overweging op zondag 15 december     PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

3e zondag van Advent

 

uit de Bijbel: 2 Samuel 7: 8-11, 17-19 en Lucas 1: 30-33

 

een huis voor God

Het leven van David heeft nauwelijks rust gekend; kort nadat Samuel hem gezalfd heeft als koning to be moet David vluchten voor de woede van koning Saul. Als een Bijbelse Robin Hood trekt hij allerlei volk aan dat in moeilijkheden zit of schulden heeft (1 Sam 21:2). Ze zwerven rond, houden zich op in rotsholen en moeten voortdurend op hun hoede zijn, voor Saul en voor hun vijanden.

Maar er begint rust te komen in Davids leven. Saul is dood en het koningschap van David staat als een huis. Vijanden zijn verslagen. David heeft Jeruzalem als hoofdstad gekozen en daar een paleis laten bouwen voor zichzelf. De ark van God, die net zoveel omzwervingen heeft gemaakt, heeft David over laten brengen naar Jeruzalem. Bij al die voorspoed steekt de tent waarin God woont nogal mager af. God verdient beter. Het wordt tijd dat ook God een huis krijgt. Natan vindt het een goed idee maar komt er op terug na een nachtje slapen. Soms moet het nu eenmaal eerst even donker zijn, wil je het licht zien.

 

Het lijkt Davids eer te na dat hij zelf in een paleis woont en God in een tent. Wat zullen de mensen wel niet zeggen! En daar is God dus te goed voor, te groot. Hij laat zich niet gebruiken om als koning met vlag en wimpel te slagen. Als David God wil eren, zal hij zijn eigen eer opzij moeten zetten.

Begrijpt David wel voldoende hoe het zit met God? Hij heeft geen vaste woon- en verblijfplaats. Nooit gehad ook. Hij trok mee met zijn volk uit Egypte, door de woestijn. Hij was bij de herders die Israël moesten weiden, bij Mozes en Jozua, bij Saul en ook bij David. Hij was er op zijn eigen manier. Bewegelijk, veranderlijk, al naar gelang de situatie.

 

Weet David dan niet meer, die laatste overwinning op de Filistijnen?

God gaf de aanwijzing om niet direct aan te vallen maar een omtrekkende beweging te maken. En zodra David de boomtoppen hoorde ruisen, moest hij toeslaan. Want dan zou God voor hem uitgaan.

God was erbij in het geluid van de ruisende moerbeibomen. (2 Sam 5:24) Ongrijpbaar als de wind; niemand weet waar hij vandaan komt, niemand weet waar hij heengaat. Maar onmiskenbaar aanwezig.

Zou dat niet veranderen als God in een huis zat? Zouden we God niet teveel opsluiten, vastpinnen. Wat moeten we met een God die achter de geraniums zit?

Dat huis voor God is meer Davids ding dan dat van God. Misschien verlangt David naar alle onrust en onzekerheid in zijn bestaan nu ook naar rust en zekerheid in zijn geloof, in zijn relatie met God. Ik weet dat sommige mensen dat kunnen meevoelen. Die zouden ook zo graag zekerheid hebben. Wie God is. Hoe hij zich met hen bemoeit. Wat hij met hen voorheeft. Niet te veel vragen maar het liefst antwoorden. Een geloof dat staat als een huis.

 

 

een huis voor David

Maar de zekerheid van geloven zit niet in een huis en je dwingt die zekerheid ook niet af door God op te sluiten in ‘zo is Hij’ of ‘zo moet Hij zijn’. Je dwingt die zekerheid niet af door hem te in te perken. Daarvoor is Hij te groot. Daarom moet het ook niet zo zijn dat de Heer in dezelfde straat woont als de koning. Je moet de macht van die twee niet verwarren.

De zekerheid van het geloof vind je in het luisteren. Luisteren naar de verhalen van mensen die je vertellen hoe God hen heeft geholpen; hoe Hij hen heeft gedragen door een moeilijke tijd heen of hen gestimuleerd heeft om hun eigen weg te kiezen. God woont in die verhalen van mensen die ontdekken dat ze sterker waren dan ze hadden gedacht; die getroost werden of juist bemoedigd werden om anderen te troosten. God woont ook in jouw verhaal.

God woont in het verhaal van de uittocht uit Egypte, in de moerbeitoppen die ruisten toen David strijd leverde. Als David zijn verhaal nu eens zó zou vertellen dat God er een plaats in had…. want het is niet zíjn verdienste dat hij koning is geworden en dat de vijanden van Israël verslagen zijn. Het is niet zijn verdienste dat hij rust heeft gevonden maar die van God. En: David zal geen huis bouwen voor God. God zal een huis bouwen voor hem, een eeuwigdurend koningschap. David zal nooit uit Gods gunst vallen, zoals Saul dat wel was. Er zal altijd een opvolger zijn. Boven die belofte uit horen we de dromen van Israël over een rijk van vrede dat geen einde kent. Sla er de profeten maar op na. In die dromen hebben mensen later Jezus herkend. Davids Zoon lang verwacht. Vredestichter. Brenger van recht. 

Als we dan toch per se een huis voor God willen hebben, dan was hij dat. In Jezus heeft God onder de mensen gewoond. Hij heeft ‘zijn tent opgeslagen’ staat er in het Grieks. (skèneo, tent opslaan, verblijven) En zo woonden Gods goedheid en waarheid te midden van de mensen.

God heeft eigenlijk geen tempel nodig. Zelfs in de droom van Johannes over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal het zo zijn dat God zijn tent opslaat bij de mensen voor altijd bij hen zal zijn. (Openb 21:3) Het past ook beter bij zijn naam: ik zal er zijn voor jou. Ik ben waar jij bent. 

 

ontvangen

Het duurt even maar dan valt het kwartje bij David. ‘Wie ben ik, Heer, mijn God, wat is mijn familie, dat u mij zo ver hebt gebracht?’ Wij voelen ons er doorgaans prettiger bij om te geven. Om iets voor een ander te doen. We geven liever dan dat we ontvangen. Dat schept maar verplichtingen. Dan moet je iets terug doen. Het geeft een gevoel van ongelijkheid en afhankelijkheid dat we liever niet hebben.

Bij God staan we altijd 3-0 achter. Hij geeft. En wij ontvangen. Wij eten altijd genadebrood.

David had zich er prettig bij gevonden om God iets te geven maar hij leek daarbij uit het oog te verliezen wat God hém allemaal had gegeven. Dat besef gaat aan alles vooraf.

Als we zo dadelijk brood en wijn delen worden we weer heel dicht bij dat besef gebracht. We komen naar voren. En mogen onze handen uitstrekken. Als een kommetje. Om te ontvangen. We delen in het lichaam van Christus, het brood uit de hemel, het brood dat leven geeft. We delen in de wijn zo rood als bloed maar met een smaak die verwarmt en doorgloeit als liefde, de wijn van het koninkrijk.

David vraagt om een zegen over alles wat hij heeft ontvangen. Laat ook brood en wijn zo gezegend zijn dat wij deel mogen hebben aan Gods liefde voor ons.

This entry was posted in Preken

overweging op 8 december 2019 In PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

tweede zondag van Advent   

(afbeelding: Naomi en Obed, Michelangelo, Sixtijnse kapel Rome) 

 

uit de Bijbel: Ruth 4: 9-17 en Micha 5: 1-4a

 

verantwoordelijkheid

Op het schoolplein speelden we vroeger tikkertje met verlos. Als je was getikt, stond je buiten spel. Je deed niet meer mee. Totdat iemand je vrij tikte, verloste.

Naomi staat buiten spel. Als weduwe heeft ze geen inkomsten, geen toekomstperspectief. In het geloof van het Israël van toen was ook haar spel uitgespeeld wat betreft de toekomst van God en mensen. Na haar zou het afgelopen zijn. Zij was afgesneden van Gods beloften tenzij ze een zoon zou krijgen,

nieuw toekomstperspectief.

Zij is te oud om nog een kind te krijgen maar in Ruth ziet zij een kans voor hun beiden…. Volgens de Tora moet een familielid zijn verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst door als losser op te treden. Door de losser zal de naam van een man voortleven; zijn familie zal deel blijven uitmaken van de geschiedenis van God en mensen. Boaz laat zich aanspreken op die verantwoordelijkheid.

Hij zegt toe om het land van Naomi’s man en van haar zonen te kopen. En Ruth, geen familie van hem, een buitenlandse nota bene, neemt hij op de koop toe.

Boaz laat zijn agenda bepalen door het Woord, door wat goed is.

 

Daarmee geeft Boaz een sprekend voorbeeld. Hij staat in voor iemand die geen mogelijkheden meer heeft. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid zodat een ander weer perspectief heeft. En de vraag is dan: In hoeverre laat ik mijn persoonlijke agenda bepalen door wat juist is om te doen? In hoeverre ben ik degene die een ander verlost en weer mee laat spelen.

We worstelen er allemaal wel eens mee dat onze eigen zaken en zorgen voorrang krijgen boven dat wat goed zou zijn. We beseffen allemaal wel eens achteraf dat we zo hard renden om zelf in het spel te blijven dat we vergaten iemand te verlossen met onze aandacht, onze tijd. Het is niet te laat om ons te spiegelen aan Boaz en onze verantwoordelijkheid voor de ander te nemen.

Het kan natuurlijk ook zijn dat je nu denkt, diegene die vrij getikt moet worden, dat ben ik. Ik ben degene die iemand nodig heeft om weer mee te kunnen doen. Wees dan even vindingrijk als Naomi en Ruth en zoek iemand die jou kan helpen. Wees open over je hulpvraag en vraag iemand om jou te lossen.

 

Boaz geeft een mooi voorbeeld.

Maar het is meer dan dat. Boaz wordt gezien als een beeld van Jezus. In Boaz zijn kenmerken te ontwaren van degene die de eeuwen door verwacht wordt. Boaz trok zich het lot aan van Naomi en Ruth, waar anderen dat niet deden. (zie: Ruth 4:4-6) En Boaz zet Ruth in de vrijheid; ze doet weer mee. Ze is geen vreemdeling meer maar een aangetrouwd kind van Israël. Precies zo zal Jezus mensen bevrijden van hun last, van hun verleden, en ze recht geven op leven, op Gods koninkrijk. ‘Verlosser’ wordt Jezus ook genoemd. Omdat hij instaat voor het leven van mensen, met zijn eigen leven. In hem komt vergeving mee; nieuwe moed, nieuwe mogelijkheden. In hem komt ruimte mee om het spel van Gods liefde mee te spelen.

 

zegen

De oudsten in de stadspoort zijn getuige van de belofte van Boaz. Zij prijzen zijn verantwoordelijkheidsbesef. Ze spreken een zegen uit. Laat Ruth zijn als Rachel en Lea. Twaalf zonen schonken zij Jacob; zij zijn de moeders van heel het volk Israël. Zo mag Ruth ook moeder van Israël zijn. Laat het huis van Boaz groot zijn in Efrata en Bethlehem door de kinderen die aan Ruth en Boaz gegeven zullen worden. Zo zullen zij met hun nakomelingen deel hebben aan de geschiedenis van God en mensen. Zij hebben nieuw perspectief.

 

Dat die toekomst uitgaat boven klein familiegeluk horen we in de plaatsnamen die worden genoemd: Efrata en Bethlehem. Daar zal later koning David geboren worden. Boaz is een van zijn voorvaders. We lazen bij de profeet Micha: ‘Uit jou, Betlehem in Efrata, te klein om tot Juda’s geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer.’ In Bethlehem, zegt Micha, wordt de toekomst voor Israël geboren, een herder, een vredekoning. En, geloven wij, in Bethlehem wordt de toekomst van de wereld geboren. Licht voor de mensen die gaan in het donker, Gods aanwezigheid onder de mensen. Dat is nog eens zegen.   

 

dankzegging

‘Daarna nam Boaz Ruth bij zich, zij werd zijn vrouw en hij sliep met haar. De Heer liet haar zwanger worden en ze baarde een zoon.’ Zoals Israël zijn geloofsverhaal vertelt, is niets in dit leven vanzelfsprekend. Zwangerschappen zijn in de Bijbel dan ook vaak een moeizame zaak. Er wordt niet vanzelfsprekend geboren. Denk aan Sara, Rebecca, aan Rachel, aan de moeder van Simson, de moeder van de profeet Samuel. De lijn naar de toekomst wordt, zo vertelt de Bijbel, telkens doorgetrokken door een wonder van God. Elke nieuwe generatie is een nieuwe beslissing van de Schepper. Elk kind dat geboren wordt, elke stap naar morgen, is genade. Zo beleeft Israël dat.

 

Wat hebben wij om voor te danken? Waar zouden wij vanmorgen bij willen stilstaan, wat zouden wij uit de sfeer van de vanzelfsprekendheid willen halen en benoemen als geschenk? Onze kinderen? Onze gezondheid? Vriendschap? Liefde? Deze morgen?

Natuurlijk zijn wij op onze eigen manier verantwoordelijk voor al deze dingen. Zo ging Naomi listig te werk om haar toekomst en die van Ruth zeker te stellen. En Boaz en Ruth weten heel goed waar de kinderen vandaan komen. Toch zoeken wij in dat alles ook naar de hand van God; naar hoe Hij de hand in ons geluk heeft. En we benoemen dat in onze dankbaarheid. We geven God een plaats in ons geluk omdat we weten dat dat nooit alleen van onszelf afhangt.  

 

Dankbaar drommen de buurvrouwen om Naomi heen als haar kleinzoon als haar kleinzoon Obed is geboren. Geprezen zij de Heer. Moge de naam van dit kind in Israël blijven voortbestaan. Hij zal Naomi, die berooid en leeg terugkeerde uit Moab, vullen met levensvreugde.

Obed betekent ‘dienaar’. Deze dienaar is de vader van Isail, die de vader is van David, die weer de voorvader is van Jezus. En hij zei over zichzelf: Ik ben niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen en mijn leven te geven als losgeld voor velen. (Mt 20:28)  

 

In de verbitterde Naomi heeft Israël zich herkend. Israël dat weggevoerd werd in ballingschap en zich afgesneden voelde van de toekomst. Maar door tussenkomst van God en door gehoorzaamheid aan de Tora vindt Israël de levensvreugde terug en toekomst in het land dat God hen heeft gegeven. We mogen in ieder geval weten dat ‘ze leefden nog lang en gelukkig’ niet alleen maar gaat over Boaz en Ruth, en Naomi. Maar over al Gods mensen die zich verloren voelen en niet meer geloven in morgen. Daarmee wordt dit een prachtig adventsverhaal, een verhaal dat ons van donker naar licht brengt. We mogen God danken voor het vertrouwen dat hij ons altijd leidt naar de dag van morgen. Door onze kinderen, door onze idealen, door ons geloof. We mogen God danken voor het teken van die nieuwe morgen, de geboorte van Jezus, God met ons, voor altijd. Onze naam zal bij hem voor altijd voortbestaan.

This entry was posted in Preken

 

overweging op zondag 1 december 2019 PG De Open Hof -  Oud-Beijerland 

1e zondag van Advent

 

inleiding

 

De evangelist Marcus vertelt niets over Jezus’ geboorte. Johannes maakt er een prachtig gedicht bij over het licht. Lucas weidt uit over engelen, een stal en een voerbak. En Matteus begint met een geslachtsregister. Saai, kun je zeggen.

 

Toch heeft Matteus een goede reden om zijn evangelie zo te beginnen.

 

Hij wil duidelijk maken dat Jezus een kind van Israël is. Hij wortelt in de geschiedenis die God met zijn volk is gegaan. Er hoeft dus belemmering te zijn voor de Joden om Jezus te volgen.

 

Sterker nog, Jezus is de ultieme vervulling van beloften die de geschiedenis gedragen hebben. In hem komt alles samen. Zo saai is zo’n register overigens niet. Want achter elke naam gaat een verhaal schuil. Liefdevolle verhalen, pikante verhalen, verhalen met levenswijsheid. Wij pikken er vier uit. Vandaag gaat het Juda.

Uit de Bijbel: Matteus 1_ 1-2 en Genesis 49: 8-12

 

geven om de toekomst

 

Jacob is een oude man. Hij voelt dat zijn einde nadert. Zijn leven is voltooid.

 

Hij gaat op bed zitten en roept zijn zonen bij zich.

 

Nu moet er een prachtige sterfscene volgen: een weemoedige terugblik op dat wat voorbij is; een dankbaar samenvatten van het geleefde leven. Misschien is er nog iets goed te maken dat in het verleden is voorgevallen. Maar Jacob blikt niet terug op het verleden. Zijn laatste woord is niet bedoeld om af te rekenen of te sluiten. Het is ook niet bedoeld om zijn zonen op het hart te drukken om vast te houden wat hijzelf altijd heeft gedaan. Jacobs laatste woord is juist bedoeld om te openen, om uitzicht te geven op toekomst. Hij laat het leven niet zomaar los maar zoekt naar een weg vooruit voor wie na hem bestaan.

 

 

 

Wij leven in een vergrijzende samenleving. Het aantal ouderen, mensen boven de 65, is enorm toegenomen. Bijna 20% van de bevolking is 65+. En daarvan is weer een kwart ouder dan 80. Je merkt het in het straatbeeld aan het aantal rollators en scootmobielen. Maar ook aan de bouwprojecten in Oud-Beijerland, appartementencomplexen om zo lang mogelijk zelfstandig wonen voor ouderen mogelijk te maken.

 

We merken het in de Open Hof. De gemiddelde leeftijd wordt hoger. Veel mensen kunnen niet meer hier zijn maar leven mee via de computer. Met weemoed denken sommigen terug aan de tijd dat zowel de Thomaskerk als de Ontmoetingskerk vol zaten. Aan het bloeiende jeugdwerk waar we misschien zelf aan meewerkten.

 

Met het vertrek van Gertjan zijn we in een nieuwe fase terechtgekomen. We hebben onze knopen geteld en zijn tot de conclusie gekomen dat een tweede fulltime predikant niet meer uit kan. Wat nu? Weemoedig terugkijken? Teleurgesteld afhaken? Ons ingraven in ‘zo hebben we het altijd gedaan’?

 

 

 

Ik zou best een beroep willen doen op onze ouderen. Of gewoon, op ons allemaal. Want hoe grijs we ook worden, ik zie ook een enorm potentieel. De wijsheid die ouderen hebben opgedaan in het verleden, kan van belang zijn voor de toekomst. Natuurlijk moet onze samenleving, onze kerk, worden ingericht op het groeiende aantal ouderen. Daar denken we met elkaar ook over na. Maar waar we naar verlangen is naar de zegen, zegen van de oudere generatie. Zegen over wat we bedenken, wat we uitproberen; zegen over hoe we met vallen en opstaan vorm

 

geven aan de toekomst waar jullie zelf in hebben geloofd en voor hebben geleefd; nog altijd in geloven in en voor leven.

 

 

 

zegen

 

Jacob zegent zijn zonen.

 

Wat zo bijzonder is, is dat hij elk van zijn zonen aanspreekt op hun eigen levensverhaal en ondeugden. Maar hij ziet ook hun kwaliteiten en geschiktheid. Juda krijgt de grootste zegen. Ruben, de oudste heeft die zegen verspeeld. Simeon en Levi zijn ook niet geschikt in hun vaders ogen. Maar in Juda ziet Jacob iets. Juda, jonge leeuw, krachtig en sterk; Juda, leeuwenkoning, waarvoor alle anderen respect zullen hebben. Juda, jij ja, zult heersen. Totdat degene komt die wordt verwacht, de koning van de vrede voor altijd.

 

 

 

Jacob geeft Juda zijn zegen. Hij geeft hem niet de opdracht om in het voetspoor van zijn vader te treden. Maar om de fakkel van de hoop op zijn eigen manier brandend te houden en door te geven.

 

Het is een belofte aan Juda.

 

En tegelijkertijd is het een opdracht aan Juda.

 

Eigenlijk zegt de oude Jacob: ik zie wat in jou. Laat dat tot bloei komen. Laat dat bepalen hoe jij leeft, wat je zegt en wat je doet. Dat is zegenen: potentie zien, het goede zien, en het de wens meegeven om uit te komen als een bloem uit een bol.

 

 

 

Zou dat ons ook lukken, als ouder wordende gemeente, om zo naar de toekomst te kijken? Om over onze schaduw heen te stappen en te zien wat er is en dat te zegenen?

 

 

 

We kunnen ook direct de vraag aan onszelf stellen? Wat ziet God in mij? Welke kwaliteiten heb ik, waarvoor ben ik geschikt? Met welke zegen heeft hij mij op pad gestuurd? Waar zit mijn kracht? Het kan een heilzaam onderzoek zijn om in ons eigen leven de belofte te vinden en daaraan onze levensopdracht te verbinden.

 

 

 

En God ziet altijd iets anders, ziet meer in ons, dan wij in onszelf zien. Waar wij onszelf waardeloos vinden, zegt hij: ik hou van je. Hij ziet onze kracht waar wij onszelf zwak vinden. Hij houdt ons vast als wij tekortschieten. Onze waardigheid, wie we zijn als mens, vindt zijn basis in hem. In hoe hij ons toerust en zegent voor dit leven. (gebaseerd op You say, Lauren Daigle)

 

 

 

reikwijdte

 

Dit verhaal overstijgt het familieverband van Jacob en zijn zonen. Het gaat niet alleen over dit gezin. Over hun hoofden heen spreekt Jacob tot heel Israël. En tot de wereld om Gods volk heen. Als vader is Jacob de verbindende factor geweest voor de twaalf zonen, twaalf stammen van het land. Nu zegent hij degene door wie Gods toekomst als verbindende factor het leven binnenstroomt. De verwachting van de Messias, de hoop op een tijd van vrede en recht, zal nu mensen en volken verbinden.

 

Juda is daarmee een eerste voorstelling van de Messias. Hij wijst voorúit naar degene die wordt verwacht door zijn doen en laten. Als degene die omziet naar zijn broers. Als degene die borg wilde staan voor de kleinste.

 

Het heil, Gods vrede voor alle mensen, begint bij Juda. En via hem zal het overgaan op zijn zonen en hun zonen.

 

Een van die zonen, een van de nakomelingen van Juda is koning David. In hem lijkt de vrede dichtbij gekomen. Hij weet het rijk dat uit elkaar gevallen was in een tweestammenrijk en een tienstammenrijk tot een eenheid te smeden. Hij kiest de stad Jeruzalem als zijn woonplaats en laat daar de ark van God heen brengen. Ook God mag daar wonen. Jeruzalem, vredesstad.

 

 

 

In de vlag van Jeruzalem vinden we nog altijd een leeuw. De leeuw van Juda, de hoop op vrede. Deze stad is symbool van vrede voor Joden, christenen en moslims. Een heilige plaats van verwachting en hoop. Zonde dat die verwachting ons uit elkaar drijft, tot geweld drijft.

 

 

 

Maar toen, leek het dichtbij. Een vredesstad, geregeerd door een vredeskind. Want David noemde zijn opvolger Salomo, vrede. Maar de vredeskoning die de eeuwen door werd verwacht is niet Davids zoon Salomo, maar ‘Davids zoon, lang verwacht’. Dat kind in de voederbak in Bethlehem. Zijn komst heeft de hoop op vrede doen oplaaien. Hij hééft ook daadwerkelijk vrede gebracht. Tussen God en de mensen; tussen mensen, ín mensen. Daaraan houden wij ons vast als wij hopen op méér; op het definitief aanbreken van Gods tijd.

 

 

This entry was posted in Preken