Preken

Preken (123)

overweging op zondag 22 november 2020       PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

uit de Bijbel: 1 Korintiers 13: 1-7 en 13

 

Marry me, Jason Derulo

De prachtige tekst uit 1 Korintiers 13 heeft een heel eigen geschiedenis gekregen, met een heel eigen uitwerking. Voor wie van jullie was dit de trouwtekst? Of wie van jullie was er ooit bij een huwelijksviering waar dit gedeelte werd gelezen? Dit loflied op de liefde heeft zijn weg gevonden naar ons hart, naar onze goede wil, naar onze beloften aan elkaar. Zó wil ik voor je zijn: liefdevol en geduldig, niet zelfgenoegzaam of zelfzuchtig. Alles wil ik met je verdragen, met jou wil ik blijven hopen, alle seizoenen van het leven.

En soms lezen we deze tekst als we afscheid nemen van iemand van wie we hebben gehouden. Vanuit de dankbare herinnering dat diegene zó voor ons is geweest, zo geduldig en vol goedheid. En in alles wat verloren gaat, houden we ons eraan vast dat die liefde nooit vergaat.

Je zou kunnen zeggen dat deze tekst een eigen leven is gaan leven, een zinvol en troostrijk eigen leven als liefdesbrief en troostbrief tussen mensen. Paulus kan er achteraf trots op zijn dat zijn woorden de tand des tijds zolang hebben doorstaan en een bijna universele aantrekkingskracht en betekenis hebben gekregen. Maar zo heeft hij zijn woorden niet bedoeld. Want Paulus schreef geen loflied op de romantische liefde maar een rake reprimande voor de gemeente.

 

Where is the love, Black Eyed Peas

Paulus’ woorden zijn een directe aanval op het gemeenteleven; op hoe gemeenteleden met elkaar omgaan. Hij houdt het netjes bij zichzelf: Al sprak ík de talen van alle mensen en die van de engelen, al had ík de gave om te profeteren, al had ik kennis en geloof dat bergen verzet, had ik de liefde niet…. maar hij bedoelt: júllie!

Ik neem jullie mee naar Korinte. Het is een bruisende havenstad, een kruispunt van handelsroutes over land en water en daarmee een ideale plek om geld te verdienen op allerlei terrein. Het is een relatief jonge stad, waar mensen met allerlei achtergronden op af zijn gekomen. Een stad om geld te verdienen en succesvol te leven. Een stad waarvan de zanger zou zingen: If I can make it there, I’ll make it anywhere. Korinthe werd ook beschouwd als een verdorven stad. En inwoners uit andere steden mochten graag verhalen vertellen over het losbandige leven, over de vele prostituees die de liefde bedreven met de zeelieden, over de tempels waar van alles gebeurde. In díe stad wil Paulus het evangelie brengen. Hij heeft het er zwaar mee; zelfs zo zwaar dat God hem in een droom moet bemoedigen om het vol te houden en het evangelie te blijven verkondigen. (Handelingen 18:9) Nergens anders lijkt het meer nodig om te preken over een nieuw en ander leven dan daar. Paulus blijft er anderhalf jaar.

Het is in díe roerige samenleving, waar het ieder voor zich lijkt te zijn, dat de gemeente van Christus groeit. Mensen komen tot inkeer, kiezen een nieuw leven en laten zich dopen. Maar om dat vol te houden blijkt niet makkelijk te zijn. Het is niet eenvoudig om de waarden van je geloof overeind te houden als nog steeds aan je getrokken wordt door een wereld waarin het gaat om het recht van de sterkste, om winnen, om de dikke ik. Het valt niet mee om te veranderen als de wereld om je heen niet mee verandert.

De gemeenteleden in Korinte zéggen dat ze geloven, maar het blijkt nog niet zo uit wat ze doen. Ze gaan prat op hun eigen kunnen en kennis, lopen te koop met de gaven die zij van de Geest hebben ontvangen, maar kunnen geen waardering opbrengen van door die van anderen. Er is geen solidariteit met elkaar; er is geen zorg voor de zwakkeren. Er zit geen samenhang in de gemeente. Kun je wel van een gemeente spreken als de leden als los zand zijn? Nee, zegt Paulus, net zo min als je van een lichaam kunt spreken als lichaamsdelen ontbreken. Niemand kan zeggen: ik hoor er niet bij want ik ben anders, beter, geloviger… En niemand kan zeggen: jij hoort er niet  bij want jij bent niet nodig.

Jullie, zegt Paulus, mensen met gaven en talenten, mensen met financiële middelen, mensen met geloof, met kennis, zelfs met goede bedoelingen om de wereld te redden.. er blijft niets van jullie over zonder liefde. Dát is de weg die ik jullie wil wijzen. De weg die nóg belangrijker is dan alle gaven van de Geest bij elkaar, belangrijker dan een goede profeet zijn, of een goede leraar.

Oud-Beijerland is geen Korinte maar toch voel ik wel iets van de spanning die het geeft om als gelovig mens te leven in de wereld van vandaag. Hoe een innerlijk conflict kan ontstaan als de waan van de dag je de ene kant op trekt en de waarden van je geloof de andere kant. Hoe ingewikkeld het kan zijn om bijvoorbeeld op je werk én rechtvaardig én barmhartig te zijn. De wereld om ons heen is snel en vraagt om actie, reactie, meningen. Er lijkt nauwelijks plaats voor trage vragen, nauwelijks tijd voor overdenking of voor in stilte zwijgen en geduldig wachten.

Ook bij onze kerk wappert gedurende deze tijd de vlag: Houd moed, heb lief. Maar wat betekent het in vredesnaam?! 

 

Love is the message, Al Green

Toen aan Jezus werd gevraagd wat het allerbelangrijkste was zei hij: Heb lief. God de Heer, met hart en ziel en heel je verstand. Heb lief, je medemens als jezelf. (Matteus 22:36) Dit ligt ten grondslag aan alles wat geschreven is in Wet en Profeten. Het is de onvoorwaardelijke liefde van God die aan alles voorafgaat. Agape, staat er in het Grieks. Onze taal is eigenlijk te arm om dat te kunnen vertalen. Als wij aan liefde denken, is het wederzijds. En er zit een bepaald mechanisme in dat wat je geeft ook weer naar je terugkomt. Maar agape is niet per se wederzijds. Het focust op wat de ander nodig heeft, het geeft zonder terug te verwachten, het heeft niets te maken met jouw eigen behoeften en het laat de ander vrij om die liefde wel of niet te beantwoorden.

God is zo, geloven wij. Daarom is ‘houd moed, heb lief’ geen onmogelijke opgave. Het hoeft niet uit het niets te komen, of alleen uit onszelf. Wij zijn aangesloten op een bron die nooit opdroogt; op een oplaadpunt dat altijd beschikbaar is. We zijn er in onze doop in ondergedompeld, overgoten met het sop van Gods liefde voor ons.

In Jezus hebben wij in levende lijve gezien hoe die liefde kan uitwerken; wat de kracht van Gods liefde vermag. Waar mensen ermee in aanraking kwamen veranderden zij. Hun leven werd geheeld, vernieuwd. En daarmee veranderde ook de wereld waarin zij leefden.

 

Jezus’ liefde wás geduldig en vol goedheid. Hij had zorg om wie verloren was; zag er op toe dat er genoeg was. Zelf zei hij: Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden (Joh 15:13) en dat heeft hij ook gedaan. Hij offerde zichzelf op. Het is die verdraagzame, onzelfzuchtige en offerende liefde die het verschil maakt.

Vanuit zíjn geloof in Jezus zegt Paulus tegen de gemeente van Christus: Liefde is de weg. Een weg van verzet tégen verwaandheid, tegen ongeduld, tegen onrecht. 

Als liefde de weg is, zullen we nadenken voor we iets zeggen. Als liefde de weg is, zullen we geduld hebben en moedig doorstaan wat deze tijd ons brengt. Als liefde de weg is, zullen we bedenken wat een ander nodig heeft, voordat we nemen wat we zelf nodig hebben. Dan zullen we het goede zijn toegedaan, voor elkaar bidden en met elkaar meeleven in vreugde en verdriet. Als liefde de weg is, zullen we ons niet laten overwinnen door het kwaad, maar het kwaad overwinnen door het goede. (Rom 12) Ik blijf hopen op geloof in die liefde.

overweging op zondag 25 oktober 2020 PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

Uit de Bijbel: 2 Koningen 2:1-18

 

je kunt het maar een keer goed doen

We beginnen met een voldongen feit: Elia is stervende. De lezer weet dat. Elia weet dat. Alleen Elisa nog niet. De focus van dit verhaal ligt dan ook vooral op hoe Elisa achterblijft. Het is niet zozeer een afscheid, als wel een nieuw begin.

Enkele maanden geleden kocht ik het boek: Je kunt het maar één keer goed doen. (Barbara van Beukering, Spectrum 2020) Zij interviewde mensen over de dood van een van hun geliefden en hoe bepalend het is geweest of iemand wél of niet over het naderende einde  kon praten. Of er wél of geen bewuste reis is geweest langs de herinneringen, langs de straten van pijn en de gedeelde geluksmomenten. Hoe helend en troostend kan het zijn als je samen toe mag leven naar de dood. In alle verdriet om het afscheid mag je ook weten: ik mag en ik kan verder. Want het leven met deze lieve mens heeft mij gevormd tot wie ik ben; hij of zij heeft bijgedragen aan mijn groei als mens. Daarom gaat het bij het afscheid niet alleen over die ander, maar ook altijd over jou, de achterblijver.

 

geen denken aan dat ik u alleen laat

Elia beschouwt de dood als een weg die de Heer hem wijst. Eerst naar Betel. Bergafwaarts naar Jericho, naar de Jordaan. In omgekeerde volgorde de weg die Israël aflegde onder leiding van Jozua. Door de Jordaan trokken zij het beloofde land in, zeven maal om de stad Jericho heen, om uiteindelijk kamp op te slaan in Betel. Alsof ze samen bladeren hun verleden; terugkeren naar de wortels van hun leven.

Elia gaat tot aan de Jordaan. De grens tussen het beloofde land en de woestijn; de drempel tussen leven en dood.

 

Telkens wordt Elisa uitgenodigd om te blijven. Blijf jij hier, de Heer wil dat ik naar Betel ga. Meent Elia dat echt? Wil hij Elisa niet belasten met zijn heengaan? Of hoopt hij juist op de reactie die volgt: Zowaar de Heer leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat. Je zult het nooit precies weten. Want wat bedoelt de stervende die tegen een wakend familielid zegt: ga maar slapen, je hebt het hard nodig?

Elisa houdt aan Elia vast: Je lééft, dus ik blijf ik bij je. Kunnen we Elisa niet gelukkig prijzen dat hij deze weg mag afleggen met zijn geliefde meester? Dat hij niet onverhoeds en zonder waarschuwing van hem wordt weggerukt?

Steeds als een etappe is afgelegd, weer dichterbij de laatste grens, komen daar de profeten naar Elisa toe, als de goedbedoelende omstanders: Het duurt nu niet lang meer, dat zie je toch ook wel’.

Elisa reageert bits: ‘Ik weet het. Zeg maar niets.’ Wat weten zij er tenslotte van.

laat mij delen in uw geest

Bij de oever van Jordaan houdt het gezelschap stil. Verder kunnen de omstanders niet mee. Alleen Elisa. Hij ziet hoe Elia zijn profetenmantel uittrekt, hem dubbel vouwt en ermee op het water slaat. Zo dicht staat hij bij Elia dat hij mee mag, een stukje van die heilige grond betreden.

En daar, aan de overkant van de Jordaan, afgesneden van het gewone leven, mag Elisa nog een laatste verlangen uitspreken. ‘Laat mij dubbel in uw geest delen’. Dat ontvangt in Israël de oudste zoon, de eerstgeborene. (Deut 21:17) Eigenlijk vraagt Elisa: laat mij jouw zoon zijn. Ik wil je in ere houden als mijn vader, je opvolgen en je roeping delen. Maar dát is niet aan Elia. De wens van Elisa zal worden vervuld als hij zíet. Als hij ziet, zal hij een ziener zijn. Dan zal hij inzien waaruit Elia heeft geleefd. En zal hij ook begrijpen hoe hij is heengegaan. Als Elisa zíet, is ook hij een profeet.

 

mantel

Bij de hemelvaart van Elia hoort een plaatje: een wagen met vurige paarden ervoor en Elia aan de teugels. Goed beschouwd is dat niet juist. Elia wordt door de stormwind opgenomen. De wagen met vurige paarden, eigenlijk symbool voor krachtpatserij en oorlogstuig, is hier een openbaring van Gods kracht en macht. Als een signaal naar het volk Israël: zij mogen dan een hang hebben naar mensenmacht en overmacht, uiteindelijk is God de enige echte krachtpatser.

Elisa heeft mogen zien. De taak die met de mantel meekomt ligt nu op zijn schouders. Dat is geen last die hij niet kan dragen want de geestkracht van Elia, waarom hij had gevraagd, rust dubbel op hem. Ook voor Elisa wijkt het water als hij terugkeert naar het land van de levenden. God zal bij hem zijn.

Aan de overkant zien de vijftig profeten dat er iets is veranderd in Elisa.

Maar zij zien het waarom níet.

 

Ze willen gaan zoeken, voor alle zekerheid. Zij zijn als de goedbedoelende mensen die verklaringen willen hebben; die niet kunnen leven met de rafelrandjes van ons bestaan, het niet weten en begrijpen.

Drie dagen lang zoeken de profeten maar ze vinden Elia niet.

Natuurlijk niet. Elia is opgenomen in een andere orde. Buiten bereik. Zoals ook Jezus later voor zijn leerlingen buiten bereik zal zijn. En vóór Elia is het Mozes die eigenhandig door God wordt begraven. (Deut 34:5) Niemand die ooit zijn graf heeft gevonden. En Henoch, die wandelde met God, en zó de hemel inwandelde.

Wie zó leeft, zal niet sterven. En wie achterblijft eert hen niet door naar hun graf te zoeken maar door in hun voetsporen te treden, door te leven met Gods woord en vanuit het kritische visioen van een rechtvaardige wereld. En door te sterven in vertrouwen op God. Wie de mantel past, trekke hem aan. Want die ligt er nog, Elia’s profetenmantel. En alles wat die vertegenwoordigt.

 

Go like Elijah

Je kunt het maar één keer goed doen. De vraag is hoe. Zullen we vertrouwen hebben? Zullen we de weg terug samen kunnen afleggen?

Begin jaren ’70 scoorde Chi Coltrane een nummer een hit met ‘Go like Elijah’.

‘Op een dag is mijn tijd gekomen

en wanneer dat zal zijn, dat weet ik niet.

Ik weet alleen dat ik wil gaan zoals Elia.

Ik wil omhoog naar de hemel,

witte paarden berijden met felle ogen.

Heer, vergeef mij mijn zonden.

En laat me gaan als Elijah wanneer ik moet gaan.

Ik wil geen grafsteen, geen kist, geen huilende mensen

die zeggen dat ik dood ben.

Ik wil gelukkig gaan. Zoals Elia.’

Gast aan tafel zijn bij God. Delen in een overvloed aan goed eten en mooie wijnen op een feest dat niet meer ophoudt. (Jesaja 25: 6-9) Niets te kort komen en een lange neus kunnen trekken naar je vijanden: want jij geniet de bescherming van je gastheer. (Ps 23)

Deze associaties roept Jezus op als hij zijn gelijkenis vertelt over de bruiloft en het feestmaal. Het koninkrijk van de hemel is een koning die een feest geeft; het koninkrijk van de hemel is een uitnodiging die je alleen maar hoeft te accepteren. Maar de bruiloftsgasten willen niet komen.

 

Jesaja 25: 6-9

 

6 Op deze berg richt de HEER van de hemelse machten

voor alle volken een feestmaal aan: uitgelezen gerechten en belegen wijnen,

een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen.

7 Op deze berg vernietigt hij het waas dat alle volken het zicht beneemt,

de sluier waarmee alle volken omhuld zijn.

8 Voor altijd doet hij de dood teniet.

God, de HEER, wist de tranen van elk gezicht,

de smaad van zijn volk neemt hij van de aarde weg

– de HEER heeft gesproken.

9 Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God!

Hij was onze hoop: hij zou ons redden.

Hij is de HEER, hij was onze hoop. Juich en wees blij: hij heeft ons gered!’

 

Mijn God, mijn herder zorgt voor mij, NL 23c

 

Matteus 22: 1-14

 

22 1 Daarop vertelde ​Jezus​ hun opnieuw een ​gelijkenis:

2‘ Het is met het ​koninkrijk van de hemel​ als met een ​koning​

die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon.

3 Hij stuurde zijn dienaren eropuit om de bruiloftsgasten uit te nodigen,

maar die wilden niet komen.

4 Daarna stuurde hij andere dienaren op pad met de opdracht:

“Zeg tegen de genodigden: ‘Ik heb een feestmaal bereid,

ik heb mijn stieren en het mestvee laten slachten.

Alles staat klaar, kom dus naar de bruiloft!’” 

5 Maar ze negeerden hen en vertrokken, de een naar zijn akker,

de ander naar zijn handel.

6 De overigen namen zijn dienaren gevangen, mishandelden en doodden hen.

7 De ​koning​ ontstak in woede en stuurde zijn troepen eropaf,

hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.

8 Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren: “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de gasten waren het niet waard genodigd te worden.

9 Ga daarom naar de toegangswegen van de stad

en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt.”

10 De dienaren gingen de straat op en brachten zo veel mogelijk mensen samen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd. 11 Toen de ​koning​ binnenkwam om te zien wie er allemaal ​aanlagen,

zag hij iemand die zich niet in bruiloftskleren gestoken had,

12 en hij vroeg hem:

“Vriend, hoe ben je hier binnengekomen

terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?” De man wist niets te zeggen.

13 Daarop zei de ​koning​ tegen zijn hofdienaars:

 “Bind zijn handen en voeten vast en gooi hem eruit, in de uiterste duisternis,

waar men jammert en knarsetandt.

14 Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.”’

 

een uitnodiging voor een feest

Wat een snertverhaal! In mijn herinnering zit een ander verhaal. Ik herinner het mij zoals Lucas het vertelt: de een heeft een akker gekocht waar hij naartoe wil; een ander wil een nieuw span ossen gaan bekijken en weer een ander is net getrouwd. Zij laten zich verontschuldigen. Zij hebben andere prioriteiten. Schandalig natuurlijk, maar het blijft zonder gevolgen. (Lucas 14: 16-24)

Matteus zet het veel scherper neer: de genodigden willen niet komen. Er zijn er zelfs die de dienaren van de koning mishandelen en doden. Dan is er dat incident met degene die geen bruiloftskleed en ook nog dat akelige laatste vers: Velen zijn geroepen maar slechts weinigen zijn uitverkoren. Met dat vers in de hand is meer kwaad dan goed aangericht. Voor velen heeft het geklonken als een dreigement, een donker perspectief van verloren gaan en niet behouden blijven.

 

We zouden het toch liever leuk houden. Een mooi verhaal over God die de mensen uitnodigt voor een feest; iedereen mag komen. We zouden toch niets liever willen dan dat iedereen dan kwam. Zoals Jesaja vertelt. (Jesaja 25) We zouden iedereen willen binnenlaten en liever niets horen over duisternis, gejammer en tandengeknars.

Van God verwachten we toch ook dat hij alles goed zal maken: de macht van de dood wegnemen, de tranen van de gezichten vegen. Het is toch die droom die Jezus in herinnering roept als hij begint te vertellen over een feestmaaltijd. Maar God is geen sussende ouder die alles in orde maakt en wegkust. En wij zijn geen onmondige kinderen. Volwassen in alle opzichten, ook in onze relatie tot de Eeuwige, weten we dat onze daden niet zonder gevolgen blijven. En dat onze morele keuzes er toe doen. Dat horen we in dit verhaal. Op het scherpst van de snede, dat wel.

 

Nico ter Linden vertelt hoe hij dit verhaal aan de kinderen op school voorlas en hen vroeg hoe het nou kon dat niemand wilde komen. Een jongetje steekt dan zijn vinger op en zegt: Ze zijn bang dat ze hem moeten terugvragen. Dat zou het kunnen zijn. De koning wil de liefde vieren maar de mensen houden hem op afstand. Ze hebben belangrijker dingen aan hun hoofd. Eigen zaken en zorgen hebben prioriteit boven het feest van de liefde. Let op: telkens als het in de Bijbel gaat over een bruiloft ontbreekt de bruid. Ook hier: de koning geeft een bruiloftsfeest voor zijn zóón, de bruidegom. Maar van een bruid is geen sprake. Want dat zijn wij! Het feest voor de zoon, dat is Gods nieuwe wereld, zijn koninkrijk op aarde. De ontbrekende bruid, dat is de gemeente.

woede

Niet alleen wijzen de genodigden de uitnodiging af, vertelt deze gelijkenis. De dienaren worden mishandeld en gedood. De koning wordt woedend; hij laat de moordenaars ombrengen en de stad in brand steken.

Zou God écht zo zijn. Dat kunnen we toch niet geloven?

 

Matteus gebruikt expres deze harde woorden. Als hij begint met schrijven weet hij dat de dienaren van God de koning, Johannes en Jezus, zijn mishandeld en gedood. Hij heeft de stad Jeruzalem zien branden. Nog altijd herinnert de Triomfboog in Rome eraan dat keizer Titus de stad belegerde en dat een miljoen mensen omkwam. Diep geschokt kan Matteus dit niet anders zien dan als een oordeel dat zijn volk over zichzelf heeft afgeroepen. Omdat zij Jezus niet konden volgen in zijn liefde. Omdat zij de uitnodiging van God niet konden aannemen. Als wij dit verhaal doorvertellen moeten we het zó doen dat de worsteling en de wroeging van Matteus en de joodse gelovigen van die tijd daarin doorklinkt. We moeten het zó vertellen dat het verdriet van díe tijd erin meeklinkt.

 

Maar in de loop van de eeuwen hebben niet-joden zich meester gemaakt van dit verhaal en ervan gemaakt dat het joodse volk zo schuldig is dat het vervangen is door een ander godsvolk, de christenen. Dat is gevaarlijke theologie en zo heeft Matteus het niet bedoeld. De droom van Jesaja blijft staan: Gods lieveling en eersteling Israël zal met de volken optrekken naar de heilige berg voor een feestelijke maaltijd. Laten we daar om blijven bidden.

 

herkansing

Terug naar het verhaal. Opnieuw laat de koning een uitnodiging rondbrengen. Bij de mensen die zich ophouden op de toegangswegen naar de stad. Buiten de poorten bevinden ze zich. Ze participeren niet in de samen-leving. Vreemde kostgangers zijn het. Zowel goede als slechte mensen. En ze zijn allemaal even welkom: met alles wat hen is gelukt en alles waarin zij hebben gefaald, met hun gebreken, met alles wat ze hebben en alles wat ze missen, met hun goede bedoelingen en hun zonden. Niet omdat hij houdt van ons zoals we zijn maar omdat hij potentieel ziet. Hij ziet in ons wie we kunnen zijn; als we niet meer blind zijn, als we niet meer doof zijn, als we niet meer verlamd blijven zitten waar we zitten. God neemt ons aan zoals we zijn maar hoopt op vernieuwing van ons denken en doen. Geloven betekent onherroepelijk veranderen, groeien. Je bent ergens op aanspreekbaar.

 

bruiloftskleed

De mensen op het feest, goede en slechte mensen, hebben één ding gemeen: zij dragen een bruiloftskleed. Een mantel.

 

Het is de mantel van de goede wil, om te leven naar Gods Woord. We hullen ons in onze goede bedoelingen. Wij kleden ons, zoals Paulus schrijft, in medeleven, in goedheid, in bescheidenheid, in geduld. Je mag ons aan ons jasje trekken als het gaat om het vergeven van een ander.

Het is tegelijkertijd de mantel van Gods good-will. Zijn milde blik over ons, zijn vergeving. Zijn mantel van liefde die bedekt wat er mis ging. En ons weer in de vrijheid zet, vrij van het verleden, met een toekomst voor ons. Nieuwe kansen.

(Kol 3:12,14 en Jes 61: 10)

Dat is die mantel. Wie hem past, trekke hem aan. Maar wee je gebeente als je die jas niet aantrekt. Jezus vertelt hoe de man zonder bruiloftskleed naar buiten wordt gegooid, geboeid aan handen en voeten.  

 

eruit!

Gemeente, dit beeld wordt niet geschetst om te vertellen dat het zo ís. Maar om de urgentie en de noodzaak aan te geven. Het is belangrijk om de uitnodiging voor het feest niet alleen aan te nemen maar om je ook in te zetten voor het slagen van dat feest.

De uiterste duisternis is niet de plek die God voor ons maakt, maar de toestand waarin we terecht komen als we ons niet meer hullen in waarden als liefde, verdraagzaamheid en goedheid. De man die naar buiten wordt gegooid geeft extra nadruk, extra gewicht aan de uitnodiging. God is er niet op uit om ons te laten mislukken. Het gaat hem juist aan het hart dat wij erbij zijn. Er mag geen mens verloren gaan.

overweging op zondag 27 september 2020      PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

doopdienst

 

inleiding op de lezingen

Als Matteus schrijft over een storm heeft hij het niet over het weer.

Maar over de omstandigheden waaronder de eerste gemeenteleden in Jeruzalem leven; Ze zijn met Jezus in zee gegaan en worden daarom vervolgd. Let op de eerste zin straks: Jezus stapte in de boot, en zijn leerlingen vólgden hem. Dáár gaat het over. Over Jezus volgen. En Matteus zoekt woorden voor de geloofsstrijd die dat geeft in de woorden van de Psalmen. Want zij zijn niet de eersten die het moeilijk hebben met hun geloof. Anderen gingen hen voor. Die met de Psalmen baden: Word wakker, Heer, waarom slaapt u. Maar het ook uitzongen en dankten: Want God is trouw en hij leidt ons naar een veilige haven. Dat lezen we in Psalm 107.

 

uit de Bijbel: Psalm 107: 1-2; 23-32 en Matteüs 8:23-27

 

Maar Jezus sliep 

In alle beweging en onrust van wat Matteus vertelt springt een zinnetje er voor mij uit: Maar Jezus sliep.

Op zich niet gek. Hij zal moe geweest zijn na een dag achtervolgd te zijn geweest door een menigte mensen die allemaal iets van hem willen. Én hij is aan boord gegaan bij vissers. Mannen die weten dat de wind grillig is op dat meer. Ze zullen wel vaker met dat bijltje gehakt hebben en het is altijd goed gekomen. Dus ik snap wel dat Jezus slaapt.

 

Toen onze kinderen kleiner waren deed ik ook wel eens mijn ogen dicht. Zo dat zij de kans kregen om hun eigen probleem op te lossen; om op te staan als ze waren gevallen; om iets op te biechten dat verkeerd was gegaan. Liefdevolle verwaarlozing noemden we dat. Natuurlijk wáren we er als vader en moeder om te troosten, om te beschermen, om op te rapen. Maar toch deden we onze ogen dicht omdat we erop vertrouwden dat zij sterk genoeg waren door alle goede dingen die wij er in hadden gestopt. En als elke ouder wisten en weten ook wij dat je je kinderen uiteindelijk moet loslaten. Dat zij hun eigen stormen zullen doorstaan. En het gaat. Ze redden zich.

Er waren ook momenten dat we beseften dat onze eigen armen tekort waren om hen te beschermen en te behoeden voor gevaar. Dat waren de momenten dat we herinnerd werden aan de belofte die wij deden toen zij werden gedoopt: Vertrouw je je kind toe aan God in goede en kwade dagen. En wij zeiden ja. Een broos vertrouwen dat we hen altijd hebben willen meegeven. God gaat mee. Hij opent nieuwe mogelijkheden.

Jezus slaapt. Want zijn vertrouwen op de Vader is groot. Evenals zijn vertrouwen op de leerlingen. Vissers waren ze. Als vissers van mensen zullen ze zich ook wel redden.

 

Ze maakten hem wakker

Waarom zou Jezus daar nog slapen?

Misschien omdat hij nog niet is wakker gemaakt. Hoe vaak denken wij niet dat we alles zelf aankunnen? Hoe vaak zeggen we niet dat we het liever zelf oplossen? Ik hoor het in ieder geval vaak genoeg mensen zeggen: hoe lastig het is om hulp te vragen. We ervaren het toch een teken van zwakte. We zijn liever niet aangewezen op anderen; liever onafhankelijk. Dus roeien we als gekken; vertrouwen we op ons eigen visserslatijn en komt het water ons tot de lippen. Maar we maken de Heer liever niet wakker. Want dat zou betekenen dat we moeten bekennen dat we het níet alleen kunnen; dat we onmachtig en hulpeloos zijn als onze wereld dreigt te vergaan.

God wekken betekent niet alleen dat wij ons in gebed tot hém keren maar dat ons gebed ook onze naasten bereikt. Want in hun vriendschap en de liefde komt Hij dichterbij. Een van de dingen die wij onze kinderen mogen leren, een van de dingen die we zélf mogen leren is het vragen om hulp. Iemand wakker maken. Ik heb een heel lief boek gekocht: De jongen, de mol en het paard. En daarin staat een prachtige zin: Wat is het moedigste dat je ooit hebt gezegd. Help.

 

Heer, red ons toch

Als de leerlingen Jezus wakker maken klinken hun woorden als een gebed: Heer, red ons toch, we vergaan! Marcus vertelt het nog indringender; de leerlingen maken Jezus wakker en zeggen: Meester, kan het u niet schelen dat wij vergaan?

Zo kan het soms lijken. Dat het God niets kan schelen hoe wij worstelen om boven te blijven. Alsof wij er helemaal alleen voor staan. Zo zullen de eerste gemeenteleden, oog in oog met de dood door vervolging, zich ook gevoeld hebben. Jezus is toch opgestaan? Hij heeft toch de dood overwonnen? Hoe kan het dan dat hij hen nu niet redt van de dood? Omwille van hem zitten ze nu in dit schuitje.

 

We kennen allemaal de tekst van de voetstappen in het zand. Een aansprekende tekst over onze voetstappen en die van God, omdat Hij naast ons gaat. We houden van deze tekst. Niet alleen omdat we ervaring hebben dat God ons draagt als we het moeilijk hebben maar juist ook omdat het onder woorden brengt dat we ons zo allemachtig alleen kunnen voelen, van God en mensen verlaten.

 

Maar als ik het spoor goed bekeek,

zag ik langs heel de baan,

daar waar het juist het moeilijkst was,

maar één paar stappen staan.

 

Ik zei toen “Heer waarom dan toch?

Juist toen ik U nodig had,

juist toen ik zelf geen uitkomst zag,

op het zwaarste deel van mijn pad..”

 

geloof en angst

Waarom hebben jullie zo weinig moed, kleingelovigen? Waar is hun geloof nu, nu ze geconfronteerd worden met de moeiten van het bestaan? Waar is jouw geloof als grote en kleine angsten zich aan je opdringen? Kunnen we het opbrengen om Jezus te blijven volgen ook als het moeilijk wordt? Jezus verwijt zijn leerlingen hun kleine geloof. En hij vraagt hen: waarom hebben jullie zo weinig moed? Waarom zijn jullie zo bang? Het tegenbeeld van geloof is nooit ongeloof. Het tegenbeeld van geloof is angst. Angst om de idee los te laten dat je het allemaal alleen kunt doen; of dat je alles alleen móet doen. Angst om om hulp te vragen aan mensen, aan God. Angst om om te komen. Het moedigste dat je kunt doen is roepen om hulp.

 

Toen stond Hij op 

Toen stond Hij op…… Matteus geeft een kort en krachtige samenvatting van het geloof dat ons draagt. Paasevangelie. Het water wordt kalm. Alles wat die eerste gemeenteleden moeten weten, alles waaraan wij ons vasthouden, is dat de onbeheersbare macht van de dood door Jezus is doorbroken. Wij zijn bij God in goede handen. Het schip met Jezus en zijn leerlingen bereikt veilig de overkant. Zo zullen wij eens de overkant bereiken en uitstappen op een andere oever, in een nieuw leven.

Dát is wat we NN vandaag meegeven in de doop. Zijn naam verbinden we met de naam van God, Ik zal er zijn en we zeggen tegen hem:

Wees maar niet bang.

We zullen hem en onze kinderen verhalen vertellen over mensen die dóór het water heen gered werden. Noach, Mozes, Jona. En zelfs over dat onbegrijpelijke grote wonder dat ons leven door het water van de doodsrivier heen wordt gered.

overweging op zondag 20 september 2020      PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

afbeelding: Sieger Koder

 

uit de Bijbel: 1 Koningen 19: 1-16

 

het is genoeg

Die arme Elia. Hij vecht tegen de bierkaai, profeet van God in een land vol afgoden. Hij moet opnieuw vluchten voor de moordlust van koningin Izebel. Hij laat zijn knecht achter en trekt de woestijn in. ‘Laat mij maar alleen.’ Elia ziet het niet meer zitten. Was hij maar dood. Alles beter dan dit leven.  

Het is genoeg. Die ervaring herkenden we. In onszelf, als we beseffen dat we beter voor ons zelf moeten zorgen en tijd moeten vrij maken om te ontspannen; in de mensen om wie wij ons bezorgd maken; in onze omgeving die het beu is om afstand te houden, in de eenzaamheid van mensen die het normale contact met hun kinderen en kleinkinderen missen. We herkenden het gevoel dat je de moed opgeeft.   Of dat je wegvlucht van je problemen. En wat kun je er moe van worden om altijd maar tegen de stroom in te gaan.

Elia kruipt vol zelfbeklag onder een struik. Is hij dan nu alweer vergeten dat op zijn gebed God antwoordde met vuur uit de hemel? Elia, hoe zit dat met jouw geloof in God? En nog wat: moet een profeet niet profeteren? Daar onder die bremstruik kom jij niet toe aan datgene waartoe je bent geroepen.

 

word wakker

Er is een wake up call nodig. ‘Word wakker en eet wat’ zegt een engel van de Heer en hij raakt Elia aan. Een hand op zijn schouder.

‘De plaats waar je wordt wakker geschud, en waar je wordt gevoed om verder te kunnen, dat is De Open Hof’, zei iemand. Want hier ben je welkom, wie je ook bent en hoe je er ook aan toe bent. Hier is brood en wijn; hier zijn goede woorden, hier word je aangeraakt en geraakt.

‘Dat herken ik’, zei een ander. Dat je precies op het goede moment hier bent en iemand treft…. dat je brood en wijn krijgt aangereikt en je gesterkt voelt.

En ik bedacht me wat een ondankbaar werk het kan zijn om een engel van God te zijn. Om mensen wakker te schudden, te bemoedigen; Mensen die zich vervolgens omdraaien en weer terugvallen in hun oude patroon. Het is niet altijd leuk en makkelijk om namens de kerk op bezoek te gaan. Bij iemand te gaan zitten die vol zelfbeklag zit en daar ook in blijft zitten….

En dat zelfbeklag kennen we toch zeker in de Open Hof ook. Als wij ons druk lopen maken over ‘de jeugd’; of onze eigen kinderen en kleinkinderen. De kerk heeft de tijd niet meer mee en corona trekt ook op ons een zware wissel. Maar het bijltje erbij neer gooien -waar doen we het nog voor-  daar is niemand bij gebaat en Gods werk in de wereld niet mee gediend. Het mag dan zwaar zijn of soms onmogelijk lijken, niemand kan weglopen voor zijn roeping. De kerk niet, Elia niet, jij niet, ik niet.

Gelukkig is de engel van de Heer geduldig en vasthoudend. Hij raakt Elia opnieuw aan: ‘Sta op en eet wat.’ Elia moet in beweging komen.

 

wat doe je hier?

Veertig dagen en veertig nachten loopt hij. Bijbelse tijd. Heilzame tijd. Elia is onderweg om iets te leren of af te leren. Elia is onderweg om God te ontmoeten, bij de Horeb, de berg van God. Je zou kunnen zeggen dat Elia terugreist in de tijd. Hij reist naar de plaats waar God de Tien Woorden gaf aan Mozes; naar de grot waar God aan Mozes voorbijtrok en zijn Naam uitriep; naar de berg waar de struik brandde maar niet verteerde en God zei: Mijn Naam is ’Ik zal er zijn’. (Lees: Exodus 20; Ex 33 en Ex 3) Bewust of onbewust gaat Elia terug naar de bronnen van zijn geloof.

Wat zou het mooi zijn als we hem daarin kunnen volgen. Dat wij, als de moed ons ontbreekt en we geen zicht hebben op de zin van ons bestaan, de weg terug vinden naar onze wortels; naar ons geloof. Maar het is wel de bedoeling dat je uit dat nieuw gevonden geloof je conclusies trekt.

Elia gaat opnieuw liggen slapen. Hij heeft zich omgeven met een nieuw gevoel van geborgenheid.  Maar daarvoor is ons geloof niet bedoeld. Niet om ons in slaap te sussen. Niet om ons te verbergen voor de pijn van de buitenwereld. Het is niet alleen voor de zondag.

 

wat doe je hier?

‘Wat doe je híer?’ vraagt God aan Elia. ‘Kom naar buiten en treed hier op de berg voor mij aan.’ Elia wordt op appèl geroepen. Aantreden moet hij. Het blijft een zielig hoopje profeet. ‘Ik heb me met volle overgave ingezet… ik ben als enige overgebleven…’ Dat is niet helemaal waar. Obadja, hofmeester van koning Achab én iemand met ontzag voor God, had 100 profeten helpen ontsnappen. (1 Kon 18: 3-4) En er waren nog veel mensen in Israël die niet de afgoden dienden maar God. Maar Elia voelt zich in de steek gelaten door de mensen. En hij voelt zich in de steek gelaten door God.

 

‘Kom naar buiten’. Vertoon je. Ook als je gekwetst bent. Als je verlies hebt geleden. Verstop je niet omdat je je alleen voelt, omdat je omstandigheden moeilijk zijn. Kom naar buiten en ervaar dat God daar is.

En Elia komt uit zijn verstopplek en een krachtige wind steekt op. Zo’n wind die een zee kan splijten. Weet je nog, Elia, dat Gods volk met droge voeten kon oversteken en dat God hen niet alleen liet? (lees Exodus 14:21)

Dan is er een aardbeving die de aarde op zijn grondvesten doet trillen, precies zoals toen God een verbond sloot met Mozes en beloofde: Ik ben jullie God, jullie bevrijder. (lees Exodus 19: 16-20)

En als laatste is er het vuur. Zoals de vuurkolom die als een gids het volk door de woestijnnacht leidde. ((Ex 14:20)  Een voor een trekken de oude verhalen aan Elia voorbij. Als een bevestiging dat Elia niet vergeefs zijn vertrouwen op God had gesteld. Maar het is ook tijd voor iets anders. Want Elia heeft inmiddels wel ervaren dat God níet optreedt als een krachtige bevrijder.

 

God is overal. Dat deelden we in ons groepje. Als je er maar voor openstaat om hem te ervaren. Je moet de signalen leren lezen. Een vliegtuig dat op een sprekend moment overkomt; een vlinder in de winter, de lucht die openbreekt bij een begrafenis. ‘Een ander zegt dat het toeval is, maar voor mij betekent het wat,’ zei iemand. Het betekent: God is erbij en laat mij niet alleen aanmodderen.

 

keer terug

Dat moet Elia weer leren geloven. Hij herinnert zich weer de wind, de aardbeving, het vuur. En dan is het stil. Zo’n stilte die je gewaar wordt als het geluid is weggevallen. Zo kan ik mijn werkkamer zitten terwijl in de straat een vrachtwagen staat te brommen. Ik hoor hem niet. Pas als hij wegrijdt en het stil wordt denk ik: wat hoor ik toch?

Het gefluister van de zachte bries lokt Elia naar buiten. Wat hoort hij toch? En in die stilte klinkt weer de vraag: ‘Elia, wat doe je hier?’ Als een echo van de vraag van het begin van de Bijbel: ‘Mens, waar ben je?’ ( Genesis 2:9) In het suizen van de stilte, de hoorbare stilte na de storm (lees Psalm 107: 29) spreekt God Elia opnieuw aan: Wat doe je hier? En als Elia antwoordt met dezelfde riedel van zelfbeklag ‘ik heb me met volle overgave ingezet…. ik ben als enige overgebleven…’ zet God hem weer op zijn plaats en geeft hem perspectief: Keer terug…zorg dat jouw roeping niet strandt en benoem een opvolger. Draag zorg voor het geloof en de hoop van de volgende generatie.

 

stilte

Het is een valkuil om na de gewelddadigheid van wind en aardbeving en vuur de stilte te bewieroken. Er spreekt ook een enorme aansporing uit dit verhaal: Word wakker, sta op, wat doe je hier? Ons geloof kan nooit uitmonden in stilte. Want uit de stilte wellen luid en duidelijk wezenlijke vragen op: wie ben jij? Wat is je roeping?

We kunnen de stilte soms zoeken en ons afstemmen op God. Natuurlijk. Tegelijkertijd is het een grote geloofsklus om het met God uit te houden als het stil is. Als we ernaar verlangen dat Hij met sterke arm ons zal bevrijden van onze moeilijkheden; dat Hij verdriet of last van ons zal wegnemen. Het is soms bijna ondragelijk om te leven met een God die zich hult in stilte.

Ik denk dan aan Jezus die zo dicht bij God leefde dat hij hem Vader noemde.

Maar op het moment dat de Zoon de Vader het hardst nodig had was er niets dan stilte. ‘Mijn God, waarom verlaat je Mij?’ (lees: Matteus 27:46)

Toch vond hij in de stilte, in het zwijgen van God, de moed om te aanvaarden en zijn leven in Gods hand te leggen.

 

Wij kunnen God niet tevoorschijn roepen als wij hem nodig hebben; zoals Elia dat deed met het vuur in het altaar. We kunnen hem niet zichtbaar maken. Wél onszelf. Wanneer we voor zijn aangezicht aantreden. Ik vertrouw dat U er bent, God, en híer ben ik.

overweging op 13 september 2020     PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

         

We stappen in een lopend verhaal. We lezen hoe de profeet Elia en koning Achab elkaar na drie jaar weer ontmoeten. Al die tijd was de profeet op de vlucht geweest voor koningin Izebel, die alle profeten van de Eeuwige had laten vermoorden.

Achab tergt God, meer nog dan zijn voorgangers deden. Hij dient de afgod Baäl, de absolute tegenpool van God. Hij staat voor eigendom, vruchtbaarheid en potentie. De God van Israël staat voor naastenliefde, barmhartigheid en gerechtigheid. Dat gaat mis, dat zie je aankomen. Baäl is ook de god van de regen. Maar laat het nu de Eeuwige zijn die de regen heeft tegengehouden en weer teruggeeft.

 

uit de Bijbel: 1 Koningen 18:17-46

 

droogte

In de veelheid van geluiden, in het stormen van de tijd, zoeken wij het zachte suizen van het woord, dat ons verblijdt. En van overal gekomen, drinkend uit de ene bron, bidden wij om nieuwe dromen, richten wij ons naar de zon. (NL 283)

Vanuit alles wat er op ons afkomt, proberen we hier te focussen op wat er echt belangrijk is. We weten het wel, dat wanneer we geen aandacht hebben voor de bron die ons in leven houdt, ons leven verdort. En wat wij worden belemmerd in onze groei als mensen. We weten het wel dat ons leven armoedig wordt als we de kernwaarden van ons leven en ons geloven naast ons neerleggen. Als we gaan onderhandelen over hoeveel mensenlevens we wíllen redden als we er heel veel kúnnen redden en dat ook zouden moeten doen. Het wordt armoedig en vruchteloos als we alleen bij onszelf te rade gaan wat we belangrijk vinden, hoe we vooruit kunnen komen, en daarbij de barmhartigheid en menselijkheid uit het oog verliezen.

Uit welke bron willen wij drinken? Dat is de vraag die uit dit verhaal naar ons toe komt. Waaruit wil jij leven? Wat mag jouw beslissingen kleuren? Wat troost jou in donkere dagen? Waar mag ik jou op aanspreken?

 

kiezen

Het wordt tijd dat koning Achab en het volk een keuze maken. Wie willen zij dienen,  Baäl of God? Waar zullen zij hun leven door laten bepalen, eigenbelang of zorg voor de ander? Op twee gedachten hinken kan niet langer. Een beetje in God geloven bestaat niet. Maar de Israëlieten zeggen niets. Ze willen helemaal niet kiezen. Of ze zien het probleem niet zo. Zo vervreemd zijn ze van hun geloof.

Is het herkenbaar? Het is niet altijd makkelijk om te varen op je morele kompas. Het kan maar zo zijn dat je dwars tegen de stroom ingaat. We spelen vaak liever op safe dan dat we ons laten leiden door een droom, idealisme. En het liefst houden we iedereen te vriend. Gelukkig hebben we voorbeelden, mensen aan wie we ons kunnen spiegelen, ons optrekken. Mensen van naam, mensen die we bewonderen, maar ook mensen dichtbij. Oprecht in hun geloof; mensen die zich laten aanspreken op wat ze geloven. Wie is zo’n voorbeeld voor jou? En wat spreekt je zo in hem of haar aan?

 

hinken = pesach

Hoe lang nog blijven jullie op twee gedachten hinken, vraagt Elia. Hinken, dat is in het Hebreeuws: pesach. Elia roept het feest van Pasen in herinnering, waarmee Israël de bevrijding uit Egypte gedenkt. God deed een hinkstapsprong voorbij de huizen waar het boel van het lam aan de deurpost was gesmeerd. Hij spaarde de levens in dat huis en bracht hen naar beloofd land. Hoe kun je vieren dat je bevrijd bent, maar je Bevrijder niet eren? Hoe kun je zijn weggetrokken uit een land van angst en onderdrukking om vervolgens zo’n koning te zijn.

Het moet nu maar eens klaar zijn. En Elia speelt het hard tegen hard: de God van Israël tegen Baäl. Wie het eerst antwoord geeft wint. Wie het vuur weet te ontsteken is de ware God. Heel het volk stemt in met dit voorstel. Misschien omdat ze dachten dat hún god, met zijn vierhonderdvijftig profeten, de vloer zou aanvegen met die armoedzaaier van een Elia.

Het is een komisch plaatje.

De Baälpriesters dansen en springen in het rond. Alles om hun god te verleiden het vuur te ontsteken. Ze verliezen zichzelf in het schreeuwen en dansen. En Elia gooit af en toe olie op het vuur met opmerkingen als ‘jullie god is zeker druk met andere dingen’, ‘zou hij soms op reis zijn’ of ‘slaapt hij’.

Hoe anders is dat met de God van Israël, die sluimert noch slaapt (Ps 121) en die antwoordt als Hij wordt aangeroepen. (Ps 91:15) Hij is de God die het wél kan schelen als droogte en armoede mensen treft; de God die opkomt voor de kwetsbaren in de samenleving (lees bijvoorbeeld Psalm 146) en ons vraagt om hetzelfde te doen.

 

vuur uit de hemel

Als de hulpeloosheid van Baäl voldoende is aangetoond is Elia aan de beurt.

Elia pakt het anders aan. Hij begint op de puinhopen van wat eens de eredienst aan God was: het verwoeste altaar.

Hij bouwt dat altaar met twaalf stenen. Voor elke stam een. Hij laat daarmee duidelijk zien wat de basis is voor het leven met God. Dat is eenheid. En die is er niet. Na de regeringsperiode van Salomo was Gods geliefde volk uit elkaar gevallen in twee koninkrijken: Israël en Juda. Zij leven op voet van oorlog.

Met de twaalf stenen, en de drie keer vier kruiken water, herinnert Elia de mensen eraan dat zij één zouden moeten zijn in hun gehoorzaamheid aan de Tora. Om zó samen te leven dat het lijkt op beloofd land. Vanuit de gemeenschap kan God worden aangeroepen.

 

Het altaar wordt ruim met water begoten. Als het vuur zal branden, zal dat echt alleen aan God te danken zijn. Elia maakt daarmee zichtbaar dat wij in alle opzichten afhankelijk zijn. God geeft het leven. Hij geeft elke nieuwe dag. We ervaren het als vanzelfsprekend en in die zorgeloosheid mogen we ook leven. Maar vanzelfsprekend is het niet. Het zijn geschenken. Het is alleen maar genade.

 

En Elia bidt. Kort maar krachtig. Hij roept God aan als de God van Abraham, Izaak en Jacob die Israël werd genoemd. De God die meegaat van generatie op generatie en ook trouw zal zijn aan hen, daar op de Karmel. De God die niet loslaat wat zijn hand begonnen is.

En dán slaat het vuur van God in. We hoeven ons niet uit de naad te dansen of uitzinnig te proberen Gods aandacht te trekken. Hij is er als antwoord op de eensgezindheid, ons besef van afhankelijkheid en ons gebed.  Daarom bidden wij vandaag voor A. die wordt bevestigd in het ambt van diaken, voor allen die  vandaag een taak op zich nemen, om de Geest van God. Want zonder kunnen wij het niet.

 

Het eindigt met geweld. De wolf valt in de put, de draak is verslagen, het goede wint. Zo moeten we het lezen dat Elia korte metten maakt met de profeten van Baäl. Je krijgt wat je over jezelf afroept. Wie kiest voor Baal kiest een doodlopende weg. Wie kiest voor God, kiest voor het leven. (Lees bijvoorbeeld Deuteronomium 30: 15v)

 

Nee, het eindigt niet met geweld. Het eindigt met regen. De sluizen gaan open en koning Achab moet zich haasten om op tijd thuis te zijn. In het wedstrijdje hardlopen is het Elia die wint. Want met God kom je verder. Dat moet Achab nog leren. Het eindigt met regen. God die ons zegent, hemelse liefde die over ons regent. (NL 868)

overweging op zondag 30 augustus 2020        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

uit de Bijbel: Psalm 19: 8-15 en Jacobus 3: 1-5 en 9-12

 

zalig die het woord van God horen

Zalig zij die het woord van God horen en het bewaren. (Lucas 11: 28, NBG ‘51)

Toen ik begon als predikant gebruikte ik deze woorden nog wel om de lezing af te sluiten. Maar gaandeweg begon ik er wat achteraan te smokkelen: Zalig zijn zij die het woord van God horen, het bewaren én er naar leven.

Dat de mensen niet zouden denken dat ze er makkelijk af konden komen. Dat ze als Kortjakje zondag naar de kerk konden komen, en door de week het Boek dicht konden houden met het zilverwerk.

Jacobus zit daar ook mee. Hij stelt zichzelf, en zijn broeders en zusters, de vraag: wat heeft het voor in als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? (Jacobus 2:14)

 

Van Jacobus hoef je geen theologische verhandelingen te verwachten, zoals bij Paulus. Jacobus is ook niet van de mooie overwegingen. Hij is recht voor zijn raap, nuchter en praktisch. Hij vraagt zich hardop af wat er van het geloof terecht moet komen. En hij wijst op de manieren die je als christen zou moeten hebben.

Wat hij zegt wéét je natuurlijk best, maar je vergeet het gemakshalve ook wel eens. En daarom komt Jacobus soms een beetje over als een betweter; als iemand met de vinger vermanend omhoog. Het kan irritatie oproepen om terecht gewezen te worden. Zo krijg ik de kriebels als iemand mij er in de supermarkt op wijst dat ik geen afstand houd. Diegene heeft gelijk en toch roept het wrevel op.

Jacobus trapt open deuren in. Wees snel met luisteren en traag met spreken. Beoordeel niemand op zijn uiterlijk. We weten het, Jacobus, en toch vinden we het moeilijk om dat in ons dagelijks leven toe te passen! Want daar krijgt geloven zijn beslag; in het dagelijks leven. Jacobus roept ons op om de daad bij het vrome woord te voegen. (Barnard) Op al onze levensterreinen zou het moeten inwerken. In ons werk, in hoe we kinderen opvoeden, in hoe we omgaan met ouderen, in hoe we ons opstellen in het sociale verkeer, enzovoort.

 

Jacobus staat daarin dicht bij Jezus. Zeker in de Bergrede geeft Jezus heel praktische aanwijzingen voor het leven met elkaar. Over de balk en de splinter; over niet oordelen en elkaar behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden; over de wil van de Vader dóen. (resp. Mt 7: 4; Mt 7: 1; Mt 7:12; Mt 7:21)

Overigens heeft zich het ‘probleem’ opgelost van ‘zalig zij die het woord van God horen en bewaren’. De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt, terecht, ‘gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven.’ Je bewaart, onthoudt het; én je houd je eraan.

 

verlegenheid

Het klinkt logisch en toch begint voor veel mensen daar de verlegenheid. Want hoe doe je dat dan; hoe krijgt geloven een plaats in je dagelijks leven, in je huis? De kerk en de werelden waarin je je beweegt lijken soms niets met elkaar te maken te hebben. En nu we elkaar vooral via internet ontmoeten lijkt de afstand misschien nog wel groter en dreigt de valkuil dat ons geloof iets abstracts wordt.

Ik zou jullie wel willen uitdagen om iets te bedenken, een ritueel, een vorm die past bij jou en je gezin en dat een week vol te houden. Een kaars aansteken; een tekening maken of een gesprek over de goede dingen van de dag; samen bedenken waarvoor je zou willen bidden. Samen lezen uit een dagboekje of een zegen uitspreken aan het eind van de dag.

En wat zou je kunnen meenemen naar je werkomgeving? Is het bijvoorbeeld het geloof dat God ieder mens geschapen heeft naar zijn evenbeeld. (Jac 3:9) Dan benader je elkaar toch anders. Dan zie je als manager groei in je teamlid; als leraar zie je vooruitgang in je leerlingen. Dan leer je elkaar te accepteren met hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Of misschien is voor jou de verantwoordelijkheid voor de schepping een belangrijke kernwaarde. Hoe breng je dat in de praktijk?

De vraag ‘What would Jesus do’ is ook een mooie praktische suggestie om bewust stil te staan bij je geloof. Geen woorden maar daden. Want een geloof zonder daden is een dood geloof.

 

de tong in toom

Jacobus spoort ons aan om klein te beginnen. Dat kan grote gevolgen hebben.

Begin bij je tong. In onze taal hóór je dat dat een probleemgeval is: een scherpe tong, een fluwelen tong, een gespleten tong, het hart op de tong, een tong als een scheermes, over de tong gaan, je tong wel af kunnen bijten, a slip of the tongue….. 

Begin bij je tong, want die is een wezenlijk onderdeel van je dienst aan God, van je gehoorzaamheid aan zijn wil. Je tong is als het bit van een paard, als het roer van een schip. Je bestuurt er je lichaam mee. Je bepaalt er je koers mee.

‘U moet niet allemaal leraar willen zijn.’ Lees elkaar niet de les. ‘Want u weet dat ons leraren een strenger oordeel te wachten staat.’ Het klinkt als de woorden van Jezus: ‘Oordeel niet, opdat er niet over je geoordeeld wordt.’  (Mat 7:1) Langs de maatlat die jij neerlegt voor anderen, zul jij ook moeten liggen.

Wéét wat je kunt aanrichten met je woorden. Voor je het weet heb je een bosbrand ontketent. Iets waarop je bijna geen grip meer hebt en dat veel schade aanricht. Een woord, een veroordeling, een afwijzing kan woekeren als een virus en iemands leven verzieken. We onthouden feilloos wat iemand heeft gezegd waardoor we gekwetst werden. Of ons buitengesloten voelden. Woorden wegen zwaar. We hadden het er even over aan de koffietafel donderdagmorgen en iemand zei: Wat je niet tégen een ander kunt zeggen, moet je ook niet óver die ander zeggen. We voelden allemaal aan dat het heel erg waar was en tegelijkertijd dat we daarin de grenzen opzoeken en er ook overheen gaan.

Ik vond er een mooi verhaal bij:

Een boer die veel roddels had verspreid kreeg daar spijt van en hij vroeg aan de rabbi hoe hij daarvoor boete kon doen.

‘Verzamel een zak vol kippenveren. Ga daarmee het dorp rond en leg bij alle mensen over wie je hebt geroddeld een veertje bij de deur.’

De boer vond dat hij er zo makkelijk van afkwam en deed wat de rabbi hem had opgedragen. Daarna ging hij terug naar de rabbi en vroeg hem of het nu opgelost was. ‘Nog niet’, zei de rabbi. ‘Nu moet je weer langs alle deuren gaan en de veertjes die je hebt neergelegd weer ophalen.’

‘Maar dat kan helemaal niet’, zei de boer. ‘De meeste veren zijn al lang door de wind weggeblazen.’

De rabbi antwoordde: ‘Zo is het ook met jouw praatjes. Je strooit ze gedachteloos rond en wat je ook probeert, je kunt ze niet meer terughalen.’

 

zegen en vloek

Hoe kan het toch dat we met dezelfde tong zoveel kwaad kunnen aanrichten en zoveel goed? Bittere woorden en zoete woorden uit dezelfde mond? Dat is net zo raar en onmogelijk als olijven plukken van een vijgenboom; of vijgen van een druivenstruik. Elke boom geeft vruchten naar zijn aard. En gelovige mensen hebben een aardje naar hun Vaartje. Het kán niet bestaan dat een gelovig mens zijn tong niet in bedwang heeft, zegt Jacobus. Ik heb nog veel te oefenen. Met David bid ik mee: ‘Mogen de woorden van mijn mond en de overpeinzingen van mijn hart u bekoren.’ 

H

overweging op zondag 23 augustus 2020        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

Afstand houden is het kernwoord van deze periode.

En we merken allemaal hoe vervelend en ingewikkeld we dat vinden.

Social distancing is ons niet op het lijf geschreven.

Iemand zei daarover:

vanaf het begin hebben we het verkeerd benoemd.

Social distancing klinkt als iets dat niet mag. Het is negatief.

Houd afstand; kom niet te dichtbij.

We hadden het distant socialising moeten noemen.

Daarin zit ruimte; daarin zitten mogelijkheden.

Uiteindelijk hebben we die ruimte ook wel gezocht en gevonden

om op allerlei manieren toch dichterbij elkaar te komen.

Betrokkenheid en zorg voor elkaar zit niet alleen maar in de fysieke nabijheid.

Er zijn zoveel andere manieren om dichtbij iemand te zijn.

Die eerste maanden van de lock down stuurden we kaarten,

leerden we beeldbellen en deden we boodschappen voor elkaar.

Natuurlijk misten we, en missen we nog steeds, de handdruk, de knuffel of de kus.

In de Bijbel horen we hoe God Mozes maant om afstand te houden.

Kom niet dichterbij en trek je sandalen uit,

want de grond waarop je staat is heilige grond.

 

Het is nodig dat Mozes afstand houdt, zodat hij betrokken kan raken bij God. 

Zodat God betrokken kan raken bij hem.

 

Uit de bijbel: Exodus 3: 1-6        

 

Wat me nu is overkomen,

Loop ik langs een rijtje bomen,

Vliegt er aan mijn linkerhand

Plots een braamstruik in de brand.

 

Echter zie! Het veldgewas

Valt niet uit elkaar in as,

Maar het blad bleef ongeschonden

Of geen vuur en vlam bestonden.

 

Je begrijpt, ik stond versteld!

Toch de brandweer maar gebeld.

(Simon Knepper)

 

een wonderlijk verschijnsel

Als vandaag een struik in brand zou vliegen, zou naast de brandweer ook meteen de landelijke pers er bovenop zitten om breed uit te meten over dit wonderlijke verschijnsel. In de  verschillende actualiteitenprogramma’s zou de ene na de andere deskundige opdraven. Ooggetuigen zouden worden ondervraagd over wat ze hadden gezien en wat er door hen heen ging. Er zou uiteindelijk niets overblijven van wat daar had moeten plaatsvinden. Het zou gesmoord worden in verklaringen, analyses en discussies. Er zou gezocht worden naar een verantwoordelijke om dit soort brandjes in de toekomst te voorkomen. Als er vandaag een struik in brand zou vliegen omdat een engel van de Heer ons iets wilde duidelijk maken, dan zou die onverrichterzake terugkeren.

Niets is meer heilig. We zien misschien wel iets branden maar we worden er niet warm van.

 

Mozes loopt door het steppeland met de kudde van zijn schoonvader. Het is al lang geleden dat hij Egypte ontvluchtte. Een nieuwe generatie heeft zich inmiddels aangediend. Hij is vader geworden van Gersom. Dat betekent ‘vreemdeling’, want Mozes weet best dat hij niet op zijn plek is. Ook in Egypte zijn kinderen geboren; in onvrijheid. Ik kan niet geloven dat dat hem koud laat. Dat zit ook niet in hem. Toen een volksgenoot van hem werd geslagen door een Egyptenaar, vermoordde hij deze. (Ex 2:12) En toen hij in Midjan terecht kwam en zag hoe zeven meisjes probeerden met hun kudde bij de waterput te komen maar steeds werden weggejaagd door de mannen (Ex 2:17) kwam hij voor hen op. Met een van die meisjes is hij later getrouwd. Het zit in Mozes om op te komen voor wie verdrukt is. Hij heeft er tot op dit moment alleen nog niet zoveel meegedaan. Hij voelt zich nog niet geroepen. Totdat een doornstruik in brand vliegt. Dat wonderlijke verschijnsel wil hij eens van dichtbij bekijken.

 

heilige grond

Mozes wordt geleid door zijn verwondering en nieuwsgierigheid. En zo nadert hij God. Al weet hij dat op dat moment nog niet.

 

Een ontmoeting met God, iets van hem ontwaren in de verwarring van de tijd, iets van hem horen in de ruis van alle dag, dat kunnen we nu eens niet regisseren of plannen. Dat gebeurt onverwacht. Het valt ons toe, als we er oog voor hebben. Als we ons verwonderen. Over iets dat we zien of horen; over een ontmoeting.

We kunnen ons er ook op afstemmen. Door stil te worden. Door samen te spreken over ons geloof. Dan betreden wij heilige grond.

Voor we onze dienst beginnen, bidden we ons toenaderingsgebed. We naderen om te horen wat Hij ons wil zeggen. We naderen om te ontvangen wat Hij ons wil geven. Heilige grond. 

 

Heilige grond is misschien niet eens zozeer een fysieke plek maar een geestelijke houding. Een open staan voor wat er op je afkomt zonder dat meteen te willen duiden. Pas als wij op díe heilige grond staan, kunnen we Gods stem horen. Dan kan het inzicht in ons rijpen waar God ons nodig heeft; of waar wij in kunnen groeien om de mens te zijn die God allang in ons heeft gezien. Mozes ís al een man die zich het lot van anderen aantrekt. Hij ís al een goede herder voor de schapen van zijn schoonvader. En nu legt God beslag op hem met het oog op zijn mensen. Hij wordt geroepen. Mozes! Mozes! Het is een roeping die niet overvraagt. Het sluit aan bij wie we zijn of wat we kunnen. Het sluit aan bij de onrust in ons eigen hart. We hoeven er niet aan op te branden.

 

Dichterbij hoeft Mozes niet te komen. Het ís tenslotte heilige grond. Nooit zullen we honderd procent begrijpen hoe God ons roept; of het een stem ín ons is, of ook buiten ons. We zullen misschien zelfs nooit helemaal begrijpen waar het goed voor is dat wij het pad volgen waartoe wij ons geroepen weten. Of waar we uit zullen komen. Voor mezelf haal ik vaak de tekst aan die Dag Hammerskjold in zijn dagboek schreef:

Ik weet niet wie - of wat - de vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld werd. Ik herinner me niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik ja, tegen iemand - of iets.

Vanaf dat moment heb ik de zekerheid dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in overgave, een doel heeft.

Achteraf weet Mozes dat hij met God gesproken heeft. Hij zegent zijn volk, elke stam apart, en zegt tegen Jozef: Moge de gunst van hem die in de doornstruik was rusten op jou. (Deut 33: 16) Van een afstand kan Mozes in het vuur de goedheid, de gunst, van God zien. Zoals zo vaak mensen achteraf de brandende braamstruik in hun eigen leven zien en weten dat zij zich op heilige grond bevonden.

 

schoenen uit

Mozes moet zijn sandalen uit. Het is een teken van eerbied. Schoenen áán betekent dat je klaar bent om er op uit te trekken. Je staat in de startblokken.

Daarom kreeg Gods volk op de avond van de uittocht de opdracht om bij de maaltijd voor hun vertrek alvast een riem om de mantel te binden, een staf in de hand te nemen en de schoenen aan te trekken. (Exodus 12: 11)

Maar zover is het nog niet. Laat Mozes eerst maar eens luisteren. Eerst bezinnen dan beginnen. Eerst stil dan praten. Ook dat is een vorm van afstand nemen.

Niet Mozes maar de Eeuwige heerst over het leven. Dat wil een mens nog wel eens vergeten.

 

Met het uittrekken van zijn schoenen geeft Mozes zich bloot aan God. Hij hoeft zich niet beter voor te doen dan hij is. Bijbels gesproken staat de schoen namelijk voor bezit. Je schoen uittrekken betekent dat je van dat bezit afziet. Voor de fijnproevers: Als Boaz het bezit van Naomi koopt, en Ruth als zijn vrouw op de koop toe neemt, trekt de andere man die aanspraak kan maken op die bezittingen zijn schoen uit.

En ergens je schoen op werpen betekent dat je je macht wilt laten gelden. (Psalm 60:10 Op Edom zal ik mijn schoen werpen!)

Maar God heeft Mozes barrevoets nodig, in zijn kwetsbaarheid. Door het afleggen van zijn waardigheid ontstaat er afstand tussen hem en God. Hij is tenslotte een ontzagwekkende God. Een wijs mens weet dat. (Ps 111:10)

Laten we vooral niet denken dat we afkunnen zonder Hem. Dat wíj heerser zijn over het leven. Dat wíj de antwoorden op alle vragen kunnen geven. Ontzag is hier op zijn plaats. Schoenen uit, Mozes, zodat je je handen vrij hebt, je voeten vrij hebt, voor dat waartoe God je roept.

 

Ik ben

Wie is die God die mensen roept? Hij is de God die ons neemt zoals we zijn. We hoeven ons nergens achter te verschuilen. Die ons wél in vuur en vlam zet maar ons niet afbrandt om wat we hebben gedaan, of nagelaten. Die wakker roept wat er in ons zit maar ons niet wil vervreemden van onszelf.

Hij is een God die meegaat. Met de vader van Mozes. Met Abraham. Met Isaak. Met Jacob. En met Mozes. Bewegelijk als de weg die ieder van hen moest gaan maar onveranderlijk in zijn trouw en betrouwbaarheid. Hij is de God die zich ‘ik ben’ noemt.

Een naam die ons heilig is. Een ontzagwekkende naam.

 

De aarde zit boordevol hemel

en elke struik, hoe gewoon ook,

staat in lichterlaaie van God.

Maar enkel hij die het ziet

doet zijn schoenen uit.

De rest zit er omheen

en plukt bramen.

Elizabeth B. Browning

overweging op zondag 16 augustus 2020        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

uit de Bijbel: Matteus 11: 16-19

 

rekkelijken en preciezen

Als we onze tekst binnenstappen horen we Jezus verzuchten: Waarmee zal ik de mensen van deze generatie vergelijken? Die verzuchting vindt zijn oorsprong in de boodschap die hij ontvangen had van leerlingen van Johannes de Doper. Johannes zit op dat moment in de gevangenis en hij vraagt zich af of Jezus de Messias is of dat zij een ander moeten verwachten. De wegbereider en profeet begint te twijfelen. Misschien wel omdat hij en Jezus zo verschillend te werk gaan in hun verkondiging van het koninkrijk van de hemel.

Johannes is een precieze, een man van de regels en de moraal. Hij spreekt streng en hard en roept de mensen op zich te bekeren voordat het te laat is. ‘De bijl ligt al aan de wortel’ roept hij. ‘Wie geen goede vrucht draagt, wordt omgehakt.’ (Mat 3: 10) Hij staat voor een sobere levensstijl, voor vasten. De ernst van het leven ontgaat hem niet. Veel mensen komen op Johannes af. Ze laten zich door hem dopen. Mensen die inderdaad tot inkeer komen, spijt hebben van hun oude leven en opnieuw willen beginnen. Anderen stellen dat hij bezeten is. Dáár doen ze niet aan mee.

 

En dan heb je Jezus. Hij eet met tollenaars en zondaars; hij vast niet en lust wel een glaasje wijn. Hij interpreteert de wetten van Mozes op een rekkelijke manier en zoekt daarin naar ruime. Hij gebruikt regelmatig het beeld van een bruiloft of een feest om iets duidelijk te maken. Veel mensen laten zich raken door zijn verkondiging. Ze weten zich bevrijd van ziek, zorg, zonde. Ze zijn onder de indruk van zijn preken en door zijn wonderdaden menen ze iets van God in hem te zien. Anderen veroordelen hem en noemen hem een dronkaard en een zondaarsliefje. Dáár doen ze niet aan mee.

 

 

wij hebben op de fluit gespeeld  

En dáár zit dus ook het probleem.

Alsof het kinderen zijn roepen ze naar elkaar: toen wij op de fluit speelden, willen jullie niet dansen. Wij speelden bruiloftje en jullie deden niet mee.

Nee, roepen de anderen. Wij zongen een klaaglied en speelden begrafenisje.

En toen deden jullie niet mee.  

De een verwijt de ander spelbreker te zijn.

Wat er op het spel staat is het koninkrijk van de hemel. Een nieuwe tijd die elk moment kan aanbreken. Dát was de boodschap van Johannes. Én van Jezus. Het ging om een belangrijke ommekeer in de tijd. En het nemen van de juiste geloofsbeslissing was een urgente zaak. Maar al wat mensen doen is steggelen over wat de juiste manier is.  

 

verdeeldheid

Het voorbeeld van Jezus speelt zich af op de markt, het middelpunt van de stad waar wordt gefeest, gehandeld, gedanst en gerouwd. Het is het leven zelf.

Er zullen momenten in ons leven zijn dat het nodig is om kritisch naar onszelf te kijken en tot inkeer te komen. Of om te reflecteren op de tradities en wetten van voorheen. Er zullen momenten komen dat het leven ons tot stoppen dwingt en wij ons beklag zingen over wat ons overkomt.

Evengoed zullen we redenen hebben om te zingen, om te vieren. Om mensen te omarmen, fouten te vergeven en te zoeken naar een ruime interpretatie van wat beschreven is.

En zo zit het ook in mensen. We hebben de preciezen. Mensen die een situatie ernstig en met het oog op de regels benaderen. Dat zijn de mensen die moeiteloos de vinger op de zere plek leggen; die waarschuwen voor risico’s of impopulaire maatregelen nemen. Anderen zijn er beter in om te zoeken naar vernieuwing, naar ruimte. De rekkelijken zoeken naar de mazen in de wet, naar mogelijkheden.

Zo verzet de een zich tegen mondkapjes, de ander waagt zich niet eens naar buiten. De een houdt vast aan ‘zo zijn de regels’ en de ander vraagt zich af of je dat niet ook anders kunt interpreteren.

Het is de doodsteek voor de toekomst als we in de verdeeldheid blijven hangen en alleen ons ongenoegen uiten over de somberheid van de een of de overmoedigheid van de ander. Volgens mij is dat wat we nu polarisatie noemen. Hard naar elkaar roepen, elkaar verwijten maken spelbederver te zijn en vervolgens niet alleen die ander maar ook onszelf buitenspel zetten.

 

Gods wijze plan

En toch, zegt Jezus, en toch is de Wijsheid door heel haar optreden in het gelijk gesteld. Ik vond het een moeilijke zin. De Bijbel in Gewone Taal vertaalt: Maar het wijze plan van God komt uit.

Het begon met de vraag van Johannes of Jezus degene was die werd verwacht of toch iemand anders. En Jezus gaf als boodschap mee terug: kijk om je heen. Vertel Johannes dat blinden weer zien, verlamden lopen en zieken genezen zijn. Gods koninkrijk wacht niet. Dat gaat door. 

 

 

En wil je daar bij zijn? Wil je daaraan je bijdrage leveren. Dát is de vraag. Het is dus de kunst om in alle omstandigheden te zoeken naar de wijsheid, naar wat God van ons vraagt. Iets in de trant van Johannes? Of meer zoals Jezus? De wijsheid van God stroomt door beide rivieren. En de kansen voor Gods koninkrijk dienen zich in beide aan.

 

overweging op zondag 9 augustus 2020          De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

uit de Bijbel: Prediker 9: 3, 7-12

 

vertrekpunt

Op de poort van de oude ingang van de begraafplaats staat een zandloper met daaronder: Memento Mori. Gedenk te sterven. Weet dat je altijd onderweg bent naar de dood. Daar, bij onze doden, zijn wij ons er het meest van bewust dat het leven eindig is. Soms moeten we te vroeg afscheid nemen van onze geliefden. Dan treuren we ook om plannen die niet verwezenlijkt konden worden; we voelen ons beroofd. Soms zeggen we dankbaar: het is goed zo. Het leven is geleefd, de beker is leeg. We wéten het ook wel: het gaat niet om de kwantiteit, maar om de kwaliteit. We wéten het, en toch blijven we soms hongerig naar meer. Het blijft nodig om God te bidden met de woorden van de Psalm: Leer ons met een wijs hart onze dagen te tellen. (Psalm 90: 12)   

 

Wijsheid hoort bij het leven, zegt Prediker. En die eindigt bij de dood. Daar is niets zinnigs over te zeggen. Even verraderlijk als de fuik voor de vissen en het net voor de vogels is de tijd voor de mensen. Je kunt goed leven, of maar raak leven; je kunt dicht bij God leven of juist niet, de dood komt voor iedereen. Een hardloper kan struikelen, een held kan vallen. Wij hebben er geen grip op en ons begrip, ons begrijpen van leven en dood, schiet ook te kort.

 

Prediker is geen profeet. Hij spreekt niet namens God. Hij spreekt niet over de toekomst. Niet over de hemel, of over hierna. Er zit ook geen enkele verwijzing in naar Christus. Daarom hebben sommige mensen niet zoveel met dit boek. Het is pessimistisch of cynisch, vinden ze.

Prediker is een ervaringsdeskundige. Hij weet van de ups en downs van het leven. En dat die soms maar bar weinig te maken hebben met hoe je leeft. Hij wijst ons, moderne mensen, erop hoe weinig maakbaar het leven uiteindelijk is. Die realiteitszin is wat anderen dan juist weer zo aanspreekt. Zij herkennen zich in het gegeven dat je als mens niets voor je zeggen hebt. Leven is levensgevaarlijk. En zij voelen zich goed bij de idee dat het gaat om hier en nu, niet om hierna. De hemel kan wachten.

 

Dus!

Hij is allemaal ijdelheid. Lucht en leegte, zegt de Prediker. Het bestaan is zinloos. En toch spreekt hij ook over zingeving. Wat stelt je leven voor in het licht van de dood.? Die vraag beantwoordt Prediker met een aansporing. Dus! Kom op, eet, drink, bemin. Heb oog voor de vreugde van het leven.

De trigger om goed te leven met het oog op de hemel is er bij Prediker niet. Als er geen hemel is, hoef je ook je best niet te doen om er in te komen. Maar hij bedoelt niet: het maakt allemaal niets uit. Dus…. leef er dan maar op los. Geniet zoveel je kan, nu het nog kan. Dat is oppervlakkig en lichtzinnig. Dat is het soort genieten dat een beetje verdacht is. Omdat het met niets en niemand rekening houdt. Dat is de mentaliteit van YOLO: You Only Live Once. Je leeft maar een keer.

 

Nu zit in onze traditie wel een beetje ingebakken dat genieten een guilty pleasure is. Bij ons calvinisme hoort soberheid en matigheid, hard werken en pas iets krijgen als je het hebt verdiend. Genieten wordt makkelijk verdacht gemaakt.

Ik weet nog goed de pastorie die alleen een voortuin had. Als ik daar zat kwam er altijd wel iemand langs die riep: zo dominee, klaar met werken. En dan legde ik omslachtig uit dat ik écht hard gewerkt had, dat ik het verdiend had enzovoort. Terwijl ik van de Eeuwige zélf heb geleerd dat het goed is om te ontspannen. Dat het een heilige opdracht is waaraan Hij zichzelf ook hield.

 

Het is makkelijk te veroordelen dat mensen willen genieten; van het strand, de stad, een illegaal feest, een vakantie ver weg. En dat in deze tijd…. Ik ga er niets van zeggen. Al is het maar omdat ik zelf zo genoten heb van een heerlijke vakantie.

Als Prediker oproept om te genieten bedoelt hij niet dat je er maar op los moet leven omdat het toch niets uitmaakt.

Hij bedoelt het ook niet als een doekje voor het bloeden dat we elkaar kunnen voorhouden als we te maken krijgen met verlies, met ziekte of zorgen. We zeggen dan: je kunt nog zoveel andere dingen… je bent niet alles kwijt….  Uit ervaring weet ik dat het op geen enkele manier troost als je leeft vanuit de ontkenning dat het leven soms ondragelijk is.

 

Prediker wil zeker niet oppervlakkig zijn maar verankert zijn aansporing om te genieten van de dag in God. God geeft je deze dag. Hij ziet wat je doet met welbehagen aan. Hij schept er een plezier in als wij zoeken naar de vreugde van het leven. Prediker reikt ons daarmee een stukje levenskunst aan. Het vermogen om te dealen met het leven zoals dat op je afkomt; met onverwachte tegenslagen, met verlies, met ziekte, met dood.

In het Algemeen Dagblad interviewt Annemarie Haverkamp elke zaterdag iemand die leeft met de dood dichtbij. Eigenlijk gaan die interviews niet over de dood maar over het leven. Hoe mensen erop terugkijken en hoe ze het verder willen invullen. Het gaat over klein geluk dat groot is. Over de liefde, over dromen, over alles wat er wél is. Dat is geen luchthartig leven maar een leven dat stoelt op dankbaarheid. En sommigen komen dan ook uit bij God.

De afgelopen twee weken namen we afscheid van twee gemeenteleden. Elke zondag waren ze er en dat was allerminst vanzelfsprekend. Zij hadden beide hun lichamelijke beperkingen en uitdagingen. Ze hebben beide veel meegemaakt. 

Dat was niet het enige dat zij gemeen hadden. Allebei omarmden zij hun leven met alles daarop en eraan. Zij genoten van elke gegeven dag omdat zij die ervaarden als geschenk van hun Schepper. Laat die herinnering aan hen ons tot zegen zijn. 

 

vrolijke kleren en een feestelijke geur

Dus eet je brood met vreugde en drink met een vrolijk hart je wijn. Ze vallen je toe uit de hand van God. Lees Psalm 104. Daar staat dat de mens brood zal winnen uit de aarde en wijn die het hart verheugt, geurige olie die het gezicht doet stralen, omdat God het water van de bronnen door de beken leidt en de aarde vruchtbaar maakt. In de oude vertaling zal het velen van u bekend in de oren klinken: Zij alle wachten op U, dat Gij hun spijze geeft te rechter tijd; (Ps 104: 27 en Ps 145: 15)

Aller ogen wachten op U, en Gij geeft hun te zijner tijd hun spijze;

 

Draag altijd vrolijke kleren. In het Hebreeuws staat daar ‘witte kleren’. Schone kleren. Dat is voor ons een makkie. Zet de wasmachine maar aan. Maar in de tijd van Prediker lag dat ingewikkelder. Kleren werden alleen gewassen voor speciale gelegenheden, voor een feest. Schone kleren hebben te maken met rein zijn, van buiten en van binnen, klaar voor een ontmoeting met God.

Klaar voor een fris nieuw begin. Denk aan het moment dat God de Tien Woorden wil geven aan zijn volk, een verbond met hen wil sluiten. Iedereen moet zijn kleren wassen om te laten zien dat er iets bijzonders staat te gebeuren, iets nieuws. Ik denk aan de nieuwe kleren die ik als kind kreeg voor Pasen; aan de doopjurk, aan mijn toga die me vertelt dat dit uur in de week anders is. Aan beddengoed in de wind.

Denk aan de moeite die je doet voor je kleding als je iemand voor het eerst ontmoet, of voor een huwelijksfeest. Je kleren verwijzen naar de vreugde van het moment. Naar iets van God. Of iets mét God.

Kies een feestelijke geur. Niet uit een hedendaags spuitflesje maar in de vorm van olie, zalf. De geurige olie waarmee mensen werden gezalfd voor hun leven in dienst van God. De olie van Psalm 23 op je hoofd. Weet je zo gezalfd door God, door wat Hij je geeft.

 

de vreugde van het leven

Geniet van het leven want het is een geschenk. Genieten is niet iets dat je hebt verdiend. Je hoeft er niet eerst hard voor te werken. Je krijgt het gewoon. Het betekent ook niet dat je leven rimpelloos verloopt. Het betekent wel dat je leeft in verbinding met God. En dat je erop vertrouwt dat Hij je geeft wat je nodig hebt, elke dag opnieuw. Hij gunt het ons om zorgeloos te leven als vogels, als bloemen. Die doen precies waarvoor ze geschapen zijn: vogel zijn, een nest maken en een ei leggen; bloem zijn, kleurrijk de aandacht opeisen en zaadjes laten vallen in de tuin. En wij mogen mens zijn. Door het geschenk van het leven aan te nemen en ervan te genieten. En door het te delen met anderen, met je geliefden.

Eten, drinken, vrolijk zijn, liefhebben en doen wat je hand vindt om te doen. Dat is geen oppervlakkig bestaan maar een bestaan dat zijn oorsprong en zin vindt in God.

Genieten is een heiliging van ons dagelijks leven, wij leven tot Gods eer.  

Page 1 of 9