Lyonne

Lyonne

Mar 02, 2021

Goed voorbeeld

overweging op zondag 28 februari 2021          PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

 

2e zondag in de Veertigdagentijd

 

 

uit de Bijbel: Johannes 13: 1-5 en 12-17

(afbeelding: Sieger Koder)

 

Tienertalk

 

Ik weet niet hoe het met jou zit, maar over het algemeen vinden we het heel belangrijk wat andere mensen van ons vinden.

Het is fijn als mensen je complimenten geven -dat kan morgen, op complimentendag-Het is fijn om gezien en gewaardeerd te worden.

Het kan ook blokkeren.

Als we steeds harder ons best gaan doen om de waardering van anderen te krijgen.

Als we ervan uitgaan dat het toch nooit goed genoeg zal zijn wat we doen.

Of als dat stemmetje in ons achterhoofd ons blijft vertellen

dat ‘men’ het vast raar vindt wat je doet.

En dan doe je het maar niet.

Dan houd je je op de achtergrond.

 

Het bijzondere van Jezus is dat het hem niets kan schelen wat anderen over hem denken. Het moet raar zijn geweest. Dat moment dat hij opstaat  van de tafel en een rondje maakt om zijn twaalf vrienden de voeten te wassen. Daar hebben die twaalf vast iets van gevonden. Misschien achter hun hand iets tegen elkaar gefluisterd. Petrus moet er sowieso niets van hebben. Die trekt zijn voeten terug.

Maar Jezus gaat zijn gang. Wat hij moet doen, wat hij gelooft op dat moment, is niet afhankelijk van de mening van anderen. Wie hij ís, is niet afhankelijk van de waardering van zijn vrienden; maar ook niet van hun negativiteit.

Het maakt hem niet uit wat ze denken.

 

Wat ik vandaag van Jezus leer is dat het vooral belangrijk is hoe ik over mijzelf denk. Want het zijn niet de maatstaven van anderen die ertoe doen. Het gaat om mijn eigen maatstaven. Wie wil ík zijn? Hoe wil ík in het leven staan? Hoe kan ík God dienen?

 

 

-- 


voeten

Het is nog maar kort geleden dat Maria de voeten van Jezus zalfde met kostbare olie en ze afdroogde met haar haar. (Joh 12) Een groots gebaar, al moest Maria zich er heel klein voor maken. Zij liet zien dat ze wíst waar Jezus’ weg op zou uitlopen, en dat hij een gezalfde van God was, en steeg daarmee boven al die mannen uit die Jezus zagen als  concurrent en hem uit de weg wilden hebben; zelfs de twaalf leerlingen van Jezus was zij met deze geloofskennis de baas. Die hadden nog zoveel vragen en begrepen zoveel niet. (lees bijv. Joh 12: 16, 13:36, 14: 5) . Een van hen zou hem zelfs verraden, en Petrus zou hem verloochenen. Jezus maakt eenzelfde gebaar als hij neerknielt om de voeten van zijn leerlingen te wassen.

 

Die voeten roepen herinneringen op aan het moment dat de Israëlieten na veertig jaar in de woestijn op de grens van het beloofde land staan. Die grens, dat is de Jordaan. En daar moeten ze doorheen. Maar ze hoeven niet bang te zijn. Zodra de voeten van de priesters omspoeld worden door het water, laat God het water wijken. Het volk kan veilig naar de overkant en is weer een stap dichter bij het land dat God heeft beloofd. (lees Jozua 3: 14v)

De voeten vertellen dat Israël niet vergeefs op God heeft vertrouwd. Na de bevrijding uit Egypte heeft hij voor hen gezorgd in de woestijn. Veertig jaar lang gaf Hij hen brood uit de hemel; hun kleren raakten niet versleten en hun voeten zwollen niet op. (Deut 8: 4) Deze God van bevrijding heeft hen dóór de Jordaan geleid om het beloofde land binnen te gaan. Het land waarvan God zei: waar je je voet ook maar zet, ik geef het aan jou. (Joz 1:3)

Het is kort voor Pesach, het bevrijdingsfeest waarop dit verhaal van uittocht, doortocht en intocht wordt vertelt, als Jezus opstaat van tafel om zijn leerlingen de voeten te wassen. Het een moet wel met het ander te maken hebben. Zo wil Johannes het hebben over de naderende dood van Jezus. Het zal een uittocht zijn uit deze wereld en dóór de dood heen zal hij ingaan tot nieuw leven bij de Vader. Dat nieuwe leven, daar kunnen zijn leerlingen hem in volgen. Als zij zich houden aan de geboden, de weg van de liefde en de dienstbaarheid gaan. (Dat lezen we later, in Johannes 14 en 15)

 

Pesach

Het is kort voor Pesach. Op dat feest wordt ongedesemd brood gegeten. Er mag in het hele huis geen kruimel zuurdesem meer te vinden zijn. (Ex 12: 14) Het gaat zelfs zo ver dat wie zich daaraan niet houdt, uit de gemeenschap gestoten zal worden. Waarom zo hard gesproken?

Wie brood wil bakken, gebruikt een stukje van het oude gezuurde deeg. Dan zal het nieuwe deeg ook rijzen. Er gaat in het nieuwe brood dus steeds iets van het oude mee. Maar Pesach was voor Israël een radicaal nieuw begin.

Hun nieuwe leven zou geen schijn van kans hebben als zij de angst, het onrecht en de onvrijheid uit Egypte zouden meenemen. Dat zou het beloofde land doorzuren, zoals gist brood. Maar het werd anders!

In Jezus wordt het anders, getuigt Johannes. Hij is het licht dat de duisternis verlicht; hij is de goedheid en oprechtheid van God de Vader te midden van kwaadwilligheid. Hij is het nieuwe brood, het brood van God dat uit de hemel komt en de mensen leven geeft. (Joh 6: 35) Het brood dat wij breken en delen om te gedenken hoe hij deelde en gebroken werd.  

Bij de Pesachmaaltijd wordt ook lam gegeten, een herinnering aan de dood die de eerstgeborenen van Egypte trof maar de Israëlieten spaarde, omdat zij het bloed van het lam aan de deurpost hadden gesmeerd. 

Johannes schrijft over Jezus als het paaslam. ‘Kijk, daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’. (Joh 1: 29) Jezus, de rechtvaardige van God, is zo solidair met de wereld dat hij ten onder gaat aan alle kwaad. Geslachtofferd wordt hij op het altaar van degenen die zich aangetast voelden in hun macht. Omdat zijn liefde voor de mensen die op hem vertrouwen tot het uiterste gaat. Toch is Jezus als dat paaslam: teken van bevrijding die komen gaat. Wij drinken wijn, rood als bloed, om dat te gedenken en te vieren. Johannes vertelt ons niet op deze manier over de laatste maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Jezus’ liefde spreekt bij hem niet uit brood en wijn maar uit water.

 

Jezus staat op

Tijdens de maaltijd staat Jezus op van de tafel en hij legt zijn bovenkleed af. Hij weet dat zijn tijd is gekomen. Nog maar even dan zal hem dat worden afgenomen en soldaten zullen er om dobbelen. Nog maar even, dan zal hij zijn leven afleggen én opstaan.

Dat is in de eerste plaats wat Jezus met deze handeling wil vertellen; omdat hij de mensen die hem toebehoren tot het uiterste liefheeft zal hij sterven én opstaan. De weg die hij gaat is de weg van de vernedering. Het is een afgang om zo te sterven. Maar, dat klinkt door heel het Johannesevangelie: die afgang is tegelijkertijd een opgang. Alleen zo kan Jezus trouw blijven aan zijn roeping als Zoon van de Vader. Het is als een graankorrel die wel sterven moet in de aarde om ooit vrucht te kunnen dragen. (Joh 12: 24) Je moet jezelf durven verliezen om iets terug te krijgen; je moet durven sterven voor je vrienden om te kunnen leven. Dat is wie Jezus is; hoe hij de gezalfde van God is. Maria had dat begrepen.

 

In de tweede plaats geeft Jezus een voorbeeld om na te volgen. Hij zal tijdens deze maaltijd een lange toespraak houden. In het evangelie van Johannes neemt die de hoofdstukken 14 tot en met 17 in beslag. Kernwoord van die toespraak is liefde. Maar daden spreken zoveel luider dan woorden. Als Jezus neerknielt kunnen zijn leerlingen aan hem aflezen dat het de bedoeling is dat ook zij van elkaar gediend zijn. Van teen tot top. Van de viezigheid van de voeten tot aan de kruin.  

Jezus doet hen geen heilige handeling voor. Geen sacrament zoals het delen van brood en wijn dat wel geworden zijn. Het blijft in de huiselijke sfeer. Het is maar gewoon water, in een gewone waskom. Want elkaar dienen, de minste durven zijn, dat is iets voor alledag.

In de gewone dingen zit een verwijzing naar het leven van Jezus. De zorgvuldigheid en liefde die wij naar elkaar betrachten in het gewone kan maar zo raken aan het geheiligde.

 

Het zijn de dingen die je doet,

de dingen die je doet die niemand ziet

die zeggen wie je bent

 

De priester die week in week uit

weer opstaat en de klokken luidt

in een kapotgeschoten kerk met lege banken

 

De moeder die de nacht door zingt

tot er wat rust vloeit in haar zieke kind.

En als het licht wordt staat de wereld weer te wachten.

 

De vrouw die nog steeds zorgt voor hem

terwijl ze weet, hij weet niet wie ik ben.

Ze blijft hem wassen, terwijl hij haar blijft vergeten

 

De vader die zijn zoon omhelst

Al wordt ’ie keer op keer teleurgesteld,

nooit eens: het spijt me,

maar toch fluistert hij: vergeven.

 

Het zijn de dingen die je doet,

de dingen die je doet die niemand ziet

die zeggen wie je bent.

(tekst: Matthijn Buwalda)

 

voeten

Nog even over die voeten..

Maria zal de eerste zijn die de Opgestane Heer ziet. Zij zal de eerste boodschapper met een vreugdevol bericht zijn. Hoe liefelijk zijn háár voeten (Jes 52:7 en Rom 10:15) die haar als een apostel dragen om de boodschap van vrede en goed nieuws te verspreiden. Gezegend de voeten die getuigen van Jezus; gezegend de voeten die ons brengen bij wie ons nodig heeft.  (luister naar: How beautyful are the feet, Messiah)

overweging op zondag 24 januari 2021                 

PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 3: 1-13

 

De Heer heeft mij gezien en onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen.
Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht,
gaf mij een levend hart en nieuwe ogen.
Zo komt Hij steeds met stille overmacht
en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.
 
Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.
Heeft in zijn handen onze naam geschreven.
De Heer wil ons bewonen als zijn huis,
plant als een boom in ons zijn eigen leven,
wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid
en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.

Gij geeft het uw beminden in de slaap,
Gij zaait uw naam in onze diepste dromen.
Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt
zoals de regen neerdaalt in de bomen,
zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,
zo zult Gij uw beminden overkomen.

 

De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen

Het is soms op het moment dat de ouderling voor mij bidt aan het begin van de dienst; het gebeurde toen ik voor het eerst werd bevestigd als predikant; soms overvalt het me als ik met iemand in gesprek ben en we samen bidden: een gevoel van warmte dat door mij heen trekt, een geestelijk opademen alsof er een last van mij wordt afgenomen. Dat zijn voor mij momenten waarbij het lied hoort: De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen. Dan voel ik me alsof er een last van me af is gevallen, en ik van druk ben bevrijd. Herboren. Dit lied zingt ervan dat God ons hart aanziet en dat vernieuwen wil.

 

Er zijn redenen om dit lied meer op te nemen in het Nieuwe Liedboek.

(Marian Geurtsen ‘Wat is er mis met “De Heer heeft mij gezien”?  https://mariangeurtsen.nl/?p=1103)

Toch blijft het, alleen al vanwege die eerste regel, voor veel mensen een geliefd lied. Misschien omdat we het herkennen. Dat gevoel gekend te zijn in onze kern; ook in wat er mankeert, in ons onvermogen en in dat bange hart van ons. Het vertrouwen dat we, doordat we gekend zijn, verder kunnen.

Vele ponden lichter omdat we geloven dat God ons geen last wil opleggen maar bij ons is in wat we te dragen krijgen. De enige last die Hij in ons binnenste wil leggen en ons hart wil schrijven is zijn Wet, woorden die de weg wijzen. (Lees: Jeremia 31:33)  Zodat het een levend hart is; en wij met nieuwe ogen kijken naar elkaar, naar onszelf.

 

Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht

In de nacht komt Nicodemus naar Jezus toe.

Hij is een vooraanstaande Joodse leider. Wil hij liever niet gezien worden of  betekent dat woord ‘nacht’ vooral dat er iets in Nicodemus wacht om gewekt te worden? Zit de donkerte in hem en vermoedt hij dat hij voor het licht bij Jezus moet zijn? Wij hebben allemaal onze Nicodemus-momenten; een doorwaakte nacht van strijd en zorgen; vragen die we niet hardop durven stellen; twijfels die we in het openbaar niet durven delen of het gevoel dat het nergens op slaat om te geloven in een God waar de wereld vaak om lacht. Nachtelijke vragen. Nicodemus weet naar wie hij toe moet.

 

Rabbi, zei hij, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht. Mooi van Nicodemus, dat hij, als Jood, Joods leider zelfs, erkennen kan dat Jezus een van God gezonden mens is. Maar Nicodemus hoort bij de mensen waarvan Johannes schrijft: ‘Veel mensen kwamen tot geloof in zijn naam omdat ze de wondertekenen zagen die hij deed. Maar Jezus had geen vertrouwen in hen…’ (Joh 2: 23)

Wij wéten dat u van God komt.. en Jezus kaatst terug: wat jij denkt te weten is niet wat je moet weten. Het gaat niet om míjn wondertekenen maar om jóuw hart. Ik verzeker je, alleen wie opnieuw wordt geboren kan het koninkrijk van God zien.

 

Voor Nicodemus betekent dat dat hij 180 graden anders moet gaan denken. Hij is een Jood. Dat ben je door je geboorte. Zodra je de moederschoot verlaat ben je een kind van God en heb je deel aan zijn toekomst. En nu zegt Jezus dat dat niet voldoende is. Dat hij opnieuw geboren moet worden.

Nicodemus heeft het over geboren worden uit een vader en moeder; Jezus spreekt over nieuw geboren worden uit water en geest. Dat doet Johannes vaker; een misverstand opvoeren om iets over te brengen. Denk maar aan de ontmoeting van Jezus met de vrouw bij de bron. Zij heeft het over water dat dorst lest. Jezus heeft het over water dat leven geeft. (Joh 4; lees bijvoorbeeld ook Joh 6: 51-53, het misverstand over het brood en Jezus’ lichaam)

Door die misverstanden wil Johannes zijn eigen leerlingen duidelijk maken dat geloven ook een leerproces is. Je groeit als het ware in je geloof. Want dat is niet aangeboren, zoals Nicodemus denkt. Het is ingeblazen, gewekt door Gods Geest.

(Nico ter Linden, Het Verhaal gaat) Daardoor wordt een mens nieuw geschapen.

 

Zoals de wind wie weet waarheen hij gaat,

zo zult Gij uw beminden overkomen.

 

De Geest is vrij, Zij waait waarheen zij wil. Zo is de nieuwgeboren mens vrij. Vrij om te leven. Ongrijpbaar voor de macht van de duisternis. Die zal nooit meer het laatste woord hebben over het bestaan. Zoals de wind zal God zijn beminden overkomen. We weten dat die er is maar weten niet waarvandaan en waar naartoe.

Jezus speelt met het Griekse woord pneuma dat zowel Geest, als wind, als adem betekent. Door dat woord te gebruiken herinnert hij Nicodemus aan wat hij weet en gelooft:

dat Gods Geest over de oervloed zweefde en nieuw leven schiep; dat God zijn eigen adem inblies in de mens die hij had geboetseerd; de vernieuwende Geest waarover Ezechiel (Ez 37) profeteert waardoor dorre beenderen tot leven komen. Nicodemus moet begrijpen dat in Jezus God iets nieuws is begonnen, een nieuwe schepping, een levenwekkende beweging.

 

Maar hoe kan dat dan? vraagt hij zichzelf vertwijfeld af. Het is zo anders dan de traditie waarin hij staat. Het is zo anders dan wat hij doorgeeft aan anderen. De leraar heeft nog veel te leren als het gaat over geloof in Jezus. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor ons. We hebben veel te leren. Ook als je denkt dat je weet hoe het zit, júist als je meent dat je voldoende kennis hebt van het geloof, moet je open blijven staan voor het waaien van de Geest. Zodat je steeds vrij bent. Niet vastgebakken in het oude vertrouwde; niet angstig om dingen achter je te laten, niet onvrij uit loyaliteit naar wat je altijd voor waar hebt gehouden.

 

Gij zaait uw naam in onze diepste dromen.

Nicodemus verdwijnt weer in de nacht. Maar er is iets in hem wakker geworden. Want Johannes vertelt nog twee keer over hem. Nicodemus neemt het op voor Jezus als de Farizeeën Jezus willen laten arresteren. (Joh 7:50) En als Jezus gedood is aan het kruis neemt hij samen met Jozef van Arimatea het lichaam van het kruis. Hij heeft mirre meegenomen om het lichaam te balsemen, een geschenk voor een koning. (Joh 19: 38vv) Spottend hing dat bordje aan het kruis ‘Jezus Christus, koning van de Joden’ maar voor Nicodemus is het wáár geworden. De man die eens ’s nachts bij Jezus was gekomen staat dan op klaarlichte dag aan zijn kant. (Nico ter Linden, Het Verhaal gaat)

overweging op zondag 21 februari 2021          De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

1e zondag van de Veertigdagentijd                 

 

uit de Bijbel: Johannes 12: 1-8 en Efeziërs 5: 1-2

 

1 Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, 2 en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God.

 

Tienertalk

Als iets stinkt is het niet in de haak.

Als je ergens instinkt, ben je in een flauwe grap getrapt, of je hebt op een link geklikt in een mailtje waardoor je wordt opgelicht.

Een zaak die stinkt betekent dat je er niet op kunt vertrouwen dat het eerlijk verlopen is. En als iemand zit op te scheppen kun je zeggen: het stinkt hier. 

Denk ook aan ‘stank voor dank’.

Maar vandaag gaat het niet over stank. Het gaat over een lekker geurtje.

Van Jezus wordt gezegd: hij heeft zich gegeven als een geurige gave.

Er hing geen luchtje van wantrouwen of slechtheid om hem heen.

Dat voorbeeld moeten jullie volgen, zegt Paulus.

Jullie moeten ook zo’n geurig geschenk zijn voor God.

Hoe doe je dat?

Ik heb mijn geurkaars meegenomen.

Hij staat in de huiskamer.

Hij heeft best een leuke kleur maar als hij niet brandt heb ik er niet altijd erg in.

Dan zie ik hem over het hoofd.

Als hij wel brandt wordt hij niet heel veel zichtbaarder.

Hij wordt niet heel indrukwekkend.

Maar hij doet wat hij moet doen:

hij verspreidt een lekker luchtje door de hele kamer.

Hij beïnvloedt de sfeer in mijn huis.

 

Als je net als Jezus een geurige gave voor God wilt zijn

hoef je niet heel overdreven te doen. Je hoeft niet je stinkende best te doen.

Als je doet wat jij kan en bent wie jij bent

dan is dat voor God een groot geschenk.

Dit is toevallig een grote geurkaars

maar ze zijn er in soorten en maten.

Zo zullen ook wij verschillen in wát we kunnen doen

om te leven in de voetsporen van Jezus.

 

Maria

De ene Maria is de andere niet. De vele Maria’s in het Nieuwe Testament worden uit elkaar gehouden door de toevoeging ‘de moeder van’ (Jezus, Jacobus en Jozef), ‘de vrouw van… (Klopas) of ‘de zuster van..’ (Marta) Of met een plaatsaanduiding: ‘uit Magdala’. Toch blijft het soms lastig om te bepalen met welke Maria je te maken hebt.

Ik wil eerst een misverstand uit de weg ruimen. In de traditie zijn verschillende verhalen en Maria’s bij elkaar geveegd. Zo ontstond het beeld van Maria Magdalena, de zondares die door Jezus werd vergeven en die met haar loshangende haar zijn voeten heeft gedroogd. (zie ook Luc 7:36v, Luc 8: 2) De vroege kerk heeft vooral de nadruk gelegd op haar losbandige gedrag en haar boetedoening. Dat heeft lang bepaald hoe er vanuit de kerk naar vrouwen werd gekeken en hoe zij zich dienden te gedragen.

In kloosters met haar naam bijvoorbeeld werden jonge vrouwen opgevangen die ongetrouwd zwanger waren geworden. De bedoeling was om hun lot te verbeteren maar in de praktijk heeft het verdriet en onrecht veroorzaakt. Er zijn vrouwen door beschadigd, gescheiden van hun kinderen.  

Door die grote nadruk op haar seksualiteit en boetvaardigheid raakte een andere aspect helemaal ondergesneeuwd: Maria was de eerste getuige van de opstanding van de Heer en daarmee de eerste apostel. De traditie had haar haar stem en getuigenis ontnomen. Gelukkig is dat rechtgezet door de kerkelijke vernieuwingen in de jaren ’60 (Tweede Vaticaans Concilie 1962-1965) en werd bij pauselijk besluit vastgelegd dat Maria Magdalena vereerd dient te worden als apostel.

 

Nu dit is gezegd kunnen we kijken naar Maria die, terwijl Jezus aanligt aan de maaltijd, een kruikje kostbare nardusolie neemt  - het échte zuivere spul dat met zijn geur het hele huis doortrekt -  en daarmee zijn voeten zalft. Dan droogt ze die nota bene af met haar haar. Je kunt je afvragen wat er meer indruk maakt: haar onbetaalbare geschenk – je moet toch wel aan een jaarsalaris denken-  of haar diepe diepe buiging.

Het lijkt zo’n nederige houding en toch beschouw ik het als een daad van grote liefde, zelfbewuste liefde. In die geknielde, kleine, houding is zij groter dan wie dan ook aan die tafel. Want zij doorziet en omarmt waar de Farizeeën en Schriftgeleerden alleen maar bang voor zijn (lees Joh 11:47v) : deze mens komt van God. Hij is een gezalfde. Een koning. De geur van haar nardusolie is als een reukoffer, bedoeld om God te bidden en te aanbidden. Het is een teken van haar toewijding, een besef van Gods heiligheid in Jezus.

Wij zien onszelf misschien geen jaarsalaris uitgeven of languit op de vloer liggen, en bij het woord ‘aanbidding’ voelt niet iedereen zich thuis, maar hoe brengen wij tot uitdrukking dat wij mensen klein zijn en God zo groot? Hoe máken wij hem groot? Hoe is het voor ons om ons kleín te maken en daardoor juist te worden opgericht en getuige te worden van de Opgestane?

Terwijl ik bezig was met de preek schoot steeds een oud lied door mijn hoofd: ‘Heer, ik geef me aan U volkomen. ’k Leg mijn al hier voor U neêr, opdat Gij in mij zoudt wonen met uw Geest, o Heer!’ Mijn alles, mijn leven en mijn dood, mijn hoop en verlangens, mijn tekortkomingen en waar ik trots op mag zijn, mijn tijd en mijn liefde.. ik geef het als geschenk aan God en ik ontvang er voor terug dat Hij met zijn Geest bij mij woont. Dat Hij bij mij is, wat er ook gebeurt. Wie zichzelf investeert, wie royaal is in het geven van zichzelf, krijgt er zoveel voor terug. Zou dat aanbidding kunnen zijn?

Ik moest ook denken aan de keren dat ik knielde voor God. Toen ik trouwde met Bas, in elke nieuwe gemeente weer… door mij klein te maken werd niet alleen Hij groter omdat ik hem de eer gaf die hem toekwam, maar ik ook.

Aanbidding is zingen. En wat zal het heerlijk zijn als we straks weer mogen zingen. Want God heeft zijn troon op onze lofzang. De lofzang gaande houden, ononderbroken God danken, Hem aanbídden, dat is toch onze belangrijkste taak als zijn gemeente? (Ik denk aan ‘Zodat de dank, U toegezonden, op aard nooit onderbroken wordt, maar steeds opnieuw door mensenmonden, gezongen en gesproken wordt. NL 248) Aanbidding is voor jou misschien stil zijn, mediteren, eenvoudiger leven door op de een of andere manier te vasten.

 

Judas

Natuurlijk is er altijd een zure tegenstem. Of iemand die het beter meent te weten. Is dit niet een beetje overdreven allemaal? Wat is het nut hiervan? Wat wordt de wereld beter van alleen maar zingen, of van mediteren. Wie heeft er wat aan als ik vast? Zo’n stem die bij de voorbereidingen van een feestje roept dat het zonde is van het geld en dat we beter iets voor de Voedselbank kunnen organiseren. In dit geval klinkt de stem van Judas: Had dat geld niet beter aan de armen gegeven kunnen worden?

Het past goed bij onze nuchtere inslag om ons te beperken tot een praktische manier van geloven. Het voelt minder ongemakkelijk en het nut is meteen zichtbaar.

Judas komt op voor de armen, voor een nuttige manier van God dienen.

Als jij af en toe Judas bent, de tegenstem, onderzoek dan ook hoe je positief vorm kunt geven aan jouw tegengeluid. Dat ontbreekt bij Judas in dit verhaal. Hij roept maar wat. Alsof het om het één of het ander moet gaan. Of er maar één manier is om God de eer te geven die hem toekomt.

 

Jezus dient hem stevig van repliek: ‘De armen zijn altijd bij jullie.’ Daarmee bedoelt Jezus niet dat de armen wel even kunnen wachten. Hij haalt het boek Deuteronomium aan. Dat gaat in zijn geheel over het beloofde land en hoe het daar zal zijn als God wordt gediend met hart en ziel. Het land zal overstromen van melk en honing; God zal het zegenen met regen op zijn tijd en een rijke oogst. Dan is er dus ook geen armoede. En mocht die er wél zijn, schrijft de Tora voor, wees dan ruimhartig en leen mensen wat ze nodig hebben. En wees zelfs nog ruimhartiger: scheld elk zevende jaar hun schulden kwijt. (lees Deuteronomium 15: 1-11)

‘Armen zullen er altijd zijn bij u’ is een cynische constatering. Het wijst op de onverbeterlijkheid van mensen om vooral voor zichzelf te zorgen. Jezus zegt hier:

Het lukt jullie niet om vanuit de belofte te leven; alsof Gods nieuwe wereld al is aangebroken; jullie willen niet zien wat een rijkdom de Zoon van de Vader te bieden heeft. Dat is pas armoe. Vanuit dat perspectief begrijpen we nu ook waarom Jezus zichzelf straks even klein maakt als Maria om zijn leerlingen de voeten te wassen. ‘Ik geef jullie een voorbeeld’ zegt Hij. Er is niets kleins aan liefde en toewijding.   

Feb 01, 2021

Alzo lief

overweging op zondag 31 januari 2021  PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 3: 14-21

 

ziek

Wat een week hebben we achter de rug! We hoeven doorgaans na negen uur ’s avond niet meer naar buiten, maar het feit dat het niet kan maakt veel mensen Spaans benauwd. Als er aan onze vrijheid wordt gerommeld voelen we ons beknot, onvrij. Dat is natuurlijk op geen enkele manier een excuus voor de onrust, de vernielingen en plunderingen die in sommige steden hebben plaats gevonden. Dan wordt vrijheid op een ernstige manier misbruikt.

Niet alleen corona maakt ons ziek, maar we zien ook hoe onze samenleving door andere krachten wordt verziekt. Niet alleen op straat maar ook achter de voordeur komen problemen bovendrijven die we lang hebben kunnen negeren. We zien de verschillen opdoemen tussen arm en rijk, kansrijk en kansarm, oud en jong. We ontdekken ons eigen egoïsme. Corona haalt soms ook bij ons het slechtste naar boven. Onze vrijheid heeft te lang zwaarder gewogen dan onze verantwoordelijkheid voor elkaar en voor deze wereld. Onze vrijheid is ontaard in de geboorte van de dikke ik. En nu zijn we in allerlei opzichten ziek. Hoe worden we weer beter? Betere mensen. Beter voor elkaar.

 

Vandaag lezen we verder over het gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Al is Nicodemus eigenlijk al buiten beeld geraakt. Om duidelijk te maken waar het om gaat roept Jezus de herinnering op aan het volk in de woestijn. Ze waren lang onderweg en ze waren er nóg niet. Ze kunnen geen manna meer zien en dan wil Mozes ze ook nog een omweg laten maken. Ze hadden beter in Egypte kunnen blijven! Ze mopperen en klagen en Mozes krijgt van alles de schuld. Lekker ongenuanceerd, giftige woorden en zure verwijten. Toen stuurde God giftige slangen op de Israëlieten af, die hen beten, zodat velen van hen stierven. (Numeri 21:4-9) Je zou kunnen zeggen: die slangenkuil hadden ze zelf al gemaakt.

Zo zien de Israëlieten het zelf ook. Als de plaag hen treft beseffen ze dat ze zelf de boel hebben verziekt. Dat dit wel een straf op hun zonde moet zijn, een straf van God. Ze bedoelen daarmee niet een goddelijke vergelding – zo van ‘jij slaat mij, dan sla ik jou’ maar een noodlottig gevolg van het verkeerde handelen van het volk. Het mechanisme van ‘boontje komt om zijn loontje’.

Maar er is genezing mogelijk! Mozes moet een koperen slang maken die om een stok kronkelt. Iedereen die omhoog kijkt naar de slang zal in leven blijven. Wie omhoog kijkt en de slang ziet heeft zicht op wat er verkeerd is gegaan; die heeft inzicht in het kwaad, in de tekortkomingen en fouten.

En zo, betoogt Johannes, moet de Mensenzoon omhoog geheven worden. Zijn kruis geeft ons inzicht in de zonde en uitzicht op de vergeving. Wie het kruis ziet weet wat mensen elkaar aandoen, die weet van duisternis en gedrag dat Gods licht niet verdragen kan. Wie het kruis van Jezus ziet weet van oordeel en dat mensen bezwijken onder elkaar.

 

Jezus is niet gekomen om een oordeel over de wereld te vellen. Dat hoeft ook niet. Dat lukt de wereld prima zelf. De mens roept zijn eigen onheil over zichzelf af, zijn eigen veroordeling. Dat is een bijna onontkoombaar lot. De kwade krachten buiten ons en in ons lijken ons vaak mee te zuigen. We weten lang niet altijd hoe we er in verwikkeld zitten en hoe we zelf schuldig zijn. Daarom bidden we ook: leidt ons niet in verzoeking maar verlos ons van de boze. ‘Red ons uit de greep van het kwaad.’ (Mat 6:13) Johannes noemt dat consequent: duisternis. En in die duisternis is Jezus gekomen als licht.

Toen zijn levenslicht ruw werd gedoofd bleef de Vader niet alleen zijn Zoon trouw, niet alleen die ene mens, maar ieder mens. Want uit de dood ontstond nieuw leven. 

 

3:16

Johannes 3 vers 16 Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft is voor veel mensen de kern van het christelijk geloof. Dat is het ook.

De kern van het evangelie is Gods liefde. Niet zijn oordeel maar zijn redding. Voor mensen die al snel klaar staan met hun oordeel is dat moeilijk te begrijpen. Wij meten met andere maten dan God. In Jezus steekt God zijn hand uit en wie deze reddingsboei grijpt is gered. God is daar ruimhartig in. Het is voor de wéreld. Niet voor enkele uitverkorenen. Het is voor wie in Jezus gelooft; voor wie omhoog ziet naar het licht, weg van wat er om je heen krioelt, weg van wat je naar beneden zuigt of omlaag haalt als mens. Deze belijdenis vraagt dus om een beslissing. Hoe wil jij in het leven staan? Ben jij een mens die het licht opzoekt? Mag God in jou werkzaam zijn? Wil jij een tegenkracht zijn, een zachte kracht, geestkracht, kracht van liefde?

Als dat zo is, ben jij niet verloren. Dan hebben mensen wat aan jou. Dan heeft de samenleving wat aan jou. Dan kun jij niet gemist worden in Gods nieuwe wereld, zijn koninkrijk.

Dan heb je eeuwig leven. Dat betekent niet dat je onsterfelijk bent. Wij vermoeden en geloven dat ons na dit leven geborgenheid wacht bij God. Maar hier bedoelt Johannes dat niet. Wie gelooft in Jezus, wie wil leven in het licht, die brengt een bepaalde kwaliteit aan in het leven. Zijn leven, haar leven heeft eeuwigheidskwaliteit.

Wezenlijk voor eeuwigheidsleven is dat mensen nu al deel krijgen aan het leven zoals God dat heeft bedoeld. Het gaat om een bestendig en duurzaam leven dat God schenkt aan mensen die zich met hem verbonden weten. Die als nieuw willen leven. Denk aan dat mooie lied: ‘Eeuwigheidsleven zal hij ons geven als wij herboren hem toebehoren.’ (Nieuw Liedboek 675) Dat lied bidt om die verbondenheid en dat nieuwe leven: ‘Geest van hierboven, leer ons geloven, hopen en liefhebben door uw kracht.’

Jezus zelf zegt over dat eeuwige leven: ‘Het eeuwige leven is, dat zij U kennen, de enige ware God, en hem die U gezonden hebt, Jezus Christus.’ (Johannes 17:3)

Dus: eeuwig leven is God kennen en Jezus kennen. Wat God kennen inhoudt vertelt Johannes ook: dat is je houden aan Gods Woord. En wie zich houdt aan Gods woord heeft lief. (lees: Johannes 13: 34v; 14:23v) Die is bereid om de minste te zijn. Om anderen te dienen. Eeuwig leven zit dus in de verbondenheid met God en mensen, eeuwig leven is liefhebben.

 

Johannes is de evangelist die het ons niet makkelijk maakt. Als je denkt te begrijpen waar het om gaat ontglipt het je ook weer. Hij deelt met ons het geheim van Jezus’ dood en opstanding. Een geheim waarvan wij de diepte niet kunnen peilen. Een geheim dat we niet kunnen doorgronden maar waarvan we wel aanvoelen dat het ons draagt. Onze wereld is ziek én genezen. Laten de mensen dat aan ons kunnen aflezen. Dan zien zij ook de werkzame kracht van God.

'Want is er altijd licht. Als we maar dapper genoeg zijn om het te zien, als we maar dapper genoeg zijn om het te zijn.’ (Amanda Gorman, ‘The hill we climb, voorgedragen bij de inauguratie van Joe Biden als president van de VS)

Jan 18, 2021

Op!

overweging op zondag 17 januari 2020                 

 

PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 2: 1-11

(afbeelding: James B. Janknegt) 

Ze hebben geen wijn meer.

Ons geluk laat zich niet afmeten aan hoeveel we verdienen of in het schooladvies van onze kinderen. Het zit hem niet in het aantal landen dat we tijdens vakanties hebben bezocht of in de grootte van ons huis. Ons geluk zit zelfs niet altijd in gezondheid of voorspoed. Soms is het zelfs andersom: juist díe mensen die tegenslag ervaren hebben prijzen zichzelf gelukkig. Omdat ze sterker waren dan ze hadden gehoopt of vermoed; omdat er mensen waren die steun boden, er wáren.

Achteraf zijn de moeilijkste momenten, het uur dat we waakten, dat we herinneringen ophaalden bij een geliefde, ook de mooiste geweest.

Wat ons op de been houdt is niet tastbaar, niet te koop. Wat ons gelukkig maakt is vriendschap, ons geloof. De slingers die van ons leven een feest maken zijn hoop voor de toekomst en vertrouwen in mensen. De wijn die we drinken, wat ons hart warm maakt en soms dronken van geluk, dat is de liefde.

 

Johannes begint met het eerste wonderteken. Het begin van zeven wondertekenen. Het basisprincipe waarop zijn evangelie rust. Want het gaat Johannes er niet om hóe Jezus begonnen is, maar wáár het hem om begonnen is. En om dat zo mooi en goed mogelijk te doen gebruikt Johannes de beeldtaal van het Oude Testament.

(Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galiléa, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem. vers 11 Statenvertaling)

 

Het is op de derde dag. Die Bijbelse, alles beslissende dag. Die derde dag die altijd gaat over leven, over kansen. De dag dat Abraham ervan weerhouden werd zijn zoon Isaak te offeren (Gen 22), de dag dat God een verbond sloot met Mozes (Ex 19:16), dat Jona op het droge werd gespuugd (Jona 2) en het graf van Jezus leeg was. Op die dag wordt het feest van de liefde gevierd; het feest van beloften over en weer, van trouw zijn aan elkaar. Een bruiloft, beeld van het verbond tussen God en mensen. Hoopvol toekomstbeeld. In Kana. Dat de herinnering oproept aan het land dat God beloofde. In beeldtaal vertelt Johannes dat Jezus door God gezonden is om het huwelijk tussen God en mensen te redden als de wijn dreigt op te raken. Daarom is Jezus op dit feest, om de glazen te vullen met vertrouwen, geloof. 

 

Opvallend is dat Johannes als enige van de evangelisten niet vertelt over de instelling van het avondmaal. Hij vertelt wel dat Jezus wijn geeft in overvloed, en later ook brood in overvloed. (Joh 6) Zo heeft hij uitgedeeld van zijn liefde, zijn leven, zijn lichaam.

Ik ben de wijnstok, zegt Jezus. (Joh 15) Ik ben het brood dat leven geeft. (Joh 6: 48)

De wijn die wij van die wijnstok drinken wij om hem te gedenken. Evenzo eten wij van het brood om hem te gedenken. Er is meer dan genoeg. Jezus belooft: Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben. Wat je nodig hebt om overeind te blijven in dit leven, word je gegeven.

 

Mijn tijd is nog niet gekomen.

De moeder van Jezus signaleert als eerste dat de wijn bijna op is. Ze geeft geen oordeel over hoe het zover heeft kunnen komen. Hebben de gasten teveel gedronken? Heeft de gastheer te zuinig ingekocht? Uiteindelijk maakt het antwoord op die vragen niet uit voor haar zorg om het feest. Goed om dat te onthouden. Want we zijn nogal eens geneigd om vooral te focussen op hóe het tekort heeft kunnen ontstaan. Om een verantwoordelijke of schuldige aan te wijzen. Terwijl dat niet is wat nodig is. Want daar komen we niet mee verder.

Wat fijn als mensen opmerkzaam zijn en zien dat het niet meer gaat. Daar moeten we het in deze tijd van hebben. Mensen die ons tekort zien, erkennen dat we er even doorheen zitten. Mensen die ons tekort aanvullen met hun aansporing ‘houd moed, heb lief, wees eerlijk, geef nooit op – als het slecht gaat, zal het beter gaan.’ (Ingmar Heytze) Van die mensen die ons tekort onder de aandacht brengen van Jezus, van God, in hun gebed.

In een kort gesprekje in het park zei iemand: Ik heb even gehuild. Ik had het er moeilijk mee en het duurt zo lang. Zou God soms nog steeds boos op ons zijn. Ik antwoordde: Hij heeft ons ook deskundigen gegeven die al binnen een jaar een vaccin hebben gevonden. Misschien moeten we hem bidden om geduld.

 

Want we kunnen ons geluk niet afdwingen bij God. Als Maria Jezus aanspreekt ‘ze hebben geen wijn meer’ reageert hij een beetje bot: ‘Wat wilt u van me? Mijn tijd is nog niet gekomen.’ Hij is dan ook niet in de eerste plaats het kind van zijn moeder maar de zoon van zijn vader. Die zal hem laten weten wanneer zijn tijd is gekomen.

Het liefst zouden we alles repareren wat er stuk gaat in ons leven. En graag ook snel. Het liefst zouden we moeilijkheden en pijn voorkomen; onze kinderen sparen voor verdriet en hen vrijwaren van verdriet; we zouden vooruit willen grijpen op de dag dat alles weer goed is. Maar zo werkt het niet.

 

We krijgen het nooit zo georganiseerd dat de rimpels uit het leven worden gladgestreken. Soms kunnen we zelfs helemaal niets doen om de brokken te lijmen. Omdat de liefde verdwenen is, de dood heeft ingebroken. Dat zijn de momenten dat ons vertrouwen wordt aangesproken. Dat we ons geloof en onze hoop uit onze tenen moeten halen. Dan mogen we weten: onze tijden zijn in Gods hand. Hij neemt ons lot niet weg maar helpt wel om het te dragen. Hij is erbij. Want dat doe je in een huwelijk: in voorspoed en tegenspoed, in rijkdom en armoede, in alle seizoenen van het leven.

 

Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.

Nu kan de moeder van Jezus het toch niet laten om zich ermee te bemoeien. Dat is nu eenmaal wat moeders doen. ‘Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.’ zegt ze tegen de dienaren. En gehoorzaam vullen die de vaten met water. Twee a drie metrete, dat is zo’n 100 liter per vat. Het lijkt een onzinnige actie. Ze hebben geen idee waar het goed voor is en hoe het mee zal werken aan de goede afloop. Maar Maria is vol vertrouwen, de bedienden bereid tot meewerken. En daarmee redden ze het feest. Er wordt geen al te grote ophef over gemaakt. Het wordt wel een wonderteken genoemd maar er is geen drama omheen. In dat kleine, in vertrouwen en bereidheid, kan een wonder gedijen.

Hoezeer we soms ook een kijkje zouden willen hebben in de toekomst – hoe ziet mijn leven er uit over een jaar, over tien jaar- dat is ons niet gegund. We kunnen er geen voorschot op nemen. We kunnen er wel op een positieve manier aan meewerken. Door vertrouwen te hebben. Door bereidwillig de mogelijkheden die zich voordoen aan te grijpen. Wie weet of die kans daar ligt omdat God hem geeft. En nee, je weet niet of dat wat je doet iets oplevert of op welke manier het zal helpen. Maar we voelen wel aan dat het opbouwender is om hoopvolle dingen te doen, dan lijdzaam toe te kijken hoe de laatste druppel wijn verdampt.

 

In dit eerste wonderteken toont Jezus zijn grootheid, ‘de grootheid van de enige Zoon van de Vader’. (Joh 1: 14-16) In dit teken wordt openbaar waar Jezus’ kracht zijn basis vindt. Hij is sprekend zijn Vader. Gods liefde komt in hem tot leven. Later zal Jezus afscheid nemen van zijn leerlingen met de opdracht om op dezelfde wijze Gods liefde te belichamen. Want waar liefde is en vriendschap, daar is God.

Oudejaarsavond 2020       PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Psalm 37: 1-9 

 

Erger je niet aan slechte mensen,

wees niet jaloers op wie kwaad doen,

zij verdorren snel als gras,

zij verwelken als het jonge groen.

Vertrouw op de HEER en doe het goede,

bewoon het land en leef er veilig.

Zoek je geluk bij de HEER,

hij zal geven wat je hart verlangt.

Leg je leven in de handen van de HEER,

vertrouw op hem, hij zal dit voor je doen:

het recht zal dagen als het morgenlicht,

de gerechtigheid stralen als de middagzon.

Blijf kalm en wacht op de HEER,

erger je niet aan wie slaagt in het leven,

aan wie met listen te werk gaat.

Wind je niet op, laat je woede varen,

erger je niet, dat brengt maar onheil.

Slechte mensen worden verdelgd,

wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten.

 

Gebed om kalmte, toegeschreven aan Reinhold Niebuhr

 

God, schenk mij de kalmte om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen;

Schenk mij de moed om te veranderen wat in mijn vermogen ligt.

En God, schenk mij de wijsheid om het verschil tussen deze twee te zien.

Leer me om één dag tegelijk te leven;

en om van één moment tegelijk te genieten;

Leer me om in moeilijke tijden vol te houden

en te zien hoe ik ook dan bij u vrede kan vinden;

Leer me om deze onaffe wereld, te nemen zoals die is – net als Hij deed,

en te accepteren dat die niet is zoals ik haar zou willen;

Leer me ervaren dat u de rust geeft die ik nodig heb;

en erop te vertrouwen dat ik mij aan U kan overgeven.

Leer me dat ik het waard ben om in dit leven gelukkig te zijn

en te geloven dat ik overgelukkig zal zijn met U in de eeuwigheid. Amen.

 

In deze stilte (Sela)

Geef ons uw vrede, in deze stilte, breng onze onrust tot rust.

Geef ons uw vreugde, in deze stilte, breng onze onrust tot rust.

Geef ons uw zegen, in deze stilte, breng onze onrust tot rust.

 


 

een enkel woord ter overweging

 

Tien maanden geleden hadden we nog geen idee. Op zondag 1 maart zeiden we nog tegen elkaar dat het een hand geven na de dienst niet per se hoefde. Zondag 15 maart was de kerk gesloten. De eerste mensen in onze directe omgeving werden ziek; er was dat grote verdriet om de eenzaamheid van ouders en grootouders in verpleeghuizen, het stille afscheid moeten nemen, mensen die we, straks als alles weer gewoon is, niet meer zullen zien op hun vaste plekje hier in de kerk. Veel ging er níet door of was zo heel anders, de CITO, de eerste schooldag, de examens, het zoveel jarig jubileum, een verjaardag… daar zijn we verdrietig om geweest, en nog.

Na de eerste verlamming vlamde in al die onzekerheid nieuwe energie op, zachtheid, hoop, oog voor elkaar. Na die 15e maart heeft in De Open Hof steeds de lofzang geklonken. En het heeft hier niet ontbroken aan bemoedigende woorden, aan gebed voor elkaar en onze wereld, aan lijntjes naar elkaar toe.

Deze weken wordt er opnieuw een groot beroep gedaan op onze draagkracht. De beperkingen gaan knellen. Hoe houden we het met elkaar vol. We zijn het beu. Ook de zachtheid van het begin staat onder druk. Onze verdraagzaamheid naar elkaar wordt kleiner. We zetten sneller onze stekels uit.

We nemen elkaar maat en spreken er schande van dat mensen nog nét het laatste vliegtuig pakken naar Tenerife, massaal liepen te winkelen of luidkeels verkondigden dat ze gewoon hun verjaardag hadden gevierd omdat het toch allemaal onzin is. En dan worden juist díe mensen ook nog eens niet ziek. Terwijl een ander, die alle voorzorgsmaatregelen in acht heeft genomen, dat wél werd. Oneerlijk is het. Dat is het altijd als de goede mensen lijden onder de kwaadwillige mensen; als het lot eerlijke mensen treft en niet die anderen die maar raak leven.

 

Díe pijn is de kern van Psalm 37. Hoe dát toch kan. Hoe het leven zo onbarmhartig onrechtvaardig kan zijn. Anders dan alle andere psalmen horen we geen gebed. David richt zich op geen enkele wijze tot God met een klacht, met een vraag om hulp. Hij richt zich ook niet tot de Eeuwige met een lied, een lofprijzing.

 

Psalm 37 is een opvoedkundige psalm. Het zit vol met adviezen. Erger je niet. Wees niet jaloers. Vertrouw. Doe het goede. Blijf kalm en wacht. Wind je niet op. De hele psalm zit vol instructies en opdrachten. Doe dit, doe dat niet. Eigenlijk is het een ouderwetse preek; zoals een ouder die kan geven aan een kind.

We mogen veronderstellen dat David deze woorden tegen zichzelf heeft gezegd. Hij preekt tegen zijn eigen hart. Dat zijn de beste preken met de meeste kans van slagen. Ja, we zien om ons heen wat anderen doen. Verbaas je erover maar verder hoef je er niets mee. Je druk maken, boos worden, iets lelijks roepen, het levert niets op. Wij hebben ons oordeel klaar maar uiteindelijk is dat niet aan ons.

 

Daarom doet deze psalm een beroep op ons geduld en onze verdraagzaamheid. Wie het goede doet, wie vertrouwt op God, is uiteindelijk beter af. Dat is een mechanisme dat we kennen en herkennen: wie goed doet goed ontmoet. Wat goed is, wat eerlijk is, wat trouw en mededeelzaam is, beklijft voor altijd. Het wordt door mensen en God gezien en het bouwt aan land waar mensen gelukkig leven.

 

Slechte mensen worden verdelgd, houdt David zichzelf voor. Boontje komt om zijn loontje.

 

We luiden dit oude jaar uit en het nieuwe jaar in met deze vaderlijke preek van David aan zichzelf. Leg je leven in de handen van de Heer, vertrouw op Hem. In de oude vertaling stond : wentel je weg op de Heer.

 

We zijn er met onze neus weer even opgedrukt dat onverwachte dingen onze plannen en zekerheden maar zo in de war kunnen sturen. Het leven kan daardoor ingewikkelder worden dan je had voorzien. Zorgen, of de consequenties van je beslissingen, kunnen als een molensteen om je nek hangen. En daarvan zegt de Psalm: wentel die op de Here. Vertrouw je leven toe aan God door hem je breekbaarheid en je gebrokenheid in bewaring te geven. Morgenlicht en middagzon zullen dan vertellen dat God ons recht zal doen. Dat Hij ons ziet.

 

Vanavond spreken we vooral onszelf toe. En als het moet trekken we onszelf aan onze eigen haren uit het moeras. Want wij zijn van die mensen. Die vertrouwen hebben. En die geduld hebben. Want ook dit jaar ging voorbij. En een nieuw jaar ontvouwt zich. 

Jan 13, 2021

Saar

aan het lachen gemaakt

Vlak voor Oudjaar kregen wij een pup. Bij de fokker kregen we een bordje mee met daarop de karaktereigenschappen van het ras, de cockapoo. Een van die eigenschappen is: ‘Houdt ervan de clown uit te hangen’. Ze maakt ons zeker aan het lachen op onverwachte momenten en dat geeft een beetje lucht en licht in deze onzekere tijd. Verder is het maar goed dat we een groot gevoel voor humor hebben.  

Saar heet ze. Een Bijbelse naam natuurlijk, als pastoriebewoner. In de Bijbel is het Sara die zegt: ‘God maakt dat ik kan lachen.’ (lees Genesis 21: 6) In het Hebreeuws klinkt dat als ‘Isaak’. God had Sara aan het lachen gemaakt toen ze te horen dat zij en Abraham op hun leeftijd nog een zoon zouden krijgen. Ze moest er zacht bij zichzelf om giechelen. Maar bij de geboorte van Isaak lacht ze voluit. God is geen grapjas maar Hij heeft haar een prachtige reden gegeven om te lachen van plezier.

Het zou natuurlijk een goed voornemen kunnen zijn; om aan het eind van de dag terug te kijken en te bedenken waar je om hebt gelachen; of waar je achteraf om had kúnnen lachen. Het lukt niet altijd maar wat zou het goed zijn als we het leven met alle ups en downs ook met een zekere lichtheid tegemoet zouden durven treden. Het gaat voorbij. Er is een tijd om te huilen en er is een tijd om te lachen.  

Onze pup is een grappenmaker, een geinponem. Gein -dat weet u misschien wel- betekent ‘genade’. En een ponem is een gezicht. Een genadig gezicht dus. Elke zondag klinkt: ‘De Here doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.’ Dat is de belofte waarmee we de nieuwe week in gaan: Gods glimlach ligt over ons bestaan; wij zullen nooit uit zijn genade vallen. Een hartelijke nieuwjaarsgroet voor u en jullie! ds. Lyonne Verschoor

Jan 06, 2021

Drie dingen

overweging op zondag 3 januari 2021          PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Micha 6: 1-8 en Matteus 2: 1-12

 

Micha

Hoor toch wat de HEER zegt!

Sta op, laat de bergen uw rechtsgeding horen,

laat de heuvels getuige zijn.

2 Luister, bergen, naar het pleidooi van de HEER,

hoor toe, onwrikbare fundamenten van de aarde.

De HEER heeft een geschil met zijn volk,

hij klaagt Israël aan:

 

God

3 ‘Mijn volk, wat heb ik je misdaan?

Waarmee heb ik je gekweld? Antwoord mij!

4 Ik heb je weggeleid,

bevrijd uit de slavernij in Egypte.

Ik zond Mozes, Aäron en Mirjam

om jullie voor te gaan.

5 Ben je dan vergeten, mijn volk,

wat Balak besloot, de koning van Moab,

wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde?

Ben je vergeten wat er gebeurde tussen Sittim en Gilgal?

Ken je de gerechtigheid van de HEER niet meer?’

Israël

6 ‘Wat kan ik de HEER aanbieden,

waarmee hulde brengen aan de verheven God?

Moet ik hem tegemoet treden met brandoffers,

zou hij eenjarige stieren aanvaarden?

7 Kan ik hem gunstig stemmen met duizenden rammen,

met olie, stromend in tienduizend beken?

Moet ik mijn oudste kind geven voor wat ik heb misdaan,

de vrucht van mijn schoot voor mijn zondig leven?’

 

God

8 Er is jou, mens, gezegd wat goed is,

je weet wat de HEER van je wil:

niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten

en nederig de weg te gaan van je God.

 

hier ben ik veilig

Weet u nog, maart vorig jaar. We waanden ons veilig; het virus was ver ons bed.

Ons zou niets gebeuren. Inmiddels weten we beter. Al betrappen we anderen, maar vast en zeker ook ons zelf, af en toe op de gedachte: mij kan niets gebeuren. Ik heb er alles aan gedaan. De mensen om mij heen ook. Die ene extra maakt toch niets uit. Ik droeg toch mijn mondkapje…

Met zulke argumenten heeft Micha ook te maken. Hij is profeet in Jeruzalem. Maar niemand wil naar zijn profetieën luisteren. Zij ontkennen dat er gevaar dreigt, dat er crisis is. Het Noordelijke deel van het land is al onder de voet gelopen door de Assyriërs. Maar zover zal het toch niet komen in het Zuidelijke Rijk? Nee, wij hebben Jeruzalem. Wij hebben de tempel. Wij hebben God in ons midden. (Micha 3: 11) God zal nooit toestaan dat ons hier iets overkomt. Hij zal ons bewaren. Zeker weten!

Het zijn niet de minsten waar Micha mee te maken heeft. Het zijn de profeten aan het hof, de priesters, de mensen die het voor het zeggen hebben. En als zij zeggen: wij en God denken dat het zo’n vaart niet zal lopen, wat moet je dan als profeet uit de provincie? Maar Micha is een vasthoudend en dapper mens. Hij laat zich niet opzij zetten of belachelijk maken. (Micha 2: 6 Houd toch op met dat geprofeteer.)  

 

Jullie zijn niet veilig, zegt Micha. Dat huis van God in jullie stad biedt geen enkele garantie voor de toekomst. Gods nabijheid beschermt je niet tegen ruwe stormen die gaan woeden en het vrijwaart je niet van ellende. Bovendien hebben jullie deze ellende zelf over je afgeroepen. Wat hebben ze dan toch gedaan, daar in Jeruzalem?  Alles wat God verboden heeft. Er wordt misbruik gemaakt van hoge posities om mensen hun huizen af te nemen. Boeren worden onteigend. Vrouwen, kinderen worden rechteloos. Rechters zijn om te kopen en tegen betaling vertelt de profeet wat je wil horen.

Het bestaat niet dat God daar woont. God woont niet bij de mensen die menen hem in hun zak te hebben. Ze hebben hem zelf weggejaagd. Daarom, vertelt Matteus later, daarom wordt de beloofde koning ook niet in Jeruzalem geboren. Voor Immanuel, ‘God met ons’, is immers geen plaats als er geen liefde en gerechtigheid zijn. Maar ze moeten er wel van weten, daar in Jeruzalem. Daarom gaan de wijzen uit het oosten ‘per ongeluk’ even langs.

 

wat heb ik je misdaan?

Meestal is het andersom. Dan klagen de mensen God aan. Waarom toch? Waarom doe je niets? Maar volgens Micha is God degene die recht van klagen heeft. Hij herinnert zijn volk er nog eens aan wat Hij allemaal voor hen heeft gedaan.

Weten jullie dan niet meer? Mozes, Aaron en Mirjam. Zij gingen jullie voor, Egypte uit naar de vrijheid. Dat was de uittocht. (Exodus 12 ev)

Weten jullie dan niet meer? Balak en Bileam. Zij wilden jullie tegenhouden en vervloeken onderweg. Maar Bileam kon niets anders dan jullie zegenen. Dat was de doortocht! (Numeri 22)

 

Weten jullie dan niet meer? Sittim en Gilgal. (Jozua 2, Jozua 4) Op de ene oever van de Jordaan, en op de andere oever van de Jordaan. Dat was de intocht. Wat heb ik jullie misdaan? Het enige dat jullie mij kunnen verwijten is dat ik jullie nooit in de steek heb gelaten. Hoe hebben ze kunnen vergeten wat de grond van hun bestaan is.

Deze klacht van God lezen we volgens de traditie in de liturgie van Goede Vrijdag. Wat hebben wij gedaan met het goede dat wij ontvangen? Als we lezen hoe Jezus’ leven stuk liep op alle onvermogen, buigen we ons hoofd vanuit het besef dat ook wij aan onze bevrijding voorbij leven. We laten ons de spiegel voorhouden, omdat ook wij in staat zijn God kwijt te raken.

wat goed is

Je bent niet veilig voor puinhopen die jezelf veroorzaakt. Je bent niet onschuldig als anderen door jouw toedoen tekort komen of in tijden van crisis. God woont niet in je midden als er geen gerechtigheid is. Dat is geen populaire boodschap. Israël sputtert ook tegen. Maar wel lichtelijk overdreven.

Wat moet ik doen dan? Kostbare kalveren offeren? Of net als koning Salomo duizenden rammen om God gunstig te stemmen? Of moet er olie stromen als tienduizend beken? Mijn oudste kind, moet ik dat soms offeren?

Wat denk je zelf?! Op geen enkele manier zijn dit zinvolle antwoorden op de klacht van God. Dit soort cynisme brengt dat beloofde land op geen enkele manier dichterbij. Vraag je af wat je wél kunt doen. Je zou dan uit moeten komen bij de basis, bij Tien Woorden. Maar het kan korter. Wat God van je wil zijn drie dingen.

 

Recht te doen. Niet ergens recht op hebben maar zorgen dat de ander bestaansrecht heeft. Hoe kun je jezelf veilig en geborgen achten bij God als een ander dat niet is. Hoe kun je schuilen op zondag en op alle andere dagen de deur van je hart dicht houden.  

Nee, het past je om trouw te betrachten. De trouw die past bij ouders en hun kinderen, bij geliefden, bij vrienden voor het leven. Die trouw kan wat hebben. Het heeft te maken met verdraagzaamheid. Met mildheid. Het is trouw die vasthoudt en niet laat vallen. Die solidariteit met je medemens is niet iets eenmaligs maar een levenshouding.

Recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God. ‘Ootmoedig te wandelen met God’, leest de oude vertaling. Denk aan Henoch, die wandelde met God en het werd hem als gerechtigheid aangerekend. Denk aan de nederigheid van Maria. Zij, ‘de minste dienares’ toonde haar bereidwilligheid toen de engel haar leven binnenviel met de boodschap dat zij de moeder zou worden van Gods Zoon. (Luc 1: 38 en 48) Zij liet zich van harte voor Gods karretje spannen en wilde betrokken zijn in zijn toekomstplannen. Maar denk ook aan Jezus die als een koning Jeruzalem binnenreed, maar dan wel een nederige koning op een ezel. Het was hem te doen om vrede en gerechtigheid en in alle gehoorzaamheid ging Hij de weg van God.

Van de Tien Woorden gaat Micha naar drie. Maar het kan nog korter. Jezus zegt kort en bondig: ‘Barmhartigheid wil ik, geen offers.’ (Mat 9:13, zie ook Hos 6:6) En op die weg is Hij ons voorgegaan.

 

Wie is een God als u?

Eigenlijk zegt Micha: eigen schuld dikke bult. Het is niet zo dat Gods redding onvoorwaardelijk is. Het is niet zo dat de toekomst van God los staat van het gedrag van mensen, zoals door de profeten van Jeruzalem werd gedacht. Het doet er wel degelijk toe wat jij doet, hoe jij leeft. Micha is de onheilsprofeet die roept dat we op ondergang afstevenen als we zo doorgaan.

Maar Micha leert ons ook hóe we met dat onheil moeten omgaan; hoe we met Gods klacht over ons moeten omgaan. Hij leert ons Gods boosheid te aanvaarden en te dragen. En dat lukt ons omdat we enerzijds inzien dat we als mens niet altijd even betrouwbaar zijn en anderzijds omdat we weten dat Gods boosheid niet betekent dat Hij ons laat vallen. Er is altijd mededogen in die boosheid. Micha verwoordt dat vertrouwen prachtig: ‘Wie is een God als u, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat?’ (Mi 7:18v)  God blijft nooit boos. Dat is eigen aan Hem. We kunnen een potje bij hem breken, brokken maken.

Dat ontslaat ons op geen enkele manier van de verplichting om het in ieder geval te proberen, recht te doen, trouw te betrachten en te wandelen met God. Gods vergeving vergroot juist onze verantwoordelijkheid. Bij God ben je nooit ‘af’ maar je blijft in het spel. Je hoeft niet aan de kant te gaan zitten, verloren, verlamd door schuld of schuldgevoel, veroordeeld. Nee, je wordt verlost en doet weer mee. Want de fouten uit het verleden mogen de toekomst niet frustreren. Daarom moet je soms door de hemel laten corrigeren en een andere weg kiezen. Net als de drie wijzen. God heeft ons nodig. Ik vind het mooi om met dat vertrouwen het nieuwe jaar in te gaan. Een schone lei.

Wie is een God als u? Die zich houdt aan zijn belofte; die in een kind redding brengt voor de wereld en de duisternis van zijn dood openbreekt met zijn licht? 

Dec 28, 2020

Lichtpuntjes

overweging in de kerstnacht 2020         PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Lucas 2: 1-16

 

Alles van waarde is weerloos. (Lucebert, Straatpoezie, Rotterdam)

In neonletters vinden we deze woorden aan de Blaak in Rotterdam. De straat van de banken, torenhoge ambities, verzekeringsmaatschappijen. Het was ook een verzekeringsmaatschappij die de tekst ooit liet aanbrengen. (1978) Een beetje ironisch om het op de plek waar zekerheid, weerbaarheid en maakbaarheid centraal staan te hebben over kwetsbaarheid.

We hebben graag dat zekere gevoel. Controle hebben, de dingen goed geregeld. Maar de afgelopen maanden hebben ons ingepeperd dat we uiteindelijk weerloos zijn. Onze kwetsbaarheid kwam op zoveel manieren bloot te liggen. In onze bezorgdheid om elkaar, in de ingrijpbaarheid van het virus, in de afstand, in het verdriet en de eenzaamheid, in de dood. Ach, niet alleen het virus vertelt hoe kwetsbaar we zijn. We weten hoe het is om onverwacht gegrepen te worden door het lot, ziekte, verlies van werk, van zin. Het leven is niet maakbaar. En er komen momenten dat we dat ineens weer beseffen.

Tegelijkertijd zien we hoe mensen, die moeten incasseren, terugveren en ons laten zien hoe zij overleven. Premier Rutte zei, in die moeilijke toespraak bijna twee weken geleden: ‘dát we er doorheen komen staat voor mij vast. Vanwege het vaccin dat er aan komt, maar meer nog vanwege de veerkracht die we met elkaar hebben laten zien. (maandag 14 dec)

Juist in de ontdekking dat we weerloos zijn krijgen we nieuwe waardering voor mensen en dingen om ons heen. In ons verdriet, in onze rouw, in onze moeite met deze tijd, wéten we wat ons rijk maakt. Die twee, die drie mensen, die we wél mogen ontvangen. Dat we gezond zijn. Dat we elkaar hebben. Dat we ons geestelijk fit voelen en opgewassen tegen het leven. Dat we ons wekelijks mogen voeden met geloof en hoop. De dingen die ons écht rijk maken, kunnen we niet verzekeren, niet vasthouden voor altijd. Alles van waarde is weerloos. Daarom is het goed om ons ervan bewust te worden of te zijn. Om ons er opnieuw door te laten raken en te laten inspireren.  

 

There’s a crack in everything; that’s how the light gets in (Leonard Cohen)

Jezus’ geboorte is tegelijkertijd waardevol en weerloos. Weerloos. Want wat begint een kind tegen de heerser van het grote Romeinse Rijk? Het heeft geen enkele macht. En de plaats waar hij wordt geboren staat in geen verhouding tot wat er op het wereldtoneel toe doet. Het is ergens in de provincie, in een klein stadje. In een stal nota bene.

Lucas vertelt zó over Jezus’ leven dat je meteen weet dat hij zelf ook kwetsbaar was. Je ziet het er gewoon van komen dat hij niet anders kan dan begaan zijn met het lot van wie weerloos zijn. Jezus zal aan de kant staan van de mensen aan de rand, de mensen van de nacht, de mensen met lek en gebrek. De herders die aan zijn wieg staan, vertellen nu alvast hoe hij later als een herder naar mensen zal omzien. 

Hij was ook niet bang om zijn eigen kwetsbaarheid te aanvaarden. Niet voor niets zingen we in een adem van kribbe en kruis. (Geen wiegje als rustplaats)                             

Hij deed wat hij moest doen: leven, liefhebben in ruime mate en anderen oproepen datzelfde te doen. En hij was niet bang om tot het uiterste te gaan. Zoveel liefde had hij.

 

Hoewel zijn geboorteplaats nogal obscuur was, verborgen en weinig indrukwekkend, zal dit kind uitgroeien tot een waardevol mens, van wie, volgens de engel wat te verwachten is. Een redder, Messias, Heer. In hem zullen oude beloften worden vervuld, iets van de Heer zelf, iets van God zal in hem op aarde wonen. Waardevol voor wie het wil zien; en wie zich er door wil laten raken mag zich rijk rekenen.

De herders lieten zich aanspreken. Zij hadden er bang vandoor kunnen gaan. Of de woorden van de engel spottend opzij kunnen schuiven. Want wie heeft het nu over redding, over vrede en hoop in zo’n donkere wereldnacht? Het is niet moeilijk om sceptisch te zijn en min te denken over zoiets kleins. Maar het is juist in het donker dat je leert naar lichtpuntjes uit te kijken. Door de barsten in ons bestaan valt het licht naar binnen.

 

Natuurlijk is het mijn schuld als het licht daar niet is waar ik ben. (Hans Andreus, Straatpoezie, Deventer)

Vanavond hebben we het over het licht. Daar hebben we behoefte aan. Onze kerstboom stond dit jaar ook vroeger dan anders. Betekent dat dat wij met onze hang naar licht en gezelligheid massaal onze ogen sluiten voor het donker? Dat we doen of het er niet is? Zeker niet!  Henri Nouwen verwoordt het als volgt: Wie de vreugde heeft God te kennen, ontkent het donker niet maar kiest ervoor om er niet in te leven. We vertrouwen dat er van licht in het donker meer te verwachten valt dan van het donker zelf.

Vanuit het kerstevangelie kiezen we een ander uitgangspunt. We vertrouwen ons toe aan het licht, aan lichtpuntjes. Want één is al genoeg om het donker te verjagen. We wijzen elkaar op die lichtpuntjes en herinneren elkaar eraan dat zij een klein maar waardevol stukje van Gods aanwezigheid onthullen. In dat voorzichtige, breekbare licht van ons, is God dichtbij.

Vanuit het kerstevangelie ontdekken wij -opnieuw- dat er mensen zijn die ons willen zien en aanvaarden in onze kwetsbaarheid. Die troosten, helen, vergeven, delen. En in dat alles is God. Vanavond kiezen we er voor om dat weer te zíen: hoe mensen licht zijn in het donker. Dat er één mens was die licht was voor de wereld. En wie had dat ooit kunnen denken.

Laten we er ook voor kiezen dat licht niet alleen te zien maar ook te zíjn. Juist nu, nu er een groot beroep gedaan wordt op ons uithoudingsvermogen, op onze verdraagzaamheid naar elkaar. Juist nu, nu het zo nodig is gevoelig te zijn voor wat de ander doormaakt.

Jezus heeft tegen zijn volgelingen gezegd: Jullie zijn het licht in de wereld. Verstop dat licht niet onder een korenmaat. Laat het niet jouw schuld zijn dat er geen licht is. Maar straal door je goede daden; geef warmte en licht aan de mensen om je heen. En aan jullie zullen ze dan af kunnen lezen dat er een Vader in de hemel is. We hoeven daarvoor geen held te zijn; niet iemand die tot grootse daden in staat is. Weerloos als we zijn, zijn we waardevol genoeg.


 

Geef licht ~ Stef Bos

Het wordt steeds vroeger donker

De winter is in zicht

Alles keert naar binnen

De gordijnen gaan weer dicht

De tijd staat op een kruispunt

Niemand weet waarheen

De schoonheid is soms ver te zoeken

De dromer staat alleen

Geef licht

 

Geef licht

Voor een uitweg uit het donker

Geef wat er vaak niet is

Geef licht

Geef alles wat je hebt

Geef de liefde een gezicht

 

Zie de wereld om ons heen

Zie de leugen die regeert

Zie de ongeleide leiders

Zie hun volk dat crepeert

En zie de oorlog die maar doorgaat

Ook al is ze ver van hier

Onze wereld is te klein

Om het niet te willen zien

Geef licht

 

Geef licht

Geef ruimte en geef uitzicht

Geef wat er vaak niet is

Geef licht

Geef alles wat je hebt

Geef de liefde een gezicht

overweging op kerstmorgen 2020     PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Johannes 1: 1-9 en 14

 

Ooit riep Gij ‘Licht!’  Sytze de Vries

 

Ooit riep Gij ‘Licht!’

Geroepen werd het

uit alle macht van uw liefde.

 

Het donker kromp ineen

want het verdraagt

de warmte van de liefde niet.

De nacht zocht zijn heil

in de zee

en golft nóg

dreigend af en aan.

 

Maar Gij riep ‘Licht!’

en hebt dat woord, die dag,

nooit meer teruggenomen.

Ja, zelfs is het

hier midden onder ons

ontstoken in een mens.

Wij hebben het gezien

en ons aan hem gewarmd.

 

Hij was en is

als het begin:

uit alle macht van liefde!

 

En als Hij in ons opvonkt

gloeit weer het scheppingswoord

in ons – uit alle macht.

Dan prijzen wij de dag

als kinderen van het licht.

 

Dit uitgesproken licht

blijft ons

een wachter in de nacht.

 

            

duisternis

Stel je voor. Het is eind van de middag in december. Je komt terug van je werk, van het boodschappen doen of wat maar ook. Het is al donker buiten. En binnen ook want er is nog niemand thuis. Je opent de voordeur en als eerste tast je hand naar het lichtknopje. Om te beginnen moet het licht aan. Het donkere huis komt tot leven. Het wordt een thuis.

Als we hier als gemeente samenkomen is dat ook het eerste dat we doen: we steken de kaarsen aan. Met aandacht. Alsof we zo tegen elkaar zeggen: nu zijn we thuis. Thuis bij God, thuis bij elkaar.

Er zijn dagen geweest dat ik me ontheemd voelde. Niet thuis in mijn eigen vel; alles zo anders. De vertrouwde omgeving, het dagelijks leven, voelde op die dagen donker; de preek voor vanmorgen heb ik wel drie keer opnieuw geschreven.                              

Woorden van licht wilden niet komen, terwijl ik er ook zelf zo’n behoefte aan had. Zo heb ik Johannes gelezen. Vanuit mijn eigen somberheid en donkerte. 

Ons bestaan is soms een huis dat maar niet tot leven wil komen. Johannes benoemt alles wat mislukt, misdaan wordt, geleden wordt, gefaald wordt, in dat ene woord ‘duisternis’. Hij verdonkeremaant niet dat er zomaar een schaduw over je leven kan vallen. En ook niet dat wij die schaduw zelf veroorzaken als we een ander in het licht staan. Wij zelf zijn het donker dat invalt als wij de lamp voor onze voet en het licht op ons pad wegschoppen omdat dat nu eenmaal makkelijker leeft. De afgelopen maanden hebben het beste in ons naar boven gebracht. Maar er is ook haarscherp aan het licht gekomen hoe we uit de bocht gevlogen zijn in onze manier van leven.

En genadeloos zien we de ongelijkheid zich aftekenen, tussen ouder en jonger, mensen met en zonder werk, kinderen in een achterstandswijk of in een modaal gezin, wij hier en zij daar. Denk aan het werk van Pa en Zoon dat stil ligt en waardoor honger wordt geleden. Mijn gevoelens daarbij zijn ingewikkeld. Bezorgdheid maar ook schuldgevoel. Op welke manier ben ik hier deel van? Onzekerheid over wat ik kan doen maar ook over wat ik heb nagelaten.

 

om te beginnen

Eigenlijk klopt het niet. Dat ik begin met duisternis. Met mijn donkere gedachten bij deze tijd. Want daar begint Johannes niet. En hij moet me voor deze dag bij de hand nemen.

In het begin was het Wóórd, zegt Johannes. Hij neemt me mee terug naar een oud boek dat 

óók zo begint: In het begin was de aarde woest en doods en duisternis lag over de oervloed. (Genesis 1) Maar God was er ook. In die donkere doodsheid was Hij.

En God verzuchtte: Wil dit ooit een thuis worden, moet het licht aan. En dat Woord sprak God uit: Licht! Er moet licht komen.

Er gaat een verhaal over rabbi Soesja. Hij was een wonderlijk man. Hij was de enige leerling die de leer van zijn leermeester, de grote maggid, niet doorgaf. Dat kwam doordat hij nooit ook maar één voordracht van zijn leermeester had uitgehoord. Aan het begin van zijn voordracht, als de maggid het Schriftgedeelte las dat hij wilde uitleggen, begon hij altijd met de woorden ‘En God sprak... ‘ Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken of het werd rabbbi Soesja te machtig en hij raakte buiten zichzelf van ontroering. Dan moesten ze hem naar het houthok brengen. Daar hoorden ze hem op de wanden slaan en huilend roepen: En God sprak... En God sprak... Wat God sprak heeft rabbi Soesja nooit uit de mond van de grote maggid vernomen, alleen dat God sprak. (Chass. vertellingen, Buber)

 

Dáár ligt de basis voor ons leven. En daar wortelt onze hoop dat er licht zal zijn in het donker: wij leven met een God die spreekt. Hij zegt wat Hij doet. En Hij doet wat Hij zegt. Woord en daad in één. (dabar) Johannes begint bij het begin. Bij de basis, de bodem onder ons bestaan. God die de daad bij het Woord voegt. God die instaat voor licht, voor leven. Die het donkere huis van de aarde binnenkomt en naar het lichtknopje tast. Díe God, zegt Johannes, dát Woord dat Hij spreekt, dat is thuis gekomen bij de mensen. Dat Woord is geboren. Vleesgeworden. Mens geworden.

 

Johannes is eigenlijk een dichter. De woorden die hij schrijft in dit eerste stuk zitten vol betekenissen. Er staat veel meer dan er staat. Ik doe geen poging om het jullie precies te gaan uitleggen. Dat was poging 1. Die preek houd ik een andere keer wel. Ik probeer met jullie bij de verwondering te blijven dat in de duisternis licht schijnt. Dat God zich niet te groot of te goed of te veel God heeft gevoeld om dat te doen. Hij blijft niet buiten onze duisternis. In zijn zoon Jezus is Hij ermee verweven geraakt. ‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond’. Hij ervaart mee wat wij ervaren aan dit leven en Hij lijdt eronder zoals wij eronder lijden.

Zo staat het in een van mijn lievelingsliederen: ‘Zou ik niet van harte zingen’ (NL 903) Daarin staat de zin: ‘In het duister van de tijden ben ik nooit alleen geweest.’ Dát wil ik vandaag met jullie vieren. Daar houd ik me aan vast in deze rare nare tjid. En als we daarmee niet verder komen dan die woorden ‘in het begin’ dan zei dat maar zo. Toen Johannes deze woorden voorhield aan zijn gemeente, die haar eigen donkere tijden kende, wist niemand wanneer er echt een einde zou komen aan de duisternis. Maar ze vertrouwden wel dát er een einde aan zou komen. En sinds die tijd, 20 eeuwen geleden, heeft niemand deze woorden opzij geschoven als niet ter zake doende. Zo hardnekkig is de hoop die wij aan elkaar doorgeven. Zo vasthoudend zijn de mensen die het doorgeven aan elkaar.

 

licht

Een huis komt tot leven door het licht. Én door de mensen die er wonen. Ook nu dit huis van de kerk zo leeg is. Ook nu onze tafels zoveel leger zijn dan anders. Wij zijn het die er wat van maken. Die de aarde bewoonbaar maken. Door het licht dat wij ontsteken. Omdat mensen thuis kunnen komen bij elkaar. Ik heb gemerkt dat mensen dat doen. En hoe ongelofelijk goed dat doet.

Vandaag vieren we de geboorte van een mens. Die zegt wat hij doet en doet wat hij zegt. Die mens onder de mensen is, vol goedheid en oprecht. Een mens aan wie je kunt aflezen hoe God moet zijn. Hij is het ware licht dat ieder mens verlicht.

We vieren dus niet alleen zijn geboorte. Ook onze geboorte als kinderen van het licht, als mensen van God. Mensen die licht aansteken, die de daad bij het woord voegen. Goede mensen, betrouwbare mensen, mensenmensen. Een rabbijnse wijsheid vertelt ons dat het pas dan licht is geworden, dag, als je in het gezicht van een mens een medemens herkent. Ik bid én ik weet dat we elkaar zó zullen zien en er zó voor elkaar zullen zijn.

 

Er zal nooit, nergens, een begin van redding zijn

als niet tenminste een mens zegt

‘hier ben ik’

en ziende om zich heen

zoekt of er nóg een is, nog twee of drie

met vonken licht ‘hier ben ik’.  (Huub Oosterhuis)

Page 1 of 5