Blog
Lyonne Verschoor

Lyonne Verschoor

woensdag, 16 oktober 2019 08:14

Mantelzorg

Zo vriendelijk en veilig als het licht

zo als een mantel om mij heen geslagen

zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht,

ik roep zijn naam, bestorm hem met mijn vragen,

dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.

Wil mij behoeden en op handen dragen.

 

10 november is het de Dag van de Mantelzorg. Dat mag best met hoofdletters geschreven worden. Mantelzorger gaat verder dan een handje helpen. Het betekent dat mensen meer dan 8 uur per week en langer dan 3 maanden zorg verlenen.

Ook in onze gemeente zijn mensen die langdurig en onbetaald een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, ouder, kind, familielid of buur verzorgen. Je vraagt er niet om en je zoekt er niet naar om mantelzorger te worden; het overkomt je, omdat je een band hebt met degene die zorg nodig heeft. Voor de meeste mantelzorgers is het heel vanzelfsprekend om te zorgen, maar het moet ook gezegd worden dat deze zorg (te) zwaar kan zijn om te combineren met een baan, een gezin. Vaak gaat onze aandacht naar degene die de zorg behoeft -‘hoe is het met je man..’. Mooi dat op de Dag van de Mantelzorg de aandacht wordt verlegd naar de andere kant.

 

Misschien is de datum toevallig gekozen maar op 11 november staat opnieuw een mantelzorger in het zonnetje: Sint Maarten. Hij gaf de helft van zijn mantel aan een bedelaar en liet hem niet in de kou staan. Christus verschijnt dan aan Maarten, met de helft van zijn mantel om zijn schouders geslagen. Zo mag Maarten weten dat elke weldaad die wij bewijzen aan elkaar, bewezen wordt aan Christus zelf. In de Bijbel lezen we daarover: ‘Ik was naakt en jullie kleedden mij. … Ik verzeker jullie, alles wat jullie gedaan hebben voor de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.’ Dat dit verhaal en het bijbehorende feest inmiddels volledig zijn geaccepteerd en worden gewaardeerd mag blijken uit het feit dat in het nieuwe liedboek een lied over deze mantelzorger is opgenomen. (744)

 

Volgens het gezegde is God daar waar liefde is en vriendschap. Hij is daar waar wij elkaar niet in de kou laten staan maar voor elkaar zorgen. En in dat alles is Hij ónze mantelzorger. Zijn zorg voor ons overkomt hem, omdat Hij een band heeft met ons, die zijn zorg behoeven. ‘Zoals een mantel om mij heen geslagen, zo is mijn God’. Het spreekt het vertrouwen uit dat er Iemand is waar wij terecht kunnen met onze storm aan vragen; Die ons draagt en behoedt en ons opvangt als wij dreigen te vallen.

 

De dag van de Mantelzorg valt op een zondag. De dag waarop in de kerk iedere week weer wordt gevierd dat wij van ophouden mogen weten omdat er voor ons wordt gezorgd. Dat ook mantelzorgers soms van ophouden mogen weten, is iets waar de een meer moeite mee heeft dan de ander. Toch is het goed om af en toe de zorg om een lief mens of kind aan een ander over te dragen om even op adem te komen. Hoe wil je het anders volhouden. Laten we omzien naar elkaar en niet vergeten te vragen naar degene die niet ziek is maar zorgt. Misschien is er iets dat we kunnen doen om de last van die ander even te verlichten. Misschien kunnen wij elkaar op handen dragen.

woensdag, 16 oktober 2019 07:47

You've got talent!

 You’ve got talent!    dienst met de Tienerdienst 13 oktober 2019  

PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

lied met de kinderen: In de circustent

luisterlied: Alles is nu, Diggy Dex

 

uit de Bijbel: Matteus 25: 14-30

 

Het leven is een toneel en je wordt altijd gejureerd.

 

Kennen jullie het gevoel dat mensen naar je kijken; je beoordelen?

Ik wel. Ik kijk namelijk zelf ook naar mensen. In de metro. In de rij bij Albert Heijn.

En als je zelf kijkt, kijken mensen dus terug.

We beoordelen elkaar op hoe we eruit zien.

Op wat we wel of niet kunnen. Op wat we vinden.

Op hoe we leven.

Je kunt daar behoorlijk onzeker van worden.

Hoe zie ik eruit? Wat vinden mensen van me?

Waarom kan ik dit niet? Anderen lukt dit wel.

We kijken tegen mensen op. En soms kijken we op onszelf neer.

Dan moet er een filter over de foto die we plaatsen.

Of we beginnen ergens gewoon maar niet aan.

Uit angst dat het niet lukt. Of dat we worden uitgelachen.

De wereld waarin we leven is een grote talentenjacht.

En wij zijn de jury. Voor onszelf en voor elkaar.

Het gaat om ‘comments’ en om ‘likes’.

Ik kan en ik wil niet geloven dat God daar ook aan meedoet.

Dat hij op een jurystoel zit om ons te beoordelen.

Dat wij angstig aan het performen zijn

in afwachting of Hij zijn stoel zal omdraaien voor ons.

Ik kan en wil niet geloven dat God er op uit is om ons op een fout te betrappen.

Zo ken ik God namelijk niet.

Ik ken hem als liefdevol en geduldig.

Geen jurylid maar een coach die het beste uit jou wil halen.

 

Iedereen heeft talent

 

Voor ons is talent iets dat je goed kunt.

Een begaafdheid.

Een instrument bespelen of een sport; of iets creatiefs.

Maar in de Bijbel is het een grote zak met geld.

Een enorme zak met geld.

Een talent is ongeveer 20 jaarsalarissen.

Eigenlijk hoefden die eerste twee nooit meer te werken.

Zoveel was hen toevertrouwd door hun heer.

Jezus vertelt het expres zo overdreven

omdat hij duidelijk wil maken hoeveel de mensen van Gód hebben gekregen.

Alle liefde van de wereld: je kunt in de ogen van deze vader gewoon niets fout doen;

de belofte dat het goedkomt met de wereld.

Maar dat betekent niet dat je nooit meer hoeft te werken.

Want dat is de clou van de gelijkenis die Jezus vertelt.

De heer in het verhaal wordt boos

omdat die laatste dienaar niets heeft gedaan met wat hem is toevertrouwd.

Hij is passief gebleven.

Uit angst om te worden afgerekend op hoe hij het had gedaan.

De laatste dienaar ging voor veilig.

Hij begroef zijn talent. Maar wat begraven is, is in dit geval dood.

Je hebt er niets aan. God heeft er niets aan.

 

Falen is wel/niet erg.

 

Maar Jezus heeft geleerd: wie niet waagt, die niet wint.

Wie mij volgen wil, zei hij, zal zijn leven verliezen.

Zelf heeft hij alles gewaagd.

Met huid en haar, met hart en ziel, heeft hij geleefd voor de mensen.

Alles heeft hij op het spel gezet.

En uiteindelijk heeft hij ook alles verloren.

Hij is verraden door zijn vrienden.

Hij is gedood aan het kruis.

Maar het is God liever dat je probeert en verliest,

dan dat je uit angst niets doet.

Het is God liever dat er iets vreselijk mis gaat,

dan dat er helemaal niets gebeurt.

 

Iedereen heeft talent.

 

Iedereen heeft talent.

Niet omdat we allemaal iets goed kunnen

maar omdat we allemaal iets van God hebben gekregen.

We hebben hetzelfde uitgangspunt, hetzelfde startkapitaal.

Hij houdt van ons zoals we zijn.

En Hij wil niets liever dat we daarmee léven.

 

tekst: Als de zon, Marianne Williamson

 

Onze diepste angst,

is niet dat we onmachtig zouden zijn.

Onze diepste angst betreft juist

onze niet te meten kracht.

Niet de duisternis, maar het licht in ons

is wat we het meeste vrezen.

We vragen onszelf af:

Wie ben ik wel om mezelf briljant, schitterend,

begaafd, geweldig te achten.

Maar waarom zou je dat niet zijn.

Je bent een kind van God.

Je dient de wereld niet

door jezelf klein te houden.

Er wordt geen licht verspreid,

als de mensen om je heen,

hun zekerheid ontlenen aan jouw kleinheid.

We zijn bestemd om te stralen,

zoals kinderen dat doen.

We zijn geboren om de glorie Gods die in ons is

te openbaren.

Die glorie is niet slechts in enkelen,

maar in ieder mens aanwezig.

En als we ons licht laten schijnen,

schept dat voor de ander

de mogelijkheid hetzelfde te doen.

Als we van onze diepste angst bevrijd zijn,

zal alleen al onze nabijheid

anderen bevrijden.

 

 

maandag, 30 september 2019 12:05

Saulus en Ananias

overweging op zondag 29 september 2019      PG De Open Hof – Oud-Beijerland

uit de Bijbel: Handelingen 9: 1-19

 

Image © Providence Collection Goodsalt.com

 

stil gezet

Saulus wordt hardhandig stilgezet op zijn weg van geweld en terreur. Hij valt op de grond, hij wordt blind en eet drie dagen en nachten niet. Je zou kunnen zeggen: hij is zo goed als dood. Hij die overtuigd was van zijn gelijk en zijn recht, is afhankelijk geworden van de mensen om hem heen, en van God. Drie dagen. Want in de Bijbel wordt het op de derde altijd spannend. Loopt dit dood of gaat het verder?

 

Ben jij ooit zo hardhandig stilgezet? Zo heen en weer geschud in wat jij voor waar hield? Ben jij ooit teruggefloten, geroepen tot iets anders? Heb je ooit moeten erkennen dat je het helemaal fout had?

 

Waarom gebeurt dit toch met Saulus?

Het is God die antwoord geeft op die vraag als hij Ananias naar hem toestuurt.

Ananias, ‘ga, want hij is het instrument dat ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten.’ God heeft Saulus nodig. Als een instrument in zijn hand. Als de mond die over Jezus vertelt; als de voeten die over de Weg gaan die Jezus ging.

 

Ik sprak een man die lang op reis was geweest. Hij zou enkele missieprojecten bezoeken en ondersteunen vanuit zijn kerk. En daarna zou hij nog enkele weken vakantie vieren. Maar die vakantie viel in het water. Hij werd ziek, kreeg malaria in een heftige vorm. Ik vroeg hem of dat geen tegenvaller was, geen vakantie, na je ze te hebben ingezet. Maar hij zei: ik heb me afgevraagd wat God van me wilde en of hij mij daar soms nog nodig had.

Ik vond het mooi en vroeg me af of ik dat ook zo zou kunnen; om het moment dat je wordt stilgezet te gebruiken voor reflectie. En om vragen toe te laten als: ben ik op de goede weg? Laat ik me nog voldoende corrigeren of zit ik vast in mijn gelijk, in mijn recht? Ben ik nog wel afgestemd op wat God van me vraagt of speel ik vooral mijn eigen wijs?

 

instrument

Saulus is niet de enige die geroepen wordt in dit verhaal. Ook Ananias. Zijn eerste reactie op Gods roepen is: ‘ik luister’. Zonder voorbehoud. Maar daar krijgt hij het nog wel moeilijk mee als hij hoort waar God hem voor gebruiken wil. Want Ananias heeft al veel gehoord over Saulus. Hij staat niet te springen om naar de man te gaan die mensen in de boeien slaat en meesleurt naar Jeruzalem. Weet God dat wel zeker?

Ja, God weet het zeker. In Ananias zal Saulus kennis maken met de goedheid en de genade van God. Want dat betekent de naam Ananias, ‘God is genadig’.

 

Soms zitten we er niet op te wachten om ons ergens in te laten betrekken. Om ons te laten inschakelen. Voor je het weet zit je er aan vast.. hoeveel tijd zal dat kosten? Voor je het weet komen er nog meer mensen die een beroep op je doen. En mensen waarvan je weét dat ze verkeerd bezig zijn, dat ze op het verkeerde pad zitten, daar zitten we helemaal niet op te wachten.

Laten we ons dan goed realiseren dat het in zulke ontmoetingen gaat over de genade. Dat wij, als wij ons laten sturen, de goedheid van God gezicht geven.

Soms overkomt het je. Dan bén je ineens betrokken bij een buurman die alleen is, bij een zorgvrager, een noodgeval. Het moment dat je geroepen werd is je ontgaan, maar je zit er ineens midden in. Ongevraagd blijk je een instrument te zijn in Gods hand. Ook dan is het goed tegen ons zelf te zeggen dat wij dat genadige aangezicht van God zijn en dat dan van grote invloed kan zijn.

 

Ananias legt Saulus de handen op en hij noemt hem broeder.

Hij had hem evengoed van alles kunnen verwijten, hem kunnen beschuldigen. Maar dat doet hij allemaal niet. Hij zegent hem. Als een daad van verzoening.

Het is door de aanraking van Ananias, door diens zegen, dat bij Saulus de schellen van de ogen vallen. Hij ziet de dingen nu heel anders en zal in het vervolg niemand meer gevangen nemen omwille van Jezus maar juist het evangelie van Jezus overal gaan vertellen.

 

omkeer

Juist door zijn bescheiden rol en de manier waarop hij zich laat sturen, komt Ananias dichterbij bij mij dan Saulus. Als de apostel Paulus zal hij grootse avonturen beleven en voor het evangelie tot het uiterste gaan. Hij is een mens van pieken en dalen.

Ananias lijkt meer op mij, op ons, gewone mensen. Op de achtergrond doet hij wat God van hem vraagt. Af en toe zouden we eens moeten bidden wat God van ons wil, waar hij ons nodig heeft. Of we zouden onszelf kunnen afvragen: naar wie moet ik met andere ogen leren kijken? Wat kan ik in Gods naam betekenen voor degene die mijn vertrouwen heeft beschaamd of voor degene die zo heel anders leeft dan ik.

Of misschien moet het zo zijn dat we anders leren kijken naar wat we doen. En of we dat zó doen dat het ook tot Gods eer is. Laten we niet vergeten dat God ons nodig heeft. Als instrument in zijn hand. Als een werktuig dat bouwt aan zijn nieuwe wereld.

dinsdag, 17 september 2019 07:56

pessimist

Na een gesprek met deelnemers aan Theologie voor Gemeenteleden over de wereld van vandaag en of die nog te redden is...

over de vraag of de mens nu in wezen goed of slecht is... schreef ik:

 

de wereld is slecht

de mensen zijn kwaad

het is hopeloos

zei ze

 

maar

zei ik

en ik dan

en hij en zij

wij 

met onze goede bedoelingen

onze liefde

en hoop op beter

 

ja jullie

zei ze

maar met de wereld wordt het niks meer

 

verdrietig draaide ik me om

nee, zo gaan we het niet redden

 

Lyonne

dinsdag, 17 september 2019 07:54

zacht

Leer mij

mild te zijn

vloeibaar als water

zacht als de sterren

vriendelijke ogen

aan een donkere hemel.

 

Leer mij  te zijn

als water

als sterren

als ogen.

 

Leer mij te zijn.

 

 

dinsdag, 17 september 2019 07:48

het koord van de hoop

overweging op Startzondag 15 september 2019       

PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Jozua 2: 6-21

 

het touwtje uit de brievenbus

In 2016 uitte Jan Terlouw in een indrukwekkende toespraak in De Wereld Draait Door zijn bezorgdheid over de wereld waarin wij leven. Hij vertelde over het touwtje uit de brievenbus, herinnering aan een tijd en een manier van omgaan met elkaar. Je kon bij iedereen naar binnen zonder aan te bellen. Dat touwtje vertelde van vertrouwen; van een manier van omgaan met elkaar. Dat touwtje werd symbool voor iets dat we zijn kwijtgeraakt.

Want er hangen geen touwtjes meer uit brievenbussen en vaak is ook de achterdeur op slot. We vertrouwen elkaar niet meer. We wantrouwen de politiek; we wantrouwen elkaar en timmeren alles dicht met zoveel mogelijk regels en voorwaarden. Met lede ogen zien we hoe de samenleving verhardt en dat we steeds minder van elkaar kunnen hebben. We zijn zelfs bang voor elkaar; bang in het donker bij de bus, bang voor groepen jongeren, bang voor wat anderen zeggen. Deuren gaan niet makkelijk meer open maar blijven eerder dicht.

 

De deur van Rachab stond altijd open. Dat betekent haar naam ook: openen, ruimte maken. Cynici zullen zeggen: logisch dat ze zo heet. Haar huis, haar bed, haar armen, haar benen, staan open tegen betaling. Een rood touw hing als reclamebord uit het raam. Maar zó wil het verhaal niet verteld worden. In dit verhaal doet zij haar naam eer aan door ruimte te maken voor de God van Israël. Díe God wil ze haar vertrouwen geven.

 

de rode draad

Rachab kent God niet. Alleen van horen zeggen, van verhalen. Ik heb gehóórd, zegt ze, dat de Heer de zee voor jullie heeft drooggelegd. Ik heb gehóórd dat jullie machtige koningen vernietigend hebben verslagen. En toen we dat hoorden werden we bang en wanhopig. Rachab kent God niet maar heeft wel dóór wat de rode draad is. Als God zijn volk doet uittrekken, zal Hij hen ook weer ergens binnen laten trekken. Ik wéét, zegt ze, dat de Heer dit land aan jullie heeft gegeven. Rachab doorziet dat deze God consequent is en trouw aan zijn volk. Daarmee is zij doorgedrongen tot het hart van de Tora. Maar evengoed tot de kern van het evangelie. Niet voor niets wordt zij daarom genoemd als een van de stammoeders van Jezus. (Matteus 1: 5) Niet voor niets wordt zij door de eerste christenen eervol vermeld vanwege haar daden die voor zich spraken. Want geloof zonder daden is een dood geloof. (Hebreeën 11: 31 en Jacobus 2:25)

 

het touwtje van de hoop

Vanwege de verhalen waagt Rachab het erop. Zij helpt de twee spionnen ontsnappen. In ruil vraagt zij een goede daad terug. Geef mij de zekerheid dat jullie mij en mijn familie zullen sparen. Red ons van de dood.

Dat rode koord moet uit het raam hangen. En als de muren van Jericho zullen vallen, zal de verwoesting aan haar voorbij gaan (lees verder in Jozua 6: 15-25). Het klinkt bijna als een spiegelverhaal van wat eerder gebeurde: Gods volk smeerde bloed aan de deurposten zodat de dood aan hen voorbij zou gaan en zij gespaard zouden worden, gered van de dood. (Exodus 12:7 en 13)

 

Er is bijzonders met dat rode koord van Rachab. Het Hebreeuwse woord dat wordt gebruikt betekent namelijk ook ‘hoop’. (tikvaw; ook te vinden o.a Ruth 1:12, Job 7:6 en Ps 62:6) Het is het touwtje van de hoop. De hoop dat God betrouwbaar is en de lijn van de bevrijding zal doorzetten. De hoop dat het God om ons leven begonnen is, niet om onze dood.

 

We bezinnen ons op een nieuw seizoen. Anders ook, met één predikant in plaats van twee.

En dít zouden onze beleidsvoornemens kunen zijn:

-het touwtje uit de brievenbus. Dit huis staat open voor wie er maar binnengaat. In dit huis is vertrouwen. Vertrouwen in elkaar. Dat we met elkaar staan voor de opbouw van deze gemeente. En iedereen is daarin even betekenisvol. We mogen elkaar ons hart toevertrouwen; onze vragen en vreugde, onze hoop en ons geloof. Dat lijkt vanzelfsprekend maar het vraagt om onze inzet en volharding om het ook waar te maken.

-de rode draad. Wíj bewaren de schat aan verhalen die stuk voor stuk vertellen van een God die ons leven op het oog heeft, ons sámen leven. Zijn bemoeienis met ons leven is gericht op vrij zijn, op heel zijn. Hij wijst ons altijd de weg vooruit. Hij wijst zelfs de weg door de dood naar het leven in zijn zoon. Dat mogen we zelf iedere keer opnieuw tot ons laten doordringen. En we mogen het ook uitdragen. Doorgeven. Aan de volgende generatie, aan wie hier binnenkomt.

-het touwtje van de hoop. We kunnen geloven vrede een onhaalbare zaak is. We kunnen ontkennen dat het klimaat verandert en de natuur uit evenwicht raakt. We kunnen boven aan de trap gaan zitten met de deur angstvallig op slot. Maar in de kerk doen we dat allemaal niet. Uit ons venster hangt het rode touw van de hoop. En dat is geen naïef optimisme maar dat wat ons, en wie na ons komen, de moed geeft om ook hoopvolle dingen te doen.

maandag, 09 september 2019 14:53

verwondering

‘Sommige dingen zijn heel wonderlijk,

ik kan ze niet begrijpen:

hoe een adelaar hoog aan de hemel vliegt,

hoe een slang over de rotsen glijdt,

hoe een schip zijn weg vindt op zee,

en hoe een man verliefd wordt op een vrouw.’

(Spreuken 30: 18-19)

 

We leven in een tijd dat we alles kunnen verklaren. We kunnen in ieder geval meer verklaren dan Agur, die bovenstaande woorden schreef. Vliegen heeft geen geheimen meer voor ons. The sky heeft geen limits. We denken niet meer na bij ons gaan over land of over water; we begeven ons zelfs ónder water.

Kunnen verklaren betekent: grip hebben op zaken en er zelfs op vooruit kunnen lopen. Het is een deel van onze ontwikkeling als mens. Door te verklaren kunnen we  onszelf beschermen tegen dreigend onheil; we laten ons niet overvallen door rampspoed.

De keerzijde is dat we alles ook wíllen verklaren. Waarom wordt een mens ziek en niet meer beter? Waarom is er verdriet? maar de ongerijmdheden van het bestaan laten zich niet makkelijk ontrafelen en daar kunnen we niet altijd mee leven.

 

Agug schrijft in Spreuken over de dingen die hij niet begrijpt. Hij verwondert zich over de arend die vliegt langs de hemel. Leonardo da Vinci zette zíjn verwondering over de vlucht van de vogel om in de eerste ontwerpen voor vliegmachines. En hebben we het navigeren van schepen niet afgekeken van de dolfijnen? Je zou kunnen zeggen dat verwondering het begin van de wijsheid is. Het is de verwondering die ons uitdaagt om er iets van te begrijpen.

 

Of zou het zo zijn dat de verwondering ons uitdaagt om te begrijpen dat we lang niet alles begrijpen? Ik kan verklaren waar de kinderen vandaan komen. Toch verwonder ik mij eindeloos over hoe het zo groeien kan, zo volmaakt en compleet. Hoe meer ik weet, des te minder ik begrijp.

 

De vlucht van de arend vertelt me niet alleen over het vogelrijk maar ook over een God die zich laat kennen als de Ene die zijn jongen draagt op zijn vleugels en hen met zijn wieken beschermen wil.

De slang vertelt me over de onbegrijpelijk grote barmhartigheid van een God die veroordeelt wat er aan missedaden gebeurt maar dier en mens laat ontkomen aan de dood. Denk aan de sluwheid van de slang in het paradijs en de schaamte van de eerste mensen. Beide mochten verder, al waren zij niet meer dezelfde.

Een schip vindt zijn koers zoals een mens de weg weet door zich te houden aan de Tora, gebod en belofte tegelijkertijd. En mocht er een storm komen, dan zal God op wonderlijke wijze de zee tot kalmte manen.

En de vriendschap en liefde van mensen wijzen ons waar God woont.

Agug heeft gelijk: wonderlijk, we kunnen het niet begrijpen.

dinsdag, 03 september 2019 09:15

Vertrekken en thuiskomen: Zacheus

Vertrekken en thuiskomen: Zacheus   (afbeelding: Kijkbijbel, Kees de Kort) 

overweging op zondag 1 september 2019 PG De Open Hof - Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Lucas 19: 1-10 en Efeziers 2: 17-22

hokje

Zeg ‘tollenaar’ en men denkt: overlopers, heulers met de vijand, dieven.

Vanaf de zondagsschool heb ik niet anders over Zacheus horen vertellen. Hij mag dan opgeklommen zijn tot hóófdtollenaar, het blijft een miezerig klein mannetje. Logisch dat hij zich verstopt tussen de bladeren van de vijgenboom. Hij schaamt zich natuurlijk een hoedje. Zacheus wordt met de nek aangekeken. Maar wat geweldig dat Jezus omhoog kijkt en zegt dat hij in het huis van Zacheus wil verblijven! Een nieuwe kans opent zich voor de zondaar. Hij draait om als een blad aan een boom en hij zal viervoudig vergoeden wat hij mensen heeft afgeperst.  

 

We kunnen dit verhaal lezen als een bekeringsverhaal; een zondaar is terug op het rechte pad. Maar ik wil het ook wel opnemen voor Zacheus, waarover we oordelen zonder dat daar aanleiding voor is. Er stáát niet dat hij corrupt was. Zelf zegt hij: áls ik iemand iets heb afgeperst, zal ik het viervoudig vergoeden.

 

(N.b. het samenspel met de Romeinse overheid was veel ingewikkelder dan simpel zwart-wit. Ook de religieuze leiders moesten noodgedwongen samenwerken met de overheid. Denk aan de veroordeling van Jezus. Daarvoor hadden ze de medewerking van Pilatus nodig.) 

 

Zacheus is in een hokje geduwd. Zo doen we dat met mensen waarmee we geen raad weten. Of die net iets afwijken van onze norm. Zacheus heeft een stempel opgedrukt gekregen en is daarmee iemand geworden die je beter kunt mijden.

Soms zijn we snel en hard met onze mening over iemand. Of -erger-  over een groep mensen. Dikwijls wordt die mening gevoed door onkunde -we kennen diegene helemaal niet- , door vooringenomenheid of angst. Daarmee doen we elkaar onrecht.

 

Het verhaal eindigt er niet mee dat Zacheus stopt met zijn werk. Hij laat niet -net als die andere tollenaar, Levi- alles achter om Jezus te volgen. (Lucas 5:27-28)  Hij wordt dus níet veroordeeld om zijn tollenaar-zijn.

Én Zacheus’ naam betekent: de rechtvaardige. Dan is hij dus níet wat mensen van hem zeggen. Dan zit er in ieder geval ook iets anders in dan mensen tot nu toe in hem hebben gezien.

 

verlangen

Het zat er altijd al in en op die dag komt het eruit. Het begint niet bij Jezus als hij zegt: ik moet in jouw huis verblijven. Het is al eerder begonnen; op het moment dat Zacheus besloot om naar hem toe te gaan. Op het moment dat hij er moeite voor deed en in een boom klom, toen is het begonnen. Was dat uit onvrede met wie hij tot dan toe was? Wilde hij zich ontworstelen aan hoe de mensen hem zagen? Was het verlangen naar wie hij kon zijn, een rechtvaardig mens, een mens om tegenop te kijken? Het staat er allemaal niet maar ik lees het zo dat er in Zacheus iets is aangeraakt, al vóór Jezus hem aansprak. Hij is een zoeker. Die uiteindelijk gevonden is. Als een rijpe vrucht valt hij uit de vijgenboom, de Bijbelse boom van de hoop.

 

Want Jezus kijkt omhoog. En hij noemt Zacheus bij zijn naam. Hoe Jezus dat weet? Het appelleert wel aan het menselijk verlangen om gezien te worden, gekend te zijn. Als Jezus mensen aanspreekt zegt hij niet: hé, tollenaar…. of: dag blinde, of jij buitenlandse.. Hij doorbreekt elk hokjesdenken en noemt mensen bij hun naam. Hij ziet niet de gebreken, de missedaden. Hij ziet niet wat anderen in jou menen te zien. Hij ziet de mogelijkheden, de mens. Hij ziet jou.

 

Wat een prachtig verhaal. We zien het voor ons omdat we het herkennen: dat een ontmoeting -toevallig of niet- een diepe indruk op je kan maken. We herkennen het dat in een moment je leven een andere betekenis kan krijgen. Wie weet wat jou te wachten staat als je net als Zacheus toegeeft aan je verlangen; als je jezelf toestaat op zoek te gaan naar dat wat je mist. Wie weet wie je ontmoet als je uit je hokje komt; als je besluit niet langer de kat uit de boom te kijken maar initiatief te nemen. Het verhaal van Zacheus kan een oproep zijn om te bedenken of wij zijn wie we kunnen zijn, of dat we ons laten vastzetten door wat mensen zeggen dat we zijn. Het kan een uitnodiging zijn om alert te zijn op wat er op ons toekomt. Of wie.

 

in jouw huis

Jezus zegt: Zacheus, kom vlug naar beneden. Vandaag moet ik in jouw huis verblijven. Ik kom logeren! vertaalt de Bijbel in Gewone Taal. Jezus nodigt zichzelf uit om te blijven. Nu is er iets geks met het woord ‘huis’ of ‘thuis’. Ik denk maar aan al die spreuken die mensen ophangen of neerzetten. ‘Home is where the heart is’ of ‘Home is whenever I am with you’. Een huis is meer dan een dak en wat muren. Het is geen toevallige woning maar je basis.

Je huis vertegenwoordigt je liefde, je leven, je identiteit. Thuis, dat zijn je wortels. Je hebt heilige huisjes. Glazen huisjes. Huisjes met kruisjes. Mensen die veel in huis hebben en mensen die het zonnetje in huis zijn. Een huis is van vlees en bloed. Als Jezus zegt dat hij wil verblijven in het huis van Zacheus zoekt hij ruimte in zijn bestaan. Jezus wil een plekje in de comfort-zone van Zacheus.

 

thuis

Toen ik begon aan deze serie ‘vertrekken en thuiskomen’ was het duidelijk dat ik zou eindigen met thuiskomen. En ik koos als werktitel: thuiskomen bij God. Ten diepste is dat ons verlangen; eens thuis te komen bij God en daar voor altijd liefde en geborgenheid te ervaren. Dat is wat velen van ons ook troost die een geliefde moeten missen. Dat hij of zij is thuisgekomen. En Thuis mag dan met een hoofdletter.

Gaandeweg kwam ik tot de ontdekking dat het ergens anders begint. Het begint bij een God die vraagt om thuis te komen bij ons. En om zijn zoon, Gods goedheid en oprechtheid in levende lijve, die bij de mensen wil wonen. (Johannes 1: 14) God zoekt eerder een thuis bij ons dan wij bij hem.

Ik denk aan wat Jezus zegt vlak voor hij afscheid neemt van zijn leerlingen: Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg. Mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen. (Johannes 14:23) Het gaat dus meer om de vraag: bén ik een thuis, dan héb ik een thuis.

 

Zacheus laat Jezus vol vreugde binnen. Gastvrij opent hij zijn huis. En zijn hart. Jezus is zijn huis nog niet binnen of Zacheus neemt het woord. Opnieuw gaat er iets uit van Zacheus en niet van Jezus. Jezus heeft nog geen woord gesproken, laat staan dat hij Zacheus heeft beschuldigd of veroordeeld. Hij kiest er zelf voor om zijn leven te veranderen. De helft van wat hij bezit zal hij aan de armen geven. En mocht het zo zijn dat hij iemand iets heeft afgeperst, dan zal hij dat viervoudig vergoeden. Jezus is nog maar net zijn leven binnen, of Zacheus is al een ander mens.

Misschien knaagde er al langer een ontevreden gevoel aan hem: ‘is dit alles wat er is?’ (Doe Maar) Is dit wat ik heb gedroomd met mijn leven te doen? Of misschien is de tijd nu rijp om te zijn wat zijn naam zegt: een rechtvaardige.

 

Zacheus blijft tollenaar. Hij laat niet zijn wereld achter zich maar hij zal er voortaan wel anders in staan. Op de plaats waar hij is gesteld, zal hij doen wat hij moet doen. Hij past nu in zijn naam. Hij is in dat opzicht gegroeid. En ondanks dat Jezus verder trekt, zal hij altijd bij Zacheus blijven. Omdat hij woont in de rechtvaardigheid en de gastvrijheid waarmee de ene mens de ander begroet. Wij zijn het thuis waar God woont door zijn Geest. 

 

lied: Woon in mijn dromen, Liefste lied van overzee, 54, Sytze de Vries

 

1. Woon in mijn dromen, in al wat ik ben,

want niets is mij liever, geen mens die ik ken,

mijn diepste gedachte bij dag en bij nacht,

het licht, waar ik wakend en slapend op wacht. 

 

 

2. Wees Gij mijn wijsheid, mijn waarheid, mijn woord.

Met U wil ik gaan, wijs mij uw lichtend spoor,

als vader, als moeder, met mij kind aan huis.

Woon in mijn wezen, en wees ook mijn thuis.

 

3. Wees mijn bescherming, de bron van mijn kracht,

mijn enige wapen, meer weerwoord bij nacht,

mijn schuilplaats en haven, mijn veilige wal,

Gij, die voor mij strijdt en mij thuisbrengen zal.

 

4. Ik vraag geen schatten en roem gaat voorbij,

een leven lang weet ik uw erfdeel voor mij.

In U is toch alles wat waarde bevat?

Wees Gij dan mijn rijkdom, mijn hemelse schat.

 

5. Als hier op aarde de strijd is gedaan,

zal ik in het licht van uw zonneschijn staan!

Laat Christus ook dan nog mijn hartsgeheim zijn:

wanneer ik in hem woon en Hij woont in mij.

Vertrekken en thuiskomen: Jacob en Ezau herenigd

overweging op zondag 25 augustus 2019        PG De Open Hof ~Oud-Beijerland

 

afbeelding: Jacob and Esau reunite, Robert T. Barrett

 

uit de Bijbel: Genesis 32:8-33 en Genesis 33:1-12

 

Twintig jaar geleden heeft Jacob zijn broer Ezau een streek geleverd en hem de zegen van hun vader Izaak ontnomen. Ezau kan Jacob wel vermoorden, daarom vlucht hij naar Charan. Hij gaat daar wonen bij zijn oom Laban. Hij trouwt met Lea en Rachel. Hij krijgt zonen en dochters en hij wordt een welvarende man. Zijn kudde schapen en geiten is door zijn sluwheid enorm gegroeid en Laban voelt zich vernacheld. De sfeer wordt grimmig en Jacob besluit terug te keren naar zijn geboortegrond. Hij ziet er alleen ontzettend tegenop om zijn broer weer onder ogen te komen. Helemaal als hij hoort dat Ezau hem tegemoet komt, met vierhonderd man. Daarom bedenkt hij een plan om Ezau gunstig te stemmen.

 

onder ogen komen

Jacob durft Ezau niet onder ogen te komen en hij probeert hem mild te stemmen door een enorme karavaan geschenken te sturen. Geiten en bokken, ooien en rammen, koeien en stieren, kamelen en hun jongen, ezelinnen en ezelhengsten. Het geschenk moet in drieën worden overgebracht, zodat Ezau van de ene in de andere verbazing zal vallen. Slim bedacht. Net als het plan om zijn bezittingen in tweeën te verdelen en de risico’s op verlies te beperken. Maar wat kun je anders verwachten van een ‘Jacob’ (dat betekent ‘bedrieger’), directeur van de Firma List en Bedrog.

In zijn angst weet Jacob niet waar hij het zoeken moet. Behalve dan bij God, de God die hem beloofd heeft te zullen zegenen. Maar waarmee eigenlijk?

God, bidt Jacob, ik ben vertrokken met alleen maar een stok. En nu kan ik alles wat ik heb zelfs in tweeën verdelen. Jacob is een gezegend mens, in alle opzichten. Maar wat is je rijkdom waard als het er op aankomt?

 

Ik beschouw mijzelf als een gezegend mens. Een mooi gezin, leuk werk, net op vakantie geweest en we gaan al bijna weer. Misschien zitten jullie wel mee te tellen, waarin jullie zijn gezegend. Op social media laten we vooral ons zelf op ons mooist en gezelligst zien. We vieren onze successen en ons geluk. Maar wat als dat geluk op losse schroeven komt te staan? Wat heb je er aan als je dreigt je baan te verliezen, als je gezondheid het af laat weten of als je relatie in zwaar weer komt?

Wat heb je aan spullen als je relatie met een geliefde gespannen is?

Als het bestaan onzeker wordt, ontdek je dat zegen heel ergens anders in zit. In mensen om je heen, in veerkracht, in geloof.. Als je bestaan onzeker wordt, ontdek je dat je ziel en zaligheid niet ligt in wat je hebt maar in wie je bént. En ook je toekomst wordt niet bepaald door wat je bezit maar door wie je bent.

 

Jacob durft Ezau niet onder ogen te komen. Hij verbergt zichzelf achter een enorm lawaai aan cadeaus en poeha. Maar zegen, echte zegen, is daar mensen in liefde en vrede samenleven. En echt thuiskomen kun je pas als je je verzoend hebt met je broeder en zuster.  

 

onder ogen zien

Dát is wat Jacob onder ogen moet zien. Wie is hij, als je alle rijkdom wegdenkt? Wie is hij als broeder? Middenin de nacht worstelt Jacob ermee. In het donker kun je je eigen vragen niet ontlopen en begint het in je hoofd te spoken. Wie ben ik? Ten koste van wie of wat heb ik mijn zegeningen verkregen? En is dit wat er met zegen wordt bedoeld? Hoe kom ik in het reine met mezelf en hoe kan ik mijn broer (of zus) onder ogen komen? Dat zijn de vragen waarmee Jacob strijdt. En dat zijn de dingen die ieder mens zelf moet uitvechten. Het gaat immers om jouw leven, om jouw verleden, om wie jij bent, om wie jij kunt zijn in de toekomst. 

 

Zo worstelt Jacob met ‘iemand’. Ezau? Die het hem betaald wil zetten? Of vecht Jacob met zijn eigen schaduw, zijn eigen donkere kant? Is het God?

Tot de dag aanbreekt duurt de worsteling. Achteraf zal Jacob weten dat hij met God zelf heeft geworsteld. Maar op het moment zelf weet hij dat niet.

 

Als het licht wordt zegt Jacobs tegenstander: ‘Laat me gaan, het wordt al dag’.

Maar Jacob zegt: ‘ik laat je niet gaan tenzij je mij zegent.’ Maar om de zegen te ontvangen, moet Jacob zijn naam zeggen. De laatste keer dat dit gebeurde was het zijn blinde vader Izaäk die vroeg: wie ben je? voordat hij hem de zegen gaf. Ik ben Ezau, loog Jacob. Ben jij het echt, vroeg Izaäk. En Jacob loog voor de tweede keer. (Gen 27:18;24) Wie is hij nú? De geslaagde zakenman? De gezegende echtgenoot en vader? Wie is hij?

 

‘Ik ben Jacob’, ik ben een bedrieger, zegt Jacob. Hij verschuilt zich nu niet achter alles wat hij heeft; dat staat allemaal al aan de overkant. Hij wil ook niet langer zijn schaduwkant ontkennen. Als een biecht…. om ervan bevrijd te worden.

 

oog in oog met God

Zijn tegenstander zegt: Israël zul je heten. Strijder met God. De naam Jacob is verleden tijd; dat merkteken wordt uitgewist. Zijn leven krijgt een andere richting. Zijn zonden zijn vergeven. Jacob noemt die plaats Pniel, want daar heeft hij oog in oog gestaan met God. En hij heeft zich er levend doorheen weten te worstelen. Al is hij niet ongeschonden uit de strijd gekomen. Zijn heup is mank. Het is verbloemende taal om aan te geven dat Jacob getroffen is in zijn mannelijkheid. De plek van zijn mannelijkheid en potentie. Bij iedere stap die hij zal zetten zal Israël zich er pijnlijk van bewust zijn dat de zegen, de toekomst, niet in mensenhanden ligt maar in die van God. Niet wat we hebben maar wie Hij voor ons is geeft zin aan ons bestaan. En dat leren we door schade en schande.

 

oog in oog met je medemens

Nu Jacob het gevecht heeft aangedurfd met zichzelf en met God, moet hij ook de confrontatie met zijn broeder aankunnen. Die twee hebben met elkaar te maken. Hij ziet op tegen Ezau zoals hij tegen God opziet…. Hoe zal Ezau hem zien? Als de bedrieger? Zal hij hem veroordelen, minachten? Of zal Ezau door alle geschenken heen kunnen kijken?

Jacob buigt zich zeven keer diep maar Ezau rent hem tegemoet en omarmt hem. Dat is een heel andere houdgreep dan hij die nacht heeft ervaren. (voor de fijnproevers: Jabbok ‘yab-bok’ betekent worsteling en is verwant aan ‘khaw-bak’ dat omarmen betekent)

‘Mijn heer’ zegt Jacob. ‘Mijn broer’, zegt Ezau.

Wat is de bedoeling van al die geschenken, vraagt Ezau. Dat is toch helemaal niet nodig. Houd maar, ik heb genoeg. Jacob zegt: oog in oog staan met jou is niets anders dan oog in oog staan met God, en toch ontvang je mij welwillend. (33:10) Waar Jacob beducht voor was -de veroordeling, de afwijzing- is niet gebeurd. Hij ontvangt juist vergeving, acceptatie.

In de ontmoeting met Ezau ontmoet Jacob God in zijn welwillendheid. In onze medemens komt God ons tegemoet en is hij dichtbij. Het is in elkaar dat we zijn goedheid leren kennen. En het is in ons samenleven als broeders en zusters dat we zijn zegen ervaren en een thuis hebben. (Psalm 133)

 

In de dienst klonk ook deze tekst:

 

Ik ben niet wat ik doe,

ik ben niet wat ik heb,

ik ben niet wat de mensen over me zeggen.

Ik ben Gods geliefde kind.

Dat is wie ik ben!

Niemand kan me dat afnemen.

Ik hoef me geen zorgen te maken.

Ik hoef me niet te haasten.

Ik kan Jezus vertrouwen

en zijn liefde met de wereld delen. Henri Nouwen

Vertrekken en thuiskomen: De vossen hebben holen

 (afbeelding: Rien Poortvliet, boek: De vossen hebben holen)

 

18 augustus 2019   De Open Hof -  Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: 1 Koningen 19: 19-21 en Lucas 9: 57-62

 

Ik zal u volgen!

‘Ik zal hem volgen waar hij ook heen gaat.

Er is geen zee zo diep,

er is geen berg zo hoog

dat die mij bij hem vandaan kan houden.’

(uit het lied: I will follow him)

 

In het evangelie is Jezus heel vaak in gesprek met mensen die ergens aan vast zitten; aan hun bezit, aan hun positie of aan hun verleden. Soms zitten ze vast aan het beeld van God dat ze van huis uit hebben meegekregen. Of het zijn hun angsten en zorgen die hen tegenhouden. Totdat ze Jezus ontmoeten hebben ze eigenlijk niet in de gaten hoe onvrij ze leven. Maar de ontmoeting met Jezus opent de weg naar een leven in vrijheid; wel een weg met weinig zekerheden en volop uitdagingen en weerstanden.

Wat het betekent om Jezus te volgen komt in die korte gesprekjes naar voren.

De eerste komt bij Jezus: Ik zal u volgen waarheen u ook gaat.

Dat is juist het punt, zegt Jezus dan: ik ga nergens heen.

Zijn weg kent geen eindpunt.

Hij is wel onderweg naar Jeruzalem, maar níet om daar thuis te komen.

Niet om zijn hoofd neer te leggen op een plek die van hem is. 

Vossen hebben holen en de vogels bouwen een nest.

De Samaritanen, in het dorp waar Jezus net door heen is getrokken, vinden hun thuis op de berg Gerizim waar ze God aanbidden. En de Joden vinden dat in Jeruzalem. Wij hebben ons thuis in de Open Hof. Anderen hebben dat in een van de vele andere kerkgebouwen hier in Oud-Beijerland. Zo’n thuis is fijn. We hebben het goed met elkaar, staan voor elkaar klaar. Het schept kaders voor onze manier van geloven. Daar wil ik niets aan af of toe doen. Maar wie met Jezus op weg wil gaan moet ook beseffen dat het dáár niet om gaat.

 

Een gebouw betekent dat we muren hebben opgetrokken; dat er een deur is die dicht kan. Een huis kan bloedeloos worden, versteende zekerheid. (zie lied 816 in het Nieuwe Liedboek) Wij zijn hier thuis, onder ons. Als er een ‘wij’ is, is er ook altijd een ‘zij’. Maar wat betekent dat voor wie hier als gast of vreemdeling binnenkomt? Of voor onze samenwerking met andere kerkgemeenschappen, andere geloofsgemeenschappen? Als wij ‘onze manieren’ hebben, wat betekent dat dan voor de manieren van anderen? Eigenlijk geldt dit niet alleen voor mensen in een gebouw maar voor elk geloof, elke traditie, elke ideologie. Het schept een onderscheid tussen wie erbij horen en wie niet. Zo’n thuis heb ik niet en zo’n thuis bied ik je niet, zegt Jezus. Ik bied je geen schuilplaats waarin je je kunt verbergen en geen muren waarachter je kunt vluchten. Wie mij volgt is aangewezen op zijn eigen verantwoordelijkheid. Wie mij volgt heeft zijn eigen roeping om God te dienen in liefde en zijn koninkrijk te zoeken.

 

En wie nergens bij hoort, hoort overal bij. (citaat van Bram Moerland) Die is vrij om zich te bewegen tussen mensen en bewogen te zijn om mensen.

 

Sta me toe eerst terug te gaan

Tegen een tweede zegt Jezus: Volg mij! Maar deze zegt: Heer, sta me toe om terug te gaan om mijn vader te begraven. Wat is Jezus’ reactie hard en gevoelloos als hij zegt: Laat de doden hun doden begraven. Dat kan trouwens helemaal niet, doden begraven geen doden. Wat zou Jezus bedoelen?

Bijbels gesproken zijn dood en levend nooit zwart-wit. Denk aan Mozes die tegen de Israëlieten zegt: Kies voor het leven. En leven is: God liefhebben door de weg te volgen die Hij wijst en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen. (Deuteronomium 30:15 en 19) Of denk aan de vader van de weggelopen zoon die -als zijn zoon is teruggekeerd-  uitroept: Laten we feestvieren want mijn zoon was dood en is weer tot leven gekomen. (Lucas 15:24)

Dood is degene die zijn hart niet zet op de toekomst. Dood is degene Gods weg niet wil gaan. Laat wie zó dood is zich met de doden bezighouden.

 

De man die zijn vader wil begraven wil teruggaan. Maar terug is niet de beweging die leidt naar Gods koninkrijk. Terug is niet de weg van God. Terug is terug naar af, is onvermogen om het verleden los te laten. En wie achterblijft in het verleden heeft geen toekomst. Wie blijft hangen in oud zeer vindt geen genezing. Wie vasthoudt aan schuld of schuldgevoel, vindt geen vergeving. Wie zich vastbijt in het verlangen gelijk te krijgen zal nooit de voldoening hebben van het ontvangen. Blijf toch niet staren op wat vroeger was. Sta niet stil in het verleden God zegt dat Hij iets nieuws gaat beginnen. Het is al begonnen, zie je het niet? (zie Jesaja 43:19 en Nieuw Liedboek 809)

 

eerst afscheid nemen

Een derde wil Jezus volgen maar hij wil eerst afscheid nemen van zijn huisgenoten. Dat herinnert ons aan Elisa de roeping door Elia accepteert maar wel eerst zijn vader en moeder wil kussen. En Elia zegt: doe wat je wilt, ik dwing je nergens toe. Dat lijkt me een belangrijk gegeven. Als God ons roept, laat hij ons volledig vrij om antwoord te geven. Hij geeft zijn woord en vraagt ons om ons ant-woord.

Dat antwoord komt uit onszelf. Het is niet ons kerkelijk thuis dat antwoord geeft of de traditie waarin wij wortelen. Daar vinden we hooguit de bemoediging of bevestiging om in vrijheid met God te gaan. Wij vallen er niet mee samen.

Het is ook niet ons verleden. Al heeft dat ons gevormd tot wie we zijn; door schade en schande misschien zelfs wel. Maar niet meer dan dat.

Het is ook niet onze familie, onze afkomst, waarop we terug kunnen vallen. Het gaat niet om de sporen die je getrokken hebt maar om de sporen die jij zult gaan trekken. Het gaat om jou. Jij, in alle kwetsbaarheid. Klein mens in een grote wereld. Jij draagt jouw geloof. Jij draagt jouw keuzes. Klein mens, maar recht je rug en maak je groot: Jij staat in Gods licht.

 

Gij zijt mijn onderkomen

De Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen. Het staat er met een hoofdletter -het gaat over Jezus-  maar evengoed moet het met een kleine letter gelezen worden. Het gaat ook over ons.

Over onze rusteloosheid om wat er nog gebeuren moet om van deze aarde een leefbare aarde te maken; of wij rustig kunnen slapen als er nog onrechtvaardigheid is; het gaat erom of wij onze ogen kunnen dichtdoen voor wie verdriet hebben, voor wie lijden. En in dat alles vertrouwen wij erop dat wij wel degelijk een onderkomen hebben. Onder de hoede van God zelf. (zie: Psalm 91 en NL 816:4 en 981:4)

Pagina 1 van 13