overweging op zondag 22 december 2019

 

4e zondag van Advent

 

Op deze zondag doet een gemeentelid belijdenis en een jongere (17 jaar) doet belijdenis en wordt gedoopt.

 

uit de Bijbel: 2 Koningen 22:1-2, 11-13 en 23:1-3

 

jong

Wat hebben Greta Thunberg, Malala Yousafzai en Boyan Slat met elkaar gemeen?

Ze waren 16 en 17 jaar jong toen zij de wereld een beetje ten goede veranderden.

Greta, door Time Magazin voorgedragen als Person of the Year,  vraagt aandacht voor de klimaatveranderingen en wijst de politici op hun verantwoordelijkheid zich aan het klimaatverdrag te houden.

Malala ontving in 2014 de Nobelprijs voor de vrede vanwege haar strijd tegen de onderdrukking kinderen en voor het recht op onderwijs.

En Boyan tenslotte zet alles op alles om zijn droom te verwezenlijken: het opruimen van de plasticsoep in de oceaan.

 

Kun je te jong zijn om je dromen na te streven? Kun je te jong zijn om je vast te leggen op een ideaal? Oudere mensen kunnen je dat gevoel soms geven. ‘Je bent nog zo jong’, zeggen ze. Dat hebben ze misschien ook wel tegen koning Josia gezegd. Acht jaar was hij toen hij koning werd. Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn voorvader David en hij deed wat goed is in de ogen van de Heer. Hij drukt zijn eigen stempel op het koningschap. En hij is daarmee een positieve uitzondering in een hele rij koningen voor én na hem van wie wordt gezegd: ze deden wat slecht is in de ogen van de Heer. Ze gaven zich over aan de verfoeilijke praktijken van de heidenen. Josia heeft zich niet laten tegenhouden om het anders te doen. Niet door de mensen om hem heen die schamperden dat het hem toch niet zou lukken (wetenschappers fileerden het plan van Boyan Slat als inefficiënt en schadelijk); niet door mensen die niet konden omgaan met zijn ‘how dare you’ (uit de toespraak van Greta Thunberg bij de VN-top 23 sept 2019)

 

In de Bijbel staat een uitspraak van Paulus tegen de veel jongere Timoteus:

‘Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt.’ (1 Tim 4:12)

X, jij bent zeventien en je doet vandaag belijdenis. Vol overtuiging zet jij een stap in de richting van een volwassen geloof. Luister niet naar de mensen die zeggen dat je te jong bent.

Maar, en dat zegt Paulus ook tegen de jonge Timoteus, wees een voorbeeld in wat je zegt, in hoe je leeft. Dat is een oproep voor alle leeftijden vanmorgen: wees oprecht.

 

oud

De jonge koning Josia laat de oude, bouwvallige tempel renoveren.

In augustus zag ik wat er over is van de Notre Dame in Parijs, na de grote brand in april dit jaar. Hoeveel zal het kosten om haar in oude staat te herstellen. Want dat is de wens van veel mensen, dat het wordt zoals het vroeger was. Anderen staan open voor de ideeën van architecten om de brand aan te grijpen als een kans een eigentijds stempel op de kathedraal te drukken. En het gebouw een eigentijdse betekenis en functie te geven. Dat roept dan weer verzet op uit heimwee naar hoe het vroeger was… of uit angst voor verandering.

 

Vanmorgen kopte de NOS ‘Voor het eerst in 200 jaar geen kerstnachtmis in de Notre Dame’ en ik dacht alleen maar: gaat kerst dan niet door? Zal het evangelie dan niet klinken? Het zal anders zijn, niet meer als voorheen. Zo schipperen we voortdurend tussen wat we willen bewaren van vroeger en wat aan vernieuwing of verandering toe is. Ook persoonlijk….

Het kan maar zo zijn dat je eigen wereld instort. Door ziekte, door burn-out, door het verdwijnen van de liefde, door een ingrijpende verandering in je leven. Hoe zou het dan zijn als je alles bij het oude zou laten? Als je je leven langs dezelfde lijnen zou opbouwen en niet zou zoeken naar vernieuwing, naar innerlijke verandering? Hoe zou het zijn om weemoedig achterom te blijven kijken naar wat is geweest en wat niet meer terugkomt?

 

Josia ontdekt tijdens de renovatie dat je je niet om de buitenkant kunt bekommeren zonder ook na te denken over wat er binnen gebeurt. Je kunt kosmetisch de boel opknappen maar wat als er van binnen niets verandert?

Tijdens de renovatie wordt een boekrol gevonden. Met de tekst van de wet. Ín die wet staat onder andere dat de koning er een kopie van moet hebben zodat hij er elke dag in kan lezen wat hem te doen staat. (Deut 17:18vv) Want de koning moet het volk voorgaan in leven dat goed is in de ogen van de Heer.

Josia ontdekt tot zijn schrik dat Gods wet in de vergetelheid is geraakt. Het kan niet anders, denkt hij, dat God boos op ons is. Want de koningen voor hem hebben zich lang niet allemaal aan Gods wet gehouden. En zo kon er een wildgroei ontstaan aan offerplaatsen en tempels voor andere goden.

 

Josia geeft de opdracht om dat allemaal af te breken. Er gaat een nieuwe wind waaien over een oud gebouw, met oude rituelen en oude woorden. Maar ze krijgen een nieuwe betekenis en een nieuwe uitwerking. Oude woorden kunnen nieuwe wegen openleggen. XX, ik weet dat jij hebt gezocht naar die innerlijke vernieuwing. En dat je die gevonden hebt bij de God die jou ziet zoals je bent.

 

vernieuwing

X en XX, jullie geven vandaag jullie jawoord aan God. Jullie sluiten een nieuw verbond met hem, jullie eigen verbond. En jullie worden gedragen door oude woorden van geloof die van generatie op generatie zijn doorgegeven.

Zo eindigt ook de Bijbellezing: met een jonge koning die in een oud gebouw en op grond van oude geboden een nieuw verbond sluit met God. En heel het volk sluit zich hierbij aan. Zo aanstekelijk werkt dat kennelijk.

Laten wij in onszelf onderzoeken wat de moeite waard is om te bewaren. Om door te geven aan wie na ons komen en om er zelf richting uit te halen.

Laten we af en toe ook eens puinruimen en de bezem halen door ons geloof. Laten we onderzoeken wat toe is aan vernieuwing zonder daar angstig voor te zijn.

Ook ons geloof mag levensloopbestendig zijn. En waar wij gaan, daar is God. Ook dat is ons doorgegeven.

This entry was posted in Preken

overweging op zondag 15 december     PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

3e zondag van Advent

 

uit de Bijbel: 2 Samuel 7: 8-11, 17-19 en Lucas 1: 30-33

 

een huis voor God

Het leven van David heeft nauwelijks rust gekend; kort nadat Samuel hem gezalfd heeft als koning to be moet David vluchten voor de woede van koning Saul. Als een Bijbelse Robin Hood trekt hij allerlei volk aan dat in moeilijkheden zit of schulden heeft (1 Sam 21:2). Ze zwerven rond, houden zich op in rotsholen en moeten voortdurend op hun hoede zijn, voor Saul en voor hun vijanden.

Maar er begint rust te komen in Davids leven. Saul is dood en het koningschap van David staat als een huis. Vijanden zijn verslagen. David heeft Jeruzalem als hoofdstad gekozen en daar een paleis laten bouwen voor zichzelf. De ark van God, die net zoveel omzwervingen heeft gemaakt, heeft David over laten brengen naar Jeruzalem. Bij al die voorspoed steekt de tent waarin God woont nogal mager af. God verdient beter. Het wordt tijd dat ook God een huis krijgt. Natan vindt het een goed idee maar komt er op terug na een nachtje slapen. Soms moet het nu eenmaal eerst even donker zijn, wil je het licht zien.

 

Het lijkt Davids eer te na dat hij zelf in een paleis woont en God in een tent. Wat zullen de mensen wel niet zeggen! En daar is God dus te goed voor, te groot. Hij laat zich niet gebruiken om als koning met vlag en wimpel te slagen. Als David God wil eren, zal hij zijn eigen eer opzij moeten zetten.

Begrijpt David wel voldoende hoe het zit met God? Hij heeft geen vaste woon- en verblijfplaats. Nooit gehad ook. Hij trok mee met zijn volk uit Egypte, door de woestijn. Hij was bij de herders die Israël moesten weiden, bij Mozes en Jozua, bij Saul en ook bij David. Hij was er op zijn eigen manier. Bewegelijk, veranderlijk, al naar gelang de situatie.

 

Weet David dan niet meer, die laatste overwinning op de Filistijnen?

God gaf de aanwijzing om niet direct aan te vallen maar een omtrekkende beweging te maken. En zodra David de boomtoppen hoorde ruisen, moest hij toeslaan. Want dan zou God voor hem uitgaan.

God was erbij in het geluid van de ruisende moerbeibomen. (2 Sam 5:24) Ongrijpbaar als de wind; niemand weet waar hij vandaan komt, niemand weet waar hij heengaat. Maar onmiskenbaar aanwezig.

Zou dat niet veranderen als God in een huis zat? Zouden we God niet teveel opsluiten, vastpinnen. Wat moeten we met een God die achter de geraniums zit?

Dat huis voor God is meer Davids ding dan dat van God. Misschien verlangt David naar alle onrust en onzekerheid in zijn bestaan nu ook naar rust en zekerheid in zijn geloof, in zijn relatie met God. Ik weet dat sommige mensen dat kunnen meevoelen. Die zouden ook zo graag zekerheid hebben. Wie God is. Hoe hij zich met hen bemoeit. Wat hij met hen voorheeft. Niet te veel vragen maar het liefst antwoorden. Een geloof dat staat als een huis.

 

 

een huis voor David

Maar de zekerheid van geloven zit niet in een huis en je dwingt die zekerheid ook niet af door God op te sluiten in ‘zo is Hij’ of ‘zo moet Hij zijn’. Je dwingt die zekerheid niet af door hem te in te perken. Daarvoor is Hij te groot. Daarom moet het ook niet zo zijn dat de Heer in dezelfde straat woont als de koning. Je moet de macht van die twee niet verwarren.

De zekerheid van het geloof vind je in het luisteren. Luisteren naar de verhalen van mensen die je vertellen hoe God hen heeft geholpen; hoe Hij hen heeft gedragen door een moeilijke tijd heen of hen gestimuleerd heeft om hun eigen weg te kiezen. God woont in die verhalen van mensen die ontdekken dat ze sterker waren dan ze hadden gedacht; die getroost werden of juist bemoedigd werden om anderen te troosten. God woont ook in jouw verhaal.

God woont in het verhaal van de uittocht uit Egypte, in de moerbeitoppen die ruisten toen David strijd leverde. Als David zijn verhaal nu eens zó zou vertellen dat God er een plaats in had…. want het is niet zíjn verdienste dat hij koning is geworden en dat de vijanden van Israël verslagen zijn. Het is niet zijn verdienste dat hij rust heeft gevonden maar die van God. En: David zal geen huis bouwen voor God. God zal een huis bouwen voor hem, een eeuwigdurend koningschap. David zal nooit uit Gods gunst vallen, zoals Saul dat wel was. Er zal altijd een opvolger zijn. Boven die belofte uit horen we de dromen van Israël over een rijk van vrede dat geen einde kent. Sla er de profeten maar op na. In die dromen hebben mensen later Jezus herkend. Davids Zoon lang verwacht. Vredestichter. Brenger van recht. 

Als we dan toch per se een huis voor God willen hebben, dan was hij dat. In Jezus heeft God onder de mensen gewoond. Hij heeft ‘zijn tent opgeslagen’ staat er in het Grieks. (skèneo, tent opslaan, verblijven) En zo woonden Gods goedheid en waarheid te midden van de mensen.

God heeft eigenlijk geen tempel nodig. Zelfs in de droom van Johannes over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal het zo zijn dat God zijn tent opslaat bij de mensen voor altijd bij hen zal zijn. (Openb 21:3) Het past ook beter bij zijn naam: ik zal er zijn voor jou. Ik ben waar jij bent. 

 

ontvangen

Het duurt even maar dan valt het kwartje bij David. ‘Wie ben ik, Heer, mijn God, wat is mijn familie, dat u mij zo ver hebt gebracht?’ Wij voelen ons er doorgaans prettiger bij om te geven. Om iets voor een ander te doen. We geven liever dan dat we ontvangen. Dat schept maar verplichtingen. Dan moet je iets terug doen. Het geeft een gevoel van ongelijkheid en afhankelijkheid dat we liever niet hebben.

Bij God staan we altijd 3-0 achter. Hij geeft. En wij ontvangen. Wij eten altijd genadebrood.

David had zich er prettig bij gevonden om God iets te geven maar hij leek daarbij uit het oog te verliezen wat God hém allemaal had gegeven. Dat besef gaat aan alles vooraf.

Als we zo dadelijk brood en wijn delen worden we weer heel dicht bij dat besef gebracht. We komen naar voren. En mogen onze handen uitstrekken. Als een kommetje. Om te ontvangen. We delen in het lichaam van Christus, het brood uit de hemel, het brood dat leven geeft. We delen in de wijn zo rood als bloed maar met een smaak die verwarmt en doorgloeit als liefde, de wijn van het koninkrijk.

David vraagt om een zegen over alles wat hij heeft ontvangen. Laat ook brood en wijn zo gezegend zijn dat wij deel mogen hebben aan Gods liefde voor ons.

This entry was posted in Preken