Preken

Preken (87)

 You’ve got talent!    dienst met de Tienerdienst 13 oktober 2019  

PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

lied met de kinderen: In de circustent

luisterlied: Alles is nu, Diggy Dex

 

uit de Bijbel: Matteus 25: 14-30

 

Het leven is een toneel en je wordt altijd gejureerd.

 

Kennen jullie het gevoel dat mensen naar je kijken; je beoordelen?

Ik wel. Ik kijk namelijk zelf ook naar mensen. In de metro. In de rij bij Albert Heijn.

En als je zelf kijkt, kijken mensen dus terug.

We beoordelen elkaar op hoe we eruit zien.

Op wat we wel of niet kunnen. Op wat we vinden.

Op hoe we leven.

Je kunt daar behoorlijk onzeker van worden.

Hoe zie ik eruit? Wat vinden mensen van me?

Waarom kan ik dit niet? Anderen lukt dit wel.

We kijken tegen mensen op. En soms kijken we op onszelf neer.

Dan moet er een filter over de foto die we plaatsen.

Of we beginnen ergens gewoon maar niet aan.

Uit angst dat het niet lukt. Of dat we worden uitgelachen.

De wereld waarin we leven is een grote talentenjacht.

En wij zijn de jury. Voor onszelf en voor elkaar.

Het gaat om ‘comments’ en om ‘likes’.

Ik kan en ik wil niet geloven dat God daar ook aan meedoet.

Dat hij op een jurystoel zit om ons te beoordelen.

Dat wij angstig aan het performen zijn

in afwachting of Hij zijn stoel zal omdraaien voor ons.

Ik kan en wil niet geloven dat God er op uit is om ons op een fout te betrappen.

Zo ken ik God namelijk niet.

Ik ken hem als liefdevol en geduldig.

Geen jurylid maar een coach die het beste uit jou wil halen.

 

Iedereen heeft talent

 

Voor ons is talent iets dat je goed kunt.

Een begaafdheid.

Een instrument bespelen of een sport; of iets creatiefs.

Maar in de Bijbel is het een grote zak met geld.

Een enorme zak met geld.

Een talent is ongeveer 20 jaarsalarissen.

Eigenlijk hoefden die eerste twee nooit meer te werken.

Zoveel was hen toevertrouwd door hun heer.

Jezus vertelt het expres zo overdreven

omdat hij duidelijk wil maken hoeveel de mensen van Gód hebben gekregen.

Alle liefde van de wereld: je kunt in de ogen van deze vader gewoon niets fout doen;

de belofte dat het goedkomt met de wereld.

Maar dat betekent niet dat je nooit meer hoeft te werken.

Want dat is de clou van de gelijkenis die Jezus vertelt.

De heer in het verhaal wordt boos

omdat die laatste dienaar niets heeft gedaan met wat hem is toevertrouwd.

Hij is passief gebleven.

Uit angst om te worden afgerekend op hoe hij het had gedaan.

De laatste dienaar ging voor veilig.

Hij begroef zijn talent. Maar wat begraven is, is in dit geval dood.

Je hebt er niets aan. God heeft er niets aan.

 

Falen is wel/niet erg.

 

Maar Jezus heeft geleerd: wie niet waagt, die niet wint.

Wie mij volgen wil, zei hij, zal zijn leven verliezen.

Zelf heeft hij alles gewaagd.

Met huid en haar, met hart en ziel, heeft hij geleefd voor de mensen.

Alles heeft hij op het spel gezet.

En uiteindelijk heeft hij ook alles verloren.

Hij is verraden door zijn vrienden.

Hij is gedood aan het kruis.

Maar het is God liever dat je probeert en verliest,

dan dat je uit angst niets doet.

Het is God liever dat er iets vreselijk mis gaat,

dan dat er helemaal niets gebeurt.

 

Iedereen heeft talent.

 

Iedereen heeft talent.

Niet omdat we allemaal iets goed kunnen

maar omdat we allemaal iets van God hebben gekregen.

We hebben hetzelfde uitgangspunt, hetzelfde startkapitaal.

Hij houdt van ons zoals we zijn.

En Hij wil niets liever dat we daarmee léven.

 

tekst: Als de zon, Marianne Williamson

 

Onze diepste angst,

is niet dat we onmachtig zouden zijn.

Onze diepste angst betreft juist

onze niet te meten kracht.

Niet de duisternis, maar het licht in ons

is wat we het meeste vrezen.

We vragen onszelf af:

Wie ben ik wel om mezelf briljant, schitterend,

begaafd, geweldig te achten.

Maar waarom zou je dat niet zijn.

Je bent een kind van God.

Je dient de wereld niet

door jezelf klein te houden.

Er wordt geen licht verspreid,

als de mensen om je heen,

hun zekerheid ontlenen aan jouw kleinheid.

We zijn bestemd om te stralen,

zoals kinderen dat doen.

We zijn geboren om de glorie Gods die in ons is

te openbaren.

Die glorie is niet slechts in enkelen,

maar in ieder mens aanwezig.

En als we ons licht laten schijnen,

schept dat voor de ander

de mogelijkheid hetzelfde te doen.

Als we van onze diepste angst bevrijd zijn,

zal alleen al onze nabijheid

anderen bevrijden.

 

 

overweging op zondag 29 september 2019      PG De Open Hof – Oud-Beijerland

uit de Bijbel: Handelingen 9: 1-19

 

Image © Providence Collection Goodsalt.com

 

stil gezet

Saulus wordt hardhandig stilgezet op zijn weg van geweld en terreur. Hij valt op de grond, hij wordt blind en eet drie dagen en nachten niet. Je zou kunnen zeggen: hij is zo goed als dood. Hij die overtuigd was van zijn gelijk en zijn recht, is afhankelijk geworden van de mensen om hem heen, en van God. Drie dagen. Want in de Bijbel wordt het op de derde altijd spannend. Loopt dit dood of gaat het verder?

 

Ben jij ooit zo hardhandig stilgezet? Zo heen en weer geschud in wat jij voor waar hield? Ben jij ooit teruggefloten, geroepen tot iets anders? Heb je ooit moeten erkennen dat je het helemaal fout had?

 

Waarom gebeurt dit toch met Saulus?

Het is God die antwoord geeft op die vraag als hij Ananias naar hem toestuurt.

Ananias, ‘ga, want hij is het instrument dat ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten.’ God heeft Saulus nodig. Als een instrument in zijn hand. Als de mond die over Jezus vertelt; als de voeten die over de Weg gaan die Jezus ging.

 

Ik sprak een man die lang op reis was geweest. Hij zou enkele missieprojecten bezoeken en ondersteunen vanuit zijn kerk. En daarna zou hij nog enkele weken vakantie vieren. Maar die vakantie viel in het water. Hij werd ziek, kreeg malaria in een heftige vorm. Ik vroeg hem of dat geen tegenvaller was, geen vakantie, na je ze te hebben ingezet. Maar hij zei: ik heb me afgevraagd wat God van me wilde en of hij mij daar soms nog nodig had.

Ik vond het mooi en vroeg me af of ik dat ook zo zou kunnen; om het moment dat je wordt stilgezet te gebruiken voor reflectie. En om vragen toe te laten als: ben ik op de goede weg? Laat ik me nog voldoende corrigeren of zit ik vast in mijn gelijk, in mijn recht? Ben ik nog wel afgestemd op wat God van me vraagt of speel ik vooral mijn eigen wijs?

 

instrument

Saulus is niet de enige die geroepen wordt in dit verhaal. Ook Ananias. Zijn eerste reactie op Gods roepen is: ‘ik luister’. Zonder voorbehoud. Maar daar krijgt hij het nog wel moeilijk mee als hij hoort waar God hem voor gebruiken wil. Want Ananias heeft al veel gehoord over Saulus. Hij staat niet te springen om naar de man te gaan die mensen in de boeien slaat en meesleurt naar Jeruzalem. Weet God dat wel zeker?

Ja, God weet het zeker. In Ananias zal Saulus kennis maken met de goedheid en de genade van God. Want dat betekent de naam Ananias, ‘God is genadig’.

 

Soms zitten we er niet op te wachten om ons ergens in te laten betrekken. Om ons te laten inschakelen. Voor je het weet zit je er aan vast.. hoeveel tijd zal dat kosten? Voor je het weet komen er nog meer mensen die een beroep op je doen. En mensen waarvan je weét dat ze verkeerd bezig zijn, dat ze op het verkeerde pad zitten, daar zitten we helemaal niet op te wachten.

Laten we ons dan goed realiseren dat het in zulke ontmoetingen gaat over de genade. Dat wij, als wij ons laten sturen, de goedheid van God gezicht geven.

Soms overkomt het je. Dan bén je ineens betrokken bij een buurman die alleen is, bij een zorgvrager, een noodgeval. Het moment dat je geroepen werd is je ontgaan, maar je zit er ineens midden in. Ongevraagd blijk je een instrument te zijn in Gods hand. Ook dan is het goed tegen ons zelf te zeggen dat wij dat genadige aangezicht van God zijn en dat dan van grote invloed kan zijn.

 

Ananias legt Saulus de handen op en hij noemt hem broeder.

Hij had hem evengoed van alles kunnen verwijten, hem kunnen beschuldigen. Maar dat doet hij allemaal niet. Hij zegent hem. Als een daad van verzoening.

Het is door de aanraking van Ananias, door diens zegen, dat bij Saulus de schellen van de ogen vallen. Hij ziet de dingen nu heel anders en zal in het vervolg niemand meer gevangen nemen omwille van Jezus maar juist het evangelie van Jezus overal gaan vertellen.

 

omkeer

Juist door zijn bescheiden rol en de manier waarop hij zich laat sturen, komt Ananias dichterbij bij mij dan Saulus. Als de apostel Paulus zal hij grootse avonturen beleven en voor het evangelie tot het uiterste gaan. Hij is een mens van pieken en dalen.

Ananias lijkt meer op mij, op ons, gewone mensen. Op de achtergrond doet hij wat God van hem vraagt. Af en toe zouden we eens moeten bidden wat God van ons wil, waar hij ons nodig heeft. Of we zouden onszelf kunnen afvragen: naar wie moet ik met andere ogen leren kijken? Wat kan ik in Gods naam betekenen voor degene die mijn vertrouwen heeft beschaamd of voor degene die zo heel anders leeft dan ik.

Of misschien moet het zo zijn dat we anders leren kijken naar wat we doen. En of we dat zó doen dat het ook tot Gods eer is. Laten we niet vergeten dat God ons nodig heeft. Als instrument in zijn hand. Als een werktuig dat bouwt aan zijn nieuwe wereld.

overweging op Startzondag 15 september 2019       

PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Jozua 2: 6-21

 

het touwtje uit de brievenbus

In 2016 uitte Jan Terlouw in een indrukwekkende toespraak in De Wereld Draait Door zijn bezorgdheid over de wereld waarin wij leven. Hij vertelde over het touwtje uit de brievenbus, herinnering aan een tijd en een manier van omgaan met elkaar. Je kon bij iedereen naar binnen zonder aan te bellen. Dat touwtje vertelde van vertrouwen; van een manier van omgaan met elkaar. Dat touwtje werd symbool voor iets dat we zijn kwijtgeraakt.

Want er hangen geen touwtjes meer uit brievenbussen en vaak is ook de achterdeur op slot. We vertrouwen elkaar niet meer. We wantrouwen de politiek; we wantrouwen elkaar en timmeren alles dicht met zoveel mogelijk regels en voorwaarden. Met lede ogen zien we hoe de samenleving verhardt en dat we steeds minder van elkaar kunnen hebben. We zijn zelfs bang voor elkaar; bang in het donker bij de bus, bang voor groepen jongeren, bang voor wat anderen zeggen. Deuren gaan niet makkelijk meer open maar blijven eerder dicht.

 

De deur van Rachab stond altijd open. Dat betekent haar naam ook: openen, ruimte maken. Cynici zullen zeggen: logisch dat ze zo heet. Haar huis, haar bed, haar armen, haar benen, staan open tegen betaling. Een rood touw hing als reclamebord uit het raam. Maar zó wil het verhaal niet verteld worden. In dit verhaal doet zij haar naam eer aan door ruimte te maken voor de God van Israël. Díe God wil ze haar vertrouwen geven.

 

de rode draad

Rachab kent God niet. Alleen van horen zeggen, van verhalen. Ik heb gehóórd, zegt ze, dat de Heer de zee voor jullie heeft drooggelegd. Ik heb gehóórd dat jullie machtige koningen vernietigend hebben verslagen. En toen we dat hoorden werden we bang en wanhopig. Rachab kent God niet maar heeft wel dóór wat de rode draad is. Als God zijn volk doet uittrekken, zal Hij hen ook weer ergens binnen laten trekken. Ik wéét, zegt ze, dat de Heer dit land aan jullie heeft gegeven. Rachab doorziet dat deze God consequent is en trouw aan zijn volk. Daarmee is zij doorgedrongen tot het hart van de Tora. Maar evengoed tot de kern van het evangelie. Niet voor niets wordt zij daarom genoemd als een van de stammoeders van Jezus. (Matteus 1: 5) Niet voor niets wordt zij door de eerste christenen eervol vermeld vanwege haar daden die voor zich spraken. Want geloof zonder daden is een dood geloof. (Hebreeën 11: 31 en Jacobus 2:25)

 

het touwtje van de hoop

Vanwege de verhalen waagt Rachab het erop. Zij helpt de twee spionnen ontsnappen. In ruil vraagt zij een goede daad terug. Geef mij de zekerheid dat jullie mij en mijn familie zullen sparen. Red ons van de dood.

Dat rode koord moet uit het raam hangen. En als de muren van Jericho zullen vallen, zal de verwoesting aan haar voorbij gaan (lees verder in Jozua 6: 15-25). Het klinkt bijna als een spiegelverhaal van wat eerder gebeurde: Gods volk smeerde bloed aan de deurposten zodat de dood aan hen voorbij zou gaan en zij gespaard zouden worden, gered van de dood. (Exodus 12:7 en 13)

 

Er is bijzonders met dat rode koord van Rachab. Het Hebreeuwse woord dat wordt gebruikt betekent namelijk ook ‘hoop’. (tikvaw; ook te vinden o.a Ruth 1:12, Job 7:6 en Ps 62:6) Het is het touwtje van de hoop. De hoop dat God betrouwbaar is en de lijn van de bevrijding zal doorzetten. De hoop dat het God om ons leven begonnen is, niet om onze dood.

 

We bezinnen ons op een nieuw seizoen. Anders ook, met één predikant in plaats van twee.

En dít zouden onze beleidsvoornemens kunen zijn:

-het touwtje uit de brievenbus. Dit huis staat open voor wie er maar binnengaat. In dit huis is vertrouwen. Vertrouwen in elkaar. Dat we met elkaar staan voor de opbouw van deze gemeente. En iedereen is daarin even betekenisvol. We mogen elkaar ons hart toevertrouwen; onze vragen en vreugde, onze hoop en ons geloof. Dat lijkt vanzelfsprekend maar het vraagt om onze inzet en volharding om het ook waar te maken.

-de rode draad. Wíj bewaren de schat aan verhalen die stuk voor stuk vertellen van een God die ons leven op het oog heeft, ons sámen leven. Zijn bemoeienis met ons leven is gericht op vrij zijn, op heel zijn. Hij wijst ons altijd de weg vooruit. Hij wijst zelfs de weg door de dood naar het leven in zijn zoon. Dat mogen we zelf iedere keer opnieuw tot ons laten doordringen. En we mogen het ook uitdragen. Doorgeven. Aan de volgende generatie, aan wie hier binnenkomt.

-het touwtje van de hoop. We kunnen geloven vrede een onhaalbare zaak is. We kunnen ontkennen dat het klimaat verandert en de natuur uit evenwicht raakt. We kunnen boven aan de trap gaan zitten met de deur angstvallig op slot. Maar in de kerk doen we dat allemaal niet. Uit ons venster hangt het rode touw van de hoop. En dat is geen naïef optimisme maar dat wat ons, en wie na ons komen, de moed geeft om ook hoopvolle dingen te doen.

Vertrekken en thuiskomen: Zacheus   (afbeelding: Kijkbijbel, Kees de Kort) 

overweging op zondag 1 september 2019 PG De Open Hof - Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Lucas 19: 1-10 en Efeziers 2: 17-22

hokje

Zeg ‘tollenaar’ en men denkt: overlopers, heulers met de vijand, dieven.

Vanaf de zondagsschool heb ik niet anders over Zacheus horen vertellen. Hij mag dan opgeklommen zijn tot hóófdtollenaar, het blijft een miezerig klein mannetje. Logisch dat hij zich verstopt tussen de bladeren van de vijgenboom. Hij schaamt zich natuurlijk een hoedje. Zacheus wordt met de nek aangekeken. Maar wat geweldig dat Jezus omhoog kijkt en zegt dat hij in het huis van Zacheus wil verblijven! Een nieuwe kans opent zich voor de zondaar. Hij draait om als een blad aan een boom en hij zal viervoudig vergoeden wat hij mensen heeft afgeperst.  

 

We kunnen dit verhaal lezen als een bekeringsverhaal; een zondaar is terug op het rechte pad. Maar ik wil het ook wel opnemen voor Zacheus, waarover we oordelen zonder dat daar aanleiding voor is. Er stáát niet dat hij corrupt was. Zelf zegt hij: áls ik iemand iets heb afgeperst, zal ik het viervoudig vergoeden.

 

(N.b. het samenspel met de Romeinse overheid was veel ingewikkelder dan simpel zwart-wit. Ook de religieuze leiders moesten noodgedwongen samenwerken met de overheid. Denk aan de veroordeling van Jezus. Daarvoor hadden ze de medewerking van Pilatus nodig.) 

 

Zacheus is in een hokje geduwd. Zo doen we dat met mensen waarmee we geen raad weten. Of die net iets afwijken van onze norm. Zacheus heeft een stempel opgedrukt gekregen en is daarmee iemand geworden die je beter kunt mijden.

Soms zijn we snel en hard met onze mening over iemand. Of -erger-  over een groep mensen. Dikwijls wordt die mening gevoed door onkunde -we kennen diegene helemaal niet- , door vooringenomenheid of angst. Daarmee doen we elkaar onrecht.

 

Het verhaal eindigt er niet mee dat Zacheus stopt met zijn werk. Hij laat niet -net als die andere tollenaar, Levi- alles achter om Jezus te volgen. (Lucas 5:27-28)  Hij wordt dus níet veroordeeld om zijn tollenaar-zijn.

Én Zacheus’ naam betekent: de rechtvaardige. Dan is hij dus níet wat mensen van hem zeggen. Dan zit er in ieder geval ook iets anders in dan mensen tot nu toe in hem hebben gezien.

 

verlangen

Het zat er altijd al in en op die dag komt het eruit. Het begint niet bij Jezus als hij zegt: ik moet in jouw huis verblijven. Het is al eerder begonnen; op het moment dat Zacheus besloot om naar hem toe te gaan. Op het moment dat hij er moeite voor deed en in een boom klom, toen is het begonnen. Was dat uit onvrede met wie hij tot dan toe was? Wilde hij zich ontworstelen aan hoe de mensen hem zagen? Was het verlangen naar wie hij kon zijn, een rechtvaardig mens, een mens om tegenop te kijken? Het staat er allemaal niet maar ik lees het zo dat er in Zacheus iets is aangeraakt, al vóór Jezus hem aansprak. Hij is een zoeker. Die uiteindelijk gevonden is. Als een rijpe vrucht valt hij uit de vijgenboom, de Bijbelse boom van de hoop.

 

Want Jezus kijkt omhoog. En hij noemt Zacheus bij zijn naam. Hoe Jezus dat weet? Het appelleert wel aan het menselijk verlangen om gezien te worden, gekend te zijn. Als Jezus mensen aanspreekt zegt hij niet: hé, tollenaar…. of: dag blinde, of jij buitenlandse.. Hij doorbreekt elk hokjesdenken en noemt mensen bij hun naam. Hij ziet niet de gebreken, de missedaden. Hij ziet niet wat anderen in jou menen te zien. Hij ziet de mogelijkheden, de mens. Hij ziet jou.

 

Wat een prachtig verhaal. We zien het voor ons omdat we het herkennen: dat een ontmoeting -toevallig of niet- een diepe indruk op je kan maken. We herkennen het dat in een moment je leven een andere betekenis kan krijgen. Wie weet wat jou te wachten staat als je net als Zacheus toegeeft aan je verlangen; als je jezelf toestaat op zoek te gaan naar dat wat je mist. Wie weet wie je ontmoet als je uit je hokje komt; als je besluit niet langer de kat uit de boom te kijken maar initiatief te nemen. Het verhaal van Zacheus kan een oproep zijn om te bedenken of wij zijn wie we kunnen zijn, of dat we ons laten vastzetten door wat mensen zeggen dat we zijn. Het kan een uitnodiging zijn om alert te zijn op wat er op ons toekomt. Of wie.

 

in jouw huis

Jezus zegt: Zacheus, kom vlug naar beneden. Vandaag moet ik in jouw huis verblijven. Ik kom logeren! vertaalt de Bijbel in Gewone Taal. Jezus nodigt zichzelf uit om te blijven. Nu is er iets geks met het woord ‘huis’ of ‘thuis’. Ik denk maar aan al die spreuken die mensen ophangen of neerzetten. ‘Home is where the heart is’ of ‘Home is whenever I am with you’. Een huis is meer dan een dak en wat muren. Het is geen toevallige woning maar je basis.

Je huis vertegenwoordigt je liefde, je leven, je identiteit. Thuis, dat zijn je wortels. Je hebt heilige huisjes. Glazen huisjes. Huisjes met kruisjes. Mensen die veel in huis hebben en mensen die het zonnetje in huis zijn. Een huis is van vlees en bloed. Als Jezus zegt dat hij wil verblijven in het huis van Zacheus zoekt hij ruimte in zijn bestaan. Jezus wil een plekje in de comfort-zone van Zacheus.

 

thuis

Toen ik begon aan deze serie ‘vertrekken en thuiskomen’ was het duidelijk dat ik zou eindigen met thuiskomen. En ik koos als werktitel: thuiskomen bij God. Ten diepste is dat ons verlangen; eens thuis te komen bij God en daar voor altijd liefde en geborgenheid te ervaren. Dat is wat velen van ons ook troost die een geliefde moeten missen. Dat hij of zij is thuisgekomen. En Thuis mag dan met een hoofdletter.

Gaandeweg kwam ik tot de ontdekking dat het ergens anders begint. Het begint bij een God die vraagt om thuis te komen bij ons. En om zijn zoon, Gods goedheid en oprechtheid in levende lijve, die bij de mensen wil wonen. (Johannes 1: 14) God zoekt eerder een thuis bij ons dan wij bij hem.

Ik denk aan wat Jezus zegt vlak voor hij afscheid neemt van zijn leerlingen: Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg. Mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen. (Johannes 14:23) Het gaat dus meer om de vraag: bén ik een thuis, dan héb ik een thuis.

 

Zacheus laat Jezus vol vreugde binnen. Gastvrij opent hij zijn huis. En zijn hart. Jezus is zijn huis nog niet binnen of Zacheus neemt het woord. Opnieuw gaat er iets uit van Zacheus en niet van Jezus. Jezus heeft nog geen woord gesproken, laat staan dat hij Zacheus heeft beschuldigd of veroordeeld. Hij kiest er zelf voor om zijn leven te veranderen. De helft van wat hij bezit zal hij aan de armen geven. En mocht het zo zijn dat hij iemand iets heeft afgeperst, dan zal hij dat viervoudig vergoeden. Jezus is nog maar net zijn leven binnen, of Zacheus is al een ander mens.

Misschien knaagde er al langer een ontevreden gevoel aan hem: ‘is dit alles wat er is?’ (Doe Maar) Is dit wat ik heb gedroomd met mijn leven te doen? Of misschien is de tijd nu rijp om te zijn wat zijn naam zegt: een rechtvaardige.

 

Zacheus blijft tollenaar. Hij laat niet zijn wereld achter zich maar hij zal er voortaan wel anders in staan. Op de plaats waar hij is gesteld, zal hij doen wat hij moet doen. Hij past nu in zijn naam. Hij is in dat opzicht gegroeid. En ondanks dat Jezus verder trekt, zal hij altijd bij Zacheus blijven. Omdat hij woont in de rechtvaardigheid en de gastvrijheid waarmee de ene mens de ander begroet. Wij zijn het thuis waar God woont door zijn Geest. 

 

lied: Woon in mijn dromen, Liefste lied van overzee, 54, Sytze de Vries

 

1. Woon in mijn dromen, in al wat ik ben,

want niets is mij liever, geen mens die ik ken,

mijn diepste gedachte bij dag en bij nacht,

het licht, waar ik wakend en slapend op wacht. 

 

 

2. Wees Gij mijn wijsheid, mijn waarheid, mijn woord.

Met U wil ik gaan, wijs mij uw lichtend spoor,

als vader, als moeder, met mij kind aan huis.

Woon in mijn wezen, en wees ook mijn thuis.

 

3. Wees mijn bescherming, de bron van mijn kracht,

mijn enige wapen, meer weerwoord bij nacht,

mijn schuilplaats en haven, mijn veilige wal,

Gij, die voor mij strijdt en mij thuisbrengen zal.

 

4. Ik vraag geen schatten en roem gaat voorbij,

een leven lang weet ik uw erfdeel voor mij.

In U is toch alles wat waarde bevat?

Wees Gij dan mijn rijkdom, mijn hemelse schat.

 

5. Als hier op aarde de strijd is gedaan,

zal ik in het licht van uw zonneschijn staan!

Laat Christus ook dan nog mijn hartsgeheim zijn:

wanneer ik in hem woon en Hij woont in mij.

Vertrekken en thuiskomen: Jacob en Ezau herenigd

overweging op zondag 25 augustus 2019        PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

 

afbeelding: Jacob and Esau reunite, Robert T. Barrett

 

uit de Bijbel: Genesis 32:8-33 en Genesis 33:1-12

 

Twintig jaar geleden heeft Jacob zijn broer Ezau een streek geleverd en hem de zegen van hun vader Izaak ontnomen. Ezau kan Jacob wel vermoorden, daarom vlucht hij naar Charan. Hij gaat daar wonen bij zijn oom Laban. Hij trouwt met Lea en Rachel. Hij krijgt zonen en dochters en hij wordt een welvarende man. Zijn kudde schapen en geiten is door zijn sluwheid enorm gegroeid en Laban voelt zich vernacheld. De sfeer wordt grimmig en Jacob besluit terug te keren naar zijn geboortegrond. Hij ziet er alleen ontzettend tegenop om zijn broer weer onder ogen te komen. Helemaal als hij hoort dat Ezau hem tegemoet komt, met vierhonderd man. Daarom bedenkt hij een plan om Ezau gunstig te stemmen.

 

onder ogen komen

Jacob durft Ezau niet onder ogen te komen en hij probeert hem mild te stemmen door een enorme karavaan geschenken te sturen. Geiten en bokken, ooien en rammen, koeien en stieren, kamelen en hun jongen, ezelinnen en ezelhengsten. Het geschenk moet in drieën worden overgebracht, zodat Ezau van de ene in de andere verbazing zal vallen. Slim bedacht. Net als het plan om zijn bezittingen in tweeën te verdelen en de risico’s op verlies te beperken. Maar wat kun je anders verwachten van een ‘Jacob’ (dat betekent ‘bedrieger’), directeur van de Firma List en Bedrog.

In zijn angst weet Jacob niet waar hij het zoeken moet. Behalve dan bij God, de God die hem beloofd heeft te zullen zegenen. Maar waarmee eigenlijk?

God, bidt Jacob, ik ben vertrokken met alleen maar een stok. En nu kan ik alles wat ik heb zelfs in tweeën verdelen. Jacob is een gezegend mens, in alle opzichten. Maar wat is je rijkdom waard als het er op aankomt?

 

Ik beschouw mijzelf als een gezegend mens. Een mooi gezin, leuk werk, net op vakantie geweest en we gaan al bijna weer. Misschien zitten jullie wel mee te tellen, waarin jullie zijn gezegend. Op social media laten we vooral ons zelf op ons mooist en gezelligst zien. We vieren onze successen en ons geluk. Maar wat als dat geluk op losse schroeven komt te staan? Wat heb je er aan als je dreigt je baan te verliezen, als je gezondheid het af laat weten of als je relatie in zwaar weer komt?

Wat heb je aan spullen als je relatie met een geliefde gespannen is?

Als het bestaan onzeker wordt, ontdek je dat zegen heel ergens anders in zit. In mensen om je heen, in veerkracht, in geloof.. Als je bestaan onzeker wordt, ontdek je dat je ziel en zaligheid niet ligt in wat je hebt maar in wie je bént. En ook je toekomst wordt niet bepaald door wat je bezit maar door wie je bent.

 

Jacob durft Ezau niet onder ogen te komen. Hij verbergt zichzelf achter een enorm lawaai aan cadeaus en poeha. Maar zegen, echte zegen, is daar mensen in liefde en vrede samenleven. En echt thuiskomen kun je pas als je je verzoend hebt met je broeder en zuster.  

 

onder ogen zien

Dát is wat Jacob onder ogen moet zien. Wie is hij, als je alle rijkdom wegdenkt? Wie is hij als broeder? Middenin de nacht worstelt Jacob ermee. In het donker kun je je eigen vragen niet ontlopen en begint het in je hoofd te spoken. Wie ben ik? Ten koste van wie of wat heb ik mijn zegeningen verkregen? En is dit wat er met zegen wordt bedoeld? Hoe kom ik in het reine met mezelf en hoe kan ik mijn broer (of zus) onder ogen komen? Dat zijn de vragen waarmee Jacob strijdt. En dat zijn de dingen die ieder mens zelf moet uitvechten. Het gaat immers om jouw leven, om jouw verleden, om wie jij bent, om wie jij kunt zijn in de toekomst. 

 

Zo worstelt Jacob met ‘iemand’. Ezau? Die het hem betaald wil zetten? Of vecht Jacob met zijn eigen schaduw, zijn eigen donkere kant? Is het God?

Tot de dag aanbreekt duurt de worsteling. Achteraf zal Jacob weten dat hij met God zelf heeft geworsteld. Maar op het moment zelf weet hij dat niet.

 

Als het licht wordt zegt Jacobs tegenstander: ‘Laat me gaan, het wordt al dag’.

Maar Jacob zegt: ‘ik laat je niet gaan tenzij je mij zegent.’ Maar om de zegen te ontvangen, moet Jacob zijn naam zeggen. De laatste keer dat dit gebeurde was het zijn blinde vader Izaäk die vroeg: wie ben je? voordat hij hem de zegen gaf. Ik ben Ezau, loog Jacob. Ben jij het echt, vroeg Izaäk. En Jacob loog voor de tweede keer. (Gen 27:18;24) Wie is hij nú? De geslaagde zakenman? De gezegende echtgenoot en vader? Wie is hij?

 

‘Ik ben Jacob’, ik ben een bedrieger, zegt Jacob. Hij verschuilt zich nu niet achter alles wat hij heeft; dat staat allemaal al aan de overkant. Hij wil ook niet langer zijn schaduwkant ontkennen. Als een biecht…. om ervan bevrijd te worden.

 

oog in oog met God

Zijn tegenstander zegt: Israël zul je heten. Strijder met God. De naam Jacob is verleden tijd; dat merkteken wordt uitgewist. Zijn leven krijgt een andere richting. Zijn zonden zijn vergeven. Jacob noemt die plaats Pniel, want daar heeft hij oog in oog gestaan met God. En hij heeft zich er levend doorheen weten te worstelen. Al is hij niet ongeschonden uit de strijd gekomen. Zijn heup is mank. Het is verbloemende taal om aan te geven dat Jacob getroffen is in zijn mannelijkheid. De plek van zijn mannelijkheid en potentie. Bij iedere stap die hij zal zetten zal Israël zich er pijnlijk van bewust zijn dat de zegen, de toekomst, niet in mensenhanden ligt maar in die van God. Niet wat we hebben maar wie Hij voor ons is geeft zin aan ons bestaan. En dat leren we door schade en schande.

 

oog in oog met je medemens

Nu Jacob het gevecht heeft aangedurfd met zichzelf en met God, moet hij ook de confrontatie met zijn broeder aankunnen. Die twee hebben met elkaar te maken. Hij ziet op tegen Ezau zoals hij tegen God opziet…. Hoe zal Ezau hem zien? Als de bedrieger? Zal hij hem veroordelen, minachten? Of zal Ezau door alle geschenken heen kunnen kijken?

Jacob buigt zich zeven keer diep maar Ezau rent hem tegemoet en omarmt hem. Dat is een heel andere houdgreep dan hij die nacht heeft ervaren. (voor de fijnproevers: Jabbok ‘yab-bok’ betekent worsteling en is verwant aan ‘khaw-bak’ dat omarmen betekent)

‘Mijn heer’ zegt Jacob. ‘Mijn broer’, zegt Ezau.

Wat is de bedoeling van al die geschenken, vraagt Ezau. Dat is toch helemaal niet nodig. Houd maar, ik heb genoeg. Jacob zegt: oog in oog staan met jou is niets anders dan oog in oog staan met God, en toch ontvang je mij welwillend. (33:10) Waar Jacob beducht voor was -de veroordeling, de afwijzing- is niet gebeurd. Hij ontvangt juist vergeving, acceptatie.

In de ontmoeting met Ezau ontmoet Jacob God in zijn welwillendheid. In onze medemens komt God ons tegemoet en is hij dichtbij. Het is in elkaar dat we zijn goedheid leren kennen. En het is in ons samenleven als broeders en zusters dat we zijn zegen ervaren en een thuis hebben. (Psalm 133)

 

In de dienst klonk ook deze tekst:

 

Ik ben niet wat ik doe,

ik ben niet wat ik heb,

ik ben niet wat de mensen over me zeggen.

Ik ben Gods geliefde kind.

Dat is wie ik ben!

Niemand kan me dat afnemen.

Ik hoef me geen zorgen te maken.

Ik hoef me niet te haasten.

Ik kan Jezus vertrouwen

en zijn liefde met de wereld delen. Henri Nouwen

Vertrekken en thuiskomen: De vossen hebben holen

 (afbeelding: Rien Poortvliet, boek: De vossen hebben holen)

 

18 augustus 2019   De Open Hof -  Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: 1 Koningen 19: 19-21 en Lucas 9: 57-62

 

Ik zal u volgen!

‘Ik zal hem volgen waar hij ook heen gaat.

Er is geen zee zo diep,

er is geen berg zo hoog

dat die mij bij hem vandaan kan houden.’

(uit het lied: I will follow him)

 

In het evangelie is Jezus heel vaak in gesprek met mensen die ergens aan vast zitten; aan hun bezit, aan hun positie of aan hun verleden. Soms zitten ze vast aan het beeld van God dat ze van huis uit hebben meegekregen. Of het zijn hun angsten en zorgen die hen tegenhouden. Totdat ze Jezus ontmoeten hebben ze eigenlijk niet in de gaten hoe onvrij ze leven. Maar de ontmoeting met Jezus opent de weg naar een leven in vrijheid; wel een weg met weinig zekerheden en volop uitdagingen en weerstanden.

Wat het betekent om Jezus te volgen komt in die korte gesprekjes naar voren.

De eerste komt bij Jezus: Ik zal u volgen waarheen u ook gaat.

Dat is juist het punt, zegt Jezus dan: ik ga nergens heen.

Zijn weg kent geen eindpunt.

Hij is wel onderweg naar Jeruzalem, maar níet om daar thuis te komen.

Niet om zijn hoofd neer te leggen op een plek die van hem is. 

Vossen hebben holen en de vogels bouwen een nest.

De Samaritanen, in het dorp waar Jezus net door heen is getrokken, vinden hun thuis op de berg Gerizim waar ze God aanbidden. En de Joden vinden dat in Jeruzalem. Wij hebben ons thuis in de Open Hof. Anderen hebben dat in een van de vele andere kerkgebouwen hier in Oud-Beijerland. Zo’n thuis is fijn. We hebben het goed met elkaar, staan voor elkaar klaar. Het schept kaders voor onze manier van geloven. Daar wil ik niets aan af of toe doen. Maar wie met Jezus op weg wil gaan moet ook beseffen dat het dáár niet om gaat.

 

Een gebouw betekent dat we muren hebben opgetrokken; dat er een deur is die dicht kan. Een huis kan bloedeloos worden, versteende zekerheid. (zie lied 816 in het Nieuwe Liedboek) Wij zijn hier thuis, onder ons. Als er een ‘wij’ is, is er ook altijd een ‘zij’. Maar wat betekent dat voor wie hier als gast of vreemdeling binnenkomt? Of voor onze samenwerking met andere kerkgemeenschappen, andere geloofsgemeenschappen? Als wij ‘onze manieren’ hebben, wat betekent dat dan voor de manieren van anderen? Eigenlijk geldt dit niet alleen voor mensen in een gebouw maar voor elk geloof, elke traditie, elke ideologie. Het schept een onderscheid tussen wie erbij horen en wie niet. Zo’n thuis heb ik niet en zo’n thuis bied ik je niet, zegt Jezus. Ik bied je geen schuilplaats waarin je je kunt verbergen en geen muren waarachter je kunt vluchten. Wie mij volgt is aangewezen op zijn eigen verantwoordelijkheid. Wie mij volgt heeft zijn eigen roeping om God te dienen in liefde en zijn koninkrijk te zoeken.

 

En wie nergens bij hoort, hoort overal bij. (citaat van Bram Moerland) Die is vrij om zich te bewegen tussen mensen en bewogen te zijn om mensen.

 

Sta me toe eerst terug te gaan

Tegen een tweede zegt Jezus: Volg mij! Maar deze zegt: Heer, sta me toe om terug te gaan om mijn vader te begraven. Wat is Jezus’ reactie hard en gevoelloos als hij zegt: Laat de doden hun doden begraven. Dat kan trouwens helemaal niet, doden begraven geen doden. Wat zou Jezus bedoelen?

Bijbels gesproken zijn dood en levend nooit zwart-wit. Denk aan Mozes die tegen de Israëlieten zegt: Kies voor het leven. En leven is: God liefhebben door de weg te volgen die Hij wijst en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen. (Deuteronomium 30:15 en 19) Of denk aan de vader van de weggelopen zoon die -als zijn zoon is teruggekeerd-  uitroept: Laten we feestvieren want mijn zoon was dood en is weer tot leven gekomen. (Lucas 15:24)

Dood is degene die zijn hart niet zet op de toekomst. Dood is degene Gods weg niet wil gaan. Laat wie zó dood is zich met de doden bezighouden.

 

De man die zijn vader wil begraven wil teruggaan. Maar terug is niet de beweging die leidt naar Gods koninkrijk. Terug is niet de weg van God. Terug is terug naar af, is onvermogen om het verleden los te laten. En wie achterblijft in het verleden heeft geen toekomst. Wie blijft hangen in oud zeer vindt geen genezing. Wie vasthoudt aan schuld of schuldgevoel, vindt geen vergeving. Wie zich vastbijt in het verlangen gelijk te krijgen zal nooit de voldoening hebben van het ontvangen. Blijf toch niet staren op wat vroeger was. Sta niet stil in het verleden God zegt dat Hij iets nieuws gaat beginnen. Het is al begonnen, zie je het niet? (zie Jesaja 43:19 en Nieuw Liedboek 809)

 

eerst afscheid nemen

Een derde wil Jezus volgen maar hij wil eerst afscheid nemen van zijn huisgenoten. Dat herinnert ons aan Elisa de roeping door Elia accepteert maar wel eerst zijn vader en moeder wil kussen. En Elia zegt: doe wat je wilt, ik dwing je nergens toe. Dat lijkt me een belangrijk gegeven. Als God ons roept, laat hij ons volledig vrij om antwoord te geven. Hij geeft zijn woord en vraagt ons om ons ant-woord.

Dat antwoord komt uit onszelf. Het is niet ons kerkelijk thuis dat antwoord geeft of de traditie waarin wij wortelen. Daar vinden we hooguit de bemoediging of bevestiging om in vrijheid met God te gaan. Wij vallen er niet mee samen.

Het is ook niet ons verleden. Al heeft dat ons gevormd tot wie we zijn; door schade en schande misschien zelfs wel. Maar niet meer dan dat.

Het is ook niet onze familie, onze afkomst, waarop we terug kunnen vallen. Het gaat niet om de sporen die je getrokken hebt maar om de sporen die jij zult gaan trekken. Het gaat om jou. Jij, in alle kwetsbaarheid. Klein mens in een grote wereld. Jij draagt jouw geloof. Jij draagt jouw keuzes. Klein mens, maar recht je rug en maak je groot: Jij staat in Gods licht.

 

Gij zijt mijn onderkomen

De Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen. Het staat er met een hoofdletter -het gaat over Jezus-  maar evengoed moet het met een kleine letter gelezen worden. Het gaat ook over ons.

Over onze rusteloosheid om wat er nog gebeuren moet om van deze aarde een leefbare aarde te maken; of wij rustig kunnen slapen als er nog onrechtvaardigheid is; het gaat erom of wij onze ogen kunnen dichtdoen voor wie verdriet hebben, voor wie lijden. En in dat alles vertrouwen wij erop dat wij wel degelijk een onderkomen hebben. Onder de hoede van God zelf. (zie: Psalm 91 en NL 816:4 en 981:4)

Vertrekken en thuiskomen: een oase onderweg

(foto: Hamminga, Liwa Oase, Saudie Arabie)

 

11 augustus 2019  PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Exodus 15: 22 – 16: 4a

 

onderweg

Je weet wat je hebt, maar niet wat je krijgt.

Wie nadenkt over verandering, van werk, van woonplaats, van relatie… wie zich geplaatst weet voor keuzes – al dan niet noodgedwongen-  zal ook de ervaring hebben dat je weet wat je hébt, maar niet wat je kríjgt. Verandering geeft onrust en onzekerheid. Je bent al snel geneigd de oude situatie te relativeren en je vast te klampen aan wat daarin toch ook goed is. Het vraagt om moed om het oude los te laten en onderweg te gaan. Het vraagt om geduld. Want je bent niet zomaar waar je terecht wilt komen. Het vraagt om visie, om vasthoudendheid aan je droom: dáár wil ik naar toe.

 

Gods volk is bevrijd uit Egypte. Achter hen liggen jaren van onvrijheid en angst. Ergens vóór hen ligt land dat God heeft beloofd. Een land dat overvloeit van melk en honing, een land waar Gods mensen in vrijheid mogen samenwonen. Voorlopig is het een stip op de horizon. Want tussen vertrekken en thuiskomen ligt onderweg zijn. Tussen Egypte en Kanaän ligt woestijn.

En die woestijn is het oefenterrein voor Gods volk. Oefenen om een vrij mens te zijn, oefenen welke verantwoordelijkheden dat mee brengt. Er zijn daar geen gebaande paden maar je zult leren vertrouwen op de God die de weg wijst en meetrekt. Want dat blijkt de hamvraag te zijn van Gods volk onderweg: Is God nu in ons midden of niet? (Zie Ex 17:7)

 

dorst

Net onderweg wacht een bittere teleurstelling: ze hebben dorst en het water is niet te drinken. En ze hebben honger. Dát hadden ze in Egypte in ieder geval niet. Daar waren de vleespotten gevuld en er was volop brood te eten. 

 

Van tijd tot tijd komen we in onze eigen woestijn terecht. Een tijd van eenzaamheid, een tijd die we ervaren als zinloos of frustrerend. Een tijd dat we dorsten, verlangen naar iets anders. Durf het ook te zien als een periode dat je wordt gevormd. Zie de momenten dat je wordt uitgedaagd door het leven niet als een ondragelijke last. Ga niet net als de Israëlieten lopen klagen en zeuren dat vroeger als beter was. Zie de moeilijke omstandigheden ook als een kans om te leren vertrouwen op God. En om je open te stellen voor wat hij je kan geven. Elke dag weer.  

 

Want dat leert Gods volk. Dat ze kunnen vertrouwen op God. Mozes, roepen ze, we hebben dorst. God, roept Mozes, ze hebben dorst. En de Heer wees Mozes op een stuk hout en toen hij dat in het water gooide werd het water zoet.

Vertelt de verteller hier dat uit bittere omstandigheden ook iets zoets kan ontstaan? Dat de bitterheid wordt opgeheven als we ons tot God wenden? Misschien. Soms is dat ook de ervaring van mensen.

Of wordt verteld dat de oplossing voor een probleem altijd onder handbereik ligt, als een stuk dat voor het grijpen ligt in de woestijn. Kan ook. Ook dat is soms onze ervaring.

Maar we lezen nog eens: En de Heer wéés Mozes op een stuk hout… God wijst de weg. Hij wijst door zijn wetten en regels te geven en door hen op de proef te stellen. Dorst is een beproeving. Maar waar dorst je naar? Wil je God ook een plek geven in je leven, dorst je ziel naar hem als een hart dat drinken wil? Zoek je naar hém en naar wat hem voor ogen staat?

Wil je alleen je eigen dorst lessen of let je er ook op dat anderen te drinken hebben. Jezus zal later zeggen: Gelukkig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Dát is dorst die de weg wijst. In de woestijn van het leven maakt Gods woord het leven mogelijk. Het is de bron om uit te drinken. Jezus verbindt er ook een belofte aan: Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. We kunnen honger en dorst onderweg verdragen omdat thuiskomen zeker is.

 

honger

God geeft water om te drinken. En brood dat leven geeft.

Brood dat uit de hemel valt. Voor elke nieuwe dag genoeg. Jezus zal ons later leren bidden met de woorden: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat gaat niet over liefde die door de maag gaat maar over liefde voor het leven. Want een mens leeft niet van brood alleen maar van Gods woord. Als wij brood en wijn delen en elkaar het brood aangeven met de woorden: Brood uit de hemel, dan weten we dat Gods woord onze leeftocht is voor onderweg en dat Jezus met zijn liefde, met zijn leven en zijn lichaam heeft voorgedaan hoe je leeft vanuit vertrouwen op dat woord. Geef ons heden ons dagelijks brood… geef ons elke dag wat we nodig hebben om te leven als mens van U. Geef ons inzicht. 

 

De verhalen over het water en brood in de woestijn hebben alles te maken met het opengaan van onze ogen voor de werkzaamheid van God in ons leven. Hij is te vertrouwen. En hij rekent erop dat ook wij te vertrouwen zijn. Denk even aan de woorden van Psalm 23: De Heer is mijn Herder. In ’t hart der woestijn verkwikken en laven zijn hemelse gaven…’  We ontvangen wat we nodig hebben als wij daarvoor openstaan. Dat brengt verder dan klagen en zeuren dat vroeger alles beter was.

 

Elim

Dit woestijnverhaal is opgeschreven tijdens de ballingschap. Toen het beloofde land onleefbaar geworden was. Een slecht beheerde, woeste, verwarde, richtingloze samenleving. Ieder voor zich… Het is dus een profetisch verhaal, dat het anders kan en anders moet. Het is een verhaal dat vasthoudt aan de droom, aan de stip op de horizon. (Huub Oosterhuis, Niets is onmogelijk, 25)

Dat verlangen wil maar niet van ons wijken: verlangen naar een leven dat de moeite waard is. Een bestaanbare aarde, voor onszelf en onze geliefden.

Godzijdank zijn er af en toe oases zoals Elim. Een plek waar het goed rusten is. Elim laat al gebeuren waarop we hopen. Dat de woestijn zal bloeien als een roos. Dat mensen zullen wortelen aan levend water en vrucht zullen dragen. (Ps 1) Dat zij recht en rechtvaardig als palmen zullen leven. (Ps 92)

 

Ook Jezus verkondigt dat wij in de woestijn van deze wereld mogen vasthouden aan de droom dat het anders kan. Dat een menselijke eerlijke samenleving mogelijk is. Het is een droom die in beweging brengt en in beweging houdt. Want door die droom houden mensen elkaar vast; gaan ze op zoek naar vrede in alle onvrede, naar recht in alle onrecht. We zoeken naar water waar mensen dorst hebben en delen elkaars honger naar gerechtigheid. Dan kan soms iets van een oase doorschemeren. Iets van Gods nieuwe wereld.

zomerserie Vertrekken en thuiskomen: Naomi en Ruth

4 augustus 2019 De Open Hof – Oud-Beijerland

afbeelding: Avi Katz 

ver van huis

Slechts vijf verzen heeft de verteller nodig om ons op de hoogte te brengen van de situatie van Naomi. In alle opzichten is ze ver van huis. De ellende heeft zich opgestapeld. En nu zit ze zonder man, zonder zonen, zonder toekomst, zonder hoop.

Naomi representeert al die mensen die weten hoe makkelijk je dromen vervliegen en die weten hoe kwetsbaar je bent. Als mens, als gezin, raak je maar zo ver van huis door een verkeerde beslissing, door een speling van het lot. Ellende kan zich zomaar opstapelen tot je niet meer weet hoe je eruit moet komen. Soms dwalen we rond in een land waar we niet moeten zijn. In het land van verdriet, in het land van eenzaamheid, in het land van schuld, in het land van boosheid en wrok. Allemaal ellende, allemaal buiten-landen.

(N.b. Dat is de oorspronkelijke vertaling van ‘ellende’, ‘elelendi’ in het Oud-Nederlands. Wie zijn land verliet, deed dat omdat er rampspoed was. Ellende dus)

 

Dat ver van huis zijn is niet alleen een menselijke ervaring; het is ook de ervaring van Gods volk. Telkens weer horen we in de Bijbel hoe mensen daar terecht komen, waar ze niet thuis horen. Abraham en Sara komen door een hongersnood terecht in Egypte. Weten we het nog van musical? Dat het bijna Abrahams huwelijk kost als de farao Sara tot vrouw wil nemen. En ook de broers van Jozef, zonen van Jacob, trekken door honger gedreven naar Egypte en zij blijven daar wonen. Maar als er een farao komt die Jozef niet heeft gekend, worden zij tot slaven gemaakt. Honger is kennelijk een slechte raadgever.

 

Maar de meest bittere ervaring van ver van huis raken voor Gods volk is het weggevoerd worden in ballingschap. Verstoten door de Eeuwige zelf, door hun eigen foute beslissingen en leefwijze, ver van huis. (1 Kon 17: 23)

 

Dat alles weet te verteller op te rakelen met vijf verzen over ver van huis zijn. Maar de rest van hoofdstuk gaat over iets veel belangrijkers: over terugkeren. Abraham komt weer terug in Kanaän, de stammen van Jacob komen thuis in het beloofde land. En het volk in ballingschap droomt erover: Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. (Huub Oosterhuis, Psalm 126) En ook in het Nieuwe Testament: de verloren zoon, die alles heeft gedaan wat zijn vader en God verboden, keert terug. Naar zijn vader en het land van zijn geloof. De Bijbelse verhalen brengen ons zo altijd ‘back to the future’, terug op de weg naar morgen.

 

moed om op te staan

Wat is er nodig om je te realiseren dat je ergens bent waar je niet thuishoort? Hoe kun je verder als je met de scherven van je geluk op schoot zit? Hoe ga je verder als je weg zo anders loopt dan verwacht? Ik zou soms willen dat er een recept voor was dat ik door kon geven aan mensen die in de ellende vast zitten. Dat is er niet. Toch hoor ik mezelf soms praten: echt, je zult het zien, het wordt beter; jij wordt beter; je zult het zien, je lijkt nu ver van huis maar je zult je weer thuis voelen. Je komt er door heen, of je leert ermee leven. En ik zie het ongeloof in hun ogen.

 

In het vastgelopen verhaal van Naomi komt beweging als zij hoort dat God zich het lot van zijn volk heeft aangetrokken, er is weer brood in Bethlehem. In de geloofsbeleving van de verteller en van Naomi kan een hongersnood niet zomaar ophouden. Dat heeft iets met God te maken. Iets met Gods bekommernis, met zijn bemoeienis. Het is voldoende om weer hoop te krijgen, om moed te vatten. Om zelf in beweging te komen. Ook in dat verre Moab, ondanks alles wat haar is overkomen, is er een iets van God in haar achtergebleven. En dat vonkje ontvlamt door het nieuws dat er weer brood is. Naomi keert terug. En haar schoondochters, Orpa en Ruth, gaan met haar mee.

Hoe ver we ook zijn, in ons zit altijd de veerkracht om net als Naomi op te staan en ons klaar te maken voor de weg terug. Ik wens het mijzelf en jullie in ieder geval toe, dat we in moeilijke tijden de weg terug weten te vinden naar de basis. Naar het geloof dat God met ons begaan is en ons, ook in dat wij dat niet zo ervaren, vast blijft houden.

 

terugkeren

Wie ver van huis is geraakt, weet dat je niet ongeschonden blijft. Je kunt niet zomaar terugkeren naar wie je was. Wat je hebt meegemaakt, heeft je getekend, bitter (Mara) gemaakt misschien. Het heeft misschien ook de omgang met mensen veranderd. Soms voelt terugkeren een nederlaag. Wat zullen de mensen wel niet denken. In de Bijbel heeft terugkeren ook altijd te maken met: wat heb je geleerd? Wat heb je geleerd over jouw omgang met God? Wat heb je geleerd -of afgeleerd- over jouw omgang met mensen, gelegd langs de lat van de tien geboden?

 

Over dat terugkeren, met alle verlies en alle winst, gaat het in dit verhaal. In het Hebreeuws is er 15x een variant op dat terugkeren te lezen. Duidelijker kan de tekst ons niet maken dat het gaat over de vraag waar je als mens thuishoort, waar je bestemming ligt. Het gaat over wortels, over ‘oorsprong en doel en zin’. (Nieuw Liedboek 513)

 

Orpa’s bestemming ligt in Moab. Wat heeft zij als vreemdeling te zoeken in Juda? Zij heeft daar geen toekomst. Ze heeft groot gelijk. Soms moet je gewoon loslaten en je eigen weg gaan. Je kunt het niet altijd met elkaar uithouden en dan is het beter uit elkaar te gaan. Terug naar jezelf, naar je land. Pijnlijk. Moeilijk. Maar zo is ons leven nu eenmaal. 

 

Naomi keert terug naar af. Of haar leven nog doel en zin heeft weet ze op dat moment niet. Misschien wil ze alleen maar terug om haar verdrietige vermoeide lijf op haar moedergrond te laten rusten. Verbitterd is ze en niet de makkelijkste om mee op te trekken. Als Ruth zo vurig haar trouw aan Naomi toont, haalt deze nog net haar schouders niet op.

Ik heb je niets te bieden, zegt Naomi. Maar voor Ruth telt dat zij trouw is. Trouw aan zichzelf -haar naam betekent ‘vriendschap’-  en trouw aan Naomi. Ook als zij er zelf niet beter van wordt, ze blijft. God heeft mij in de steek gelaten, zegt Naomi.

(Nb: In 21 noemt Naomi God zowel ‘JHWH, de Nabije, als de Ontzagwekkende. Zij ervaart afstand.)

Maar ík zal bij je blijven, zegt Ruth. Dát is nog eens een bestemming: er zijn voor de ander in vriendschap en leven. En zo die ander ook zicht geven op God, want waar vriendschap is en liefde, daar is God.

 

onderweg naar morgen

Een juffrouw op de basisschool schreef in mijn poeziealbum over Orpa en Ruth. En hoe de keuze van Ruth vooruitwijst naar een ander leven, een nieuw leven.

 

‘t Aardse dal door ons betreden

heeft twee wegen zegt de Heer.

Orpa koos voor zich de brede,

Ruth de smalle tot God’s eer.

 

Dat men jou ook moge vinden

op ‘t door Ruth betreden pad,

reizende met Godsgezinden

naar de zaal’ge Hemelstad

 

In haar loyaliteit en vastberadenheid is Ruth een prachtig voorbeeld om te volgen. Soms wordt van ons niet anders gevraagd dan te blijven, of mee te gaan. Wij zijn allemaal wel iemands schoondochter, of dochter, of zus, of vriendin. We zijn allemaal schoonzoon, vader, broer. En het komt ooit op onze weg om het verhaal van de ander te verdragen. Om trouw te zijn, om aan te horen, te verduren.

 

Dit meetrekken met een ander overstijgt cultuur, geloof of afkomst. Het vraagt om de moed om je open te stellen voor de ander. Het vraagt om de durf om kwetsbaar te zijn in het samen optrekken. Het houdt ons vandaag de droom voor dat het kán, een wereld zonder grenzen, Gods nieuwe wereld.

Daarom is het einde van dit hoofdstuk zo beeldend. Niet het beeld van de klagende Naomi blijft hangen, maar dat de gersteoogst begint.

Als een zichtbaar teken dat God heeft omgezien naar zijn volk. Er kan weer gegeten worden; er is weer leven mogelijk. Als de Bijbel ons iets leert, is dat het nooit uitzichtloos zal worden.

overweging op zondag 7 juli 2019 in De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

In deze dienst zwaaien we de World Servants. Het jaarthema van de World Servants is: Outgrow yourself – dare to serve.

 

uit de Bijbel: Psalm 1: 1-4 en Marcus 10: 35-52

 

duim: hier ben ik goed in

Jacobus en Johannes zijn zich bewust van hun bijzondere positie in het gezelschap van Jezus. Heel veel mensen voelen zich tot hem aangetrokken; willen hem volgen. Maar zij behoren tot de twaalf beste vrienden van Jezus. Ze hebben er veel voor opgegeven: ze zijn weggegaan bij hun vader Zebedeus; ze hebben hun gewone werk uit hun handen laten vallen en daarmee ook hun broodwinning en toekomstvoorziening. Is het dan teveel gevraagd dat ze daarvoor erkenning krijgen, een beetje waardering? Een beloning? Laat Jezus maar een mooi plekje voor hen reserveren in de hemel! Een links en een rechts van hem….

Zo zitten we in elkaar. Als we ergens goed in zijn, willen we daarin ook graag gezien worden. Als we ergens ons best voor doen, willen we daar ook wel voor beloond worden met een goed cijfer, een goed salaris, een blijk van waardering. En bij goed hoort beter… vaak smaakt succes naar meer.

Die valkuil legt Jezus bloot als de andere leerlingen woedend reageren op de vraag van Jacobus en Johannes. Waarom ze boos zijn staat er niet….. misschien wel omdat ze zichzélf op de ereplaats hadden willen zien waarom Jacobus en Johannes hebben gevraagd.

Jezus zegt: pas op. Wie macht heeft, komt makkelijk in de verleiding om die macht te gebruiken om er zelf beter van te worden. Wie ergens de leiding krijgt, omdat hij daar goed in is, zit ook op de plek om de baas te gaan spelen over anderen. Degene aan wie de financiën worden toevertrouwd, omdat zij daarin de beste is, zou kunnen sjoemelen met declaraties. Wie goed is in voetbal kan in de verleiding komen zélf te willen scoren in plaats van over te spelen. Wie speelt op topniveau en nóg beter wil worden zoekt misschien zijn heil bij doping. Voor die dingen wil Jezus zijn leerlingen behoeden.

 

wijsvinger: hier ga ik naar toe

Welke weg kies je voor jezelf? Jezus houdt zijn leerlingen voor dat zíjn weg niet makkelijk zal zijn. Hij zal veel moeten meemaken en lijden. En ook zijn volgelingen zullen het niet makkelijk krijgen. Daar moeten ze niet te licht over denken.

De weg die je kiest bepaalt uiteindelijk ook waar je uitkomt. In Psalm 1 lazen we dat de weg van slechte mensen doodloopt. Zij verwaaien op de wind. Je hoort er niets meer van. Maar wie de weg met God gaat zal groeien en vrucht dragen. Bij God horen woorden als: liefde, trouw, geduld, vergevingsgezindheid, mildheid, vriendschap. Als je uit die woorden leeft zal dat ook je weg bepalen. Dan zullen je voeten de weg weten te vinden naar de plaatsen waar je nodig bent, of waar je iets kunt betekenen. Dan zullen je handen weten wat ze kunnen doen of kunnen geven. Dan zul je ook andere mensen tegenkomen, mooie ontmoetingen hebben. Dat is een weg die impact heeft. Jij groeit eraan maar je laat ook iets achter. Je zult niet vergeten worden. Dat is iets dat je moet leren. Gaande-de-weg.

Voor Jacobus en Johannes dient zich meteen een goede praktijksituatie aan. Ze kunnen oefenen. Langs hun weg zit een blinde bedelaar. Die hard begint te roepen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij! Maar de mensen om hem heen zeggen dat hij zijn mond moet houden.

 

middelvinger: hier heb ik een hekel aan

Precies in het midden zit de samenvatting: Jezus waarschuwt dat je ambities om hogerop te komen je op het verkeerde pad kunnen brengen. En uiteindelijk zien we het in de praktijk meteen fout gaan als Bartimeus, toch een beetje een randfiguur zo langs de weg, de mond wordt gesnoerd. De blinde wordt niet gezien. Dat is wel een beetje ironisch. Laten we er een hekel aan hebben dat mensen over het hoofd worden gezien; in haast voorbijgelopen of tot zwijgen gebracht.

 

ringvinger: hier ben ik trouw aan

Jezus is trouw aan zijn roeping. Hij is trouw aan het goede nieuws dat Gods nieuwe wereld dichtbij is en dat mensen daar deel van kunnen uitmaken als zij hun levenswijze veranderen. (Mc 1:15) Hoe zij hun leven kunnen veranderen laat hij zelf zien. Waar hij komt worden mensen geheeld naar lichaam en geest;

waar Jezus is wordt gesproken over vergeving (Mc 2:5) en worden mensen uitgedaagd het slechte pad te verlaten. (Mc 2: 14) Waar Jezus is komt de discussie op gang over wat echt geloof is en hoe je daar uit leeft. (Mc 2:24 en Mc 4, Mc 10: 17-22)

Je kunt Jezus aanspreken op wat hij verkondigt. Hij is oprecht en transparant. Het is dáárdoor dat hij veel moet meemaken: hij zal lijden en gedood worden. De wereld waarin hij leeft is niet toe aan zo’n levenswijze. Zijn kracht is een tegenkracht; zijn woord is een weerwoord op wat de religieuze leiders van zijn tijd verkondigen en zijn liefde stelt de liefdeloosheid van zijn tijd onder kritiek.

Zijn weg liep uiteindelijk dood. Maar op een heel andere manier dan de weg van de slechte mensen in Psalm 1. Die vervliegen op de wind en je hoort er nooit meer wat van. Terwijl wij het vandaag over Jezus hebben. En over wat hij ons nalaat. Aan waarden om trouw aan te zijn; aan voetstappen om in te gaan staan. Jezus’ leven is niet verwaaid op de wind, omdat Jezus niet alleen trouw bleef aan zijn roeping, maar ook omdat God, die hem riep, trouw bleef aan Jezus.

 

pink: hier wil ik in groeien

‘Als je de belangrijkste wilt zijn, moet je anderen dienen. Als je de voornaamste wilt zijn, moet je de anderen dienen zoals een slaaf doet.’ Groeien doe je niet door omhoog te reiken maar door laag in te zetten. Gewoon bij de mens die naast je is, links of rechts van je; gewoon bij de mens die op je pad komt zoals Bartimeus. Groot worden door klein te blijven.

Outgrow yourself… groei er overheen… groei over je verlangen heen om overal in gezien te worden, om waardering te krijgen voor wat je doet. Groei over je wens heen om beloond te worden. Doe wat je doet omdat je hart het je ingeeft. Doe wat je doet omdat het jouzélf vreugde geeft en rijker maakt. Doe het omdat jij een mens wilt zijn mét en vóór andere mensen.

Groei over je onzekerheid heen over wat een ander dan misschien van jou vindt. Groei over je angst heen dat het niet goed genoeg is wat jij doet omdat een ander het misschien beter kan.

Groei over je belemmeringen en tekortkomingen heen. God ziet jou in wie je bent en in wat jij kunt betekenen voor zijn nieuwe wereld. Jezus heeft jou met zijn leven gered; hij heeft jou in de vrijheid gezet zodat je nergens door tegen wordt gehouden om er te zijn voor anderen.

Dare to serve…. durf een ‘servus’ te zijn (dat is Latijn voor slaaf). Durf te zijn zoals Jezus die alle belangrijkheid op gaf en zichzelf onbelangrijk maakte. Hij liet zich niet voorstaan op zijn hemelse positie maar zocht zijn weg op aarde. (Filippenzen 2: 6-7)

Durf net als hij de weg van de dienende liefde te gaan. Durf groot te worden door klein te blijven.

overweging op zondag 23 juni 2019      De Open Hof Oud-Beijerland

 

In deze dienst hebben we stil gestaan de overstap van de basisschoolkinderen naar het voortgezet onderwijs en van de kinderdienst naar de tienerdienst.

De afbeelding is afkomstig uit de Encyclopedie van het Jodendom. 

 

uit de Bijbel: Deuteronomium 6: 1-9

 

godsdienstoefening

Om ergens goed in te worden je er minimaal 10.000 uur in hebben gestoken. Veel oefenen dus. Daarom vind ik ‘godsdienstoefening’ zo’n mooi woord. Of de uitdrukking: ‘je geloof uitoefenen’. Geloof komt je niet aanwaaien of met de paplepel ingegeven. Het is een kwestie van oefenen, van lange adem. Gods volk had er 40 jaar voor nodig!

 

Daar komt bij dat geloven in onze levens niet meer vanzelfsprekend is. En ook het doorgeven van geloof vinden we moeilijk. We vertrouwen dat God bij ons maar erover praten, dat is lastig. We weten ook wel dat er rondom de kerk van alles te doen is wat goed en betekenisvol is, maar we hebben zo weinig tijd. En als kerkelijke gemeente voelen we de noodzaak om kinderen en jonge mensen het geloof te leren maar we voelen ons onthand, onhandig, omdat hun beleefwereld ver weg staat van de onze; omdat het soms moeilijk is afstand te nemen van oude woorden en vormen.

Voor godsdienstoefening geldt hetzelfde als voor alle andere oefening: het is niet altijd leuk, je hebt er niet altijd zin in of je ziet de zin er niet van in. Maar het is wel nodig.

Hoe belangrijk dat leren van geloof is, hoe belangrijk geloofsopvoeding is, horen we in Deuteronomium.

 

het land aan de overkant

Het heeft alles te maken met het land aan de overkant. Het land dat God heeft beloofd. Het is niet echt een land dat je op de kaart kunt aanwijzen. Eerder is het een manier van spreken over het land van morgen. Het is de toekomst die God voor ogen heeft. Het geluk dat hij wil voor zijn volk, voor hun kinderen en hun kleinkinderen. Het land aan de overkant is een samenleving waar mensen ook écht samen leven; waar mensen weten hoe het is om onvrij te zijn; waar mensen er op uit zijn in vrijheid te leven en elkaar die vrijheid ook te gunnen.

Echte vrijheid gedijt bij grenzen. En Gods geboden vormen die grens. Israël oefende ermee in de woestijn. Met vallen en opstaan leerden zij niet alleen met elkaar maar ook met God te leven. Zij leerden te vertrouwen en zij leerden betrouwbaar te zijn. Onderweg tussen Egypte en Kanaän, tussen verleden en toekomst. Wij oefenen ons geloof in deze prachtige maar ook zo wanordelijke wereld vol spanningen. En we hopen op wat Jezus noemde: Gods nieuwe wereld, het koninkrijk van de hemel.

 

ons leven

Je geloof oefenen begint met luisteren.

Luister! Stel je open en laat elke dag opnieuw tot je doordringen dat God er is. Dat Hij om je liefde vraagt. Waarom? Omdat hij de bron van die liefde is. Omdat aan alles wat wij zijn, aan alles wat wij doen, zijn liefde vooraf gaat. Luister! Sta open voor God die liefde is. En prent dát je kinderen in.

Leer je kinderen wat je zelf hebt gehoord. Leer hen hóe jij het hebt gehoord. Het mooie van iets uitleggen, is dat je het dan zelf ook beter gaat begrijpen. Door een ander inzicht te geven in wat jij gelooft, kan nieuw inzicht rijpen. We zijn dus, als het gaat om Gods liefde, de aangewezen personen om het áán elkaar te leren, maar ook om ván elkaar te leren. Wat zou het mooi zijn als wij zo’n gemeente kunnen zijn: waar wij niet alleen de kinderen iets leren, hen voorgaan op de weg van het geloof, maar ook van hen willen leren.

Je geloof oefenen begint met luisteren maar direct erna komt: Spreek! Wees vrijmoedig om woorden te geven aan wat je gelooft. Thuis, onderweg, in rust en als je aan het werk bent. Waarom zou je terughoudend zijn in wat voor jou waardevol is. Waarom zou je niet je geloof al sprekend een plaats geven in je dagelijks bestaan. Ik weet dat dat voor veel mensen lastig is.

Soms raken mensen ervan in de war als ze horen hoe een ander zijn of haar geloof verwoordt. Ze vragen zich af of ze het zelf dan wel goed doen; of maken zich zorgen of die ander het wel goed doet…. Soms zijn mensen bang dat ze ervan in de war raken; of dat zij oude zekerheden moeten opgeven. Maar leren, oefenen, heeft het gesprek nodig. 

 

doosje

Dat gesprek zou bijvoorbeeld kunnen gaan over doosjes. Joden dragen bij hun gebed een gebedsriem met een doosje aan de arm en op het voorhoofd. Precies zoals dit Bijbelgedeelte voorschrijft. En aan de deurpost hebben veel Joden een mezoeza, ook een klein doosje. Dat zijn geen lege doosjes. Er zitten woorden in uit de Tora. Ook de woorden van Deuteronomium 6 zitten erin, het zogenaamde Sjema, Luister Israël. Heb de Heer lief…. Alles wat je doet met je handen, met je hoofd… alles wat er gebeurt in jouw huis, in jouw stad, dat kan niet zonder de liefde van God en de liefde voor God.

Het zou een interessante vraag kunnen zijn wat jij in een doosje zou willen meedragen; of wat jij aan de deurpost van je huis zou willen hangen. Wat zit er in het doosje dat jij aan je kinderen door wilt geven? Wat is voor jou kostbaar om te horen en over te spreken?  Wat houd jou bij de les in je dagelijks leven? Wat is het motto in jouw huis?

Wat zou het mooi zijn als we deze vraag vasthouden en bij de koffie luisteren naar elkaars antwoorden en erover spreken.

Pagina 1 van 7