Preken

Preken (119)

overweging op zondag 20 september 2020      PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

afbeelding: Sieger Koder

 

uit de Bijbel: 1 Koningen 19: 1-16

 

het is genoeg

Die arme Elia. Hij vecht tegen de bierkaai, profeet van God in een land vol afgoden. Hij moet opnieuw vluchten voor de moordlust van koningin Izebel. Hij laat zijn knecht achter en trekt de woestijn in. ‘Laat mij maar alleen.’ Elia ziet het niet meer zitten. Was hij maar dood. Alles beter dan dit leven.  

Het is genoeg. Die ervaring herkenden we. In onszelf, als we beseffen dat we beter voor ons zelf moeten zorgen en tijd moeten vrij maken om te ontspannen; in de mensen om wie wij ons bezorgd maken; in onze omgeving die het beu is om afstand te houden, in de eenzaamheid van mensen die het normale contact met hun kinderen en kleinkinderen missen. We herkenden het gevoel dat je de moed opgeeft.   Of dat je wegvlucht van je problemen. En wat kun je er moe van worden om altijd maar tegen de stroom in te gaan.

Elia kruipt vol zelfbeklag onder een struik. Is hij dan nu alweer vergeten dat op zijn gebed God antwoordde met vuur uit de hemel? Elia, hoe zit dat met jouw geloof in God? En nog wat: moet een profeet niet profeteren? Daar onder die bremstruik kom jij niet toe aan datgene waartoe je bent geroepen.

 

word wakker

Er is een wake up call nodig. ‘Word wakker en eet wat’ zegt een engel van de Heer en hij raakt Elia aan. Een hand op zijn schouder.

‘De plaats waar je wordt wakker geschud, en waar je wordt gevoed om verder te kunnen, dat is De Open Hof’, zei iemand. Want hier ben je welkom, wie je ook bent en hoe je er ook aan toe bent. Hier is brood en wijn; hier zijn goede woorden, hier word je aangeraakt en geraakt.

‘Dat herken ik’, zei een ander. Dat je precies op het goede moment hier bent en iemand treft…. dat je brood en wijn krijgt aangereikt en je gesterkt voelt.

En ik bedacht me wat een ondankbaar werk het kan zijn om een engel van God te zijn. Om mensen wakker te schudden, te bemoedigen; Mensen die zich vervolgens omdraaien en weer terugvallen in hun oude patroon. Het is niet altijd leuk en makkelijk om namens de kerk op bezoek te gaan. Bij iemand te gaan zitten die vol zelfbeklag zit en daar ook in blijft zitten….

En dat zelfbeklag kennen we toch zeker in de Open Hof ook. Als wij ons druk lopen maken over ‘de jeugd’; of onze eigen kinderen en kleinkinderen. De kerk heeft de tijd niet meer mee en corona trekt ook op ons een zware wissel. Maar het bijltje erbij neer gooien -waar doen we het nog voor-  daar is niemand bij gebaat en Gods werk in de wereld niet mee gediend. Het mag dan zwaar zijn of soms onmogelijk lijken, niemand kan weglopen voor zijn roeping. De kerk niet, Elia niet, jij niet, ik niet.

Gelukkig is de engel van de Heer geduldig en vasthoudend. Hij raakt Elia opnieuw aan: ‘Sta op en eet wat.’ Elia moet in beweging komen.

 

wat doe je hier?

Veertig dagen en veertig nachten loopt hij. Bijbelse tijd. Heilzame tijd. Elia is onderweg om iets te leren of af te leren. Elia is onderweg om God te ontmoeten, bij de Horeb, de berg van God. Je zou kunnen zeggen dat Elia terugreist in de tijd. Hij reist naar de plaats waar God de Tien Woorden gaf aan Mozes; naar de grot waar God aan Mozes voorbijtrok en zijn Naam uitriep; naar de berg waar de struik brandde maar niet verteerde en God zei: Mijn Naam is ’Ik zal er zijn’. (Lees: Exodus 20; Ex 33 en Ex 3) Bewust of onbewust gaat Elia terug naar de bronnen van zijn geloof.

Wat zou het mooi zijn als we hem daarin kunnen volgen. Dat wij, als de moed ons ontbreekt en we geen zicht hebben op de zin van ons bestaan, de weg terug vinden naar onze wortels; naar ons geloof. Maar het is wel de bedoeling dat je uit dat nieuw gevonden geloof je conclusies trekt.

Elia gaat opnieuw liggen slapen. Hij heeft zich omgeven met een nieuw gevoel van geborgenheid.  Maar daarvoor is ons geloof niet bedoeld. Niet om ons in slaap te sussen. Niet om ons te verbergen voor de pijn van de buitenwereld. Het is niet alleen voor de zondag.

 

wat doe je hier?

‘Wat doe je híer?’ vraagt God aan Elia. ‘Kom naar buiten en treed hier op de berg voor mij aan.’ Elia wordt op appèl geroepen. Aantreden moet hij. Het blijft een zielig hoopje profeet. ‘Ik heb me met volle overgave ingezet… ik ben als enige overgebleven…’ Dat is niet helemaal waar. Obadja, hofmeester van koning Achab én iemand met ontzag voor God, had 100 profeten helpen ontsnappen. (1 Kon 18: 3-4) En er waren nog veel mensen in Israël die niet de afgoden dienden maar God. Maar Elia voelt zich in de steek gelaten door de mensen. En hij voelt zich in de steek gelaten door God.

 

‘Kom naar buiten’. Vertoon je. Ook als je gekwetst bent. Als je verlies hebt geleden. Verstop je niet omdat je je alleen voelt, omdat je omstandigheden moeilijk zijn. Kom naar buiten en ervaar dat God daar is.

En Elia komt uit zijn verstopplek en een krachtige wind steekt op. Zo’n wind die een zee kan splijten. Weet je nog, Elia, dat Gods volk met droge voeten kon oversteken en dat God hen niet alleen liet? (lees Exodus 14:21)

Dan is er een aardbeving die de aarde op zijn grondvesten doet trillen, precies zoals toen God een verbond sloot met Mozes en beloofde: Ik ben jullie God, jullie bevrijder. (lees Exodus 19: 16-20)

En als laatste is er het vuur. Zoals de vuurkolom die als een gids het volk door de woestijnnacht leidde. ((Ex 14:20)  Een voor een trekken de oude verhalen aan Elia voorbij. Als een bevestiging dat Elia niet vergeefs zijn vertrouwen op God had gesteld. Maar het is ook tijd voor iets anders. Want Elia heeft inmiddels wel ervaren dat God níet optreedt als een krachtige bevrijder.

 

God is overal. Dat deelden we in ons groepje. Als je er maar voor openstaat om hem te ervaren. Je moet de signalen leren lezen. Een vliegtuig dat op een sprekend moment overkomt; een vlinder in de winter, de lucht die openbreekt bij een begrafenis. ‘Een ander zegt dat het toeval is, maar voor mij betekent het wat,’ zei iemand. Het betekent: God is erbij en laat mij niet alleen aanmodderen.

 

keer terug

Dat moet Elia weer leren geloven. Hij herinnert zich weer de wind, de aardbeving, het vuur. En dan is het stil. Zo’n stilte die je gewaar wordt als het geluid is weggevallen. Zo kan ik mijn werkkamer zitten terwijl in de straat een vrachtwagen staat te brommen. Ik hoor hem niet. Pas als hij wegrijdt en het stil wordt denk ik: wat hoor ik toch?

Het gefluister van de zachte bries lokt Elia naar buiten. Wat hoort hij toch? En in die stilte klinkt weer de vraag: ‘Elia, wat doe je hier?’ Als een echo van de vraag van het begin van de Bijbel: ‘Mens, waar ben je?’ ( Genesis 2:9) In het suizen van de stilte, de hoorbare stilte na de storm (lees Psalm 107: 29) spreekt God Elia opnieuw aan: Wat doe je hier? En als Elia antwoordt met dezelfde riedel van zelfbeklag ‘ik heb me met volle overgave ingezet…. ik ben als enige overgebleven…’ zet God hem weer op zijn plaats en geeft hem perspectief: Keer terug…zorg dat jouw roeping niet strandt en benoem een opvolger. Draag zorg voor het geloof en de hoop van de volgende generatie.

 

stilte

Het is een valkuil om na de gewelddadigheid van wind en aardbeving en vuur de stilte te bewieroken. Er spreekt ook een enorme aansporing uit dit verhaal: Word wakker, sta op, wat doe je hier? Ons geloof kan nooit uitmonden in stilte. Want uit de stilte wellen luid en duidelijk wezenlijke vragen op: wie ben jij? Wat is je roeping?

We kunnen de stilte soms zoeken en ons afstemmen op God. Natuurlijk. Tegelijkertijd is het een grote geloofsklus om het met God uit te houden als het stil is. Als we ernaar verlangen dat Hij met sterke arm ons zal bevrijden van onze moeilijkheden; dat Hij verdriet of last van ons zal wegnemen. Het is soms bijna ondragelijk om te leven met een God die zich hult in stilte.

Ik denk dan aan Jezus die zo dicht bij God leefde dat hij hem Vader noemde.

Maar op het moment dat de Zoon de Vader het hardst nodig had was er niets dan stilte. ‘Mijn God, waarom verlaat je Mij?’ (lees: Matteus 27:46)

Toch vond hij in de stilte, in het zwijgen van God, de moed om te aanvaarden en zijn leven in Gods hand te leggen.

 

Wij kunnen God niet tevoorschijn roepen als wij hem nodig hebben; zoals Elia dat deed met het vuur in het altaar. We kunnen hem niet zichtbaar maken. Wél onszelf. Wanneer we voor zijn aangezicht aantreden. Ik vertrouw dat U er bent, God, en híer ben ik.

overweging op 13 september 2020     PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

         

We stappen in een lopend verhaal. We lezen hoe de profeet Elia en koning Achab elkaar na drie jaar weer ontmoeten. Al die tijd was de profeet op de vlucht geweest voor koningin Izebel, die alle profeten van de Eeuwige had laten vermoorden.

Achab tergt God, meer nog dan zijn voorgangers deden. Hij dient de afgod Baäl, de absolute tegenpool van God. Hij staat voor eigendom, vruchtbaarheid en potentie. De God van Israël staat voor naastenliefde, barmhartigheid en gerechtigheid. Dat gaat mis, dat zie je aankomen. Baäl is ook de god van de regen. Maar laat het nu de Eeuwige zijn die de regen heeft tegengehouden en weer teruggeeft.

 

uit de Bijbel: 1 Koningen 18:17-46

 

droogte

In de veelheid van geluiden, in het stormen van de tijd, zoeken wij het zachte suizen van het woord, dat ons verblijdt. En van overal gekomen, drinkend uit de ene bron, bidden wij om nieuwe dromen, richten wij ons naar de zon. (NL 283)

Vanuit alles wat er op ons afkomt, proberen we hier te focussen op wat er echt belangrijk is. We weten het wel, dat wanneer we geen aandacht hebben voor de bron die ons in leven houdt, ons leven verdort. En wat wij worden belemmerd in onze groei als mensen. We weten het wel dat ons leven armoedig wordt als we de kernwaarden van ons leven en ons geloven naast ons neerleggen. Als we gaan onderhandelen over hoeveel mensenlevens we wíllen redden als we er heel veel kúnnen redden en dat ook zouden moeten doen. Het wordt armoedig en vruchteloos als we alleen bij onszelf te rade gaan wat we belangrijk vinden, hoe we vooruit kunnen komen, en daarbij de barmhartigheid en menselijkheid uit het oog verliezen.

Uit welke bron willen wij drinken? Dat is de vraag die uit dit verhaal naar ons toe komt. Waaruit wil jij leven? Wat mag jouw beslissingen kleuren? Wat troost jou in donkere dagen? Waar mag ik jou op aanspreken?

 

kiezen

Het wordt tijd dat koning Achab en het volk een keuze maken. Wie willen zij dienen,  Baäl of God? Waar zullen zij hun leven door laten bepalen, eigenbelang of zorg voor de ander? Op twee gedachten hinken kan niet langer. Een beetje in God geloven bestaat niet. Maar de Israëlieten zeggen niets. Ze willen helemaal niet kiezen. Of ze zien het probleem niet zo. Zo vervreemd zijn ze van hun geloof.

Is het herkenbaar? Het is niet altijd makkelijk om te varen op je morele kompas. Het kan maar zo zijn dat je dwars tegen de stroom ingaat. We spelen vaak liever op safe dan dat we ons laten leiden door een droom, idealisme. En het liefst houden we iedereen te vriend. Gelukkig hebben we voorbeelden, mensen aan wie we ons kunnen spiegelen, ons optrekken. Mensen van naam, mensen die we bewonderen, maar ook mensen dichtbij. Oprecht in hun geloof; mensen die zich laten aanspreken op wat ze geloven. Wie is zo’n voorbeeld voor jou? En wat spreekt je zo in hem of haar aan?

 

hinken = pesach

Hoe lang nog blijven jullie op twee gedachten hinken, vraagt Elia. Hinken, dat is in het Hebreeuws: pesach. Elia roept het feest van Pasen in herinnering, waarmee Israël de bevrijding uit Egypte gedenkt. God deed een hinkstapsprong voorbij de huizen waar het boel van het lam aan de deurpost was gesmeerd. Hij spaarde de levens in dat huis en bracht hen naar beloofd land. Hoe kun je vieren dat je bevrijd bent, maar je Bevrijder niet eren? Hoe kun je zijn weggetrokken uit een land van angst en onderdrukking om vervolgens zo’n koning te zijn.

Het moet nu maar eens klaar zijn. En Elia speelt het hard tegen hard: de God van Israël tegen Baäl. Wie het eerst antwoord geeft wint. Wie het vuur weet te ontsteken is de ware God. Heel het volk stemt in met dit voorstel. Misschien omdat ze dachten dat hún god, met zijn vierhonderdvijftig profeten, de vloer zou aanvegen met die armoedzaaier van een Elia.

Het is een komisch plaatje.

De Baälpriesters dansen en springen in het rond. Alles om hun god te verleiden het vuur te ontsteken. Ze verliezen zichzelf in het schreeuwen en dansen. En Elia gooit af en toe olie op het vuur met opmerkingen als ‘jullie god is zeker druk met andere dingen’, ‘zou hij soms op reis zijn’ of ‘slaapt hij’.

Hoe anders is dat met de God van Israël, die sluimert noch slaapt (Ps 121) en die antwoordt als Hij wordt aangeroepen. (Ps 91:15) Hij is de God die het wél kan schelen als droogte en armoede mensen treft; de God die opkomt voor de kwetsbaren in de samenleving (lees bijvoorbeeld Psalm 146) en ons vraagt om hetzelfde te doen.

 

vuur uit de hemel

Als de hulpeloosheid van Baäl voldoende is aangetoond is Elia aan de beurt.

Elia pakt het anders aan. Hij begint op de puinhopen van wat eens de eredienst aan God was: het verwoeste altaar.

Hij bouwt dat altaar met twaalf stenen. Voor elke stam een. Hij laat daarmee duidelijk zien wat de basis is voor het leven met God. Dat is eenheid. En die is er niet. Na de regeringsperiode van Salomo was Gods geliefde volk uit elkaar gevallen in twee koninkrijken: Israël en Juda. Zij leven op voet van oorlog.

Met de twaalf stenen, en de drie keer vier kruiken water, herinnert Elia de mensen eraan dat zij één zouden moeten zijn in hun gehoorzaamheid aan de Tora. Om zó samen te leven dat het lijkt op beloofd land. Vanuit de gemeenschap kan God worden aangeroepen.

 

Het altaar wordt ruim met water begoten. Als het vuur zal branden, zal dat echt alleen aan God te danken zijn. Elia maakt daarmee zichtbaar dat wij in alle opzichten afhankelijk zijn. God geeft het leven. Hij geeft elke nieuwe dag. We ervaren het als vanzelfsprekend en in die zorgeloosheid mogen we ook leven. Maar vanzelfsprekend is het niet. Het zijn geschenken. Het is alleen maar genade.

 

En Elia bidt. Kort maar krachtig. Hij roept God aan als de God van Abraham, Izaak en Jacob die Israël werd genoemd. De God die meegaat van generatie op generatie en ook trouw zal zijn aan hen, daar op de Karmel. De God die niet loslaat wat zijn hand begonnen is.

En dán slaat het vuur van God in. We hoeven ons niet uit de naad te dansen of uitzinnig te proberen Gods aandacht te trekken. Hij is er als antwoord op de eensgezindheid, ons besef van afhankelijkheid en ons gebed.  Daarom bidden wij vandaag voor A. die wordt bevestigd in het ambt van diaken, voor allen die  vandaag een taak op zich nemen, om de Geest van God. Want zonder kunnen wij het niet.

 

Het eindigt met geweld. De wolf valt in de put, de draak is verslagen, het goede wint. Zo moeten we het lezen dat Elia korte metten maakt met de profeten van Baäl. Je krijgt wat je over jezelf afroept. Wie kiest voor Baal kiest een doodlopende weg. Wie kiest voor God, kiest voor het leven. (Lees bijvoorbeeld Deuteronomium 30: 15v)

 

Nee, het eindigt niet met geweld. Het eindigt met regen. De sluizen gaan open en koning Achab moet zich haasten om op tijd thuis te zijn. In het wedstrijdje hardlopen is het Elia die wint. Want met God kom je verder. Dat moet Achab nog leren. Het eindigt met regen. God die ons zegent, hemelse liefde die over ons regent. (NL 868)

overweging op zondag 30 augustus 2020        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

uit de Bijbel: Psalm 19: 8-15 en Jacobus 3: 1-5 en 9-12

 

zalig die het woord van God horen

Zalig zij die het woord van God horen en het bewaren. (Lucas 11: 28, NBG ‘51)

Toen ik begon als predikant gebruikte ik deze woorden nog wel om de lezing af te sluiten. Maar gaandeweg begon ik er wat achteraan te smokkelen: Zalig zijn zij die het woord van God horen, het bewaren én er naar leven.

Dat de mensen niet zouden denken dat ze er makkelijk af konden komen. Dat ze als Kortjakje zondag naar de kerk konden komen, en door de week het Boek dicht konden houden met het zilverwerk.

Jacobus zit daar ook mee. Hij stelt zichzelf, en zijn broeders en zusters, de vraag: wat heeft het voor in als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? (Jacobus 2:14)

 

Van Jacobus hoef je geen theologische verhandelingen te verwachten, zoals bij Paulus. Jacobus is ook niet van de mooie overwegingen. Hij is recht voor zijn raap, nuchter en praktisch. Hij vraagt zich hardop af wat er van het geloof terecht moet komen. En hij wijst op de manieren die je als christen zou moeten hebben.

Wat hij zegt wéét je natuurlijk best, maar je vergeet het gemakshalve ook wel eens. En daarom komt Jacobus soms een beetje over als een betweter; als iemand met de vinger vermanend omhoog. Het kan irritatie oproepen om terecht gewezen te worden. Zo krijg ik de kriebels als iemand mij er in de supermarkt op wijst dat ik geen afstand houd. Diegene heeft gelijk en toch roept het wrevel op.

Jacobus trapt open deuren in. Wees snel met luisteren en traag met spreken. Beoordeel niemand op zijn uiterlijk. We weten het, Jacobus, en toch vinden we het moeilijk om dat in ons dagelijks leven toe te passen! Want daar krijgt geloven zijn beslag; in het dagelijks leven. Jacobus roept ons op om de daad bij het vrome woord te voegen. (Barnard) Op al onze levensterreinen zou het moeten inwerken. In ons werk, in hoe we kinderen opvoeden, in hoe we omgaan met ouderen, in hoe we ons opstellen in het sociale verkeer, enzovoort.

 

Jacobus staat daarin dicht bij Jezus. Zeker in de Bergrede geeft Jezus heel praktische aanwijzingen voor het leven met elkaar. Over de balk en de splinter; over niet oordelen en elkaar behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden; over de wil van de Vader dóen. (resp. Mt 7: 4; Mt 7: 1; Mt 7:12; Mt 7:21)

Overigens heeft zich het ‘probleem’ opgelost van ‘zalig zij die het woord van God horen en bewaren’. De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt, terecht, ‘gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven.’ Je bewaart, onthoudt het; én je houd je eraan.

 

verlegenheid

Het klinkt logisch en toch begint voor veel mensen daar de verlegenheid. Want hoe doe je dat dan; hoe krijgt geloven een plaats in je dagelijks leven, in je huis? De kerk en de werelden waarin je je beweegt lijken soms niets met elkaar te maken te hebben. En nu we elkaar vooral via internet ontmoeten lijkt de afstand misschien nog wel groter en dreigt de valkuil dat ons geloof iets abstracts wordt.

Ik zou jullie wel willen uitdagen om iets te bedenken, een ritueel, een vorm die past bij jou en je gezin en dat een week vol te houden. Een kaars aansteken; een tekening maken of een gesprek over de goede dingen van de dag; samen bedenken waarvoor je zou willen bidden. Samen lezen uit een dagboekje of een zegen uitspreken aan het eind van de dag.

En wat zou je kunnen meenemen naar je werkomgeving? Is het bijvoorbeeld het geloof dat God ieder mens geschapen heeft naar zijn evenbeeld. (Jac 3:9) Dan benader je elkaar toch anders. Dan zie je als manager groei in je teamlid; als leraar zie je vooruitgang in je leerlingen. Dan leer je elkaar te accepteren met hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Of misschien is voor jou de verantwoordelijkheid voor de schepping een belangrijke kernwaarde. Hoe breng je dat in de praktijk?

De vraag ‘What would Jesus do’ is ook een mooie praktische suggestie om bewust stil te staan bij je geloof. Geen woorden maar daden. Want een geloof zonder daden is een dood geloof.

 

de tong in toom

Jacobus spoort ons aan om klein te beginnen. Dat kan grote gevolgen hebben.

Begin bij je tong. In onze taal hóór je dat dat een probleemgeval is: een scherpe tong, een fluwelen tong, een gespleten tong, het hart op de tong, een tong als een scheermes, over de tong gaan, je tong wel af kunnen bijten, a slip of the tongue….. 

Begin bij je tong, want die is een wezenlijk onderdeel van je dienst aan God, van je gehoorzaamheid aan zijn wil. Je tong is als het bit van een paard, als het roer van een schip. Je bestuurt er je lichaam mee. Je bepaalt er je koers mee.

‘U moet niet allemaal leraar willen zijn.’ Lees elkaar niet de les. ‘Want u weet dat ons leraren een strenger oordeel te wachten staat.’ Het klinkt als de woorden van Jezus: ‘Oordeel niet, opdat er niet over je geoordeeld wordt.’  (Mat 7:1) Langs de maatlat die jij neerlegt voor anderen, zul jij ook moeten liggen.

Wéét wat je kunt aanrichten met je woorden. Voor je het weet heb je een bosbrand ontketent. Iets waarop je bijna geen grip meer hebt en dat veel schade aanricht. Een woord, een veroordeling, een afwijzing kan woekeren als een virus en iemands leven verzieken. We onthouden feilloos wat iemand heeft gezegd waardoor we gekwetst werden. Of ons buitengesloten voelden. Woorden wegen zwaar. We hadden het er even over aan de koffietafel donderdagmorgen en iemand zei: Wat je niet tégen een ander kunt zeggen, moet je ook niet óver die ander zeggen. We voelden allemaal aan dat het heel erg waar was en tegelijkertijd dat we daarin de grenzen opzoeken en er ook overheen gaan.

Ik vond er een mooi verhaal bij:

Een boer die veel roddels had verspreid kreeg daar spijt van en hij vroeg aan de rabbi hoe hij daarvoor boete kon doen.

‘Verzamel een zak vol kippenveren. Ga daarmee het dorp rond en leg bij alle mensen over wie je hebt geroddeld een veertje bij de deur.’

De boer vond dat hij er zo makkelijk van afkwam en deed wat de rabbi hem had opgedragen. Daarna ging hij terug naar de rabbi en vroeg hem of het nu opgelost was. ‘Nog niet’, zei de rabbi. ‘Nu moet je weer langs alle deuren gaan en de veertjes die je hebt neergelegd weer ophalen.’

‘Maar dat kan helemaal niet’, zei de boer. ‘De meeste veren zijn al lang door de wind weggeblazen.’

De rabbi antwoordde: ‘Zo is het ook met jouw praatjes. Je strooit ze gedachteloos rond en wat je ook probeert, je kunt ze niet meer terughalen.’

 

zegen en vloek

Hoe kan het toch dat we met dezelfde tong zoveel kwaad kunnen aanrichten en zoveel goed? Bittere woorden en zoete woorden uit dezelfde mond? Dat is net zo raar en onmogelijk als olijven plukken van een vijgenboom; of vijgen van een druivenstruik. Elke boom geeft vruchten naar zijn aard. En gelovige mensen hebben een aardje naar hun Vaartje. Het kán niet bestaan dat een gelovig mens zijn tong niet in bedwang heeft, zegt Jacobus. Ik heb nog veel te oefenen. Met David bid ik mee: ‘Mogen de woorden van mijn mond en de overpeinzingen van mijn hart u bekoren.’ 

H

overweging op zondag 23 augustus 2020        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

Afstand houden is het kernwoord van deze periode.

En we merken allemaal hoe vervelend en ingewikkeld we dat vinden.

Social distancing is ons niet op het lijf geschreven.

Iemand zei daarover:

vanaf het begin hebben we het verkeerd benoemd.

Social distancing klinkt als iets dat niet mag. Het is negatief.

Houd afstand; kom niet te dichtbij.

We hadden het distant socialising moeten noemen.

Daarin zit ruimte; daarin zitten mogelijkheden.

Uiteindelijk hebben we die ruimte ook wel gezocht en gevonden

om op allerlei manieren toch dichterbij elkaar te komen.

Betrokkenheid en zorg voor elkaar zit niet alleen maar in de fysieke nabijheid.

Er zijn zoveel andere manieren om dichtbij iemand te zijn.

Die eerste maanden van de lock down stuurden we kaarten,

leerden we beeldbellen en deden we boodschappen voor elkaar.

Natuurlijk misten we, en missen we nog steeds, de handdruk, de knuffel of de kus.

In de Bijbel horen we hoe God Mozes maant om afstand te houden.

Kom niet dichterbij en trek je sandalen uit,

want de grond waarop je staat is heilige grond.

 

Het is nodig dat Mozes afstand houdt, zodat hij betrokken kan raken bij God. 

Zodat God betrokken kan raken bij hem.

 

Uit de bijbel: Exodus 3: 1-6        

 

Wat me nu is overkomen,

Loop ik langs een rijtje bomen,

Vliegt er aan mijn linkerhand

Plots een braamstruik in de brand.

 

Echter zie! Het veldgewas

Valt niet uit elkaar in as,

Maar het blad bleef ongeschonden

Of geen vuur en vlam bestonden.

 

Je begrijpt, ik stond versteld!

Toch de brandweer maar gebeld.

(Simon Knepper)

 

een wonderlijk verschijnsel

Als vandaag een struik in brand zou vliegen, zou naast de brandweer ook meteen de landelijke pers er bovenop zitten om breed uit te meten over dit wonderlijke verschijnsel. In de  verschillende actualiteitenprogramma’s zou de ene na de andere deskundige opdraven. Ooggetuigen zouden worden ondervraagd over wat ze hadden gezien en wat er door hen heen ging. Er zou uiteindelijk niets overblijven van wat daar had moeten plaatsvinden. Het zou gesmoord worden in verklaringen, analyses en discussies. Er zou gezocht worden naar een verantwoordelijke om dit soort brandjes in de toekomst te voorkomen. Als er vandaag een struik in brand zou vliegen omdat een engel van de Heer ons iets wilde duidelijk maken, dan zou die onverrichterzake terugkeren.

Niets is meer heilig. We zien misschien wel iets branden maar we worden er niet warm van.

 

Mozes loopt door het steppeland met de kudde van zijn schoonvader. Het is al lang geleden dat hij Egypte ontvluchtte. Een nieuwe generatie heeft zich inmiddels aangediend. Hij is vader geworden van Gersom. Dat betekent ‘vreemdeling’, want Mozes weet best dat hij niet op zijn plek is. Ook in Egypte zijn kinderen geboren; in onvrijheid. Ik kan niet geloven dat dat hem koud laat. Dat zit ook niet in hem. Toen een volksgenoot van hem werd geslagen door een Egyptenaar, vermoordde hij deze. (Ex 2:12) En toen hij in Midjan terecht kwam en zag hoe zeven meisjes probeerden met hun kudde bij de waterput te komen maar steeds werden weggejaagd door de mannen (Ex 2:17) kwam hij voor hen op. Met een van die meisjes is hij later getrouwd. Het zit in Mozes om op te komen voor wie verdrukt is. Hij heeft er tot op dit moment alleen nog niet zoveel meegedaan. Hij voelt zich nog niet geroepen. Totdat een doornstruik in brand vliegt. Dat wonderlijke verschijnsel wil hij eens van dichtbij bekijken.

 

heilige grond

Mozes wordt geleid door zijn verwondering en nieuwsgierigheid. En zo nadert hij God. Al weet hij dat op dat moment nog niet.

 

Een ontmoeting met God, iets van hem ontwaren in de verwarring van de tijd, iets van hem horen in de ruis van alle dag, dat kunnen we nu eens niet regisseren of plannen. Dat gebeurt onverwacht. Het valt ons toe, als we er oog voor hebben. Als we ons verwonderen. Over iets dat we zien of horen; over een ontmoeting.

We kunnen ons er ook op afstemmen. Door stil te worden. Door samen te spreken over ons geloof. Dan betreden wij heilige grond.

Voor we onze dienst beginnen, bidden we ons toenaderingsgebed. We naderen om te horen wat Hij ons wil zeggen. We naderen om te ontvangen wat Hij ons wil geven. Heilige grond. 

 

Heilige grond is misschien niet eens zozeer een fysieke plek maar een geestelijke houding. Een open staan voor wat er op je afkomt zonder dat meteen te willen duiden. Pas als wij op díe heilige grond staan, kunnen we Gods stem horen. Dan kan het inzicht in ons rijpen waar God ons nodig heeft; of waar wij in kunnen groeien om de mens te zijn die God allang in ons heeft gezien. Mozes ís al een man die zich het lot van anderen aantrekt. Hij ís al een goede herder voor de schapen van zijn schoonvader. En nu legt God beslag op hem met het oog op zijn mensen. Hij wordt geroepen. Mozes! Mozes! Het is een roeping die niet overvraagt. Het sluit aan bij wie we zijn of wat we kunnen. Het sluit aan bij de onrust in ons eigen hart. We hoeven er niet aan op te branden.

 

Dichterbij hoeft Mozes niet te komen. Het ís tenslotte heilige grond. Nooit zullen we honderd procent begrijpen hoe God ons roept; of het een stem ín ons is, of ook buiten ons. We zullen misschien zelfs nooit helemaal begrijpen waar het goed voor is dat wij het pad volgen waartoe wij ons geroepen weten. Of waar we uit zullen komen. Voor mezelf haal ik vaak de tekst aan die Dag Hammerskjold in zijn dagboek schreef:

Ik weet niet wie - of wat - de vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld werd. Ik herinner me niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik ja, tegen iemand - of iets.

Vanaf dat moment heb ik de zekerheid dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in overgave, een doel heeft.

Achteraf weet Mozes dat hij met God gesproken heeft. Hij zegent zijn volk, elke stam apart, en zegt tegen Jozef: Moge de gunst van hem die in de doornstruik was rusten op jou. (Deut 33: 16) Van een afstand kan Mozes in het vuur de goedheid, de gunst, van God zien. Zoals zo vaak mensen achteraf de brandende braamstruik in hun eigen leven zien en weten dat zij zich op heilige grond bevonden.

 

schoenen uit

Mozes moet zijn sandalen uit. Het is een teken van eerbied. Schoenen áán betekent dat je klaar bent om er op uit te trekken. Je staat in de startblokken.

Daarom kreeg Gods volk op de avond van de uittocht de opdracht om bij de maaltijd voor hun vertrek alvast een riem om de mantel te binden, een staf in de hand te nemen en de schoenen aan te trekken. (Exodus 12: 11)

Maar zover is het nog niet. Laat Mozes eerst maar eens luisteren. Eerst bezinnen dan beginnen. Eerst stil dan praten. Ook dat is een vorm van afstand nemen.

Niet Mozes maar de Eeuwige heerst over het leven. Dat wil een mens nog wel eens vergeten.

 

Met het uittrekken van zijn schoenen geeft Mozes zich bloot aan God. Hij hoeft zich niet beter voor te doen dan hij is. Bijbels gesproken staat de schoen namelijk voor bezit. Je schoen uittrekken betekent dat je van dat bezit afziet. Voor de fijnproevers: Als Boaz het bezit van Naomi koopt, en Ruth als zijn vrouw op de koop toe neemt, trekt de andere man die aanspraak kan maken op die bezittingen zijn schoen uit.

En ergens je schoen op werpen betekent dat je je macht wilt laten gelden. (Psalm 60:10 Op Edom zal ik mijn schoen werpen!)

Maar God heeft Mozes barrevoets nodig, in zijn kwetsbaarheid. Door het afleggen van zijn waardigheid ontstaat er afstand tussen hem en God. Hij is tenslotte een ontzagwekkende God. Een wijs mens weet dat. (Ps 111:10)

Laten we vooral niet denken dat we afkunnen zonder Hem. Dat wíj heerser zijn over het leven. Dat wíj de antwoorden op alle vragen kunnen geven. Ontzag is hier op zijn plaats. Schoenen uit, Mozes, zodat je je handen vrij hebt, je voeten vrij hebt, voor dat waartoe God je roept.

 

Ik ben

Wie is die God die mensen roept? Hij is de God die ons neemt zoals we zijn. We hoeven ons nergens achter te verschuilen. Die ons wél in vuur en vlam zet maar ons niet afbrandt om wat we hebben gedaan, of nagelaten. Die wakker roept wat er in ons zit maar ons niet wil vervreemden van onszelf.

Hij is een God die meegaat. Met de vader van Mozes. Met Abraham. Met Isaak. Met Jacob. En met Mozes. Bewegelijk als de weg die ieder van hen moest gaan maar onveranderlijk in zijn trouw en betrouwbaarheid. Hij is de God die zich ‘ik ben’ noemt.

Een naam die ons heilig is. Een ontzagwekkende naam.

 

De aarde zit boordevol hemel

en elke struik, hoe gewoon ook,

staat in lichterlaaie van God.

Maar enkel hij die het ziet

doet zijn schoenen uit.

De rest zit er omheen

en plukt bramen.

Elizabeth B. Browning

overweging op zondag 16 augustus 2020        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

uit de Bijbel: Matteus 11: 16-19

 

rekkelijken en preciezen

Als we onze tekst binnenstappen horen we Jezus verzuchten: Waarmee zal ik de mensen van deze generatie vergelijken? Die verzuchting vindt zijn oorsprong in de boodschap die hij ontvangen had van leerlingen van Johannes de Doper. Johannes zit op dat moment in de gevangenis en hij vraagt zich af of Jezus de Messias is of dat zij een ander moeten verwachten. De wegbereider en profeet begint te twijfelen. Misschien wel omdat hij en Jezus zo verschillend te werk gaan in hun verkondiging van het koninkrijk van de hemel.

Johannes is een precieze, een man van de regels en de moraal. Hij spreekt streng en hard en roept de mensen op zich te bekeren voordat het te laat is. ‘De bijl ligt al aan de wortel’ roept hij. ‘Wie geen goede vrucht draagt, wordt omgehakt.’ (Mat 3: 10) Hij staat voor een sobere levensstijl, voor vasten. De ernst van het leven ontgaat hem niet. Veel mensen komen op Johannes af. Ze laten zich door hem dopen. Mensen die inderdaad tot inkeer komen, spijt hebben van hun oude leven en opnieuw willen beginnen. Anderen stellen dat hij bezeten is. Dáár doen ze niet aan mee.

 

En dan heb je Jezus. Hij eet met tollenaars en zondaars; hij vast niet en lust wel een glaasje wijn. Hij interpreteert de wetten van Mozes op een rekkelijke manier en zoekt daarin naar ruime. Hij gebruikt regelmatig het beeld van een bruiloft of een feest om iets duidelijk te maken. Veel mensen laten zich raken door zijn verkondiging. Ze weten zich bevrijd van ziek, zorg, zonde. Ze zijn onder de indruk van zijn preken en door zijn wonderdaden menen ze iets van God in hem te zien. Anderen veroordelen hem en noemen hem een dronkaard en een zondaarsliefje. Dáár doen ze niet aan mee.

 

 

wij hebben op de fluit gespeeld  

En dáár zit dus ook het probleem.

Alsof het kinderen zijn roepen ze naar elkaar: toen wij op de fluit speelden, willen jullie niet dansen. Wij speelden bruiloftje en jullie deden niet mee.

Nee, roepen de anderen. Wij zongen een klaaglied en speelden begrafenisje.

En toen deden jullie niet mee.  

De een verwijt de ander spelbreker te zijn.

Wat er op het spel staat is het koninkrijk van de hemel. Een nieuwe tijd die elk moment kan aanbreken. Dát was de boodschap van Johannes. Én van Jezus. Het ging om een belangrijke ommekeer in de tijd. En het nemen van de juiste geloofsbeslissing was een urgente zaak. Maar al wat mensen doen is steggelen over wat de juiste manier is.  

 

verdeeldheid

Het voorbeeld van Jezus speelt zich af op de markt, het middelpunt van de stad waar wordt gefeest, gehandeld, gedanst en gerouwd. Het is het leven zelf.

Er zullen momenten in ons leven zijn dat het nodig is om kritisch naar onszelf te kijken en tot inkeer te komen. Of om te reflecteren op de tradities en wetten van voorheen. Er zullen momenten komen dat het leven ons tot stoppen dwingt en wij ons beklag zingen over wat ons overkomt.

Evengoed zullen we redenen hebben om te zingen, om te vieren. Om mensen te omarmen, fouten te vergeven en te zoeken naar een ruime interpretatie van wat beschreven is.

En zo zit het ook in mensen. We hebben de preciezen. Mensen die een situatie ernstig en met het oog op de regels benaderen. Dat zijn de mensen die moeiteloos de vinger op de zere plek leggen; die waarschuwen voor risico’s of impopulaire maatregelen nemen. Anderen zijn er beter in om te zoeken naar vernieuwing, naar ruimte. De rekkelijken zoeken naar de mazen in de wet, naar mogelijkheden.

Zo verzet de een zich tegen mondkapjes, de ander waagt zich niet eens naar buiten. De een houdt vast aan ‘zo zijn de regels’ en de ander vraagt zich af of je dat niet ook anders kunt interpreteren.

Het is de doodsteek voor de toekomst als we in de verdeeldheid blijven hangen en alleen ons ongenoegen uiten over de somberheid van de een of de overmoedigheid van de ander. Volgens mij is dat wat we nu polarisatie noemen. Hard naar elkaar roepen, elkaar verwijten maken spelbederver te zijn en vervolgens niet alleen die ander maar ook onszelf buitenspel zetten.

 

Gods wijze plan

En toch, zegt Jezus, en toch is de Wijsheid door heel haar optreden in het gelijk gesteld. Ik vond het een moeilijke zin. De Bijbel in Gewone Taal vertaalt: Maar het wijze plan van God komt uit.

Het begon met de vraag van Johannes of Jezus degene was die werd verwacht of toch iemand anders. En Jezus gaf als boodschap mee terug: kijk om je heen. Vertel Johannes dat blinden weer zien, verlamden lopen en zieken genezen zijn. Gods koninkrijk wacht niet. Dat gaat door. 

 

 

En wil je daar bij zijn? Wil je daaraan je bijdrage leveren. Dát is de vraag. Het is dus de kunst om in alle omstandigheden te zoeken naar de wijsheid, naar wat God van ons vraagt. Iets in de trant van Johannes? Of meer zoals Jezus? De wijsheid van God stroomt door beide rivieren. En de kansen voor Gods koninkrijk dienen zich in beide aan.

 

overweging op zondag 9 augustus 2020          De Open Hof ~ Oud-Beijerland

preken in coronatijd

 

uit de Bijbel: Prediker 9: 3, 7-12

 

vertrekpunt

Op de poort van de oude ingang van de begraafplaats staat een zandloper met daaronder: Memento Mori. Gedenk te sterven. Weet dat je altijd onderweg bent naar de dood. Daar, bij onze doden, zijn wij ons er het meest van bewust dat het leven eindig is. Soms moeten we te vroeg afscheid nemen van onze geliefden. Dan treuren we ook om plannen die niet verwezenlijkt konden worden; we voelen ons beroofd. Soms zeggen we dankbaar: het is goed zo. Het leven is geleefd, de beker is leeg. We wéten het ook wel: het gaat niet om de kwantiteit, maar om de kwaliteit. We wéten het, en toch blijven we soms hongerig naar meer. Het blijft nodig om God te bidden met de woorden van de Psalm: Leer ons met een wijs hart onze dagen te tellen. (Psalm 90: 12)   

 

Wijsheid hoort bij het leven, zegt Prediker. En die eindigt bij de dood. Daar is niets zinnigs over te zeggen. Even verraderlijk als de fuik voor de vissen en het net voor de vogels is de tijd voor de mensen. Je kunt goed leven, of maar raak leven; je kunt dicht bij God leven of juist niet, de dood komt voor iedereen. Een hardloper kan struikelen, een held kan vallen. Wij hebben er geen grip op en ons begrip, ons begrijpen van leven en dood, schiet ook te kort.

 

Prediker is geen profeet. Hij spreekt niet namens God. Hij spreekt niet over de toekomst. Niet over de hemel, of over hierna. Er zit ook geen enkele verwijzing in naar Christus. Daarom hebben sommige mensen niet zoveel met dit boek. Het is pessimistisch of cynisch, vinden ze.

Prediker is een ervaringsdeskundige. Hij weet van de ups en downs van het leven. En dat die soms maar bar weinig te maken hebben met hoe je leeft. Hij wijst ons, moderne mensen, erop hoe weinig maakbaar het leven uiteindelijk is. Die realiteitszin is wat anderen dan juist weer zo aanspreekt. Zij herkennen zich in het gegeven dat je als mens niets voor je zeggen hebt. Leven is levensgevaarlijk. En zij voelen zich goed bij de idee dat het gaat om hier en nu, niet om hierna. De hemel kan wachten.

 

Dus!

Hij is allemaal ijdelheid. Lucht en leegte, zegt de Prediker. Het bestaan is zinloos. En toch spreekt hij ook over zingeving. Wat stelt je leven voor in het licht van de dood.? Die vraag beantwoordt Prediker met een aansporing. Dus! Kom op, eet, drink, bemin. Heb oog voor de vreugde van het leven.

De trigger om goed te leven met het oog op de hemel is er bij Prediker niet. Als er geen hemel is, hoef je ook je best niet te doen om er in te komen. Maar hij bedoelt niet: het maakt allemaal niets uit. Dus…. leef er dan maar op los. Geniet zoveel je kan, nu het nog kan. Dat is oppervlakkig en lichtzinnig. Dat is het soort genieten dat een beetje verdacht is. Omdat het met niets en niemand rekening houdt. Dat is de mentaliteit van YOLO: You Only Live Once. Je leeft maar een keer.

 

Nu zit in onze traditie wel een beetje ingebakken dat genieten een guilty pleasure is. Bij ons calvinisme hoort soberheid en matigheid, hard werken en pas iets krijgen als je het hebt verdiend. Genieten wordt makkelijk verdacht gemaakt.

Ik weet nog goed de pastorie die alleen een voortuin had. Als ik daar zat kwam er altijd wel iemand langs die riep: zo dominee, klaar met werken. En dan legde ik omslachtig uit dat ik écht hard gewerkt had, dat ik het verdiend had enzovoort. Terwijl ik van de Eeuwige zélf heb geleerd dat het goed is om te ontspannen. Dat het een heilige opdracht is waaraan Hij zichzelf ook hield.

 

Het is makkelijk te veroordelen dat mensen willen genieten; van het strand, de stad, een illegaal feest, een vakantie ver weg. En dat in deze tijd…. Ik ga er niets van zeggen. Al is het maar omdat ik zelf zo genoten heb van een heerlijke vakantie.

Als Prediker oproept om te genieten bedoelt hij niet dat je er maar op los moet leven omdat het toch niets uitmaakt.

Hij bedoelt het ook niet als een doekje voor het bloeden dat we elkaar kunnen voorhouden als we te maken krijgen met verlies, met ziekte of zorgen. We zeggen dan: je kunt nog zoveel andere dingen… je bent niet alles kwijt….  Uit ervaring weet ik dat het op geen enkele manier troost als je leeft vanuit de ontkenning dat het leven soms ondragelijk is.

 

Prediker wil zeker niet oppervlakkig zijn maar verankert zijn aansporing om te genieten van de dag in God. God geeft je deze dag. Hij ziet wat je doet met welbehagen aan. Hij schept er een plezier in als wij zoeken naar de vreugde van het leven. Prediker reikt ons daarmee een stukje levenskunst aan. Het vermogen om te dealen met het leven zoals dat op je afkomt; met onverwachte tegenslagen, met verlies, met ziekte, met dood.

In het Algemeen Dagblad interviewt Annemarie Haverkamp elke zaterdag iemand die leeft met de dood dichtbij. Eigenlijk gaan die interviews niet over de dood maar over het leven. Hoe mensen erop terugkijken en hoe ze het verder willen invullen. Het gaat over klein geluk dat groot is. Over de liefde, over dromen, over alles wat er wél is. Dat is geen luchthartig leven maar een leven dat stoelt op dankbaarheid. En sommigen komen dan ook uit bij God.

De afgelopen twee weken namen we afscheid van twee gemeenteleden. Elke zondag waren ze er en dat was allerminst vanzelfsprekend. Zij hadden beide hun lichamelijke beperkingen en uitdagingen. Ze hebben beide veel meegemaakt. 

Dat was niet het enige dat zij gemeen hadden. Allebei omarmden zij hun leven met alles daarop en eraan. Zij genoten van elke gegeven dag omdat zij die ervaarden als geschenk van hun Schepper. Laat die herinnering aan hen ons tot zegen zijn. 

 

vrolijke kleren en een feestelijke geur

Dus eet je brood met vreugde en drink met een vrolijk hart je wijn. Ze vallen je toe uit de hand van God. Lees Psalm 104. Daar staat dat de mens brood zal winnen uit de aarde en wijn die het hart verheugt, geurige olie die het gezicht doet stralen, omdat God het water van de bronnen door de beken leidt en de aarde vruchtbaar maakt. In de oude vertaling zal het velen van u bekend in de oren klinken: Zij alle wachten op U, dat Gij hun spijze geeft te rechter tijd; (Ps 104: 27 en Ps 145: 15)

Aller ogen wachten op U, en Gij geeft hun te zijner tijd hun spijze;

 

Draag altijd vrolijke kleren. In het Hebreeuws staat daar ‘witte kleren’. Schone kleren. Dat is voor ons een makkie. Zet de wasmachine maar aan. Maar in de tijd van Prediker lag dat ingewikkelder. Kleren werden alleen gewassen voor speciale gelegenheden, voor een feest. Schone kleren hebben te maken met rein zijn, van buiten en van binnen, klaar voor een ontmoeting met God.

Klaar voor een fris nieuw begin. Denk aan het moment dat God de Tien Woorden wil geven aan zijn volk, een verbond met hen wil sluiten. Iedereen moet zijn kleren wassen om te laten zien dat er iets bijzonders staat te gebeuren, iets nieuws. Ik denk aan de nieuwe kleren die ik als kind kreeg voor Pasen; aan de doopjurk, aan mijn toga die me vertelt dat dit uur in de week anders is. Aan beddengoed in de wind.

Denk aan de moeite die je doet voor je kleding als je iemand voor het eerst ontmoet, of voor een huwelijksfeest. Je kleren verwijzen naar de vreugde van het moment. Naar iets van God. Of iets mét God.

Kies een feestelijke geur. Niet uit een hedendaags spuitflesje maar in de vorm van olie, zalf. De geurige olie waarmee mensen werden gezalfd voor hun leven in dienst van God. De olie van Psalm 23 op je hoofd. Weet je zo gezalfd door God, door wat Hij je geeft.

 

de vreugde van het leven

Geniet van het leven want het is een geschenk. Genieten is niet iets dat je hebt verdiend. Je hoeft er niet eerst hard voor te werken. Je krijgt het gewoon. Het betekent ook niet dat je leven rimpelloos verloopt. Het betekent wel dat je leeft in verbinding met God. En dat je erop vertrouwt dat Hij je geeft wat je nodig hebt, elke dag opnieuw. Hij gunt het ons om zorgeloos te leven als vogels, als bloemen. Die doen precies waarvoor ze geschapen zijn: vogel zijn, een nest maken en een ei leggen; bloem zijn, kleurrijk de aandacht opeisen en zaadjes laten vallen in de tuin. En wij mogen mens zijn. Door het geschenk van het leven aan te nemen en ervan te genieten. En door het te delen met anderen, met je geliefden.

Eten, drinken, vrolijk zijn, liefhebben en doen wat je hand vindt om te doen. Dat is geen oppervlakkig bestaan maar een bestaan dat zijn oorsprong en zin vindt in God.

Genieten is een heiliging van ons dagelijks leven, wij leven tot Gods eer.  

overweging op zondag 5 juli 2020 in PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

In deze dienst stappen de achtste-groepers over van de kinderdienst naar de tienerdienst.

 

uit de Bijbel: Psalm 1 en Matteus 13: 31-32 uit de Bijbel in Gewone Taal

 

het kleinste zaadje

Herman van Veen zong voor zijn dochter Anne:

‘De wereld is niet mooi maar jij kunt haar een beetje mooier kleuren.’

De wereld is niet mooi.

We hebben als ouders, grootouders en als gemeente reden om ons hart vast te houden voor onze kinderen. Er is nog een wereld te winnen als het gaat om gelijkheid, om eerlijkheid, om barmhartigheid. Misschien zouden we het liefst alle rimpels voor hen gladstrijken. Alles weghalen waaraan ze zich zouden kunnen bezeren. Tegelijkertijd weten we ook dat we hen toe mogen vertrouwen aan de toekomst.

Een toekomst die wij, maar ook zij zelf, een beetje mooier kleuren. Jezus noemt dat consequent ‘Gods nieuwe wereld’. ‘Een nieuwe wereld’ is een enorm ideaal, omgeven met hooggespannen verwachtingen. Niet aan beginnen, zou je denken. Je brandt eraan op. Je raakt teleurgesteld, gedesillusioneerd. Je kunt je maar beter bekommeren om je eigen hachje en anderen moeten zelf maar zien. Maar dat ideaal, dat eigenlijk Gods droom is voor de mensen, wordt door Jezus teruggebracht tot minimale proporties. Het is een zaad. Zelfs het kleinste zaad van allemaal. En God heeft dat zaad geplant in zijn woord, in Jezus zijn Zoon, en daarmee heeft Hij dat zaad ook geplant in ons. God vertrouwt op dat zaad. Het heeft groeikracht. Ze kunnen uitgroeien tot bomen van mensen, waar je onder kunt schuilen, waar je je in kunt nestelen. God vertrouwt erop dat wij de wereld een beetje mooier zullen kleuren. De vraag is of wij dat ook doen. 

groei

Ook Jezus’ leerlingen hebben aan zichzelf getwijfeld of Gods vertrouwen op hen wel terecht was; of die nieuwe wereld er echt door hen zou kunnen komen. Geef ons meer geloof, zeiden ze. (Luc 17: 6; verg. Mat 17:20) Maar Jezus zei: een mosterdzaadje is genoeg.

Wij verwarren een groot geloof te makkelijk met zekerheden en waarheden; met aannames van ons hoofd. Een bouwwerk dat groter en groter wordt en waarin we ons veilig wanen. Maar een beetje vertrouwen is genoeg om veel voor elkaar te krijgen. Je kunt er bergen mee verzetten. Een klein beetje vertrouwen geeft je moed om te doorstaan wat er op je af komt; het geeft je de steun om vol te houden. Dat kleine beetje vertrouwen is de aarde waarin je wortelt; dat is God. 

Wij zijn niet in ons eentje voor alles verantwoordelijk. Dat kleine mosterdzaadje, de droom van Gods nieuwe wereld, in ons geplant, groeit bijna vanzelf. Het geeft rust om te weten dat niet alles van ons afhangt. God is altijd deel van onze inspanningen. Hij blijft verantwoordelijk voor wat hij heeft gezaaid. Een deel van onze groeikracht is Hij. Daarom mogen wij onszelf aan hem toevertrouwen maar ook onze kinderen. Hoe zij ook tot bloei zullen komen, God zal daar altijd deel van zijn.

 

de grootste

Nog een laatste gedachte.

Als volwassenen zijn wíj het die vol vertrouwen zaadjes planten in de kinderen die aan ons zijn toevertrouwd. Hun groeikracht zit in alle goede dingen die wij erin hebben gestopt. Én in ons vertrouwen. Ze mogen op hun eigen prachtige manier tot bloei komen. 

Misschien helpt het om voor onszelf terug te denken aan wie een zaadje heeft geplant in ons leven; een zaadje dat tot een verrassend resultaat heeft geleid.

Het kan iemand zijn die op een belangrijk moment precies het goede tegen ons heeft gezegd; een leraar op school, een rolmodel, iemand die ons enthousiast heeft gemaakt voor het werk dat we zijn gaan doen of de roeping die we op ons hebben genomen. Wie zijn de mensen die het zaad van geloven, hopen en liefhebben in ons hebben geplant? En wat voor mooie boom zijn wij geworden?

 

vogels

Onze kinderen zijn als vogels die nestelen in onze takken. Op een dag vliegen ze uit. Gelukkig zijn wij als wij in hen hoopvolle kiemen van een nieuwe wereld zien. Gelukkig zijn wij als wij in kleine dingen, zelfs heel kleine, Gods betrokkenheid zien. Gelukkig zijn we als we durven aannemen dat Gods koninkrijk nooit kleiner kan worden dan een mosterdzaadje. Alleen maar groter. 

overweging op 28 juni 2020

preken in Coronatijd

 

uit de Bijbel: Handelingen 17: 16-34

 

verontwaardiging

We leven in een boze wereld. De betogers, zondag op het Malieveld, zijn boos vanwege het ingrijpen door de politie. Iedereen is boos op Johan Derksen en die maakt zich weer boos dat je geen grapje kunt maken. Mw. Jansje uit Ridderkerk is boos dat zij haar verzorgingshuis niet uit mag. (AD, 23 juni 2020) Standbeelden worden boos omver getrokken en daar zijn anderen dan weer boos over. Soms ben ik ook boos en gefrustreerd. De vraag is waar al die boosheid en verontwaardiging ons brengt.

 

Vandaag lopen we mee met Paulus door Athene. De mensen die daar wonen denken dat hun stad al eeuwen het centrum van de wereld vormt. Hun stad, met een rijk verleden, is de bakermat van de wetenschap, de cultuur, literatuur, filosofie. Die bloeitijd is allang voorbij maar in de hoofden van de Atheners zit dat idee nog steeds. Overal in de stad herinneren monumenten aan de heldendaden van hun voorouders, helden en goden. (bron: Fik Meijer, Paulus, een leven tussen Jeruzalem en Rome) Alsof je door een museum loopt.

 

Maar Paulus is niet geïnteresseerd in het verleden. Het gaat hem om een nieuwe wereld. Om een nieuwe mindset, een nieuwe levensstijl. En het is onvermijdelijk dat zijn ideeën botsen met die van de Atheners. Zij zijn gewend dat anderen naar hén toekomen om zich te laven aan filosofie en literatuur. Maar nu worden ze geconfronteerd met iemand die hún iets wil leren. Een praatjesmaker is het; een vreemde vogel met een rare boodschap over ene Jezus en de godin Anastasia, wat ‘opstanding’’  betekent. En Paulus loopt daar rond en ziet de vele godenbeelden en raakt hevig verontwaardigd. Voor zíjn geloof, voor zíjn God, is hier geen plaats.

 

in gesprek gaan

De confrontatie hangt in de lucht. Maar toch komt er geen uitbarsting. Want Paulus weet zijn verontwaardiging te onderdrukken. Elke dag gaat hij naar het marktplein en gaat in debat met de mensen die hij daar treft. Hij zoekt de samenspraak, de dialoog. (Grieks: dielegeto) En hij laat zich meetronen naar de Areopagus om aan de nieuwsgierigheid van de mensen tegemoet te komen.

Dialoog is een soort toverwoord geworden. Maar het is geen makkelijke oplossing voor grote problemen. Toen niet en nu niet. Het stelt vragen aan ons. Of we bereid zijn naar de ander te luisteren, ons open te stellen voor een andere waarheid dan de onze. Dialoog vraagt oprechte nieuwsgierigheid naar het verhaal van de ander.

Het vraagt om het kunst om te luisteren zonder angst dat je daardoor zelf wordt aangetast in waar je voor staat.

Én dialoog vraagt om incasseringsvermogen. Kun je omgaan met kritische vragen, met verbazing, met spot en afwijzing? En kun je dat óók opbrengen als het gaat over jouw geloof, jouw levenswijze?

Dat lijken me terechte vragen voor de wereld waarin we leven. Maar evengoed aan onszelf. Wat voor gesprekspartner ben ik? Hoe makkelijk ben ik boos te krijgen en hoe zet ik die boosheid in?

 

de taal van vandaag

Als Paulus het woord krijgt, is er geen speld meer tussen te krijgen. ‘Beste Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig jullie zijn.’ De mensen hebben elkaar misschien wel even aangekeken: neemt hij ons nu in de maling of vindt hij dat echt?

We weten het niet maar we zien wel hoe Paulus zijn tegendraadse boodschap neerlegt bij de Atheners door aan te sluiten bij waar zij zitten: bij hun godsdienstigheid, bij hun zoeken en tasten naar wat god is. Zózeer zijn ze ermee bezig dat ze zelfs voor de onbekende god een sokkel hebben neergezet.

Paulus heeft zich duidelijk verdiept in wat zij belangrijk vinden en hij haalt zelfs een van hun dichters aan. Maar hij geeft er een eigen draai aan.

Die onbekende God, die kunnen de Atheners leren kennen. Deze God zal alles wat zij om zich heen hebben verzameld aan tempels, beelden en monumenten in een ander perspectief zetten.

God kun je niet maken of bedenken. Hij heeft juist óns bedacht en gemaakt. Om vorm te geven aan het samenleven op de aarde.  Een van hun eigen dichters heeft het zelf gezegd: uit hem komen wij ook voort…. Als wij inderdaad voortkomen uit God, dan hoeven we geen tempels en beelden neer te zetten. Dan leeft hij in mensen, tussen mensen. Zoals in die ene mens. Die opstond uit de dood.

Paulus roept de Atheners op een nieuw leven te beginnen, voorbij hun onwetendheid. Nú weten ze beter.

 

lange adem

Maar daar zijn de Atheners niet aan toe. Sommigen drijven de spot met Paulus. Anderen onttrekken zich aan de dialoog door iets vaags te mompelen over een andere keer.

Elk van de beelden in Athene vertegenwoordigt een mening, een filosofie, een waarheid. En daartussen is geen plaats voor de God van Paulus.   

Maar toch, twee namen worden genoemd. Damaris, een vrouw. En Dionysius. Van hem wordt verteld dat hij later de eerste bisschop van Athene is geworden.

De dialoog is nooit de weg van de minste weerstand en het is ook geen garantie voor onmiddellijk succes en hartgrondig gelijk. Je hebt er een lange adem voor nodig. En toch lees ik hier dat er een zaad is geplant dat tot bloei is gekomen. Iets van dat nieuwe leven dat Paulus verkondigde heeft wortel geschoten.

overweging op 14 juni 2020        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

vieren in Coronatijd

 

uit de Bijbel: Matteus 20: 1-16

 

oneerlijk

Tijdens onze vakantie zagen we in Kaapstad op verschillende mensen plekken op kruispunten rondhangen. Het is een soort arbeidsbureau, vertelde onze reisleidster. Al vroeg gaan mensen er staan in de hoop dat er iemand stopt waar je kunt werken. In de tuin, in de huishouding of wat dan ook. Als je pech hebt, sta je lang te wachten terwijl het warmer en warmer wordt. Als je niet snel genoeg bent, is een ander je voor om een klus in te pikken. Als geen werkgever iets in je ziet, heb je die dag geen eten. Op die kruispunten gaat het over afhankelijkheid. Over pech en mazzel. Over wie snel is en gehaaid en wie bescheiden is of niet voor zichzelf kan opkomen. En je ziet bovendien het verschil tussen arm en wie rijk genoeg is om een ander in te huren. We voelden ons die dag bevoorrechte mensen.  

 

Afgelopen weken waren er wereldwijd demonstraties na de dood van George Floyd, een Afro-Amerikaanse, gedood door een blanke politieman. De protesten vragen onze aandacht voor de ongelijkheid in onze eigen samenleving; voor het verschil in kansen en mogelijkheden op de arbeidsmarkt, op scholen. Ze vragen ons om na te denken over hoe bevoorrecht wij zijn. En wat een rechtvaardige manier van omgaan met elkaar zou kunnen zijn.

 

Aan allebei moest ik denken bij het verhaal van de werkers in de wijngaard. Terwijl Jezus dit verhaal toch níet vertelt om de sociale ongerechtigheid aan de orde te brengen. Daar gaat het hem niet om.

Waar gaat het wél om, wat was de directe aanleiding voor Jezus om deze gelijkenis te vertellen? Dat is de vraag van Petrus: wij hebben alles voor u achtergelaten. Wij zijn u gevolgd, vanaf het eerste uur. Waar kunnen wij naar uitzien? (Matteus 19: 27) Met andere woorden: mogen we een beloning verwachten? Ja, dat mogen ze. Want het loont om Jezus te volgen en een beetje rond te schoffelen in Gods wijngaard. Het loont om God te dienen door een ander van dienst te zijn. Het voelt als een zegen. Het loont op aarde én in de hemel. Want goed doen heeft eeuwigheidswaarde. Maar let wel op: God rekent altijd anders dan mensen.

 

een dag loon

De eigenaar van de wijngaard, dat is natuurlijk God. Hij belooft eerste de dagloners een dagloon. En de volgende twee groepen belooft hij een rechtvaardige betaling. Volgens de Tora moet dat dezelfde dag worden uitbetaald. (Leviticus 19:13) Waarom? Omdat het een dagloon is, een betaling om één dag van te kunnen leven. De eerste dagloners krijgen daarom hun denarie, hun dagloon uitbetaald, zoals afgesproken. Zij kunnen brood kopen voor hun gezin.

Maar zou het rechtvaardig zijn als degenen die later begonnen zijn geen dagloon zouden krijgen om brood te kopen die dag?

Zou het rechtvaardig zijn om hen die minder kansen hebben gekregen, mínder te betalen dan nodig is om in leven te blijven? Zou het rechtvaardig zijn om wie minder mogelijkheden had of pech óók nog slecht te behandelen?

En wat moeten we met de mensen die er nog staan, op dat marktplein? De mensen die niemand nodig heeft, de mensen die geen taak hebben gekregen?

 

De eigenaar van de wijngaard betaalt in deze gelijkenis niet uit wat mensen hebben verdiend maar wat zij nodig hebben om te leven. Jezus bedoelt ermee te zeggen: zo handelt God ook ten opzichte van ons. Hij ziet voorbij aan onze kansen en mogelijkheden, onze successen wegen bij hem niet mee. Hij weegt wat ons hart beweegt, niet wat wij voor elkaar brengen. En het staat er helemaal niet, en het is ook niet de pointe van deze gelijkenis, maar ik vul deze week aan: God let ook niet op onze herkomst, kleur, sekse. All lives matter. Elk leven doet er toe. We zijn allemaal even afhankelijk van zijn goedheid. Wie is de ene mens om de ander de adem te benemen?

 

In Jezus’ gelijkenis kán het gewoon niet anders dan dat de eigenaar van de wijngaard uit goedheid handelt en iedereen hetzelfde behandelt. Zó zal het zijn in het koninkrijk van de hemel. Maar wij bidden dat dat op aarde mag beginnen: zoals in de hemel ook op aarde.

De vraag is of wij dat in de praktijk kunnen brengen. Of we in ons zelf willen onderzoeken waar we bevoorrecht zijn en waar misschien niet. Durven we ook onszelf te bevragen waar we vanuit ónze bevoorrechte positie een ander minder hebben geacht. En de laatste vraag is of wij elkaar kunnen zien als mensen die even arm zijn, even afhankelijk van Gods goedheid. Die vraag móeten worden in een wereld die we gewend zijn in te delen in hokjes. Arm en rijk, blank en zwart, allochtoon en autochtoon, jong en oud, beperkt of niet. U weet er vast nog wel een paar. Bínnen die indelingen zoeken we naar goedheid en gerechtigheid. Terwijl goedheid en gerechtigheid alle hoekjes juist zouden moeten overstijgen. Dat de dingen zijn zoals ze zijn verplicht ons des te meer om dat te doorbreken.

 

goed

Op het moment van uitbetalen klagen de werkers van het eerste uur: wij zijn benadeeld. Maar dat is niet waar. De anderen zijn bevoordeeld. Zo werkt dat nu eenmaal bij deze God die onze God is: hij zal altijd het bestaan van garanderen van ieder mens, ongeacht prestaties. Of je nu heel hard hebt meegewerkt, een beetje of hard of nog minder. Ja, zelfs als je helemaal niets hebt gedaan.

De werkers van het 1e uur hebben het er knap moeilijk mee. ‘Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ (Matteüs 20: 15). ‘is jouw oog boos om dat ik goed ben?’ (Statenvertaling) Zie je soms scheel van jaloezie? Dan kan dat je blik op Gods goedheid flink vertroebelen.

 

Wat is eerlijk? Je kunt deze vraag beantwoorden aan beide kanten van de streep. Als gever. Als ontvanger. Als iemand die achteraan is gebleven om wat voor reden dan ook of als iemand die zo bevoorrecht is dat hij een voorsprong heeft gekregen.

Wat is eerlijk? Dat is in ieder geval de vraag die we uit deze gelijkenis meenemen. Gods genade is in ieder geval voor iedereen. Dat is eerlijk.

overweging op zondag 7 juni 2020        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

vieren in coronatijd

 

schat

In sprookjes staat het vinden van de schat gelijk aan het vinden van je bestemming, je roeping. Het is nooit rijkdom die de schat vormt, maar wijsheid en inzicht. Zo lazen we in Prediker. Je wordt er dus op een andere manier rijk van.

Diep van binnen snappen we dat allemaal. Onze schat is onze lief. We hebben schatten van kinderen of kleinkinderen. Onze rijkdom is niet de zekerheid die geld ons geeft maar de veiligheid van onze relatie. Onze schat is dat wat we voor geen goud kwijt willen. Vaak worden onze ogen voor die schat weer geopend als ons leven wordt afgestroopt en we die dingen kwijt raken waarvan we dáchten dat we zo nodig hadden (een baan, een huis, gezondheid).  

De schat die Jezus heeft gevonden is de liefde van God en het koninkrijk van de hemel. Daarvoor heeft Jezus alles opgegeven. Hij leeft in dienst van God. Hij zet alles op alles om de hemel op aarde te verwezenlijken. De schat die hij gevonden heeft, geeft zijn leven zin. En hij zou willen dat zijn leerlingen dat tot zich lieten doordringen.  

 

rijk

Van een schat vinden word je rijk. Het is niet zo’n raar beeld, dat Jezus gebruikt. In zijn tijd waren er geen banken en kluizen. Wie zijn geld veilig wilde bewaren verborg dat in de grond. Soms ging er iets mis. Dan kwam de eigenaar zijn schat niet ophalen en vond een ander hem. Laten we zeggen dat het een arbeider is die aan het werk is op die akker. Iemand die hard moet werken om zichzelf en misschien ook een gezin in leven te houden. Een dagloner voor wie het bestaan onzeker is. En dan struikelt hij over een schat. Zijn kostje is gekocht; zijn toekomst zal zorgeloos zijn.

Zó is het ook met het koninkrijk van de hemel, zegt Jezus. En als je het zo vertelt, lijkt het logisch en verstandig om Jezus daarin te volgen. Het geeft zekerheid. Het geeft de zorgeloosheid waarover Jezus het al eerder had: maak je geen zorgen over je eten, of je kleding. Daar draait het leven niet om.

 

Soms stuit je bij toeval op dat wat je nodig hebt. Of je herontdekt wat je leven nieuwe waarde geeft. Ik ontmoette ooit een mevrouw die zichzelf lang had weggecijferd. Haar leven bestond uit zorgen voor anderen. Tot zij alleen kwam te staan. In zichzelf ontdekte zij talent om te schilderen. Ik ontmoette haar bij haar eerste expositie.

Zo vínden we wat we wat ons leven verdieping geeft. Het is niet het kópen wat centraal staat in Jezus’ gelijkenissen. Het is het vinden. Openstaan voor de mogelijkheid dat in het alledaagse, in de akker van de wereld, nieuwe levensmogelijkheden verborgen zijn. Dat kan liefde zijn, of geloof. Het kan een beslissing zijn, een doel. Een woord van troost. Het is verborgen in dit leven om door jou gevonden te worden en er rijker van te worden.  

 

arm

Dan de koopman. Anders dan in de voorgaande gelijkenis weet hij precies waarnaar hij op zoek is en hij kent de waarde ervan.

Ik herken een modern mens in hem. Iemand die uitdagend werk heeft en daarmee alle dagen druk is. Hij (of zij) verdient er een goede boterham mee. Tot hij die ene parel vindt. De mooiste. En alles waarmee hij zijn brood verdiende verkoopt hij voor die ene.

Dat is niet logisch en verstandig, zoals de mens die akker kocht en daarmee zijn toekomst veilig stelde. Het is roekeloos. Waarvan zal de koopman nu leven? De aanschaf van deze schat heeft de toekomst onzeker gemaakt.

Zo ongerijmd is het koninkrijk van de hemel; je vindt het in het gewone leven en het maakt je rijker en je toekomst zeker. Maar het is ook datgene waarnaar je altijd op zoek was en waarvoor je alles op alles zet. Het is een roekeloze sprong in het diepe.

 

in een ander licht

De mens met de schat leeft zorgeloos omdat hij hoofd- en bijzaken weet te onderscheiden. De dagelijkse zorgen hoeven je niet zó in beslag te nemen dat je aan iets anders, of aan iemand anders, niet meer toekomt. Hij leeft met de zorgeloosheid van het geloof dat God ons zal geven wat we nodig hebben om bij te dag te leven. De God van Psalm 23: het ontbreekt mij aan niets; de God van het manna in de woestijn. De God die ons leven draagt, dag aan dag.

De man met de parel heeft een lichtere portemonnee maar is net zo zorgeloos. De glans van zijn parel werpt een andere glans op zijn leven. Hij weet nu dat het leven niet draait om financiële zekerheid of om bezit. Maar om het geluk en de liefde waarvoor je alles opzij wilt zetten.

 

in een ander licht

Zo, zegt Jezus, is het met het koninkrijk. Wie dat eenmaal gevonden heeft, zal dingen in een ander licht zien. Wat eerst belangrijk was, verliest zijn glans en wat van waarde is zal oplichten. Je gaat anders kijken. Wij zijn voor God de grootste schat. Mensen van zijn welbehagen. Kostbaar in zijn ogen. Als we zó naar anderen zouden kunnen kijken. Met ogen vol ontferming. Met ogen vol liefde en waardering. Met ogen die zien wat nodig is. Als we zó zouden kijken, zou dan die hemel op aarde niet dichterbij komen. 

Page 1 of 9