

-Vertel…..

 

verlamde man

-Ik zakte dus naar beneden. En toen keek Jezus omhoog. Ik zag meteen dat hij het niet erg vond dat hij een gat in zijn dak had. Zo lief keek hij. Hij zag mij écht. Hij zag geen mopperende lastpak. Hij zag geen zeurpiet, die niet meer geloofde dat de dagen mooi zijn. Hij zag mij écht. En toen zei hij: ik vergeef je alles wat je verkeerd hebt gedaan. Toen voelde ik me zo licht, zo opgelucht, dat ik kon opstaan. En ik pakte mijn matras op en ik liep weg.

 

interviewer

-En dat allemaal dankzij je vrienden.

 

verlamde man

Ja, hun vertrouwen heeft mij gered.

 

vriendin

-Nou nou… wij hebben je alleen maar bij Jezus gebracht. Dat is toch niks bijzonders. Dat doe je toch, voor een vriend!?

 

interviewer

 

-Dat was dus een bijzondere middag, hier in Kafarnaum. Even leek het alsof het allemaal waar was, wat Jezus vertelde. Dat Gods nieuwe wereld dichtbij is.

 

Apr 01, 2019

Waarom?

 

overweging op zondag 24 maart 2019    PG De Open Hof 

 

 

foto: Kees Langeveld, Israël 2007

Wat kwam het dichtbij afgelopen maandag.

De angst of er nog meer geweld zou volgen;

het verdriet om de dodelijke slachtoffers;

de vragen naar het waarom;

en misschien ook de onzekerheid over de veiligheid van onze geliefden,

ergens onderweg. 

 

Op het leesrooster staan twee veelzeggende lezingen.

We lezen eerst uit Exodus. Daar bezweert God aan Mozes voor de tweede keer dat hij het gejammer van zijn volk heeft gehoord en dat hij zijn naam trouw zal zijn. Écht, ook al merken de Israëlieten er nog niets van. We lezen: Ik ben de Heer. Met evenveel recht kunnen we lezen: Ik ben: Ik zal er zijn.

Soms is er zoveel verdriet, of er zijn zoveel vragen, dat we het niet ervaren. Daarom is het goed om het vandaag nog eens goed tot ons te laten doordringen.

 

In de tweede lezingen gaat het om de waarom-vraag. Waarom worden mensen slachtoffer van geweld? Hebben ze iets verkeerd gedaan? Wat vindt Jezus er eigenlijk van? 

 

uit de Bijbel: Exodus 6: 2-8 en Lucas 13: 1-9  

 

snelle antwoorden

Lang was het afgelopen maandag onduidelijk wat er nu precies aan de hand was en wat het motief zou kunnen zijn van de dader. Ongeduldig twitterde een politicus hoe het toch mogelijk was dat iemand met een strafblad vol misdrijven vrij kon rondlopen en met een wapen in een tram onschuldige mensen doodschieten? ‘Leg dat eens uit, Rutte.’ (@geertwilderspvv) De verantwoordelijke minister van Justitie en Veiligheid moet maar opstappen, vinden mensen. En ergens denk ik de winst voor het Forum voor Democratie te maken heeft met mensen die met hun stem hun angst willen bezweren.

Als onze wereld ontploft, plotseling onveilig wordt en ons voor vragen stelt, dan willen we antwoorden; we willen een verantwoordelijke kunnen aanwijzen, een oorzaak, een schuldige. We willen weten waarom. We willen weten of er een verband is tussen wat ons overkomt en hoe we hebben geleefd. We willen weten of er een verband is tussen noodlot en schuld. We willen weten of het ergens goed voor is en wat de rol van God is. Alsof rampspoed beter te verdragen zou zijn als er een verklaring voor gegeven kan worden.

Wij denken graag in het schema oorzaak en gevolg. Dat houdt onze wereld overzichtelijk en behapbaar. Dan heeft ons leven een zekere logica. En als iets volkomen onlogisch is -een schietende terrorist, de tropische storm Idai of kanker, Alzheimer, een dom ongeluk…… als we dat niet meer kunnen rijmen, dan forceren we een antwoord. Door te zeggen: God wil dat zo. Of: hadden ze maar niet….. Of: Het was ook beter geweest als……  En omdat we leven in een wereld waar nieuws ontzettend snel gaat, staan we ook ontzettend snel klaar met antwoorden en verklaringen.

 

Soms halen we daar God ook bij. Dan zeggen iets als: God geeft mensen geen grotere lasten dan ze kunnen dragen. Of: Hij zal er wel een bedoeling mee hebben. Dat is liefdeloze theologie. Eigenlijk gaan we op de stoel van God zitten als wij een ander gaan vertellen waarom hem of haar een kwaad lot heeft getroffen.

Prediker, realistisch als hij is, legt kort en bondig de zenuw bloot: ‘Geen mens kan in de toekomst zien. Hij weet alleen dat ieder mens hetzelfde lot wacht. Ben je een rechtvaardige, of een zondaar, goed en rein, of onrein, offer je wel of offer je niet, ben je goed of zondig, alle mensen treft hetzelfde lot.’ (Prediker 9: 2-3)

 

En op dat spoor zit ook Jezus. Er komen mensen naar hem toe met het verhaal dat pelgrims, vrome mensen dus, tijdens het brengen van een offer door soldaten van Pilatus zijn vermoord. Wat vindt Jezus daar van? Jezus raadt hun gedachtegang en vraagt: Denken jullie dat die slachtoffers grotere zondaars waren? Jezus heeft zelf ook nog een voorbeeld: die achttien bouwvakkers die omkwamen tijdens de bouw van een toren, hadden die dat verdiend?

 

trage vragen

‘Zeker niet!’ zegt Jezus daarover. Er is geen verband tussen het lot en hoe mensen leven. De waaromvraag is een vraag zonder antwoord. En zeker een vraag zonder snel antwoord. Het is een trage vraag.  (‘trage vragen’, Harry Kunneman, hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek)

Een trage vraag dwingt je om afstand te nemen. Om een oordeel even op te schorten; om het aanwijzen van een verantwoordelijke of oorzaak even uit te stellen; en ook om het verlangen naar een antwoord op je vraag te laten voor wat het is.

Wie weet hoe de dingen zich zullen ontwikkelen en of de storm die jouw leven heeft getroffen niet ook iets nieuws, iets goeds, jouw leven laat binnenwaaien. Wie weet hoe dingen rijpen, groeien als we het geduld kunnen opbrengen om te leven met vragen, met onopgeloste zaken, met niet afgehechte rafels aan de zoom van ons bestaan. Trage vragen brengen ons bij ons vertrouwen in de dag van morgen. Of in God.

Jezus laat de vraag naar het waarom verder liggen. Ook hij heeft geen antwoord en dat is tot het einde zo gebleven. Hij kwam op een punt in zijn leven dat hij uitriep: ‘Mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ (Psalm 22) De vraag zonder antwoord had voor hem in ieder geval een adres. Hij kan gesteld worden in het vertrouwen dat een antwoord niet nodig is voor wie God nabij heeft. Wat je ook overkomt, God is er in ieder geval bij; zelfs de haren op je hoofd zijn geteld. Wees dus niet bang. (Lucas 12:7) Maar doe iets anders met de vraag naar het waarom.

 

inkeer

Kom tot inkeer. Anders zul je op dezelfde manier omkomen. Je hebt geen leven, zegt Jezus, als je op een afstand blijft staan en mensen veroordeelt omwille van wat hen overkomen is. Je bevind je op een heilloze weg als iemand lijdt en jij op zoek gaat naar de schuld. Je bent geen toeschouwer. En met je handen kun je ook iets anders doen dan wijzen. Aan wiens kant sta je eigenlijk?

We mogen weten aan welke kant God staat. Hij ziet en hoort de ellende van mensen. (onze lezing uit Exodus 6:2-8). Hij is geen God die de straf op de zonde laat volgen (Psalm 103) maar een God die vergeeft. Wij zijn op weg gegaan met een God die wij in het oog houden en die ons in het oog heeft. Hij staat niet aan de kant van Alzheimer, terrorisme, kanker of orkaan. Maar aan onze kant. En aan die kant, daar hoor jij te staan. Kom tot inkeer. Jezus trekt de mensen weg bij het kwade en het lijden waaraan zij niets kunnen doen -de moord op de pelgrims, het ongeluk met de toren- naar het kwade en het lijden waaraan zij wél iets kunnen doen.

Willen we toeschouwer zijn, buiten schot blijven? Of nemen we verantwoordelijkheid waar dat kan, voor elkaar, voor de nood van de wereld. En daar ligt de brug naar Jezus’ voorbeeld van de vijgenboom.

 

vijgenboom

Een vijgenboom die geen vrucht draagt; en de eigenaar van de boom wordt ongeduldig en zou de boom het liefst afschrijven, omhakken. Je hebt er zo niets aan.

Als je goed luistert hoor je: wees geen mens waar je niets aan hebt. Leef niet vruchteloos. Als mensen lijden, toon compassie. Als mensen verdriet hebben, wees een schouder. Als mensen nood hebben, kom in actie. En stop alsjeblieft die vinger in je zak.

Dat was de voornaamste boodschap van Jezus: dat mensen elkaar nodig hebben en dat alleen zó Gods koninkrijk de kans krijgt. Dat was niet voor iedereen een populaire boodschap en het bracht spanning en conflict. Toch bleef Jezus geduldig als de wijngaardenier. Hij schreef niemand af maar zorgde met liefde en aandacht voor de mensen. Hij gaf de ruimte om eigen groei te ontdekken en te ontwikkelen. Hij behield hoop dat mensen vrucht zouden dragen. Dat zijn evangelie vrucht zou dragen. En mocht het allemaal niets worden, dan zou híj niet degene zijn om de mens af te schrijven.

Mar 12, 2019

draagkracht

draagkracht

 

tekst uitgesproken tijdens de vesper op 10 maart

 

afbeelding: Simon van Cyrene, Sieger Köder

 

Lucas 23:26Toen ​Jezus​ werd weggeleid, hielden de ​soldaten​ een zekere Simon van Cyrene aan, die net de stad binnenkwam. Ze legden het ​kruis​ op zijn rug en lieten het hem achter ​Jezus​ aan dragen. 

 

Beste Simon,

ik zag het gebeuren.

Hoe jouw weg bij toeval zijn kruisweg kruiste.

Ze hielden je aan om zijn kruis te dragen.

Dwingen hoefden ze je niet.

Je liep er niet voor weg.

Je keek niet alleen maar zwijgend toe.

Jij pakte op wat anderen lieten liggen.

Op die middag vol duisternis

waar zelfs de zon niets mee te maken wilde hebben

was jij een sprankje licht.

Te midden van alle spot en blinde razernij

waar de mens zich op zijn slechtst liet kennen

was jouw daad er een van goedheid.

En voor die man aan het kruis,

die gebukt ging onder het lijden

en besefte dat hij ging sterven

moet jij een teken zijn geweest

dat, hoewel een mens werd vermoord,

de menselijkheid zou overleven.

Jij was een strohalm van hoop

in een wanhopig moment.

Jullie gingen gebogen onder dezelfde last.

Zo droeg jij hem door de diepte heen.

Beste Simon,

je krijgt maar één regel in het Evangelie.

Maar zonder jou

zou ik het hart niet hebben om te zingen

van de Eeuwige die ons draagt,

die voorkomt dat we vallen.  

Soms draag je.

Soms word je gedragen.

afbeelding: 'Christ in the Wilderness', Briton Riviere (1898)

 

uit de Bijbel: Psalm 91: 1-4 en 11-12; Lucas 4: 1-13

 

een kostbare kwetsbare zaak

‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’ Die woorden klinken uit de hemel als Jezus is gedoopt. Gods Geest daalt op hem neer en vol daarvan gaat Jezus niet meteen aan de slag maar hij trekt zich terug in de woestijn. Na veertig dagen zwerven, zonder onderdak, zonder gezelschap en zonder eten is hij vermoeid en verzwakt, en kwetsbaar. Zal Jezus zich kunnen vasthouden aan het woord uit de hemel, aan de Geest die in hem is? Of zal hij kwetsbaar zijn en zich overgeven aan andere krachten en machten? Zal hij eraan gaan twijfelen dat hij Gods kind is?

 

Ons geloof is een kostbare zaak. Het kan bemoedigend zijn, troostend, het geeft houvast. Dat er een adres is om te bidden, liederen om op terug te vallen…. Als ik niet had geloofd dat God bij me was, had ik het niet gered, zeggen mensen soms. Of; ik voelde me gedragen. Een kostbare zaak, en tegelijkertijd een kwetsbare zaak. Er kan maar zo een moment komen dat we op de tast onze weg zoeken. Er zijn situaties dat we geconfronteerd worden met struikelblokken, met eenzaamheid, met honger, met woestijn. Of we worden gewoon in beslag genomen door andere dingen, ons gezin, ons werk, de dagelijkse dingen die ons opslokken. En dan ontdek je hoe kwetsbaar je geloofsbagage is. Het kan maar zo op de proef worden gesteld.

 

verwarring

We kunnen maar zo in verwarring worden gebracht over de waarde van ons geloof. Of we raken verstrikt in vragen, dilemma’s die ons in tweestrijd brengen. Iemand die ons voor de voeten gooit: jij gelooft toch in God? Waarom doet Hij niets aan de ellende in de wereld? Of: ik bid tot God? Waarom wordt mijn gebed niet verhoord? En: Ben ik écht wel Gods kind? Zal ik welkom zijn als ik moet sterven? Het lijken terechte vragen en tegelijkertijd weet ik dat er geen antwoorden zijn en dat we misschien andere vragen moeten stellen. Maar welke dan?

Het is precies dat wat ‘duivel’ is. Diabolos in het Grieks. Dat betekent: door elkaar gooien, verwarring zaaien. Als jij de Zoon van God bent….. zegt de door-elkaar-gooier. Als dat echt zo is…… door die openingszin is er ruimte gekomen voor ja én nee, voor twee antwoorden, voor Zweifel, tweestrijd. Vragen die in onszelf leven, of vragen van anderen, hebben die kracht in zich. Dat we beginnen te twijfelen. Twijfelen of we echt wel een kind van God zijn. Twijfelen of het allemaal wel waar is. Tweestrijd of God nu wel of niet bij je is.

 

De door-elkaar-gooier kent onze zwakke plekken en speelt daar met zijn vragen op in. Honger. Het gevoel iets tekort te komen, verlangen naar iets. Hij daagt Jezus uit om zijn honger te stillen en van een steen een brood te maken. Met die God van jou hoef je toch geen gebrek te lijden, je hoeft toch niet te kort te komen? Maar dat is natuurlijk niet waar. Ook de kinderen van God kennen gebrek, tekort. Wij hebben allemaal onze verlangens, die soms heel terecht zijn. Verlangen naar liefde, naar vrede. Verlangen naar een kind. Verlangen naar troost in ons verdriet. Verlangen naar iets of iemand die de leegte in ons vult. Kan God dat niet opvullen? Ziet hij ons soms niet?

 

broodnodig

De duivel ziet ook onze worsteling met de dood, de strijd, de honger en dorst, de kommer en koorts (NL 538:3) en biedt ons snelle antwoorden, snelle stilling van de honger. Hij heeft niets op met geduld, met volharding. Hij sluit jouw ogen voor wat er wél is; aan innerlijke kracht en uithoudingsvermogen, aan liefde en moed. Hij speelt in op jouw kinderlijk verlangen: ik wil het en ik wil het nu.

Maar een brood uit steen vult onze lege maag, voor even; dicht het gat in ons bestaan, voor even. Maar wat blijvend van waarde is niet het brood. Jezus zegt: De mens leeft niet van brood alleen. En je kunt er achter aan denken: ‘maar ook van de woorden die Heer spreekt.’ (Deut 8:3, Bijbel in Gewone Taal)

Gods woorden gaan voorbij datgene wat ons voor even gelukkig maakt. En ze brengen ons bij een oud verhaal over God zonen in de woestijn. Zwervend, zonder onderdak en bij vlagen hongerig, leerden zij te leven met tien woorden. Woorden die leven geven en behoeden, woorden die mensen aanwijzen op God en op elkaar, woorden die mensen ertoe inspireren om niet alleen voor het eigen geluk te gaan maar te leven in het breder perspectief van de samenleving die God voor ogen staat.

Tel eens tot tien. Daartoe riep politicus Kees van der Staaij ons deze week op in een open brief. Tel eens tot tien zodat je open staat voor een ander. Dát hebben we broodnodig. Wie tot tien kan tellen, leert de kracht van zijn eigen handen en vingers waarderen. Wie tot tien kan tellen, ziet door zijn gespreide vingers de ander. Wie tot tien kan tellen kan zijn handen ophouden om gevuld te worden met méér dan de snelle bevrediging of ze vouwen om te danken dat ons elke dag gegeven wordt wat we nodig hebben. We zingen het straks: ‘de mensen niet verlaten, Gods Woord zijn toegedaan, dat is op deze aarde de duivel wederstaan.’ (NL 538:4) 

 

vertrouwen

Nog een tweede keer wordt er duivelse verwarring gezaaid: Áls jij de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Jij gelooft toch dat engelen over je zullen waken? Jij vertrouwt er toch op dat God je niet te pletter zal laten vallen? Waarom spring je niet?

Is dat geloof? Dat je jezelf blindelings naar beneden stort en dat God maar moet voorkomen dat jou iets overkomt? Het is eerder hoogmoedig. Is dat vertrouwen: God zegene de greep en ik ga mijn eigen gang? Wat zegt dat over onze eigen verantwoordelijkheid, het grootste geschenk dat God ons heeft gegeven?

Heel slinks citeert de door-elkaar-gooier maar een deel van het Psalmvers (91:11). Engelen zullen toch over je waken, zegt de duivel. Hij vergeet erbij te citeren: ‘waar je ook gaat.’  In het oude vertaling lazen ze: ‘want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen;’

Wij geloven gaande de weg. God wijst ons wegen om over te gaan en zet ook richtingwijzers neer (een stuk of tien). Hij wijst ons de weg van de rechtvaardigen, de weg van de wet. (bijv Ps 1:6) En als we vallen, door eigen schuld, door het domme lot, dán is daar Gods draagkracht. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. En is ons gegund om hem niet op de proef te hoeven stellen. Hij ís er, waar we ook gaan. Zo heet hij. (Exodus 3)

 

nee en ja

Van oudsher leest de kerk op de eerste zondag van de veertigdagentijd het verhaal over de beproevingen. Dit verhaal zet de toon voor onze weg naar Pasen. Hoe zullen wij zinvol Pasen vieren? Door te resetten. En ons zelf weer eens de vraag te stellen: waar leef ik van? Wat houdt mij in leven? Wat zijn mijn koninkrijkjes, mijn verlangens die niets met God te maken hebben? En als laatste: wat draagt mij, wat is mijn grond onder de voeten? Al die vragen hebben antwoorden die van ons áf wijzen. Ze hebben te maken met de ander, met gerechtigheid, met Godsvertrouwen. Het zijn de antwoorden die Jezus gaf. En met deze vragen en zijn antwoorden gaan we onderweg naar Pasen.

Feb 28, 2019

Vasten

Vasten

 

Vasten is een trend.

Het past bij een tijd waarin de ene na de andere gezondheidshype opkomt. We eten geen vlees, of juist wel maar dan liever geen koolhydraten. We onthouden ons van suiker of van alcohol. Sommigen houden het zelfs langer vol dan alleen voor ‘dry january’. Veel mensen letten op wat ze (niet) eten vanwege hun gezondheid of hun slanke taille en hun uitstraling op Insta. We spreken zelfs van gezondheidsfreaks als we vinden dat mensen doorslaan.

Vasten in geloof heeft daarmee niet te maken. Je bent wél met jezelf bezig maar het is een vorm van bewustwording die goed is voor jouw als geheel: je lijf én je geest. Soms weet ons lijf beter dan ons hoofd wanneer het genoeg is geweest en wanneer het moment van onthouding gekomen is. Waarvan? Dat is voor iedereen anders.

Vasten gaat niet alleen jou aan maar ook anderen worden er beter van. Het is bezig zijn met een andere manier van consumeren die ten goede komt aan bijvoorbeeld het milieu, het dierenwelzijn. En als je je onthoudt van bijvoorbeeld vlees, alcohol of snoep of je besluit minder te douchen ben jij dan degene die profiteert van deze besparing of zijn dat anderen? Kerk in Actie nodigt uit om te vasten met de zogenaamde vastenkaart (zie: www.kerkinactie.nl) en koppelt daaraan een aantal projecten waaraan je het uitgespaarde geld kunt overmaken.

Vasten brengt je dichter bij elkaar, want ook anderen vasten in deze tijd. En het brengt je dichter bij God. Bidden op een volle maag maakt het lastiger om je aandacht erbij te houden en wie leeg is kan ook gevuld worden. Met inzicht, met liefde, met Gods nabijheid….. Logisch toch?

 

tips om te vasten

1. Nodig een paar vrienden uit voor een eenvoudige maaltijd en spreek met elkaar af waarin jij wilt minderen. Bijvoorbeeld met social media, met tv-kijken, met uitgaan. Kom elke week bij elkaar en bepreek je ervaringen.

 

2. Het komt er vaak niet van om in de Bijbel te lezen. Abonneer je op een app om elke dag in de Veertigdagentijd een tekst te lezen. Of lees het boek Exodus, dat heeft precies 40 hoofdstukken. (www.bijbelgenootschap.nl)

 

3. Door ons drukke leven lopen we soms aan mensen voorbij. Maak met jezelf een afspraak om in deze tijd extra aandacht te besteden aan iemand die dat nodig heeft: een zieke collega, een buurvrouw, een vriend(in) met een druk gezin….

 

4. Zoek een goed doel dat je wilt ondersteunen. Houd bijvoorbeeld bij hoeveel kilometer je aflegt in de auto en maak per kilometer een bedrag over. Eet eenvoudiger of zet voor elk paar schoenen in je kast een paar euro opzij.   

 

5. Bezoek een viering om bewust contact te maken met woorden die van waarde kunnen zijn: de oecumenische vespers in de RK-kerk in Oud-Beijerland of de Choral Evensongs. (www.deopenhofoudbeijerland.nl)

overweging op zondag 24 februari 2019 in PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Ester 8:3-8; 9:1-13 en 20-23

 

geweld in de Bijbel

De PKN heeft een boekje uitgebracht met tien moeilijke vragen. En een van die vragen gaat over geweld. ‘Hoort geweld bij geloof?’ (Met hart en ziel, 10 moeilijke vragen en hun antwoorden, 2011) Geweld is een probleem.

Voor veel mensen is het geweld in de Bijbel aanleiding om er niets (meer) mee te maken te willen hebben. En het is waar, met de Bijbel in de hand is veel geweld gebruikt of goed gepraat. De geschiedenis van de kerk der eeuwen heeft zo haar zwarte bladzijden, kruistochten, godsdienstoorlogen. Het wordt er ook niet beter op als we constateren dat in de wereld van vandaag veel geweld plaats vindt in naam van een god.

Wat moeten we met al die doden in het verhaal van Ester? Ter verdediging zouden we kunnen zeggen: die anderen zijn begonnen. De Joden passen hun recht tot zelfverdediging toe. Maar kunnen we daarmee geweld goed praten?

Het is vooral in het Oude Testament dat veel gewelddadige verhalen te vinden zijn: de Egyptenaren die in zee verdrinken, de inwoners van Jericho die omkomen als hun stad instort, de Filistijnen die in de pan worden gehakt door de rechters. Waarom toch? Omdat het kwade radicaal wordt afgewezen. God strijdt voor zijn volk Israël, met een machtige arm. Hij verjaagt de vijanden, maar hij beschermt de rechtvaardigen. (Psalm 68) We zien een rode draad lopen door de geschiedenis van God en zijn volk: hij zoekt rust voor hen, een vredige samenleving in een beloofd land, een leven zonder angst voor de vijand.  Het gaat in elk verhaal opnieuw om de afwijzing van het kwaad. En in elk verhaal zien we ook de omkering: het goede wint, het kwade wordt gestraft. Alles komt goed voor wie leeft met God.

 

Het is vandaag een heel zwart-wit verhaal, dat geen ruimte laat voor nuance. Maar: denk even aan de wolf, bij Roodkapje. Hoe liep het met hem af? En de heks bij Hans en Grietje? Of de stiefmoeder van Sneeuwwitje? De zwakke overwint, de sterke verdwijnt. Mordechai wordt onderkoning, Haman hangt.

Je hoort in dit verhaal het verlangen dat het ooit zo mag zijn. Je leest er de droom in dat het kwaad eens radicaal overwonnen zal zijn. Dat er gerechtigheid zal geschieden. Dat er vrede zal zijn voor Israël én de volken. (Jesaja 25)

 

goedpraten

Kunnen we het geweld dan zo goed praten? Kunnen we zeggen: zo wordt nu eenmaal de geschiedenis met God verteld? Kunnen we het probleem toedekken door terug te verwijzen Amalek, bijbels gezicht van het kwaad, van wie Haman een nakomeling is? Een nazaat, een zaadje van het kwaad dat groeien kon omdat het nog niet was uitgeroeid? Koning Saul had er de kans toe maar deed het niet. Hij liet de Amalekitische koning Agag  - Haman, zoon van Hammedata, nakomeling van Agag -  in leven. Lossen we het probleem op door te zeggen: het boek Ester is een vertelling die dat verzuim van koning Saul oplost?

Het lost waarschijnlijk ook niets op als we nog maar eens tegen elkaar zeggen: dit is  niet echt gebeurd. Het is een novelle die tot stand is gekomen om het Poerimfeest, dat al vroeg in de Joodse geschiedenis wordt gevierd, te verklaren. De vraag hoe het zit met geweld in de Bijbel, met geweld en God, kunnen we vermoedelijk nooit sluitend beantwoorden. 

 

moeite met geweld

Dat we moeite hebben met geweld past ons. Het zou beslist niet anders moeten. Wij noemen ons christenen. Wij volgen hem die het licht voor de wereld is. Die ons ook ‘licht’ noemde en ons de opdracht gaf elkaar te dienen, elkaar lief te hebben. (zie bijv: Mat 5:14; Joh 15:10) We weten beter. We weten van een God die liefde is. En die God roept ons, spreekt ons aan op ons mens-zijn.

Ik vond een citaat van Harry Mulisch uit De Aanslag, zijn boek over de Tweede Wereldoorlog (citaat gevonden in: Esther, Verklaring van een Bijbelgedeelte, Henk Abma)

Dit citaat begint met de stelling dat liefde licht is.

 ‘De haat is de duisternis, dat is niet goed. Hoewel, de fascisten moeten we haten en dat is wel goed. Hoe kan dat eigenlijk? Ja, dat is omdat wij ze haten in naam van het licht, terwijl zij alleen maar haten in naam van de duisternis. Wij haten de haat, en daarom is onze haat beter dan de hunne. Maar daarom hebben wij het ook moeilijker dan zij. Voor hen is alles is eenvoudig, maar voor ons is het ingewikkeld. Wij moeten een beetje in ze veranderen om ze te bestrijden, een beetje niet onszelf zijn, terwijl zij daar geen last van hebben; zij kunnen ons zonder problemen kapot maken. Wij moeten eerst onszelf een beetje kapot maken eer we hen kapot kunnen maken. Zij niet, zij kunnen gewoon zichzelf blijven, daarom zijn ze zo sterk. Maar omdat er geen licht in ze zit, zullen ze het uiteindelijk toch verliezen. Het enige is, dat wij moeten oppassen dat we niet te veel in ze veranderen, dat wij onszelf niet te veel kapot maken, want dan zullen ze uiteindelijk toch nog gewonnen hebben….. ‘

(in: De Aanslag, Harry Mulisch, 53-54)

 

Het is goed dat we moeite hebben met geweld omdat we af en toe ontdekken dat het ook in ons zit. Dat we haatgevoelens hebben die ons meesleuren de diepte in; dat we zo boos zijn dat we de nuance uit het oog verliezen. Het zit in ons om uit te halen om onszelf te verdedigen. Een verhaal als dat van vandaag stelt ons de vraag naar het geweld, de haat en boosheid in ons zelf. En hoe we daarmee omgaan.

 

Het is goed dat we moeite hebben met geweld omdat het ook onze ogen opent voor waar het kwaad begonnen is. We kunnen diegenen die zich verdedigen veroordelen, maar is dat niet al te makkelijk vanuit ons vrije Nederland? Is het niet juister dat we proberen te ontrafelen waar de onvrede zit, waar het onrecht zit, waar de wanhoop zit? Omdat we alleen dan werk kunnen maken van vrede, van gerechtigheid, van hoop?

Het is goed dat we moeite hebben met geweld. Want zijn er niet in ons dagelijks leven mensen die geweld wordt aangedaan? Nog altijd wordt Joden geweld aangedaan. Denk alleen al aan de incidenten van afgelopen week. Maar ook  kinderen wordt geweld aangedaan, aan ouderen, aan partners…. En is niet ook in de kerk kinderen geweld aangedaan door misbruik. Als we verontwaardigd zijn over geweld in de Bijbel, moeten we dat zeker ook zijn over geweld in het dagelijks leven.

 

we weten beter

Jezus heeft de Wet en de Profeten (ja, die boeken waarin het ook om geweld draait) een kernachtige samenvatting gegeven, een radicale toespitsing. Hij zei: Heb uw vijanden lief. En: keer je linkerwang toe als je op de rechterwang wordt geslagen. (Lucas 6: 27-31, Lucas 10:27)) Maar het hart van de Wet en de Profeten is: Behandel anderen dus zoals je zou willen dat ze jullie behandelen.

Die uitspraak van Jezus staat lijnrecht tegenover wat er in Ester wordt verteld. Het is een paradox in de Bijbel. En het is vanuit die paradox dat wij de geweldteksten in het Oude Testament lezen.

We kunnen er namelijk niet meer achter terug; we kunnen niet net doen alsof Jezus er niet is geweest; we kunnen niet negeren dat hij een ander licht heeft laten schijnen. En in dat licht moeten we zeggen dat sommige teksten geen zeggingskracht meer hebben, dat ze geen gezag meer kunnen uitoefenen. Die paradox van het evangelie werpt zijn licht over teksten over eerwraak, over man-vrouwverhoudingen, over geweld.

Leidt geloof tot geweld? Nee, geloof kan alleen tot gerechtigheid leiden.

Page 4 of 14