Blog

Samuel geroepen Featured

Written by
Rate this item
(0 votes)

 

overweging op zondag 16 februari 2020          PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

 

 

uit de Bijbel: 1 Samuel 3: 1-10 en Lucas 5: 27-31

 

 

 

woorden en visioenen zijn schaars

 

Er is niet zoveel van God te horen en te zien. Niet rechtstreeks in ieder geval.

 

Wanneer heeft u voor het laatst woorden van de Heer gehoord?

 

Of een visioen gezien?

 

Wat dat betreft lijkt de wereld van vandaag op Silo. Vanuit de hemel blijft het stil.

 

Er komen geen duidelijke aanwijzingen, geen boodschappen.

 

Er opent zich geen vergezicht dat de werkelijkheid onder kritiek stelt.

 

Er dienen zich geen dromen aan.

 

En dat was al zo in Bijbelse tijden.

 

Ik vind dat op de een of andere manier toch troostend.

 

Dat het gewoon zo ís, dat er geen woorden klinken, geen visioenen te zien zijn.

 

 

 

Ik vind dat troostend omdat er ook tijden zijn geweest dat theologen zeiden dat het de schuld van mensen was dat God zweeg en zich verborg. Martin Buber noemde dat Godsverduistering. (Gottesfinsternis, 1952)

 

Zoals de zon verduisterd kan worden door de maan en niet meer zichtbaar is op aarde; zoals het dan koud wordt en donker en je zelfs zou kunnen gaan twijfelen of er nog wel zoiets als zon bestaat…. zo kan God verduisterd worden. Het wordt koud en donker en je zou kunnen twijfelen of er nog zoiets als God bestaat.

 

Wij zijn het, zegt Buber, die voor die verduistering zorgen. Omdat er altijd wel iets tussen de mens en God in komt. Omdat wij menen het zelf te kunnen; zelf verantwoordelijk te zijn.

 

In de Nederlandse theologie van de jaren ’80 heeft deze term ook nog een rol gespeeld (H. Berkhof). God is verduisterd door de secularisatie; of door de kerken die wilden houden wat ze hadden en niet met de tijd wilden meegaan; door de veranderende cultuur. Pessimisten zeggen dat de Godsverduistering heeft doorgezet: kerken worden minder relevant in de samenleving, het aantal gelovigen neemt af. Geen wonder dat God minder van zich laat horen en zien; we hebben een ongastvrij klimaat voor hem geschapen. Dat Hij afwezig is, ligt aan ons. Lees maar: Eli, de priester is bijna blind. Daar heb je weinig heldere inzichten meer van te verwachten. En hij heeft het de jongere generatie niet mee kunnen geven.

 

 

 

Ik geloof daar niets van. Ik ga er liever vanuit dat, net als ooit in Silo, het nu eenmaal zo is dat zelden woorden van de Heer klinken en dat er geen visioenen doorbreken.

 

En met dát gegeven is het aan ons om handen en voeten te geven aan ons geloof; om onze weg te zoeken met deze God. Alsof wij bij machte zouden zijn om God te verduisteren.

 

 

 

Ik houd me daarbij graag vast aan wat Dag Hammerskjold zei: God sterft niet uit als wij ophouden in God te geloven, maar wíj houden op te leven als we niet meer worden verlicht door die dagelijkse, wonderlijke ervaring van de levensbron, die alle begrip te boven gaat. (Merkstenen)

 

de godslamp

 

Wij houden niet God in leven. Hij houdt ons in leven. En dat hoor ik ook terug in dit verhaal. De lamp van God komt er in voor, de godslamp. De lichtbron, de levensbron, die alle begrijpen te boven gaat. Die is bijna uitgedoofd, staat er.

 

Zie je wel, roepen de pessimisten. God is er bijna klaar mee. Nee, zeggen de optimisten. Als de godslamp bijna is uitgedoofd, is het tijd voor een nieuwe dag.

 

En het eerste werk voor de nieuwe dag is het bijvullen van de olie in die lamp. Een nieuwe dag is een nieuwe kans; tijd om te herbezinnen op het leven, op geloven.

 

De Nieuwe Bijbelvertaling is overigens de enige vertaling die ik heb gevonden die vertaald dat de godslamp bijna uit is. En dus ook de enige vertaling die ruimte laat voor de pessimistische invulling dat het bijna afgelopen is met God.

 

In alle andere vertalingen las ik: De godslamp was nog niet gedoofd. Hij brandt. Als licht dat ons aanstoot in de morgen. Licht dat ons overdekt, aanvuurt en voorkomt dat wij koud worden, onbereikbaar voor elkaar. Dát licht brandt nog. Op die vooronderstelling, op dat vertróuwen bouw ik mijn geloof vandaag. Hoe zullen wij hem ooit kunnen verduisteren? Hij is het juist die onze duisternis verlicht.

 

 

 

God horen en luisteren

 

Daar ligt Samuel, te slapen in de tempel.

 

Zijn moeder Hanna gaf hem die naam omdat ze om dit kind heeft moeten bidden. (lees 1 Sam 1) Toen ze hem kreeg zei ze: ik heb hem van de Heer gevraagd. God had haar gebed gehoord, zo ervoer Hanna dat.

 

In de naam Samuel zit ‘El’, God. En ‘sjema’, horen. Zoals in de belijdenis van Israel: Sjema, Jisrael. Hoor, Israël. Luister, Israël. (Deut 6:4)

 

Israëls God is een horende God. Dat zit verborgen in Samuels naam. Maar ook een God die van zich laat horen; een God om naar te luisteren.

 

Samuel ligt daar te slapen, dichtbij de ark, beschenen door de godslamp. Dichtbij God, zou je kunnen zeggen. Maar Eli, uitgebluste Eli, heeft hem van alles geleerd, behalve hoe dat moet: leven met een God die dichtbij komt; leven met een God die van zich doet spreken.

 

Het licht kunnen wij niet doven. En het roepen van God kunnen wij er niet van weerhouden om gehoord te worden. Hoe uitgeblust we zelf ook raken; hoe weinig geïnspireerd we ook zijn. Uiteindelijk gaat het ook daarin niet om ons. Het woord van God laat zich niet tegenhouden.

 

 

 

Tot drie keer toe roept God Samuel. Hij hoort het wel maar weet niet hoe hij het moet interpreteren. Het zal Eli wel zijn. Maar die is het niet. Pas bij de derde keer gaat Eli een licht op. Gelukkig blijft God het proberen. Ook met ons. Als wij uitgeblust zijn. Ongeïnspireerd. Ontmoedigd door de tijd waarin wij leven. Bij drie komt God in het spel; bij de Bijbelse drie gaat het leven stromen. Gelukkig. Nu weet Samuel wat hij moet doen: luisteren.

 

Luisteren naar de stilte. Luisteren naar de stem in het hart. Luisteren naar het woord van God. Luisteren naar elkaar. En wie luistert, weet wat hem/haar te doen staat. 

 

 

 

de roepende

 

Vanaf het begin laat de God van Israël zich kennen als een roepende God.

 

Hij roept mensen naar zich toe. Alsof hij weet welke kant het op moet.

 

Met ons. Of met de wereld waarin leven.

 

Ik zie het maar als een vader of moeder die neerhurkt en het kind, dat net leert lopen, naar zich toe roept. Het is wankel, onzeker, maar er zit beweging in.

 

Zo roept God mensen naar zich toe. Je hoeft niet bang te zijn om antwoord te geven. ‘Ik heb je bij je naam geroepen’ zegt God. ‘Ik ben bij je’.

 

Het meeste wordt ons gegeven: nabijheid, licht, woord. Licht dat vraagt om te mogen schijnen, in ons, door ons. Woord dat om antwoord vraagt.

 

 

 

Ook Dag Hammerskjold zei: ‘Ik weet niet wie -of wat- de vraag stelde. Ik weet niet waarom zij gesteld werd. Ik herinner mij niet, dat ik antwoordde. Maar eens zei ik 'ja' tegen iemand - of iets. Vanaf dat moment heb ik de zekerheid, dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in gehoorzaamheid, een doel heeft.’

 

Read 72 times Last modified on Mar 09, 2020
More in this category: « in de ruimte Vasten »