Blog

Vertrekken en thuiskomen: Jacob en Ezau herenigd Featured

Written by
Rate this item
(0 votes)

Vertrekken en thuiskomen: Jacob en Ezau herenigd

overweging op zondag 25 augustus 2019        PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

 

afbeelding: Jacob and Esau reunite, Robert T. Barrett

 

uit de Bijbel: Genesis 32:8-33 en Genesis 33:1-12

 

Twintig jaar geleden heeft Jacob zijn broer Ezau een streek geleverd en hem de zegen van hun vader Izaak ontnomen. Ezau kan Jacob wel vermoorden, daarom vlucht hij naar Charan. Hij gaat daar wonen bij zijn oom Laban. Hij trouwt met Lea en Rachel. Hij krijgt zonen en dochters en hij wordt een welvarende man. Zijn kudde schapen en geiten is door zijn sluwheid enorm gegroeid en Laban voelt zich vernacheld. De sfeer wordt grimmig en Jacob besluit terug te keren naar zijn geboortegrond. Hij ziet er alleen ontzettend tegenop om zijn broer weer onder ogen te komen. Helemaal als hij hoort dat Ezau hem tegemoet komt, met vierhonderd man. Daarom bedenkt hij een plan om Ezau gunstig te stemmen.

 

onder ogen komen

Jacob durft Ezau niet onder ogen te komen en hij probeert hem mild te stemmen door een enorme karavaan geschenken te sturen. Geiten en bokken, ooien en rammen, koeien en stieren, kamelen en hun jongen, ezelinnen en ezelhengsten. Het geschenk moet in drieën worden overgebracht, zodat Ezau van de ene in de andere verbazing zal vallen. Slim bedacht. Net als het plan om zijn bezittingen in tweeën te verdelen en de risico’s op verlies te beperken. Maar wat kun je anders verwachten van een ‘Jacob’ (dat betekent ‘bedrieger’), directeur van de Firma List en Bedrog.

In zijn angst weet Jacob niet waar hij het zoeken moet. Behalve dan bij God, de God die hem beloofd heeft te zullen zegenen. Maar waarmee eigenlijk?

God, bidt Jacob, ik ben vertrokken met alleen maar een stok. En nu kan ik alles wat ik heb zelfs in tweeën verdelen. Jacob is een gezegend mens, in alle opzichten. Maar wat is je rijkdom waard als het er op aankomt?

 

Ik beschouw mijzelf als een gezegend mens. Een mooi gezin, leuk werk, net op vakantie geweest en we gaan al bijna weer. Misschien zitten jullie wel mee te tellen, waarin jullie zijn gezegend. Op social media laten we vooral ons zelf op ons mooist en gezelligst zien. We vieren onze successen en ons geluk. Maar wat als dat geluk op losse schroeven komt te staan? Wat heb je er aan als je dreigt je baan te verliezen, als je gezondheid het af laat weten of als je relatie in zwaar weer komt?

Wat heb je aan spullen als je relatie met een geliefde gespannen is?

Als het bestaan onzeker wordt, ontdek je dat zegen heel ergens anders in zit. In mensen om je heen, in veerkracht, in geloof.. Als je bestaan onzeker wordt, ontdek je dat je ziel en zaligheid niet ligt in wat je hebt maar in wie je bént. En ook je toekomst wordt niet bepaald door wat je bezit maar door wie je bent.

 

Jacob durft Ezau niet onder ogen te komen. Hij verbergt zichzelf achter een enorm lawaai aan cadeaus en poeha. Maar zegen, echte zegen, is daar mensen in liefde en vrede samenleven. En echt thuiskomen kun je pas als je je verzoend hebt met je broeder en zuster.  

 

onder ogen zien

Dát is wat Jacob onder ogen moet zien. Wie is hij, als je alle rijkdom wegdenkt? Wie is hij als broeder? Middenin de nacht worstelt Jacob ermee. In het donker kun je je eigen vragen niet ontlopen en begint het in je hoofd te spoken. Wie ben ik? Ten koste van wie of wat heb ik mijn zegeningen verkregen? En is dit wat er met zegen wordt bedoeld? Hoe kom ik in het reine met mezelf en hoe kan ik mijn broer (of zus) onder ogen komen? Dat zijn de vragen waarmee Jacob strijdt. En dat zijn de dingen die ieder mens zelf moet uitvechten. Het gaat immers om jouw leven, om jouw verleden, om wie jij bent, om wie jij kunt zijn in de toekomst. 

 

Zo worstelt Jacob met ‘iemand’. Ezau? Die het hem betaald wil zetten? Of vecht Jacob met zijn eigen schaduw, zijn eigen donkere kant? Is het God?

Tot de dag aanbreekt duurt de worsteling. Achteraf zal Jacob weten dat hij met God zelf heeft geworsteld. Maar op het moment zelf weet hij dat niet.

 

Als het licht wordt zegt Jacobs tegenstander: ‘Laat me gaan, het wordt al dag’.

Maar Jacob zegt: ‘ik laat je niet gaan tenzij je mij zegent.’ Maar om de zegen te ontvangen, moet Jacob zijn naam zeggen. De laatste keer dat dit gebeurde was het zijn blinde vader Izaäk die vroeg: wie ben je? voordat hij hem de zegen gaf. Ik ben Ezau, loog Jacob. Ben jij het echt, vroeg Izaäk. En Jacob loog voor de tweede keer. (Gen 27:18;24) Wie is hij nú? De geslaagde zakenman? De gezegende echtgenoot en vader? Wie is hij?

 

‘Ik ben Jacob’, ik ben een bedrieger, zegt Jacob. Hij verschuilt zich nu niet achter alles wat hij heeft; dat staat allemaal al aan de overkant. Hij wil ook niet langer zijn schaduwkant ontkennen. Als een biecht…. om ervan bevrijd te worden.

 

oog in oog met God

Zijn tegenstander zegt: Israël zul je heten. Strijder met God. De naam Jacob is verleden tijd; dat merkteken wordt uitgewist. Zijn leven krijgt een andere richting. Zijn zonden zijn vergeven. Jacob noemt die plaats Pniel, want daar heeft hij oog in oog gestaan met God. En hij heeft zich er levend doorheen weten te worstelen. Al is hij niet ongeschonden uit de strijd gekomen. Zijn heup is mank. Het is verbloemende taal om aan te geven dat Jacob getroffen is in zijn mannelijkheid. De plek van zijn mannelijkheid en potentie. Bij iedere stap die hij zal zetten zal Israël zich er pijnlijk van bewust zijn dat de zegen, de toekomst, niet in mensenhanden ligt maar in die van God. Niet wat we hebben maar wie Hij voor ons is geeft zin aan ons bestaan. En dat leren we door schade en schande.

 

oog in oog met je medemens

Nu Jacob het gevecht heeft aangedurfd met zichzelf en met God, moet hij ook de confrontatie met zijn broeder aankunnen. Die twee hebben met elkaar te maken. Hij ziet op tegen Ezau zoals hij tegen God opziet…. Hoe zal Ezau hem zien? Als de bedrieger? Zal hij hem veroordelen, minachten? Of zal Ezau door alle geschenken heen kunnen kijken?

Jacob buigt zich zeven keer diep maar Ezau rent hem tegemoet en omarmt hem. Dat is een heel andere houdgreep dan hij die nacht heeft ervaren. (voor de fijnproevers: Jabbok ‘yab-bok’ betekent worsteling en is verwant aan ‘khaw-bak’ dat omarmen betekent)

‘Mijn heer’ zegt Jacob. ‘Mijn broer’, zegt Ezau.

Wat is de bedoeling van al die geschenken, vraagt Ezau. Dat is toch helemaal niet nodig. Houd maar, ik heb genoeg. Jacob zegt: oog in oog staan met jou is niets anders dan oog in oog staan met God, en toch ontvang je mij welwillend. (33:10) Waar Jacob beducht voor was -de veroordeling, de afwijzing- is niet gebeurd. Hij ontvangt juist vergeving, acceptatie.

In de ontmoeting met Ezau ontmoet Jacob God in zijn welwillendheid. In onze medemens komt God ons tegemoet en is hij dichtbij. Het is in elkaar dat we zijn goedheid leren kennen. En het is in ons samenleven als broeders en zusters dat we zijn zegen ervaren en een thuis hebben. (Psalm 133)

 

In de dienst klonk ook deze tekst:

 

Ik ben niet wat ik doe,

ik ben niet wat ik heb,

ik ben niet wat de mensen over me zeggen.

Ik ben Gods geliefde kind.

Dat is wie ik ben!

Niemand kan me dat afnemen.

Ik hoef me geen zorgen te maken.

Ik hoef me niet te haasten.

Ik kan Jezus vertrouwen

en zijn liefde met de wereld delen. Henri Nouwen

Read 154 times Last modified on maandag, 26 augustus 2019 07:33