Oct 12, 2020

de uitnodiging

Gast aan tafel zijn bij God. Delen in een overvloed aan goed eten en mooie wijnen op een feest dat niet meer ophoudt. (Jesaja 25: 6-9) Niets te kort komen en een lange neus kunnen trekken naar je vijanden: want jij geniet de bescherming van je gastheer. (Ps 23)

Deze associaties roept Jezus op als hij zijn gelijkenis vertelt over de bruiloft en het feestmaal. Het koninkrijk van de hemel is een koning die een feest geeft; het koninkrijk van de hemel is een uitnodiging die je alleen maar hoeft te accepteren. Maar de bruiloftsgasten willen niet komen.

 

Jesaja 25: 6-9

 

6 Op deze berg richt de HEER van de hemelse machten

voor alle volken een feestmaal aan: uitgelezen gerechten en belegen wijnen,

een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen.

7 Op deze berg vernietigt hij het waas dat alle volken het zicht beneemt,

de sluier waarmee alle volken omhuld zijn.

8 Voor altijd doet hij de dood teniet.

God, de HEER, wist de tranen van elk gezicht,

de smaad van zijn volk neemt hij van de aarde weg

– de HEER heeft gesproken.

9 Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God!

Hij was onze hoop: hij zou ons redden.

Hij is de HEER, hij was onze hoop. Juich en wees blij: hij heeft ons gered!’

 

Mijn God, mijn herder zorgt voor mij, NL 23c

 

Matteus 22: 1-14

 

22 1 Daarop vertelde ​Jezus​ hun opnieuw een ​gelijkenis:

2‘ Het is met het ​koninkrijk van de hemel​ als met een ​koning​

die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon.

3 Hij stuurde zijn dienaren eropuit om de bruiloftsgasten uit te nodigen,

maar die wilden niet komen.

4 Daarna stuurde hij andere dienaren op pad met de opdracht:

“Zeg tegen de genodigden: ‘Ik heb een feestmaal bereid,

ik heb mijn stieren en het mestvee laten slachten.

Alles staat klaar, kom dus naar de bruiloft!’” 

5 Maar ze negeerden hen en vertrokken, de een naar zijn akker,

de ander naar zijn handel.

6 De overigen namen zijn dienaren gevangen, mishandelden en doodden hen.

7 De ​koning​ ontstak in woede en stuurde zijn troepen eropaf,

hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.

8 Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren: “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de gasten waren het niet waard genodigd te worden.

9 Ga daarom naar de toegangswegen van de stad

en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt.”

10 De dienaren gingen de straat op en brachten zo veel mogelijk mensen samen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd. 11 Toen de ​koning​ binnenkwam om te zien wie er allemaal ​aanlagen,

zag hij iemand die zich niet in bruiloftskleren gestoken had,

12 en hij vroeg hem:

“Vriend, hoe ben je hier binnengekomen

terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?” De man wist niets te zeggen.

13 Daarop zei de ​koning​ tegen zijn hofdienaars:

 “Bind zijn handen en voeten vast en gooi hem eruit, in de uiterste duisternis,

waar men jammert en knarsetandt.

14 Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.”’

 

een uitnodiging voor een feest

Wat een snertverhaal! In mijn herinnering zit een ander verhaal. Ik herinner het mij zoals Lucas het vertelt: de een heeft een akker gekocht waar hij naartoe wil; een ander wil een nieuw span ossen gaan bekijken en weer een ander is net getrouwd. Zij laten zich verontschuldigen. Zij hebben andere prioriteiten. Schandalig natuurlijk, maar het blijft zonder gevolgen. (Lucas 14: 16-24)

Matteus zet het veel scherper neer: de genodigden willen niet komen. Er zijn er zelfs die de dienaren van de koning mishandelen en doden. Dan is er dat incident met degene die geen bruiloftskleed en ook nog dat akelige laatste vers: Velen zijn geroepen maar slechts weinigen zijn uitverkoren. Met dat vers in de hand is meer kwaad dan goed aangericht. Voor velen heeft het geklonken als een dreigement, een donker perspectief van verloren gaan en niet behouden blijven.

 

We zouden het toch liever leuk houden. Een mooi verhaal over God die de mensen uitnodigt voor een feest; iedereen mag komen. We zouden toch niets liever willen dan dat iedereen dan kwam. Zoals Jesaja vertelt. (Jesaja 25) We zouden iedereen willen binnenlaten en liever niets horen over duisternis, gejammer en tandengeknars.

Van God verwachten we toch ook dat hij alles goed zal maken: de macht van de dood wegnemen, de tranen van de gezichten vegen. Het is toch die droom die Jezus in herinnering roept als hij begint te vertellen over een feestmaaltijd. Maar God is geen sussende ouder die alles in orde maakt en wegkust. En wij zijn geen onmondige kinderen. Volwassen in alle opzichten, ook in onze relatie tot de Eeuwige, weten we dat onze daden niet zonder gevolgen blijven. En dat onze morele keuzes er toe doen. Dat horen we in dit verhaal. Op het scherpst van de snede, dat wel.

 

Nico ter Linden vertelt hoe hij dit verhaal aan de kinderen op school voorlas en hen vroeg hoe het nou kon dat niemand wilde komen. Een jongetje steekt dan zijn vinger op en zegt: Ze zijn bang dat ze hem moeten terugvragen. Dat zou het kunnen zijn. De koning wil de liefde vieren maar de mensen houden hem op afstand. Ze hebben belangrijker dingen aan hun hoofd. Eigen zaken en zorgen hebben prioriteit boven het feest van de liefde. Let op: telkens als het in de Bijbel gaat over een bruiloft ontbreekt de bruid. Ook hier: de koning geeft een bruiloftsfeest voor zijn zóón, de bruidegom. Maar van een bruid is geen sprake. Want dat zijn wij! Het feest voor de zoon, dat is Gods nieuwe wereld, zijn koninkrijk op aarde. De ontbrekende bruid, dat is de gemeente.

woede

Niet alleen wijzen de genodigden de uitnodiging af, vertelt deze gelijkenis. De dienaren worden mishandeld en gedood. De koning wordt woedend; hij laat de moordenaars ombrengen en de stad in brand steken.

Zou God écht zo zijn. Dat kunnen we toch niet geloven?

 

Matteus gebruikt expres deze harde woorden. Als hij begint met schrijven weet hij dat de dienaren van God de koning, Johannes en Jezus, zijn mishandeld en gedood. Hij heeft de stad Jeruzalem zien branden. Nog altijd herinnert de Triomfboog in Rome eraan dat keizer Titus de stad belegerde en dat een miljoen mensen omkwam. Diep geschokt kan Matteus dit niet anders zien dan als een oordeel dat zijn volk over zichzelf heeft afgeroepen. Omdat zij Jezus niet konden volgen in zijn liefde. Omdat zij de uitnodiging van God niet konden aannemen. Als wij dit verhaal doorvertellen moeten we het zó doen dat de worsteling en de wroeging van Matteus en de joodse gelovigen van die tijd daarin doorklinkt. We moeten het zó vertellen dat het verdriet van díe tijd erin meeklinkt.

 

Maar in de loop van de eeuwen hebben niet-joden zich meester gemaakt van dit verhaal en ervan gemaakt dat het joodse volk zo schuldig is dat het vervangen is door een ander godsvolk, de christenen. Dat is gevaarlijke theologie en zo heeft Matteus het niet bedoeld. De droom van Jesaja blijft staan: Gods lieveling en eersteling Israël zal met de volken optrekken naar de heilige berg voor een feestelijke maaltijd. Laten we daar om blijven bidden.

 

herkansing

Terug naar het verhaal. Opnieuw laat de koning een uitnodiging rondbrengen. Bij de mensen die zich ophouden op de toegangswegen naar de stad. Buiten de poorten bevinden ze zich. Ze participeren niet in de samen-leving. Vreemde kostgangers zijn het. Zowel goede als slechte mensen. En ze zijn allemaal even welkom: met alles wat hen is gelukt en alles waarin zij hebben gefaald, met hun gebreken, met alles wat ze hebben en alles wat ze missen, met hun goede bedoelingen en hun zonden. Niet omdat hij houdt van ons zoals we zijn maar omdat hij potentieel ziet. Hij ziet in ons wie we kunnen zijn; als we niet meer blind zijn, als we niet meer doof zijn, als we niet meer verlamd blijven zitten waar we zitten. God neemt ons aan zoals we zijn maar hoopt op vernieuwing van ons denken en doen. Geloven betekent onherroepelijk veranderen, groeien. Je bent ergens op aanspreekbaar.

 

bruiloftskleed

De mensen op het feest, goede en slechte mensen, hebben één ding gemeen: zij dragen een bruiloftskleed. Een mantel.

 

Het is de mantel van de goede wil, om te leven naar Gods Woord. We hullen ons in onze goede bedoelingen. Wij kleden ons, zoals Paulus schrijft, in medeleven, in goedheid, in bescheidenheid, in geduld. Je mag ons aan ons jasje trekken als het gaat om het vergeven van een ander.

Het is tegelijkertijd de mantel van Gods good-will. Zijn milde blik over ons, zijn vergeving. Zijn mantel van liefde die bedekt wat er mis ging. En ons weer in de vrijheid zet, vrij van het verleden, met een toekomst voor ons. Nieuwe kansen.

(Kol 3:12,14 en Jes 61: 10)

Dat is die mantel. Wie hem past, trekke hem aan. Maar wee je gebeente als je die jas niet aantrekt. Jezus vertelt hoe de man zonder bruiloftskleed naar buiten wordt gegooid, geboeid aan handen en voeten.  

 

eruit!

Gemeente, dit beeld wordt niet geschetst om te vertellen dat het zo ís. Maar om de urgentie en de noodzaak aan te geven. Het is belangrijk om de uitnodiging voor het feest niet alleen aan te nemen maar om je ook in te zetten voor het slagen van dat feest.

De uiterste duisternis is niet de plek die God voor ons maakt, maar de toestand waarin we terecht komen als we ons niet meer hullen in waarden als liefde, verdraagzaamheid en goedheid. De man die naar buiten wordt gegooid geeft extra nadruk, extra gewicht aan de uitnodiging. God is er niet op uit om ons te laten mislukken. Het gaat hem juist aan het hart dat wij erbij zijn. Er mag geen mens verloren gaan.

This entry was posted in Preken

overweging op zondag 16 augustus 2020        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

uit de Bijbel: Matteus 11: 16-19

 

rekkelijken en preciezen

Als we onze tekst binnenstappen horen we Jezus verzuchten: Waarmee zal ik de mensen van deze generatie vergelijken? Die verzuchting vindt zijn oorsprong in de boodschap die hij ontvangen had van leerlingen van Johannes de Doper. Johannes zit op dat moment in de gevangenis en hij vraagt zich af of Jezus de Messias is of dat zij een ander moeten verwachten. De wegbereider en profeet begint te twijfelen. Misschien wel omdat hij en Jezus zo verschillend te werk gaan in hun verkondiging van het koninkrijk van de hemel.

Johannes is een precieze, een man van de regels en de moraal. Hij spreekt streng en hard en roept de mensen op zich te bekeren voordat het te laat is. ‘De bijl ligt al aan de wortel’ roept hij. ‘Wie geen goede vrucht draagt, wordt omgehakt.’ (Mat 3: 10) Hij staat voor een sobere levensstijl, voor vasten. De ernst van het leven ontgaat hem niet. Veel mensen komen op Johannes af. Ze laten zich door hem dopen. Mensen die inderdaad tot inkeer komen, spijt hebben van hun oude leven en opnieuw willen beginnen. Anderen stellen dat hij bezeten is. Dáár doen ze niet aan mee.

 

En dan heb je Jezus. Hij eet met tollenaars en zondaars; hij vast niet en lust wel een glaasje wijn. Hij interpreteert de wetten van Mozes op een rekkelijke manier en zoekt daarin naar ruime. Hij gebruikt regelmatig het beeld van een bruiloft of een feest om iets duidelijk te maken. Veel mensen laten zich raken door zijn verkondiging. Ze weten zich bevrijd van ziek, zorg, zonde. Ze zijn onder de indruk van zijn preken en door zijn wonderdaden menen ze iets van God in hem te zien. Anderen veroordelen hem en noemen hem een dronkaard en een zondaarsliefje. Dáár doen ze niet aan mee.

 

 

wij hebben op de fluit gespeeld  

En dáár zit dus ook het probleem.

Alsof het kinderen zijn roepen ze naar elkaar: toen wij op de fluit speelden, willen jullie niet dansen. Wij speelden bruiloftje en jullie deden niet mee.

Nee, roepen de anderen. Wij zongen een klaaglied en speelden begrafenisje.

En toen deden jullie niet mee.  

De een verwijt de ander spelbreker te zijn.

Wat er op het spel staat is het koninkrijk van de hemel. Een nieuwe tijd die elk moment kan aanbreken. Dát was de boodschap van Johannes. Én van Jezus. Het ging om een belangrijke ommekeer in de tijd. En het nemen van de juiste geloofsbeslissing was een urgente zaak. Maar al wat mensen doen is steggelen over wat de juiste manier is.  

 

verdeeldheid

Het voorbeeld van Jezus speelt zich af op de markt, het middelpunt van de stad waar wordt gefeest, gehandeld, gedanst en gerouwd. Het is het leven zelf.

Er zullen momenten in ons leven zijn dat het nodig is om kritisch naar onszelf te kijken en tot inkeer te komen. Of om te reflecteren op de tradities en wetten van voorheen. Er zullen momenten komen dat het leven ons tot stoppen dwingt en wij ons beklag zingen over wat ons overkomt.

Evengoed zullen we redenen hebben om te zingen, om te vieren. Om mensen te omarmen, fouten te vergeven en te zoeken naar een ruime interpretatie van wat beschreven is.

En zo zit het ook in mensen. We hebben de preciezen. Mensen die een situatie ernstig en met het oog op de regels benaderen. Dat zijn de mensen die moeiteloos de vinger op de zere plek leggen; die waarschuwen voor risico’s of impopulaire maatregelen nemen. Anderen zijn er beter in om te zoeken naar vernieuwing, naar ruimte. De rekkelijken zoeken naar de mazen in de wet, naar mogelijkheden.

Zo verzet de een zich tegen mondkapjes, de ander waagt zich niet eens naar buiten. De een houdt vast aan ‘zo zijn de regels’ en de ander vraagt zich af of je dat niet ook anders kunt interpreteren.

Het is de doodsteek voor de toekomst als we in de verdeeldheid blijven hangen en alleen ons ongenoegen uiten over de somberheid van de een of de overmoedigheid van de ander. Volgens mij is dat wat we nu polarisatie noemen. Hard naar elkaar roepen, elkaar verwijten maken spelbederver te zijn en vervolgens niet alleen die ander maar ook onszelf buitenspel zetten.

 

Gods wijze plan

En toch, zegt Jezus, en toch is de Wijsheid door heel haar optreden in het gelijk gesteld. Ik vond het een moeilijke zin. De Bijbel in Gewone Taal vertaalt: Maar het wijze plan van God komt uit.

Het begon met de vraag van Johannes of Jezus degene was die werd verwacht of toch iemand anders. En Jezus gaf als boodschap mee terug: kijk om je heen. Vertel Johannes dat blinden weer zien, verlamden lopen en zieken genezen zijn. Gods koninkrijk wacht niet. Dat gaat door. 

 

 

En wil je daar bij zijn? Wil je daaraan je bijdrage leveren. Dát is de vraag. Het is dus de kunst om in alle omstandigheden te zoeken naar de wijsheid, naar wat God van ons vraagt. Iets in de trant van Johannes? Of meer zoals Jezus? De wijsheid van God stroomt door beide rivieren. En de kansen voor Gods koninkrijk dienen zich in beide aan.

 

This entry was posted in Preken

korte overweging op zondag 29 maart 2020

gezamenlijke viering van de classis Delta in De Open Hof – Oud-Beijerland

We maken ons in deze periode zorgen om het coronavirus.

 

uit de Bijbel: Matteus 7: 24-27

 

Aan het begin van deze week zagen we premier Rutte die niet genoeg kon benadrukken dat het toch écht de bedoeling is om de richtlijnen niet alleen aan te horen maar ook op te volgen. Hij deed een beroep op ons aller gezond verstand. Om niet onverschillig of onnadenkend te zijn en tóch groepen op te zoeken, tóch massaal op pad te gaan.

Wel horen maar er niets mee doen heeft gevolgen. Mensen worden ziek. En het verziekt ook onze omgang met elkaar. We zijn scherp naar elkaar, veroordelend.

 

Jezus zegt: die woorden van mij, moet je niet alleen horen maar ook doen. Hij heeft gesproken over gerechtigheid. Over het koninkrijk van de hemel. Grote woorden. Ver van mijn bed, kun je denken.

Maar Jezus brengt ze dichtbij door te spreken over zout, over een lamp op een standaard, over dagelijks brood, eten en kleding. Heel huiselijk.

Hij spreekt over het samenleven van mensen met huiselijke beelden. Hoe ga je om met je broeder, je zuster? Hoe ga je om met je vrouw, met je man? En hoe benader je de mensen in je omgeving? Ook weer heel dichtbij en alledaags.

 

De gelijkenis van het huis op de rots is het slot van Jezus’ bergrede. Eigenlijk een soort samenvatting. En hij nodigt uit om positie te kiezen. Waar bouw jij je huis op? Waar bouw jij je bestaan op? Kies jij het perspectief van Gods nieuwe wereld of zit jij vast in je eigen wereld?

Bied jouw leven ook onderdak aan anderen of gaat het alleen maar om jou en sluit jij ramen en deuren?

 

Voor het bouwen van een leefbaar huis, zegt Jezus, is levenswijsheid nodig. Gezond verstand. En waar dat ontbreekt, wordt het leven een puinhoop. Daar staan mensen in de kou. Daar worden mensen beschadigd of onrechtvaardig behandeld.

 

Het is verstandig om je in je keuzes te laten beïnvloeden door Jezus’ woorden. Het getuigt van gezond verstand als je de ander ook in het vizier hebt bij hoe jij je leven inricht.

Ons leven zal hierna niet meer hetzelfde zijn. We komen tot de ontdekking waarin we onnadenkend zijn geweest. Dwaas zelfs. Door deze wereldwijde crisis ontdekken we wáár onze samenleving op drijfzand is gebouwd. En waar de gemeenschap wordt ondergraven omdat wij als los zand langs elkaar heen hebben geleefd.

We herontdekken wat ons bestaan écht draagt en vormt. Wij zijn een huis voor elkaar, van levende stenen.

 

Jezus’ woorden impliceren dat er een fundament is gelegd waarop wij het huis van ons leven en samen leven kunnen bouwen. Een stevige basis die gevormd wordt door Gods woord. Hij heeft ons gezegd wat goed is. (Micha 6:8)

Een fundament dat ook gelegd wordt door zijn handen die ons bestaan dragen. Vandaag en alle dagen. We kunnen op Hem bouwen.

This entry was posted in Preken
Feb 10, 2020

in de ruimte

overweging op zondag 9 februari 2020            PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

met gebruikmaking van de tekening van Rembrandt:

Jezus en de overspelige vrouw, 1655

 

uit de Bijbel: Johannes 7: 37- 8: 11 en 59

 

in het midden

Tijdens onze reis door Afrika hebben we kennis gemaakt met de mensen in een Himba-dorp. De gids vertelde ons dat elk kind dat geboren wordt een eigen lied meekrijgt. De moeder zingt dat lied voor haar nog ongeboren kind en leert dat lied ook aan de vader, aan de mensen van de stam. Zo heeft elk kind, elke volwassene zijn eigen lied. Daarmee wordt het welkom geheten op de wereld. En als het kind huilt, als het zich bezeert, of als er reden is tot vreugde, wordt dát lied gezongen. Dat lied kenmerkt de mens.

Maar dat lied wordt ook gezongen als iemand een misdaad heeft begaan; als iemand een ander heeft beschadigd. Diegene wordt in het midden gezet. De dorpelingen vormen een kring om hem of haar heen en zingen zijn geboortelied. Als een herinnering aan de identiteit; als een vraag ‘zo bén jij toch niet?!’ In die kring wordt ruimte geboden om te inkeer te komen en te veranderen, goed te maken. Vanuit het midden mag de foutenmaker zijn plaats in de gemeenschap weer innemen.

 

De vrouw die bij Jezus wordt gebracht staat op een heel andere manier in het midden. Op heterdaad betrapt op overspel. Volgens de Wet van Mozes zou ze gestenigd moeten worden. Rembrandt maakte er deze tekening bij. Links zien we de vrouw die bij Jezus is gebracht. Gebogen. Hulpeloos. Haar hele houding laat zien dat ze er niet bij wil zijn. In haar hand heeft ze een grote zakdoek. Niemand die geïnteresseerd is in háár. Links praat een groepje met elkaar. En de anderen zijn vooral geïnteresseerd in wat Jezus doet.

 

er om heen

Want daar is het allemaal om begonnen. Niet alleen over de vrouw, ook over Jezus is een oordeel uitgesproken. De schriftgeleerden en Farizeeën vinden het niets dat mensen met Jezus weg lopen; in hem de Messias zien. Zou er uit Galilea iets goeds kunnen komen? Vast niet. Zoals de vrouw bij Jezus wordt gebracht om veroordeeld te worden, zal later Jezus bij Kajafas worden gebracht, en bij  Pilatus. Hij zal in het midden worden gezet, veroordeeld door de omstanders, mikpunt van spot.

 

De vrouw in het midden is maar een middel om Jezus op de proef te stellen en hem aan te kunnen klagen. Haar ellende, haar verdriet wordt door niemand echt gezien. Zij speelt geen rol maar is een pion in het machtsspel van mannen. En in Gods huis, met de Tora als wapen, wordt zij misbruikt.

 

We kennen de verdrietige verhalen van mensen die veroordeeld zijn door de goegemeente, soms met de Bijbel in de hand. De vrouw die van haar man scheidde; de jongen die op jongens viel; de verliefden die vóór hun huwelijk een kind verwachtten en schuld moesten belijden. We kennen de Malle Babbes en de mannen in het stijf lakense pak. (lied van Rob de Nijs)

We weten hoe hard mensen kunnen oordelen en veroordelen. We weten het ook omdat we zelf soms die mensen zijn. Met onze woorden kunnen wij mensen treffen alsof het stenen zijn. Genadeloos zijn we soms voor een ander.

 

op de grond

De mannen zien de vrouw niet. En Jezus keurt de mánnen geen blik waardig. Hij geeft geen antwoord op de vraag wat hij ervan vindt om de vrouw te stenigen. Hij laat zich niet uit zijn tent lokken over de interpretatie van de wet. Hij bukt zich en schrijft met zijn vinger op de grond. Jezus leest hen niet de les maar haalt de brand uit de situatie door iets totaal anders en onverwacht te doen. Nu zijn alle ogen gericht op hém.

 

Als Jezus zich bukt worden onze ogen meegetrokken naar beneden. Onze blikrichting wordt bepaald door wat laag is. Heel zijn leven heeft Jezus de ogen van de omstanders daar naar toe getrokken, naar wie vernederd wordt, naar wie laag is want zondig of ziek. Jezus staat niet aan de kant van de stenengooiers maar aan de kant van de vrouw. En daar hoort hij ook, als zoon van de Vader die omziet naar wie kwetsbaar zijn.  In ditzelfde hoofdstuk (8:23) zal Jezus tegen de mensen zeggen: ‘Jullie zijn van beneden. Ik ben van boven.’ Wij zijn aarde-gebonden. Jezus is hemel-gebonden.

Jezus trekt onze aandacht naar de grond. ‘Aarde’ staat er in het Grieks (gèn). De aarde waaruit wij allemaal ontstaan zijn. Geschapen uit aarde met Gods Geest als onze levensadem. Daarin is niemand een haar beter dan de ander. Wij leven allemaal van diezelfde adem, van diezelfde goedheid. In Gods ogen zijn we allemaal even klein en kwetsbaar. Wat geeft ons dan het recht anderen te kleineren en te beschadigen.

 

nogmaals het midden

Als we nog eens kijken naar de tekening van Rembrandt dan kunnen we ons afvragen waar hij nu eigenlijk onze aandacht naar toe wil hebben. Meestal is dat wat in het midden is, het belangrijkste. In het midden onderaan wordt onze aandacht getrokken door de hand van Jezus. Wat zou hij schrijven? Daarover is heel wat af gefilosofeerd en niemand die het weet. Zou het een citaat uit het Oude Testament zijn? Iets uit de Tien Woorden? Of schrijft hij iets om het weer uit te wissen; alsof hij zeggen wil zand erover?

Misschien is het niet eens belangrijk wát hij schreef maar dát hij schreef. Hij creëert rust in een onrustige situatie. Hij schept ruimte. Bedenktijd.

Die ruimte heeft Rembrandt laten zien in wat echt in het midden is: niets. Het lijkt een soort schuttinkje waar twee mannen overheen leunen maar op enkele lijnen na is het leeg. Een ruimte tussen de schrijvende vinger van Jezus en de vrouw waarop niemand let en die ook uitstraalt ‘let maar niet op mij’. Een ruimte die ingekaderd wordt door de omstanders die ook gericht zijn op dat lege midden. Wat is er in die ruimte mogelijk?

 

Als de omstanders bij Jezus blijven aandringen, zegt hij: wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen. Jezus spreekt geen oordeel uit. Hij confronteert de Schriftgeleerden met hun eigen zwakheden.

Hij vraagt hen niet te oordelen over het hart van de medemens, maar te kijken in het eigen hart. Hebben zij het zelf ook niet nodig om mild bekeken te worden? Hebben zij niet zelf de barmhartigheid van anderen nodig?

In een groep is het makkelijk maar Jezus spreekt hen aan op hun eigen geweten, op hun persoonlijke verantwoordelijkheid.

Net als de omstanders toen weten wij dat niemand van ons eraan ontkomt om anderen teleur te stellen of te kwetsen. We zullen soms tekortschieten in onze zorg voor elkaar, in de liefde, in onze verantwoordelijkheid op het werk, of onze verantwoordelijkheid voor de schepping. Als je alleen maar zó naar anderen kijkt, naar jezelf, als je alleen maar ziet dat we altijd tekort schieten, dat we schuldig staan tegenover elkaar, tegenover God, dan heb je geen leven. Leven met schuldgevoelens maakt ons klein, ongelukkig. We hebben het nodig dat er een kring om ons heen is die ons herinnert aan wie we werkelijk zijn. Een ruimte die ons vrij maakt.    

 

ga naar huis

In de ruimte tussen de schrijvende vinger van Jezus en de schuldbewuste vrouw kan zelfreflectie ontstaan, berouw, inkeer. Én vergeving, een nieuw begin.

Iedereen sprak óver de vrouw. Nu spreekt Jezus mét haar. ‘Heeft niemand je veroordeeld?’ ‘Niemand’, zegt ze. ‘Ook ik niet’, zegt Jezus. Hij is immers niet gekomen om te oordelen maar om te redden. Om op te richten in plaats van klein te maken. Niet om te vernederen maar om vernederd te worden.

We weten hoe het eindigt. De schuldige wordt vrijgesproken. En hij, onschuldig als een lam, vangt alle agressie op. Alsof hij de plaats inneemt van die vrouw… van wie maar schuldig is. ‘Ga naar huis en zondig vanaf nu niet meer’. Ze is vrij, vrijgesproken. Dat is de ruimte die Jezus geeft.

Later zullen we weer horen over een lege ruimte, een leeg graf. Die ruimte spreekt ook van vergeving, nieuw beginnen. Van leven. En laten leven.

 

(Ik heb gebruik gemaakt van het boek: Wij hebben ongelofelijke dingen gezien. Johannes vanuit de kunst gelezen, Anne-Marijke Spijkerboer, Meinema 2004)

This entry was posted in Preken

tekst bij Jesaja 35: 1- 6a en Marcus 2: 1-5   Aangepaste Gezinsdienst zondag 31 maart in de Eendrachtskerk te Zuid-Beijerland  

interviewer

-Ik sta hier in Kafarnaum, voor het huis van Jezus. Het was daar vandaag ontzettend druk. Er waren heel veel mensen gekomen om naar hem te luisteren. Het huis puilde gewoon uit en er kon niemand meer naar binnen. Naar buiten trouwens ook niet. Het stond mudje vol.

 

Ik vraag het eens aan iemand die erbij was.

Mevrouw, u was hier vanmiddag. En u wilde naar binnen. Wilt u daar iets over vertellen.

 

vriendin

-Wij waren dus speciaal gekomen vanmiddag. We wilden graag dat onze vriend Jezus zou ontmoeten. Onze vriend kon niet lopen. Wij namen hem altijd mee. Met z’n vieren droegen we hem dan. Je bent tenslotte vrienden van elkaar.

Dat is niet altijd leuk hoor. Een gehandicapte vriend. Als wij wilden opschieten, dan kon dat dus niet. We wilden ook wel eens zonder hem weg. Maar dan misten we hem toch. En dan namen we hem toch maar weer mee. En we wilden hem dus ook meenemen naar Jezus. Voor hem zelf hoefde dat niet zo.

 

interviewer

-Bij ons staat ook uw vriend. Ik zie dat u weer kunt staan en kunt lopen.

 

verlamde man

-Ja, dat gaat goed. Ik kan weer springen als een hert. Een wonder.

Maar, ik moet eerlijk zeggen…. van mij hoefde het niet zo nodig. Om naar die Jezus te gaan. Ik zag het niet zitten om er naar toe te gaan. Ik geloofde er ook niet in dat ik beter zou worden. Ik was de moed een beetje verloren. Ik was al bij zoveel dokters geweest en niemand die me beter had kunnen maken. Het kon me dus eigenlijk niet zoveel schelen dat we niet naar binnen konden.

 

vriendin

-Maar het kon ons dus wel iets schelen! Je kan toch nooit weten. Je moet toch moed houden. Dus toen hebben we hem op een matras gelegd en hem meegesjouwd. Hij (wijst) lag een beetje te mopperen: we kunnen er toch niet door. Laten we maar weer naar huis gaan.

Maar wij moesten en zouden naar binnen. Maar hoe we ook duwden, we konden er niet door.

We hebben het nog met een grapje geprobeerd en ‘brand’ geroepen. Toen gingen er wel een paar mensen opzij, maar het was niet genoeg om bij Jezus te komen.

 

interviewer

-En ondertussen lag u op dat matras. Wat ging er door u heen?

 

verlamde man

-Ik dacht, laten we maar naar huis gaan. Het wordt toch weer niks.

 

vriendin

-Maar daar dachten wij dus anders over. Moed verloren, al verloren. We hebben eerst gekeken of er een achterdeur was. Die was er niet. Maar wel een trap, een trap naar het dak. We keken elkaar eens aan en we dachten hetzelfde: naar boven! Ik had gelukkig een stuk touw in mijn zak zitten.

 

interviewer

-U heeft heel bijzondere vrienden.

 

verlamde man

-Ja, dat weet ik nu ook. Maar ik had er op dat moment nog steeds geen vertrouwen in. Ik lag te mopperen dat ik het niet wilde, en dat ik het eng vond. Ik ben misschien wel een beetje lastig geweest. Nu denk ik er anders over, hoor.

 

interviewer

-Vertel…..

 

verlamde man

-Ik zakte dus naar beneden. En toen keek Jezus omhoog. Ik zag meteen dat hij het niet erg vond dat hij een gat in zijn dak had. Zo lief keek hij. Hij zag mij écht. Hij zag geen mopperende lastpak. Hij zag geen zeurpiet, die niet meer geloofde dat de dagen mooi zijn. Hij zag mij écht. En toen zei hij: ik vergeef je alles wat je verkeerd hebt gedaan. Toen voelde ik me zo licht, zo opgelucht, dat ik kon opstaan. En ik pakte mijn matras op en ik liep weg.

 

interviewer

-En dat allemaal dankzij je vrienden.

 

verlamde man

Ja, hun vertrouwen heeft mij gered.

 

vriendin

-Nou nou… wij hebben je alleen maar bij Jezus gebracht. Dat is toch niks bijzonders. Dat doe je toch, voor een vriend!?

 

interviewer

 

-Dat was dus een bijzondere middag, hier in Kafarnaum. Even leek het alsof het allemaal waar was, wat Jezus vertelde. Dat Gods nieuwe wereld dichtbij is.

 

This entry was posted in Preken

afbeelding: 'Christ in the Wilderness', Briton Riviere (1898)

 

uit de Bijbel: Psalm 91: 1-4 en 11-12; Lucas 4: 1-13

 

een kostbare kwetsbare zaak

‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’ Die woorden klinken uit de hemel als Jezus is gedoopt. Gods Geest daalt op hem neer en vol daarvan gaat Jezus niet meteen aan de slag maar hij trekt zich terug in de woestijn. Na veertig dagen zwerven, zonder onderdak, zonder gezelschap en zonder eten is hij vermoeid en verzwakt, en kwetsbaar. Zal Jezus zich kunnen vasthouden aan het woord uit de hemel, aan de Geest die in hem is? Of zal hij kwetsbaar zijn en zich overgeven aan andere krachten en machten? Zal hij eraan gaan twijfelen dat hij Gods kind is?

 

Ons geloof is een kostbare zaak. Het kan bemoedigend zijn, troostend, het geeft houvast. Dat er een adres is om te bidden, liederen om op terug te vallen…. Als ik niet had geloofd dat God bij me was, had ik het niet gered, zeggen mensen soms. Of; ik voelde me gedragen. Een kostbare zaak, en tegelijkertijd een kwetsbare zaak. Er kan maar zo een moment komen dat we op de tast onze weg zoeken. Er zijn situaties dat we geconfronteerd worden met struikelblokken, met eenzaamheid, met honger, met woestijn. Of we worden gewoon in beslag genomen door andere dingen, ons gezin, ons werk, de dagelijkse dingen die ons opslokken. En dan ontdek je hoe kwetsbaar je geloofsbagage is. Het kan maar zo op de proef worden gesteld.

 

verwarring

We kunnen maar zo in verwarring worden gebracht over de waarde van ons geloof. Of we raken verstrikt in vragen, dilemma’s die ons in tweestrijd brengen. Iemand die ons voor de voeten gooit: jij gelooft toch in God? Waarom doet Hij niets aan de ellende in de wereld? Of: ik bid tot God? Waarom wordt mijn gebed niet verhoord? En: Ben ik écht wel Gods kind? Zal ik welkom zijn als ik moet sterven? Het lijken terechte vragen en tegelijkertijd weet ik dat er geen antwoorden zijn en dat we misschien andere vragen moeten stellen. Maar welke dan?

Het is precies dat wat ‘duivel’ is. Diabolos in het Grieks. Dat betekent: door elkaar gooien, verwarring zaaien. Als jij de Zoon van God bent….. zegt de door-elkaar-gooier. Als dat echt zo is…… door die openingszin is er ruimte gekomen voor ja én nee, voor twee antwoorden, voor Zweifel, tweestrijd. Vragen die in onszelf leven, of vragen van anderen, hebben die kracht in zich. Dat we beginnen te twijfelen. Twijfelen of we echt wel een kind van God zijn. Twijfelen of het allemaal wel waar is. Tweestrijd of God nu wel of niet bij je is.

 

De door-elkaar-gooier kent onze zwakke plekken en speelt daar met zijn vragen op in. Honger. Het gevoel iets tekort te komen, verlangen naar iets. Hij daagt Jezus uit om zijn honger te stillen en van een steen een brood te maken. Met die God van jou hoef je toch geen gebrek te lijden, je hoeft toch niet te kort te komen? Maar dat is natuurlijk niet waar. Ook de kinderen van God kennen gebrek, tekort. Wij hebben allemaal onze verlangens, die soms heel terecht zijn. Verlangen naar liefde, naar vrede. Verlangen naar een kind. Verlangen naar troost in ons verdriet. Verlangen naar iets of iemand die de leegte in ons vult. Kan God dat niet opvullen? Ziet hij ons soms niet?

 

broodnodig

De duivel ziet ook onze worsteling met de dood, de strijd, de honger en dorst, de kommer en koorts (NL 538:3) en biedt ons snelle antwoorden, snelle stilling van de honger. Hij heeft niets op met geduld, met volharding. Hij sluit jouw ogen voor wat er wél is; aan innerlijke kracht en uithoudingsvermogen, aan liefde en moed. Hij speelt in op jouw kinderlijk verlangen: ik wil het en ik wil het nu.

Maar een brood uit steen vult onze lege maag, voor even; dicht het gat in ons bestaan, voor even. Maar wat blijvend van waarde is niet het brood. Jezus zegt: De mens leeft niet van brood alleen. En je kunt er achter aan denken: ‘maar ook van de woorden die Heer spreekt.’ (Deut 8:3, Bijbel in Gewone Taal)

Gods woorden gaan voorbij datgene wat ons voor even gelukkig maakt. En ze brengen ons bij een oud verhaal over God zonen in de woestijn. Zwervend, zonder onderdak en bij vlagen hongerig, leerden zij te leven met tien woorden. Woorden die leven geven en behoeden, woorden die mensen aanwijzen op God en op elkaar, woorden die mensen ertoe inspireren om niet alleen voor het eigen geluk te gaan maar te leven in het breder perspectief van de samenleving die God voor ogen staat.

Tel eens tot tien. Daartoe riep politicus Kees van der Staaij ons deze week op in een open brief. Tel eens tot tien zodat je open staat voor een ander. Dát hebben we broodnodig. Wie tot tien kan tellen, leert de kracht van zijn eigen handen en vingers waarderen. Wie tot tien kan tellen, ziet door zijn gespreide vingers de ander. Wie tot tien kan tellen kan zijn handen ophouden om gevuld te worden met méér dan de snelle bevrediging of ze vouwen om te danken dat ons elke dag gegeven wordt wat we nodig hebben. We zingen het straks: ‘de mensen niet verlaten, Gods Woord zijn toegedaan, dat is op deze aarde de duivel wederstaan.’ (NL 538:4) 

 

vertrouwen

Nog een tweede keer wordt er duivelse verwarring gezaaid: Áls jij de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Jij gelooft toch dat engelen over je zullen waken? Jij vertrouwt er toch op dat God je niet te pletter zal laten vallen? Waarom spring je niet?

Is dat geloof? Dat je jezelf blindelings naar beneden stort en dat God maar moet voorkomen dat jou iets overkomt? Het is eerder hoogmoedig. Is dat vertrouwen: God zegene de greep en ik ga mijn eigen gang? Wat zegt dat over onze eigen verantwoordelijkheid, het grootste geschenk dat God ons heeft gegeven?

Heel slinks citeert de door-elkaar-gooier maar een deel van het Psalmvers (91:11). Engelen zullen toch over je waken, zegt de duivel. Hij vergeet erbij te citeren: ‘waar je ook gaat.’  In het oude vertaling lazen ze: ‘want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen;’

Wij geloven gaande de weg. God wijst ons wegen om over te gaan en zet ook richtingwijzers neer (een stuk of tien). Hij wijst ons de weg van de rechtvaardigen, de weg van de wet. (bijv Ps 1:6) En als we vallen, door eigen schuld, door het domme lot, dán is daar Gods draagkracht. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. En is ons gegund om hem niet op de proef te hoeven stellen. Hij ís er, waar we ook gaan. Zo heet hij. (Exodus 3)

 

nee en ja

Van oudsher leest de kerk op de eerste zondag van de veertigdagentijd het verhaal over de beproevingen. Dit verhaal zet de toon voor onze weg naar Pasen. Hoe zullen wij zinvol Pasen vieren? Door te resetten. En ons zelf weer eens de vraag te stellen: waar leef ik van? Wat houdt mij in leven? Wat zijn mijn koninkrijkjes, mijn verlangens die niets met God te maken hebben? En als laatste: wat draagt mij, wat is mijn grond onder de voeten? Al die vragen hebben antwoorden die van ons áf wijzen. Ze hebben te maken met de ander, met gerechtigheid, met Godsvertrouwen. Het zijn de antwoorden die Jezus gaf. En met deze vragen en zijn antwoorden gaan we onderweg naar Pasen.

This entry was posted in Preken
Dec 17, 2018

Wat kan ik doen!

overweging op zondag 16 december 2018 PG De Open Hof, Oud-Beijerland

derde zondag van Advent

 

uit de Bijbel: Lucas 3: 7-18

 

donderpreek

Johannes gaat er met gestrekt been in: ‘Addergebroed’ noemt hij de mensen die gekomen zijn om zich te laten dopen. Denkt dit gespuis nu werkelijk dat het ergens goed voor is om zich te laten dopen? De doop is geen magisch ritueel waardoor je je eigen gang kunt blijven gaan zonder de consequenties te hoeven aanvaarden. Een slecht mens die zich laat dopen is nog steeds een slecht mens. Bij de doop hoort omkeer, inkeer, vernieuwing. Je kunt je er niet op laten voorstaan dat je door geboorte hoort bij Gods volk. Het zal gaan om jou zelf; om de vruchten die jij draagt. En als jij geen goede vruchten draagt zou je net zo goed omgehakt kunnen worden; de bijl erin en in het vuur ermee.

Die rechtlijnigheid van Johannes heeft te maken met zijn geloof dat Gods koninkrijk snel zal aanbreken. Die hoop groeide onder de spanning van de Romeinse overheersing en de toenemende sociale ongelijkheid. Er was haast bij en er kon geen sprake zijn compromissen. Je ging er voor of niet en dat had eeuwigdurende consequenties. Met dat alles kondigt Johannes de komst van de Mensenzoon aan.

Het is me wel een donderpreek! En het mooie is dat de mensen er niet voor weglopen. Kennelijk komt Johannes oprecht over in zijn bezorgdheid, in zijn kritiek. Hij spreekt mensen aan. En ze vragen hem: ‘Wat moeten we dan doen?’

 

Wat moeten we dan doen?

Ik vind dat een prachtige vraag. De mensen staan open voor de mogelijkheid dat er iets veranderen kan en dat zij zelf daaraan kunnen bijdragen. ‘Wat kan ik doen’ klinkt zo heel anders dan ‘kan ik er wat aan doen’. Daarmee schuiven we alle verantwoordelijkheid van ons af. Of wat dacht je van: ‘Daar is toch niets aan te doen.’ Of: ‘Ik kan niets doen, want ik heb het druk, ik heb andere prioriteiten, een ander kan het beter….’ ‘Wat kan ik doen’ geeft bereidwilligheid aan. En de hoop op verbetering. De mensen bij Johannes geven ermee aan dat ze betrokken willen worden in zijn verkondiging van Gods koninkrijk. ‘Practice what you preach.’

Het blijkt verrassend eenvoudig om een vernieuwd mens te zijn, met de neus in de richting van Gods nieuwe wereld. Heb je twee stel onderkleren? Deel dan met wie er geen heeft en doe hetzelfde met je eten. Johannes roept niet op tot grote daden; hij heeft geen helden nodig. Al lijken heldendaden soms eenvoudiger dan om vriendelijk te blijven of eerlijk te leven.

‘Wat moet ik doen’, vragen de tollenaars. In plaats van hen de les te lezen dat ze om te beginnen helemaal geen tollenaar moeten willen zijn, zegt Johannes dat ze niet meer tol moeten vragen dan voorgeschreven is. Blijf eerlijk binnen de grenzen van je beroep en maak geen misbruik van de macht die jou gegeven is.

‘Wat moet ik doen’, vragen de soldaten. En ze krijgen geen preek dat ze de wapens neer moeten leggen maar dat ze betrouwbaar moeten zijn.

Wees betrouwbaar in je werkomgeving. Ik denk dat dat voor veel mensen al een hele tour is. Weten je collega’s of je manager überhaupt dat jij gelovig bent? En de eisen die je werk aan je stellen kunnen soms haaks staan op wat jij gelooft. Toch gaat het Johannes daar om. Om solidariteit, om fatsoen, om rechtvaardigheid. Om medemenselijkheid.

De vraag wat je kunt doen betekent dat je in je eigen werkelijkheid zoekt naar mogelijkheden. Want je christen-zijn kan niet zonder gevolgen blijven. Dus vraag je je af wat jij kunt doen aan de milieuproblematiek, of aan maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wat kun je doen in de opvoeding van je kinderen? Of als je boodschappen doet?

 

wan

Door mensen op te roepen tot verandering bereidt hij de weg voor de komst van de Messias. Door bij onszelf te rade te gaan wat wij in onszelf zouden kunnen veranderen, bereiden wij ons voor op de geboorte van Jezus. Die inkeer en zelfreflectie zou ertoe kunnen leiden dat wij onszelf onder de maat vinden. Dat we overtuigd raken van de gedachte ‘dat een mens geneigd is tot alle kwaad’ en niet in staat tot enig goed. (Heidelberger Catechismus zondag 3, vraag 8)

Juist deze derde zondag van Advent wil ons niet mineur brengen maar roept ons op tot vreugde: Gaudete! Want ondanks al onze remmingen en beperkingen, ondanks onze praktische bezwaren weten we best dat we sterk genoeg zijn om iets te veranderen.

Als kind heb ik altijd verkeerd begrepen wat Johannes zegt over Jezus: ‘hij houdt de wan in zijn hand om de dorsvloer te reinigen.’ en: ‘Hij zal het kaf in onblusbaar vuur verbranden.’ Bij de wan dacht ik aan een soort roe, zoals Piet die vroeger had. Een strafwerktuig. Dat beeld past ook bij de donderpreek van Johannes. Maar de Messias blijkt heel anders, veel zachtmoediger dan Johannes.

Geen bijl, geen vuur, geen roe.

Een wan is een platte mand. Daarin gaan de gedorste graankorrels. Met vliesjes en al. Kaf en koren gaan in de mand, goede en slechte mensen. De wan wordt om en om geschud. De vliesjes verwaaien op de wind. Dat kaf zal worden verbrand en er zal niets van overblijven. Johannes roept: pas op dat jij dat kaf niet bent. Dan ben je op een heilloze weg en niet meer te redden. Het is niet te laat om je leven te beteren.

 

Of misschien is het wel zo dat ik die graankorrel ben, kaf en koren tegelijkertijd. Een mens met heel zijn hebben en houwen, met zijn falen en fouten, met zijn mislukking en onwil. En zijn goede wil en vreugde, met zijn liefde. De mand wordt geschud door de Heer en wat verwaait is dat wat verkeerd was, dat wat schaamtevol was. Dat wordt niet meer gezien. Maar wat terugvalt telt veel zwaarder: de vrucht van mijn leven. De wan is een teken van genade. Gods uitgestoken hand. Toegestoken om ons te redden uit machteloosheid, heilloosheid, schuldgevoel, reddeloosheid.

‘Wat kan ik doen?’ De vraag stellen betekent hem beantwoorden. En dan begint het. 

This entry was posted in Preken
Jun 10, 2018

In vogelvlucht

Leven met God in vogelvlucht

10 juni, PG De Open Hof, Oud-Beijerland

de adelaar: Deuteronomium 32: 10b-12

(foto: Bas Verschoor) 

 

de adelaar: Deuteronomium 32: 10b-12

 

Hij omringde het met zorg en met ​liefde,

koesterde het als zijn oogappel.

11Zoals een arend over zijn jongen waakt

en voortdurend erboven blijft zweven,

zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt,

12zo heeft de HEER zijn volk geleid,

hij alleen: geen andere god stond hem bij. 

vliegles

 

Onze oudste zat al tijden op zwemles en nog steeds zwom ze in het ondiepe bad. Ze vertrouwde niet op de kracht van haar armen en benen. En de draagkracht van het water vertrouwde ze al helemaal niet. Op een dag was ik het zat en zei tegen de badmeester: gooi haar maar in het diepe. Natuurlijk sprak ik eerst bemoedigende woorden; en natuurlijk stond de badmeester klaar met een haak. Ze werd in het diepe gegooid en ze zwom weg.

Nog vele malen heb ik het gevoel gehad dat ik mijn kinderen in het diepe gooide. Eigenlijk bij alles wat zij voor het eerst gingen doen. Vaak ging het goed; soms ging het fout en dan schoten we reddend te hulp. Als ouder weet je: ze zijn niet bestemd voor het veilige pierenbadje; je kunt ze niet bij je houden. Ze zijn bestemd om te vliegen.

 

Een arend gooit haar jong niet uit het nest in het diepe. Ze voedt het en begeleidt het naar zijn sprong in het diepe. Na enkele weken begint het jong te springen en vleugelbewegingen te maken. Soms wordt hij even door de wind opgetild, waardoor het lijkt alsof hij weg gaat vliegen.

En op een dag maakt hij echt zijn eerste vlucht.  Soms helpt moeder door enkele meters buiten het nest te gaan zitten met wat voedsel. Maar als de vleugels nog te zwak zijn, of het jong gaat de mist in, dan stort het neer. En moeder grijpt niet in!

 

Kijk, zegt Mozes tegen zijn volk, als hij vlak voor zijn dood afscheid van hen neemt. Kijk, dat is nou het verschil met de Eeuwige, onze God. Zoals de arend zijn nest en het jong voortdurend in het oog houdt, zo verliest God zijn volk nooit uit het oog. Zoals een arend boven zijn nest zweeft om op de vlucht te jagen, zo zweeft God boven zijn volk en schrikt Hij de vijanden af. Maar waar de arend haar jong niet op vleugels draagt, doet God dat bij zijn volk wel! Hij draagt ons met de kracht van zijn liefde, op de adem van zijn Geest.

Vergeet niet, zegt Mozes, dat jullie geboren zijn om te vliegen. Niet om in Egypte te blijven hangen. Niet om je ziel en zaligheid aan afgoden te verkopen. Jullie zijn bestemd om zelfbewust en verantwoordelijk te leven met elkaar en tot Gods eer. Niet om het pierenbadje van het bestaan te poedelen maar om risico’s te nemen, te leren en af te leren, om te stijgen tot grote hoogten, om in stormen terecht te komen en op je vleugels te vertrouwen. En op God.

 

de mus: Psalm 61: 3 ber. en Matteus 10:28-31

 

Laat me als een kleine vogel schuilen mogen

waar Gij uw vleugels om mij slaat.

Want Gij weet wie ik mij wijdde, dat ik zeide:

Heer, Gij zijt mijn toeverlaat.

 

'En weest niet bevreesd voor hen, die wèl het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. 29Worden niet twee ​mussen​ te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. 30En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld. 31Weest dan niet bevreesd: gij gaat vele ​mussen​ te boven.' NBG ‘51

schuilen

Iemand zei tegen me: ik word zo moe van naar de kerk gaan. In de preek hoor je altijd maar wat je moet dóen. Ik denk dat dat klopt. Voor een groot gedeelte gaat geloven over ethiek, normen en waarden. Zo komt geloven naar buiten; zo krijgt het handen en voeten. Wie kijkt met gelovige ogen, ziet wat de wereld om hem heen, de mens naast haar, tekort komt. Wie Jezus volgt, weet dat daarbij hoort dat je je aan zijn geboden houdt. Gods liefde kreeg immers lichaam in hem. En nu hij regeert in de hemel, zijn wij dat lichaam waarin Gods liefde woont op aarde.

Toch gaat daar iets boven uit. Want maatschappelijke betrokkenheid is niet alleen aan christenen voorbehouden.

Sociale bewogenheid is niet wat een gelovig mens ten diepste kenmerkt. Het is het besef dat wij in de barheid van dit bestaan een veilig nest hebben om op terug te vallen. Het is het vertrouwen dat wij, wat wij ook doormaken, ons ook klein mogen maken, zonder zwak gevonden te worden.

Want er is een Vader, een Moeder, een schoot vol ontferming. Wij zijn in ons wezen afhankelijk. Wat wij nodig hebben wordt ons gegeven. Door de genade, Gods goedheid, mogen we licht door het leven gaan.

We zingen zo een couplet van een van mijn liefste liederen. De laatste regel is zo hoog dat je op je tenen moet staan om erbij te kunnen. Soms is het nu eenmaal zo dat je er niet bij kunt, dat God bij je is.

Het persoonlijk leven van de dichter, Paul Gerhardt -hij leefde in de 18e eeuw- kende veel verdriet. Door een conflict met de overheid werd hij uit zijn predikantenambt gezet. Hij verliest twee van zijn jonge kinderen en daarna ook zijn vrouw. Vanuit dat hartverscheurende leven komt hij toch met een lied dat zingt dat een mens mag schuilen bij God. Ja zelfs, dat het allemaal weer goed komt. Ik zei al, soms moet je op de tenen van je geloof gaan staan. In de Trouw van woensdag stond het zo: Geloof is een besef dat zich nauwelijks onder woorden laat brengen. Een besef dat ook nog weer eens kan wankelen, dat half vergeten raakt in het dagelijks gewoel.

 

de duif: Matteus 10: 16

 

'Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif.' 

integer

Jezus’ leerlingen hadden met uitdagingen te maken toen Jezus hen uitzond om het koninkrijk te verkondigen. Het evangelie maakt je kwetsbaar want het is een boodschap die dwars tegen de werkelijkheid ingaat. Het legt de vinger op de zere plek en daagt uit om andere prioriteiten te stellen. Je maakt je er niet altijd populair mee. We leven in een tijd dat de kerk aan relevantie verliest. En persoonlijk lopen we in het dagelijks verkeer ook liever niet te koop met ons geloof. Toch zijn ook wij ‘gezondenen’. Ik vraag me af wat Jezus’ aansporing voor ons kan betekenen.  

 

Behoud de onschuld van een duif. Ik heb het voor mezelf vertaald met: behoud de integriteit van een duif. De beste dienst die wij het evangelie kunnen bewijzen is door te leven naar wat wij belijden; door aanspreekbaar te zijn op wat wij geloven. Durven wij op ons werk ook de menselijke maat te hanteren of gaat het alleen om efficiëntie en winst? Doen we mee aan geroddel of stellen we er een ander geluid tegenover? Laten we ons meeslepen door de waan van de dag of zoeken we onze rust en stabiliteit in het Evangelie? Zoeken we confrontatie of dialoog? Niet om de braafste leerling van de klas te zijn maar wel omdat we ons ervan bewust zijn dat aan ónze goedheid Gods goedheid af te lezen valt. Wij zijn het lichaam van Christus; dat lichaam waarin God woonde op aarde.

We hoeven niet naïef te zijn in onze onschuld. We zijn tenslotte ook oplettend als een slang. Zo blijven we als christen in balans en zoeken we onze weg in een harde wereld die wel wat zachtheid gebruiken kan. In de woorden van Paulus vind ik een kernachtige samenvatting van het leven als duif: Laat u niet overwinnen door het kwade maar overwin het kwade door het goede. (Rom 12:21)

Een duif keert altijd terug naar degene die hem gezonde heeft. Zo mogen wij steeds terugkeren naar God; om door hem gevoed te worden, om nieuwe krachten op te doen. En ons opnieuw te laten zenden.

This entry was posted in Preken

overweging op zondag 11 maart 2018 PG De Open Hof

4e zondag van de veertigdagentijd

 

Johannes 6: 35; 41-51

 

ik ben het brood

Je brood verdienen; je de kaas niet van het brood laten eten; zoete broodjes bakken. Brood is: werken, vechten voor je plekje onder de zon en vrienden worden met de juiste mensen. Wie het minder voor elkaar heeft moet droog brood eten, en als het ons goed gaat gaan de dingen als warme broodjes over de toonbank. Brood gaat over leven dat bestaat uit werken. Dit brood moet je verdienen.

 

Bijbels brood is ander brood. Bijbels brood komt uit de hemel. Het is het manna in de woestijn waardoor het volk leerde vertrouwen dat God voor hen zou zorgen. Bijbels brood is Tora. Want een mens leeft niet van brood alleen, maar van het woord van God. (Deut 8:3) Bijbels brood is genadebrood, geschenk van God.

Ik ben dat brood uit de hemel, zegt Jezus. In mij wil God zelf zich aan jullie geven.

Maar de mensen om Jezus willen daar niet aan. Zij zitten vast in dat brood op de plank, dat nodig is om te leven. Dát moet Jezus hen geven. Maar wat Jezus je wil geven, wat hij voor je kan zijn, kun je niet verdienen of ergens mee winnen. Je kunt het niet afdwingen en je hebt er geen recht op; het wordt je gegeven.

 

verlangen

Wij zijn allemaal op onze eigen manier drukke mensen. En veel van onze drukte, veel van ons zorgen, heeft te maken met brood op de plank, liefst met een goede boterham. Veel van onze energie en tijd zit in onze baan of opleiding, in ons huis, in zorgen om materiele dingen. We besteden veel aandacht aan hoe we er uit zien en aan beetje fit blijven. Veel van onze tijd zit ook in bezorgdheid om elkaar, mantelzorg. Ons geluk is -denken we- maakbaar. Het léven is maakbaar. Het is allemaal in onze hand.

En toch lopen we er soms in vast. Of we worden stilgezet door een onverwachte gebeurtenis als ziekte, een burn-out, ontslag.

We vragen ons af wat de zin is van al dat drukke gedoe. We vragen ons af of we er wel toe doen. Onrustig zijn we; even van ons a-propos want we vinden geen vervulling meer in wat we normaal gesproken doen. Er zit een verlangen in ons naar….. naar gezien worden zoals we zijn, naar stilte, naar iemand die luistert; een verlangen naar leren aanvaarden dat de dingen soms zijn zoals ze zijn, naar vrede met ons zelf, met God.

 

Wat Johannes bloot legt is dat ons verlangen altijd groter is dan wat het leven ons te bieden heeft. We zijn nooit vrij van honger naar meer of dorst naar iets anders. We blijven op zoek. Streven naar meer en hoger. Eigenlijk zegt Johannes met zijn evangelie: zoek niet meer. Er wordt jou iets aangeboden: leven! Leven zoals het hoort te zijn. Leven om het leven zelf. Als hij klaar is met zijn evangelie schrijft Johannes eronder: Dit heb ik opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God en opdat u door te geloven lééft door zijn naam. (Johannes 20:31)

 

protest

Jezus’ optreden heeft veel mensen tegen de haren ingestreken. Johannes noemt ze steevast ‘de joden’. Zij protesteren. Murmureren als eens Gods volk in de woestijn. Liever de vleespotten van Egypte -dat was tenminste duidelijk- dan de onzekere weg van het Godsvertrouwen. Jezus’ prediking is onaanvaardbaar voor veel mensen. Als hij spreekt over liefde, noemen zij de regels waaraan je je moet houden. Als hij spreekt van bevrijding, noemen zij de macht van de zonde. Het zijn die mensen die menen de waarheid in pacht te hebben; de mensen die weten hoe het eigenlijk hoort. Schrift-geleerden. Het zijn die mensen die vandaag met de Bijbel in de hand iedereen vertellen wat wel kan en niet en op grond daarvan anderen veroordelen, buitensluiten. Het is een verstikkende interpretatie van Gods Woord en van geloven. Dat is geen leven.

 

leven

Jezus houdt mensen leven voor. Leven in nauwe verbondenheid met God; leven voor en met elkaar. Mensen die elkaar willen dienen, die willen delen van wat ze hebben, die elkaar de voeten willen wassen. Bij onze voorbereiding afgelopen woensdag maakten we daarbij de kanttekening: we ontvangen om het ook weer te delen met anderen. Voeding voor onze ziel, kracht uit de hoge, de aansporing om niet alleen te leven voor ons eigen brood op de plank.

Huub Oosterhuis schreef daarbij: ‘Wie zijn leven niet wil geven, niet wil delen, met een ander, gaat verloren.

Wie wil geven wat hij heeft, die zal leven, opgegeten, die zal weten dat hij leeft.’ Dat is misschien geen makkelijk leven, of een rijk leven, maar wel een gezegend leven. Een broodnodige manier van mens-zijn. Een leven met de kwaliteit van de eeuwigheid. Eeuwig leven.

Want zo benoemt Johannes de keuze voor Jezus: je krijgt in je geloof deel aan alles waar hij voor staat. Je deelt in het brood, in het licht, in zijn Geest. Je krijgt al deel aan de vernieuwde aarde. Wie leeft met Jezus, wordt uitgedaagd zó te leven dat het impact heeft, dat het meebouwt aan de aarde die God voor ogen staat. Daar zal geen afbreuk aan worden gedaan. Het is eeuwig. Het behelst ook de belofte dat wij op de laatste dag door hem gewekt zullen worden.

Dat wij ook in onze dood geborgen zullen zijn bij hem. Als wij avondmaal vieren voelen we ons dan ook des te meer verbonden met die mensen die ons in geloof zijn voorgegaan, onze geliefden.

Jezus zegt: wie bij mij komt, zal geen honger meer hebben. Vandaag kómen we. We lopen naar voren, met lege handen. We pakken het met beide handen aan: Gods liefde en goedheid die in Jezus gestalte heeft gekregen.

This entry was posted in Preken
Feb 26, 2018

God ging voorbij

overweging op 25 februari 2018 in PG De Open Hof

tweede zondag van de Veertigdagentijd

 

uit de Bijbel: 1 Koningen 19: 3-18 en Marcus 9: 2-10

 

het is genoeg geweest

Kijk nou toch! Daar ligt Elia, weggekropen onder een bremstruik.

Hij is gevlucht voor koningin Izebel die gezworen heeft geen profeet in leven te laten.

Het is genoeg geweest!

Sommigen zullen het herkennen:

het loodzware besef voor een verloren zaak te strijden.

Ik denk aan ouders en grootouders die er verdriet van hebben

dat zij hun geloof niet hebben kunnen overbrengen

aan hun kinderen en kleinkinderen.

Wat heeft het voor zin je geloof vast te houden

als je het levensbelang ervan niet hebt kunnen doorgeven aan het nageslacht.

Ik denk aan het enthousiasme van mensen

die dromen hoe de dingen beter kunnen worden.

Ze lopen de benen uit hun gat voor acties, collectes

maar voelen wel aan dat hun enthousiasme niet aanslaat bij anderen.

Ik denk aan mijzelf, aan al die mensen die blijven geloven in een kerk, in een God,

terwijl mensen om je heen je voor gek verklaren dat je nog bij die club wilt horen

en jij alleen komt te staan.

 

Het is genoeg geweest.

Zeggen mensen die moegestreden zijn; weerloos tegen de overmacht van de pijn;

ik kan niet meer, zeggen mensen die zoveel duisternis ervaren dat zij geen licht meer zien. Ik wil niet meer, zeggen zij die zich vertwijfeld afvragen wat God met hen voor heeft. Die bremstruik van Elia, daar zitten mensen die we kennen. Daar zitten we soms zelf. Opgebrand. Innerlijk leeg.

 

engelen

Goddank voor engelen die ons opzoeken bij die bremstruik van teleurstelling en mislukking. Ze schudden ons wakker, ze voorzien ons van voedsel om overeind te blijven. Zonder verwijten. Zonder te gaan preken. Maar gewoon praktisch.

Die engelen vertellen ons dat Elia dan wel wil opgeven.

Maar God geeft Elia niet zomaar op.

Elia mag zich voelen zoals hij zich voelt, maar hij moet wel verder.

Hij mag niet ten onder gaan aan zijn teleurstelling en zijn zelfbeklag.

Een tweede engel wijst hem de weg.

Waar Elia het doel en de zin van zijn leven was kwijtgeraakt

wordt hem nu gewezen dat er een reis is, een weg te gaan.

En als er een weg is om te gaan, is er ook een bestemming.

Goddank voor engelen die hun ogen op de weg houden en voor God die hen stuurt.

 

door de woestijn

Gesterkt door het brood en de bemoediging van de engelen gaat Elia weer op weg. Hij gaat naar de Horeb, de berg van God.

Elia reist veertig dagen en veertig nachten.

Bijbelse tijd om aan te duiden dat er iets geleerd kan worden,

dat Elia zich klaar mag maken om te ontvangen van de Allerhoogste.

Goedbeschouwd loopt Elia terug naar de bronnen van zijn geloof, naar zijn wortels.

Want Horeb, dat is de brandende braamstruik, de Godsnaam: Ik zal er zijn.

Horeb, dat is de Tien Woorden, dat is verbond, belofte.

Horeb, dat is Mozes’ ontmoeting met God.

Het is een reis terug die tegelijkertijd een reis vooruit betekent.

Want in de Bijbel is het wél zo dat in het verleden behaalde resultaten garantie bieden voor de toekomst.

Eenmaal aangekomen gaat Elia opnieuw liggen slapen in een grot.

Maar daar is ons geloof niet voor bedoeld: om ons in slaap te laten sussen.

Om een gevoel van veiligheid te creëren waardoor we niets meer doen.

 

wind, aardbeving en vuur

Daarom roept God Elia naar buiten.

Verschuil je niet maar neem je plek in voor het aangezicht van de Heer.

Elia hoeft niet aan te komen met zelfbeklag dat hij zo zijn best heeft gedaan en dat het toch niets uitmaakt. Naar buiten, Elia!

Sta pal voor je roeping; wees bewoner van het huis van je geloof.

ook in de pijnlijke, moeilijke situatie waarmee jij wordt geconfronteerd.

Neem je plek in voor God, wees een mens van God,

ook als het leven hard voor jou is

of als jij bij de mensen om je heen geen begrip of weerklank vindt voor wat jou beweegt.

Naar buiten. Want daar zal God zich openbaren. 

Er gaan krachtige boden voor hem uit:

eerst een krachtige windvlaag.

Zoals de windvlaag die ooit de zee spleet zodat het volk met droge voeten kon oversteken.

Hoe had Elia toch dit geloofsverhaal, deze belofte toch kunnen vergeten?

De tweede bode die voor God uitgaat is een aardbeving.

Was Elia dan vergeten dat de aarde schudde op zijn grondvesten toen God zijn verbond sloot met Mozes?

Dan is er het vuur. Zoals de vuurkolom die als een gids het volk door de woestijnnacht leidde.

Ontleende Elia geen vertrouwen meer aan het geloof dat God onze wegen leidt?

 

Een voor een trekken de oude verhalen in deze natuurverschijnselen aan Elia voorbij. Als een bevestiging dat Elia niet vergeefs zijn vertrouwen op God had gesteld. En als boden van iets nieuws. Want Elia heeft zelf ervaren dat God in zijn situatie nu níet die krachtige bevrijder is die met sterke arm zijn volk uitleidt.

Wie wacht op God die bevrijdt van alles dat ons leven zwaar maakt, wacht vergeefs.

 

in deze stilte

Dan klinkt het gefluister van een zachte bries, de stem van de stilte.

Stil als een aai over je wang, de kus van een moeder terwijl het ligt te slapen.

Zoals in het gedicht van Beets. God die toefde… een moment voelbaar nabij is.

Onze onrust en vragen tot rust brengt. Hij weet en dat weet jij... Het eeuwige vragen naar het waarom valt even stil. Ik sta er niet meer alleen voor, ik heb er nooit alleen voor gestaan.

 

Stilte betekent niet dat God afwezig is, ons maar aan laat modderen.

Wij weten het misschien niet, ervaren het niet, maar er is gefluister dat Hij er is.

Ook als wij ten dode bedroefd zijn. Moedeloos als Elia.

Verlangend naar een teken uit de hemel dat niet komt.

 

In die woordeloosheid, in die stilte hult God zich

en komt hij ons tegemoet.

De vraag is of wij het kunnen uithouden met die stilte.

Ik denk dan aan Jezus die God Vader noemde.

Maar op het moment dat de Zoon de Vader het hardst nodig had

was er niets dan stilte.

 ‘Mijn God, waarom verlaat je Mij?’

Toch vond hij in die stilte de moed om te aanvaarden en verder te gaan.

 

op de berg

Het is niet voor niets dat Marcus vertelt van een hoge berg. Zo kan hij God ter sprake brengen en vertellen dat de hemel heel dichtbij is. En het is ook niet voor niets  dat Elia en Mozes met Jezus in gesprek zijn. Zij lijken op de engelen die bemoedigen en de weg wijzen. Jezus mag vasthouden aan zijn roeping; zijn weg zal niet licht zijn, hij zal weerstand ondervinden en struikelen over onwil en ongeloof, maar hij zal nooit alleen zijn. Hij zal gevoed worden door de bronnen van zijn geloof, de Wet en de Profeten. Hij zal aangesproken worden door de Allerhoogste die bevestigt dat Jezus zijn geliefde kind is. En hem ook in zijn roeping bevestigt door de leerlingen op het hart te drukken: luister naar hem.

 

Wie gelooft weet dat het erop aankomt in het dal. Daar waar mensen wonen, werken. Daar waar mensen ploeteren, ziek worden, opgebrand raken. Waar het bestaan ons voor vragen stelt. Dáár moeten we zijn.

Daarom moet Elia terug. Terug naar zijn taak, zijn roeping als profeet. Er moeten koningen worden gezalfd, een opvolger aangewezen. Elke dag kunnen wij ons afvragen waar God ons nodig heeft; waar er werk aan de winkel is. Elia mocht dan denken dat hij alleen was, maar er zijn er nog meer. 7000 mensen die niet bezweken zijn voor de afgoden. Zo staan ook wij er niet alleen voor in de taak die we soms als ondankbaar of zwaar ervaren.

Terug. Dat moeten ook de leerlingen van Jezus. De ontmoeting met de stralende Jezus, die haast wel geleken moet hebben op de Opgestane Heer, is er om hen de bemoediging te geven het met het naderende lijden uit te houden. En om hen dichtbij hen die lijden te brengen. Als zij beneden komen, staat daar een wanhopige vader, met zijn zieke zoon.

 

'De moerbeitoppen ruischten;'

God ging voorbij;

Neen, niet voorbij, hij toefde;

Hij wist wat ik behoefde,

En sprak tot mij;

 

Sprak tot mij in de stille,

De stille nacht;

Gedachten, die mij kwelden,

Vervolgden en onstelden,

Verdreef hij zacht.

 

Hij liet zijn vrede dalen

Op ziel en zin;

'k Voelde in zijn' vaderarmen

Mij koestren en beschermen,

En sluimerde in.

 

De morgen, die mij wekte

Begroette ik blij.

Ik had zo zacht geslapen,

En Gij, mijn Schild en Wapen,

Waart nog nabij.

 

Nicolaas Beets

This entry was posted in Preken
Page 1 of 2