Blog
Preken

Preken (82)

Vertrekken en thuiskomen: De vossen hebben holen

 (afbeelding: Rien Poortvliet, boek: De vossen hebben holen)

 

18 augustus 2019   De Open Hof -  Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: 1 Koningen 19: 19-21 en Lucas 9: 57-62

 

Ik zal u volgen!

‘Ik zal hem volgen waar hij ook heen gaat.

Er is geen zee zo diep,

er is geen berg zo hoog

dat die mij bij hem vandaan kan houden.’

(uit het lied: I will follow him)

 

In het evangelie is Jezus heel vaak in gesprek met mensen die ergens aan vast zitten; aan hun bezit, aan hun positie of aan hun verleden. Soms zitten ze vast aan het beeld van God dat ze van huis uit hebben meegekregen. Of het zijn hun angsten en zorgen die hen tegenhouden. Totdat ze Jezus ontmoeten hebben ze eigenlijk niet in de gaten hoe onvrij ze leven. Maar de ontmoeting met Jezus opent de weg naar een leven in vrijheid; wel een weg met weinig zekerheden en volop uitdagingen en weerstanden.

Wat het betekent om Jezus te volgen komt in die korte gesprekjes naar voren.

De eerste komt bij Jezus: Ik zal u volgen waarheen u ook gaat.

Dat is juist het punt, zegt Jezus dan: ik ga nergens heen.

Zijn weg kent geen eindpunt.

Hij is wel onderweg naar Jeruzalem, maar níet om daar thuis te komen.

Niet om zijn hoofd neer te leggen op een plek die van hem is. 

Vossen hebben holen en de vogels bouwen een nest.

De Samaritanen, in het dorp waar Jezus net door heen is getrokken, vinden hun thuis op de berg Gerizim waar ze God aanbidden. En de Joden vinden dat in Jeruzalem. Wij hebben ons thuis in de Open Hof. Anderen hebben dat in een van de vele andere kerkgebouwen hier in Oud-Beijerland. Zo’n thuis is fijn. We hebben het goed met elkaar, staan voor elkaar klaar. Het schept kaders voor onze manier van geloven. Daar wil ik niets aan af of toe doen. Maar wie met Jezus op weg wil gaan moet ook beseffen dat het dáár niet om gaat.

 

Een gebouw betekent dat we muren hebben opgetrokken; dat er een deur is die dicht kan. Een huis kan bloedeloos worden, versteende zekerheid. (zie lied 816 in het Nieuwe Liedboek) Wij zijn hier thuis, onder ons. Als er een ‘wij’ is, is er ook altijd een ‘zij’. Maar wat betekent dat voor wie hier als gast of vreemdeling binnenkomt? Of voor onze samenwerking met andere kerkgemeenschappen, andere geloofsgemeenschappen? Als wij ‘onze manieren’ hebben, wat betekent dat dan voor de manieren van anderen? Eigenlijk geldt dit niet alleen voor mensen in een gebouw maar voor elk geloof, elke traditie, elke ideologie. Het schept een onderscheid tussen wie erbij horen en wie niet. Zo’n thuis heb ik niet en zo’n thuis bied ik je niet, zegt Jezus. Ik bied je geen schuilplaats waarin je je kunt verbergen en geen muren waarachter je kunt vluchten. Wie mij volgt is aangewezen op zijn eigen verantwoordelijkheid. Wie mij volgt heeft zijn eigen roeping om God te dienen in liefde en zijn koninkrijk te zoeken.

 

En wie nergens bij hoort, hoort overal bij. (citaat van Bram Moerland) Die is vrij om zich te bewegen tussen mensen en bewogen te zijn om mensen.

 

Sta me toe eerst terug te gaan

Tegen een tweede zegt Jezus: Volg mij! Maar deze zegt: Heer, sta me toe om terug te gaan om mijn vader te begraven. Wat is Jezus’ reactie hard en gevoelloos als hij zegt: Laat de doden hun doden begraven. Dat kan trouwens helemaal niet, doden begraven geen doden. Wat zou Jezus bedoelen?

Bijbels gesproken zijn dood en levend nooit zwart-wit. Denk aan Mozes die tegen de Israëlieten zegt: Kies voor het leven. En leven is: God liefhebben door de weg te volgen die Hij wijst en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen. (Deuteronomium 30:15 en 19) Of denk aan de vader van de weggelopen zoon die -als zijn zoon is teruggekeerd-  uitroept: Laten we feestvieren want mijn zoon was dood en is weer tot leven gekomen. (Lucas 15:24)

Dood is degene die zijn hart niet zet op de toekomst. Dood is degene Gods weg niet wil gaan. Laat wie zó dood is zich met de doden bezighouden.

 

De man die zijn vader wil begraven wil teruggaan. Maar terug is niet de beweging die leidt naar Gods koninkrijk. Terug is niet de weg van God. Terug is terug naar af, is onvermogen om het verleden los te laten. En wie achterblijft in het verleden heeft geen toekomst. Wie blijft hangen in oud zeer vindt geen genezing. Wie vasthoudt aan schuld of schuldgevoel, vindt geen vergeving. Wie zich vastbijt in het verlangen gelijk te krijgen zal nooit de voldoening hebben van het ontvangen. Blijf toch niet staren op wat vroeger was. Sta niet stil in het verleden God zegt dat Hij iets nieuws gaat beginnen. Het is al begonnen, zie je het niet? (zie Jesaja 43:19 en Nieuw Liedboek 809)

 

eerst afscheid nemen

Een derde wil Jezus volgen maar hij wil eerst afscheid nemen van zijn huisgenoten. Dat herinnert ons aan Elisa de roeping door Elia accepteert maar wel eerst zijn vader en moeder wil kussen. En Elia zegt: doe wat je wilt, ik dwing je nergens toe. Dat lijkt me een belangrijk gegeven. Als God ons roept, laat hij ons volledig vrij om antwoord te geven. Hij geeft zijn woord en vraagt ons om ons ant-woord.

Dat antwoord komt uit onszelf. Het is niet ons kerkelijk thuis dat antwoord geeft of de traditie waarin wij wortelen. Daar vinden we hooguit de bemoediging of bevestiging om in vrijheid met God te gaan. Wij vallen er niet mee samen.

Het is ook niet ons verleden. Al heeft dat ons gevormd tot wie we zijn; door schade en schande misschien zelfs wel. Maar niet meer dan dat.

Het is ook niet onze familie, onze afkomst, waarop we terug kunnen vallen. Het gaat niet om de sporen die je getrokken hebt maar om de sporen die jij zult gaan trekken. Het gaat om jou. Jij, in alle kwetsbaarheid. Klein mens in een grote wereld. Jij draagt jouw geloof. Jij draagt jouw keuzes. Klein mens, maar recht je rug en maak je groot: Jij staat in Gods licht.

 

Gij zijt mijn onderkomen

De Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen. Het staat er met een hoofdletter -het gaat over Jezus-  maar evengoed moet het met een kleine letter gelezen worden. Het gaat ook over ons.

Over onze rusteloosheid om wat er nog gebeuren moet om van deze aarde een leefbare aarde te maken; of wij rustig kunnen slapen als er nog onrechtvaardigheid is; het gaat erom of wij onze ogen kunnen dichtdoen voor wie verdriet hebben, voor wie lijden. En in dat alles vertrouwen wij erop dat wij wel degelijk een onderkomen hebben. Onder de hoede van God zelf. (zie: Psalm 91 en NL 816:4 en 981:4)

Vertrekken en thuiskomen: een oase onderweg

(foto: Hamminga, Liwa Oase, Saudie Arabie)

 

11 augustus 2019  PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Exodus 15: 22 – 16: 4a

 

onderweg

Je weet wat je hebt, maar niet wat je krijgt.

Wie nadenkt over verandering, van werk, van woonplaats, van relatie… wie zich geplaatst weet voor keuzes – al dan niet noodgedwongen-  zal ook de ervaring hebben dat je weet wat je hébt, maar niet wat je kríjgt. Verandering geeft onrust en onzekerheid. Je bent al snel geneigd de oude situatie te relativeren en je vast te klampen aan wat daarin toch ook goed is. Het vraagt om moed om het oude los te laten en onderweg te gaan. Het vraagt om geduld. Want je bent niet zomaar waar je terecht wilt komen. Het vraagt om visie, om vasthoudendheid aan je droom: dáár wil ik naar toe.

 

Gods volk is bevrijd uit Egypte. Achter hen liggen jaren van onvrijheid en angst. Ergens vóór hen ligt land dat God heeft beloofd. Een land dat overvloeit van melk en honing, een land waar Gods mensen in vrijheid mogen samenwonen. Voorlopig is het een stip op de horizon. Want tussen vertrekken en thuiskomen ligt onderweg zijn. Tussen Egypte en Kanaän ligt woestijn.

En die woestijn is het oefenterrein voor Gods volk. Oefenen om een vrij mens te zijn, oefenen welke verantwoordelijkheden dat mee brengt. Er zijn daar geen gebaande paden maar je zult leren vertrouwen op de God die de weg wijst en meetrekt. Want dat blijkt de hamvraag te zijn van Gods volk onderweg: Is God nu in ons midden of niet? (Zie Ex 17:7)

 

dorst

Net onderweg wacht een bittere teleurstelling: ze hebben dorst en het water is niet te drinken. En ze hebben honger. Dát hadden ze in Egypte in ieder geval niet. Daar waren de vleespotten gevuld en er was volop brood te eten. 

 

Van tijd tot tijd komen we in onze eigen woestijn terecht. Een tijd van eenzaamheid, een tijd die we ervaren als zinloos of frustrerend. Een tijd dat we dorsten, verlangen naar iets anders. Durf het ook te zien als een periode dat je wordt gevormd. Zie de momenten dat je wordt uitgedaagd door het leven niet als een ondragelijke last. Ga niet net als de Israëlieten lopen klagen en zeuren dat vroeger als beter was. Zie de moeilijke omstandigheden ook als een kans om te leren vertrouwen op God. En om je open te stellen voor wat hij je kan geven. Elke dag weer.  

 

Want dat leert Gods volk. Dat ze kunnen vertrouwen op God. Mozes, roepen ze, we hebben dorst. God, roept Mozes, ze hebben dorst. En de Heer wees Mozes op een stuk hout en toen hij dat in het water gooide werd het water zoet.

Vertelt de verteller hier dat uit bittere omstandigheden ook iets zoets kan ontstaan? Dat de bitterheid wordt opgeheven als we ons tot God wenden? Misschien. Soms is dat ook de ervaring van mensen.

Of wordt verteld dat de oplossing voor een probleem altijd onder handbereik ligt, als een stuk dat voor het grijpen ligt in de woestijn. Kan ook. Ook dat is soms onze ervaring.

Maar we lezen nog eens: En de Heer wéés Mozes op een stuk hout… God wijst de weg. Hij wijst door zijn wetten en regels te geven en door hen op de proef te stellen. Dorst is een beproeving. Maar waar dorst je naar? Wil je God ook een plek geven in je leven, dorst je ziel naar hem als een hart dat drinken wil? Zoek je naar hém en naar wat hem voor ogen staat?

Wil je alleen je eigen dorst lessen of let je er ook op dat anderen te drinken hebben. Jezus zal later zeggen: Gelukkig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Dát is dorst die de weg wijst. In de woestijn van het leven maakt Gods woord het leven mogelijk. Het is de bron om uit te drinken. Jezus verbindt er ook een belofte aan: Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. We kunnen honger en dorst onderweg verdragen omdat thuiskomen zeker is.

 

honger

God geeft water om te drinken. En brood dat leven geeft.

Brood dat uit de hemel valt. Voor elke nieuwe dag genoeg. Jezus zal ons later leren bidden met de woorden: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat gaat niet over liefde die door de maag gaat maar over liefde voor het leven. Want een mens leeft niet van brood alleen maar van Gods woord. Als wij brood en wijn delen en elkaar het brood aangeven met de woorden: Brood uit de hemel, dan weten we dat Gods woord onze leeftocht is voor onderweg en dat Jezus met zijn liefde, met zijn leven en zijn lichaam heeft voorgedaan hoe je leeft vanuit vertrouwen op dat woord. Geef ons heden ons dagelijks brood… geef ons elke dag wat we nodig hebben om te leven als mens van U. Geef ons inzicht. 

 

De verhalen over het water en brood in de woestijn hebben alles te maken met het opengaan van onze ogen voor de werkzaamheid van God in ons leven. Hij is te vertrouwen. En hij rekent erop dat ook wij te vertrouwen zijn. Denk even aan de woorden van Psalm 23: De Heer is mijn Herder. In ’t hart der woestijn verkwikken en laven zijn hemelse gaven…’  We ontvangen wat we nodig hebben als wij daarvoor openstaan. Dat brengt verder dan klagen en zeuren dat vroeger alles beter was.

 

Elim

Dit woestijnverhaal is opgeschreven tijdens de ballingschap. Toen het beloofde land onleefbaar geworden was. Een slecht beheerde, woeste, verwarde, richtingloze samenleving. Ieder voor zich… Het is dus een profetisch verhaal, dat het anders kan en anders moet. Het is een verhaal dat vasthoudt aan de droom, aan de stip op de horizon. (Huub Oosterhuis, Niets is onmogelijk, 25)

Dat verlangen wil maar niet van ons wijken: verlangen naar een leven dat de moeite waard is. Een bestaanbare aarde, voor onszelf en onze geliefden.

Godzijdank zijn er af en toe oases zoals Elim. Een plek waar het goed rusten is. Elim laat al gebeuren waarop we hopen. Dat de woestijn zal bloeien als een roos. Dat mensen zullen wortelen aan levend water en vrucht zullen dragen. (Ps 1) Dat zij recht en rechtvaardig als palmen zullen leven. (Ps 92)

 

Ook Jezus verkondigt dat wij in de woestijn van deze wereld mogen vasthouden aan de droom dat het anders kan. Dat een menselijke eerlijke samenleving mogelijk is. Het is een droom die in beweging brengt en in beweging houdt. Want door die droom houden mensen elkaar vast; gaan ze op zoek naar vrede in alle onvrede, naar recht in alle onrecht. We zoeken naar water waar mensen dorst hebben en delen elkaars honger naar gerechtigheid. Dan kan soms iets van een oase doorschemeren. Iets van Gods nieuwe wereld.

zomerserie Vertrekken en thuiskomen: Naomi en Ruth

4 augustus 2019 De Open Hof – Oud-Beijerland

afbeelding: Avi Katz 

ver van huis

Slechts vijf verzen heeft de verteller nodig om ons op de hoogte te brengen van de situatie van Naomi. In alle opzichten is ze ver van huis. De ellende heeft zich opgestapeld. En nu zit ze zonder man, zonder zonen, zonder toekomst, zonder hoop.

Naomi representeert al die mensen die weten hoe makkelijk je dromen vervliegen en die weten hoe kwetsbaar je bent. Als mens, als gezin, raak je maar zo ver van huis door een verkeerde beslissing, door een speling van het lot. Ellende kan zich zomaar opstapelen tot je niet meer weet hoe je eruit moet komen. Soms dwalen we rond in een land waar we niet moeten zijn. In het land van verdriet, in het land van eenzaamheid, in het land van schuld, in het land van boosheid en wrok. Allemaal ellende, allemaal buiten-landen.

(N.b. Dat is de oorspronkelijke vertaling van ‘ellende’, ‘elelendi’ in het Oud-Nederlands. Wie zijn land verliet, deed dat omdat er rampspoed was. Ellende dus)

 

Dat ver van huis zijn is niet alleen een menselijke ervaring; het is ook de ervaring van Gods volk. Telkens weer horen we in de Bijbel hoe mensen daar terecht komen, waar ze niet thuis horen. Abraham en Sara komen door een hongersnood terecht in Egypte. Weten we het nog van musical? Dat het bijna Abrahams huwelijk kost als de farao Sara tot vrouw wil nemen. En ook de broers van Jozef, zonen van Jacob, trekken door honger gedreven naar Egypte en zij blijven daar wonen. Maar als er een farao komt die Jozef niet heeft gekend, worden zij tot slaven gemaakt. Honger is kennelijk een slechte raadgever.

 

Maar de meest bittere ervaring van ver van huis raken voor Gods volk is het weggevoerd worden in ballingschap. Verstoten door de Eeuwige zelf, door hun eigen foute beslissingen en leefwijze, ver van huis. (1 Kon 17: 23)

 

Dat alles weet te verteller op te rakelen met vijf verzen over ver van huis zijn. Maar de rest van hoofdstuk gaat over iets veel belangrijkers: over terugkeren. Abraham komt weer terug in Kanaän, de stammen van Jacob komen thuis in het beloofde land. En het volk in ballingschap droomt erover: Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn. (Huub Oosterhuis, Psalm 126) En ook in het Nieuwe Testament: de verloren zoon, die alles heeft gedaan wat zijn vader en God verboden, keert terug. Naar zijn vader en het land van zijn geloof. De Bijbelse verhalen brengen ons zo altijd ‘back to the future’, terug op de weg naar morgen.

 

moed om op te staan

Wat is er nodig om je te realiseren dat je ergens bent waar je niet thuishoort? Hoe kun je verder als je met de scherven van je geluk op schoot zit? Hoe ga je verder als je weg zo anders loopt dan verwacht? Ik zou soms willen dat er een recept voor was dat ik door kon geven aan mensen die in de ellende vast zitten. Dat is er niet. Toch hoor ik mezelf soms praten: echt, je zult het zien, het wordt beter; jij wordt beter; je zult het zien, je lijkt nu ver van huis maar je zult je weer thuis voelen. Je komt er door heen, of je leert ermee leven. En ik zie het ongeloof in hun ogen.

 

In het vastgelopen verhaal van Naomi komt beweging als zij hoort dat God zich het lot van zijn volk heeft aangetrokken, er is weer brood in Bethlehem. In de geloofsbeleving van de verteller en van Naomi kan een hongersnood niet zomaar ophouden. Dat heeft iets met God te maken. Iets met Gods bekommernis, met zijn bemoeienis. Het is voldoende om weer hoop te krijgen, om moed te vatten. Om zelf in beweging te komen. Ook in dat verre Moab, ondanks alles wat haar is overkomen, is er een iets van God in haar achtergebleven. En dat vonkje ontvlamt door het nieuws dat er weer brood is. Naomi keert terug. En haar schoondochters, Orpa en Ruth, gaan met haar mee.

Hoe ver we ook zijn, in ons zit altijd de veerkracht om net als Naomi op te staan en ons klaar te maken voor de weg terug. Ik wens het mijzelf en jullie in ieder geval toe, dat we in moeilijke tijden de weg terug weten te vinden naar de basis. Naar het geloof dat God met ons begaan is en ons, ook in dat wij dat niet zo ervaren, vast blijft houden.

 

terugkeren

Wie ver van huis is geraakt, weet dat je niet ongeschonden blijft. Je kunt niet zomaar terugkeren naar wie je was. Wat je hebt meegemaakt, heeft je getekend, bitter (Mara) gemaakt misschien. Het heeft misschien ook de omgang met mensen veranderd. Soms voelt terugkeren een nederlaag. Wat zullen de mensen wel niet denken. In de Bijbel heeft terugkeren ook altijd te maken met: wat heb je geleerd? Wat heb je geleerd over jouw omgang met God? Wat heb je geleerd -of afgeleerd- over jouw omgang met mensen, gelegd langs de lat van de tien geboden?

 

Over dat terugkeren, met alle verlies en alle winst, gaat het in dit verhaal. In het Hebreeuws is er 15x een variant op dat terugkeren te lezen. Duidelijker kan de tekst ons niet maken dat het gaat over de vraag waar je als mens thuishoort, waar je bestemming ligt. Het gaat over wortels, over ‘oorsprong en doel en zin’. (Nieuw Liedboek 513)

 

Orpa’s bestemming ligt in Moab. Wat heeft zij als vreemdeling te zoeken in Juda? Zij heeft daar geen toekomst. Ze heeft groot gelijk. Soms moet je gewoon loslaten en je eigen weg gaan. Je kunt het niet altijd met elkaar uithouden en dan is het beter uit elkaar te gaan. Terug naar jezelf, naar je land. Pijnlijk. Moeilijk. Maar zo is ons leven nu eenmaal. 

 

Naomi keert terug naar af. Of haar leven nog doel en zin heeft weet ze op dat moment niet. Misschien wil ze alleen maar terug om haar verdrietige vermoeide lijf op haar moedergrond te laten rusten. Verbitterd is ze en niet de makkelijkste om mee op te trekken. Als Ruth zo vurig haar trouw aan Naomi toont, haalt deze nog net haar schouders niet op.

Ik heb je niets te bieden, zegt Naomi. Maar voor Ruth telt dat zij trouw is. Trouw aan zichzelf -haar naam betekent ‘vriendschap’-  en trouw aan Naomi. Ook als zij er zelf niet beter van wordt, ze blijft. God heeft mij in de steek gelaten, zegt Naomi.

(Nb: In 21 noemt Naomi God zowel ‘JHWH, de Nabije, als de Ontzagwekkende. Zij ervaart afstand.)

Maar ík zal bij je blijven, zegt Ruth. Dát is nog eens een bestemming: er zijn voor de ander in vriendschap en leven. En zo die ander ook zicht geven op God, want waar vriendschap is en liefde, daar is God.

 

onderweg naar morgen

Een juffrouw op de basisschool schreef in mijn poeziealbum over Orpa en Ruth. En hoe de keuze van Ruth vooruitwijst naar een ander leven, een nieuw leven.

 

‘t Aardse dal door ons betreden

heeft twee wegen zegt de Heer.

Orpa koos voor zich de brede,

Ruth de smalle tot God’s eer.

 

Dat men jou ook moge vinden

op ‘t door Ruth betreden pad,

reizende met Godsgezinden

naar de zaal’ge Hemelstad

 

In haar loyaliteit en vastberadenheid is Ruth een prachtig voorbeeld om te volgen. Soms wordt van ons niet anders gevraagd dan te blijven, of mee te gaan. Wij zijn allemaal wel iemands schoondochter, of dochter, of zus, of vriendin. We zijn allemaal schoonzoon, vader, broer. En het komt ooit op onze weg om het verhaal van de ander te verdragen. Om trouw te zijn, om aan te horen, te verduren.

 

Dit meetrekken met een ander overstijgt cultuur, geloof of afkomst. Het vraagt om de moed om je open te stellen voor de ander. Het vraagt om de durf om kwetsbaar te zijn in het samen optrekken. Het houdt ons vandaag de droom voor dat het kán, een wereld zonder grenzen, Gods nieuwe wereld.

Daarom is het einde van dit hoofdstuk zo beeldend. Niet het beeld van de klagende Naomi blijft hangen, maar dat de gersteoogst begint.

Als een zichtbaar teken dat God heeft omgezien naar zijn volk. Er kan weer gegeten worden; er is weer leven mogelijk. Als de Bijbel ons iets leert, is dat het nooit uitzichtloos zal worden.

overweging op zondag 7 juli 2019 in De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

In deze dienst zwaaien we de World Servants. Het jaarthema van de World Servants is: Outgrow yourself – dare to serve.

 

uit de Bijbel: Psalm 1: 1-4 en Marcus 10: 35-52

 

duim: hier ben ik goed in

Jacobus en Johannes zijn zich bewust van hun bijzondere positie in het gezelschap van Jezus. Heel veel mensen voelen zich tot hem aangetrokken; willen hem volgen. Maar zij behoren tot de twaalf beste vrienden van Jezus. Ze hebben er veel voor opgegeven: ze zijn weggegaan bij hun vader Zebedeus; ze hebben hun gewone werk uit hun handen laten vallen en daarmee ook hun broodwinning en toekomstvoorziening. Is het dan teveel gevraagd dat ze daarvoor erkenning krijgen, een beetje waardering? Een beloning? Laat Jezus maar een mooi plekje voor hen reserveren in de hemel! Een links en een rechts van hem….

Zo zitten we in elkaar. Als we ergens goed in zijn, willen we daarin ook graag gezien worden. Als we ergens ons best voor doen, willen we daar ook wel voor beloond worden met een goed cijfer, een goed salaris, een blijk van waardering. En bij goed hoort beter… vaak smaakt succes naar meer.

Die valkuil legt Jezus bloot als de andere leerlingen woedend reageren op de vraag van Jacobus en Johannes. Waarom ze boos zijn staat er niet….. misschien wel omdat ze zichzélf op de ereplaats hadden willen zien waarom Jacobus en Johannes hebben gevraagd.

Jezus zegt: pas op. Wie macht heeft, komt makkelijk in de verleiding om die macht te gebruiken om er zelf beter van te worden. Wie ergens de leiding krijgt, omdat hij daar goed in is, zit ook op de plek om de baas te gaan spelen over anderen. Degene aan wie de financiën worden toevertrouwd, omdat zij daarin de beste is, zou kunnen sjoemelen met declaraties. Wie goed is in voetbal kan in de verleiding komen zélf te willen scoren in plaats van over te spelen. Wie speelt op topniveau en nóg beter wil worden zoekt misschien zijn heil bij doping. Voor die dingen wil Jezus zijn leerlingen behoeden.

 

wijsvinger: hier ga ik naar toe

Welke weg kies je voor jezelf? Jezus houdt zijn leerlingen voor dat zíjn weg niet makkelijk zal zijn. Hij zal veel moeten meemaken en lijden. En ook zijn volgelingen zullen het niet makkelijk krijgen. Daar moeten ze niet te licht over denken.

De weg die je kiest bepaalt uiteindelijk ook waar je uitkomt. In Psalm 1 lazen we dat de weg van slechte mensen doodloopt. Zij verwaaien op de wind. Je hoort er niets meer van. Maar wie de weg met God gaat zal groeien en vrucht dragen. Bij God horen woorden als: liefde, trouw, geduld, vergevingsgezindheid, mildheid, vriendschap. Als je uit die woorden leeft zal dat ook je weg bepalen. Dan zullen je voeten de weg weten te vinden naar de plaatsen waar je nodig bent, of waar je iets kunt betekenen. Dan zullen je handen weten wat ze kunnen doen of kunnen geven. Dan zul je ook andere mensen tegenkomen, mooie ontmoetingen hebben. Dat is een weg die impact heeft. Jij groeit eraan maar je laat ook iets achter. Je zult niet vergeten worden. Dat is iets dat je moet leren. Gaande-de-weg.

Voor Jacobus en Johannes dient zich meteen een goede praktijksituatie aan. Ze kunnen oefenen. Langs hun weg zit een blinde bedelaar. Die hard begint te roepen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij! Maar de mensen om hem heen zeggen dat hij zijn mond moet houden.

 

middelvinger: hier heb ik een hekel aan

Precies in het midden zit de samenvatting: Jezus waarschuwt dat je ambities om hogerop te komen je op het verkeerde pad kunnen brengen. En uiteindelijk zien we het in de praktijk meteen fout gaan als Bartimeus, toch een beetje een randfiguur zo langs de weg, de mond wordt gesnoerd. De blinde wordt niet gezien. Dat is wel een beetje ironisch. Laten we er een hekel aan hebben dat mensen over het hoofd worden gezien; in haast voorbijgelopen of tot zwijgen gebracht.

 

ringvinger: hier ben ik trouw aan

Jezus is trouw aan zijn roeping. Hij is trouw aan het goede nieuws dat Gods nieuwe wereld dichtbij is en dat mensen daar deel van kunnen uitmaken als zij hun levenswijze veranderen. (Mc 1:15) Hoe zij hun leven kunnen veranderen laat hij zelf zien. Waar hij komt worden mensen geheeld naar lichaam en geest;

waar Jezus is wordt gesproken over vergeving (Mc 2:5) en worden mensen uitgedaagd het slechte pad te verlaten. (Mc 2: 14) Waar Jezus is komt de discussie op gang over wat echt geloof is en hoe je daar uit leeft. (Mc 2:24 en Mc 4, Mc 10: 17-22)

Je kunt Jezus aanspreken op wat hij verkondigt. Hij is oprecht en transparant. Het is dáárdoor dat hij veel moet meemaken: hij zal lijden en gedood worden. De wereld waarin hij leeft is niet toe aan zo’n levenswijze. Zijn kracht is een tegenkracht; zijn woord is een weerwoord op wat de religieuze leiders van zijn tijd verkondigen en zijn liefde stelt de liefdeloosheid van zijn tijd onder kritiek.

Zijn weg liep uiteindelijk dood. Maar op een heel andere manier dan de weg van de slechte mensen in Psalm 1. Die vervliegen op de wind en je hoort er nooit meer wat van. Terwijl wij het vandaag over Jezus hebben. En over wat hij ons nalaat. Aan waarden om trouw aan te zijn; aan voetstappen om in te gaan staan. Jezus’ leven is niet verwaaid op de wind, omdat Jezus niet alleen trouw bleef aan zijn roeping, maar ook omdat God, die hem riep, trouw bleef aan Jezus.

 

pink: hier wil ik in groeien

‘Als je de belangrijkste wilt zijn, moet je anderen dienen. Als je de voornaamste wilt zijn, moet je de anderen dienen zoals een slaaf doet.’ Groeien doe je niet door omhoog te reiken maar door laag in te zetten. Gewoon bij de mens die naast je is, links of rechts van je; gewoon bij de mens die op je pad komt zoals Bartimeus. Groot worden door klein te blijven.

Outgrow yourself… groei er overheen… groei over je verlangen heen om overal in gezien te worden, om waardering te krijgen voor wat je doet. Groei over je wens heen om beloond te worden. Doe wat je doet omdat je hart het je ingeeft. Doe wat je doet omdat het jouzélf vreugde geeft en rijker maakt. Doe het omdat jij een mens wilt zijn mét en vóór andere mensen.

Groei over je onzekerheid heen over wat een ander dan misschien van jou vindt. Groei over je angst heen dat het niet goed genoeg is wat jij doet omdat een ander het misschien beter kan.

Groei over je belemmeringen en tekortkomingen heen. God ziet jou in wie je bent en in wat jij kunt betekenen voor zijn nieuwe wereld. Jezus heeft jou met zijn leven gered; hij heeft jou in de vrijheid gezet zodat je nergens door tegen wordt gehouden om er te zijn voor anderen.

Dare to serve…. durf een ‘servus’ te zijn (dat is Latijn voor slaaf). Durf te zijn zoals Jezus die alle belangrijkheid op gaf en zichzelf onbelangrijk maakte. Hij liet zich niet voorstaan op zijn hemelse positie maar zocht zijn weg op aarde. (Filippenzen 2: 6-7)

Durf net als hij de weg van de dienende liefde te gaan. Durf groot te worden door klein te blijven.

overweging op zondag 23 juni 2019      De Open Hof Oud-Beijerland

 

In deze dienst hebben we stil gestaan de overstap van de basisschoolkinderen naar het voortgezet onderwijs en van de kinderdienst naar de tienerdienst.

De afbeelding is afkomstig uit de Encyclopedie van het Jodendom. 

 

uit de Bijbel: Deuteronomium 6: 1-9

 

godsdienstoefening

Om ergens goed in te worden je er minimaal 10.000 uur in hebben gestoken. Veel oefenen dus. Daarom vind ik ‘godsdienstoefening’ zo’n mooi woord. Of de uitdrukking: ‘je geloof uitoefenen’. Geloof komt je niet aanwaaien of met de paplepel ingegeven. Het is een kwestie van oefenen, van lange adem. Gods volk had er 40 jaar voor nodig!

 

Daar komt bij dat geloven in onze levens niet meer vanzelfsprekend is. En ook het doorgeven van geloof vinden we moeilijk. We vertrouwen dat God bij ons maar erover praten, dat is lastig. We weten ook wel dat er rondom de kerk van alles te doen is wat goed en betekenisvol is, maar we hebben zo weinig tijd. En als kerkelijke gemeente voelen we de noodzaak om kinderen en jonge mensen het geloof te leren maar we voelen ons onthand, onhandig, omdat hun beleefwereld ver weg staat van de onze; omdat het soms moeilijk is afstand te nemen van oude woorden en vormen.

Voor godsdienstoefening geldt hetzelfde als voor alle andere oefening: het is niet altijd leuk, je hebt er niet altijd zin in of je ziet de zin er niet van in. Maar het is wel nodig.

Hoe belangrijk dat leren van geloof is, hoe belangrijk geloofsopvoeding is, horen we in Deuteronomium.

 

het land aan de overkant

Het heeft alles te maken met het land aan de overkant. Het land dat God heeft beloofd. Het is niet echt een land dat je op de kaart kunt aanwijzen. Eerder is het een manier van spreken over het land van morgen. Het is de toekomst die God voor ogen heeft. Het geluk dat hij wil voor zijn volk, voor hun kinderen en hun kleinkinderen. Het land aan de overkant is een samenleving waar mensen ook écht samen leven; waar mensen weten hoe het is om onvrij te zijn; waar mensen er op uit zijn in vrijheid te leven en elkaar die vrijheid ook te gunnen.

Echte vrijheid gedijt bij grenzen. En Gods geboden vormen die grens. Israël oefende ermee in de woestijn. Met vallen en opstaan leerden zij niet alleen met elkaar maar ook met God te leven. Zij leerden te vertrouwen en zij leerden betrouwbaar te zijn. Onderweg tussen Egypte en Kanaän, tussen verleden en toekomst. Wij oefenen ons geloof in deze prachtige maar ook zo wanordelijke wereld vol spanningen. En we hopen op wat Jezus noemde: Gods nieuwe wereld, het koninkrijk van de hemel.

 

ons leven

Je geloof oefenen begint met luisteren.

Luister! Stel je open en laat elke dag opnieuw tot je doordringen dat God er is. Dat Hij om je liefde vraagt. Waarom? Omdat hij de bron van die liefde is. Omdat aan alles wat wij zijn, aan alles wat wij doen, zijn liefde vooraf gaat. Luister! Sta open voor God die liefde is. En prent dát je kinderen in.

Leer je kinderen wat je zelf hebt gehoord. Leer hen hóe jij het hebt gehoord. Het mooie van iets uitleggen, is dat je het dan zelf ook beter gaat begrijpen. Door een ander inzicht te geven in wat jij gelooft, kan nieuw inzicht rijpen. We zijn dus, als het gaat om Gods liefde, de aangewezen personen om het áán elkaar te leren, maar ook om ván elkaar te leren. Wat zou het mooi zijn als wij zo’n gemeente kunnen zijn: waar wij niet alleen de kinderen iets leren, hen voorgaan op de weg van het geloof, maar ook van hen willen leren.

Je geloof oefenen begint met luisteren maar direct erna komt: Spreek! Wees vrijmoedig om woorden te geven aan wat je gelooft. Thuis, onderweg, in rust en als je aan het werk bent. Waarom zou je terughoudend zijn in wat voor jou waardevol is. Waarom zou je niet je geloof al sprekend een plaats geven in je dagelijks bestaan. Ik weet dat dat voor veel mensen lastig is.

Soms raken mensen ervan in de war als ze horen hoe een ander zijn of haar geloof verwoordt. Ze vragen zich af of ze het zelf dan wel goed doen; of maken zich zorgen of die ander het wel goed doet…. Soms zijn mensen bang dat ze ervan in de war raken; of dat zij oude zekerheden moeten opgeven. Maar leren, oefenen, heeft het gesprek nodig. 

 

doosje

Dat gesprek zou bijvoorbeeld kunnen gaan over doosjes. Joden dragen bij hun gebed een gebedsriem met een doosje aan de arm en op het voorhoofd. Precies zoals dit Bijbelgedeelte voorschrijft. En aan de deurpost hebben veel Joden een mezoeza, ook een klein doosje. Dat zijn geen lege doosjes. Er zitten woorden in uit de Tora. Ook de woorden van Deuteronomium 6 zitten erin, het zogenaamde Sjema, Luister Israël. Heb de Heer lief…. Alles wat je doet met je handen, met je hoofd… alles wat er gebeurt in jouw huis, in jouw stad, dat kan niet zonder de liefde van God en de liefde voor God.

Het zou een interessante vraag kunnen zijn wat jij in een doosje zou willen meedragen; of wat jij aan de deurpost van je huis zou willen hangen. Wat zit er in het doosje dat jij aan je kinderen door wilt geven? Wat is voor jou kostbaar om te horen en over te spreken?  Wat houd jou bij de les in je dagelijks leven? Wat is het motto in jouw huis?

Wat zou het mooi zijn als we deze vraag vasthouden en bij de koffie luisteren naar elkaars antwoorden en erover spreken.

opzet voor een overstapdienst: Ik ga op reis en ik neem mee…

 

In de week vóór de dienst komen de ouders van de overstappers bij elkaar. We delen wat het betekent voor ons dat onze kinderen van de basisschool naar de brugklas en van de kinderdienst naar de tienerdienst (of de kerk) overstappen.

 

rondje

Ik ben de (groot)ouder van……

Hij/Zij is de oudste/middelste/jongste/…….

Zo kijk ik aan tegen zijn/haar overstap van de brugklas naar groep 8

Zo kijk ik aan tegen de overstap van de kinderdienst naar de kerk en tienerdienst.

 

uitwisseling

Thema van de dienst is: Ik ga op reis en ik neem mee…… Goed beschouwd heb je maar weinig nodig. Jezus stuurt zijn volgelingen op pad met zo weinig mogelijk bagage. Maar wel met een opdracht.

 

‘Overal waar je komt, moet je het goede nieuws vertellen en zeggen: Gods nieuwe wereld is dichtbij.’

 

‘Neem geen geld aan van de mensen. Geen groot bedrag maar ook geen kleingeld. Neem ook geen tas mee, geen extra kleren, geen schoenen en geen stok. Je krijgt wel wat je nodig hebt, want jullie werken hard.’

 

Wat heeft jouw zoon of dochter in zijn/haar mars, in de bagage, waardoor hij/zij het wel redden zal?

 

Wat heeft jouw zoon of dochter nodig?

 

Wat wens je hem of haar toe?

 

Er zijn eenvoudige paspoorten gemaakt van bordeauxrood karton en twee witte blaadjes in het midden geniet. De ouders schrijven daarin hun antwoorden op de vragen. Deze paspoorten geven de ouders mee aan hun kinderen tijdens de overstapdienst.

 

voorbeden

We bedenken waarvoor we zouden willen danken en bidden. Een van de ouders zal tijdens de dienst de voorbeden uitspreken.

Ik wil graag danken voor……..

Ik wil graag bidden voor/dat…….

 

praktische zaken

Aan de ouders wordt gevraagd twee foto’s te mailen: een foto van de doop of babytijd en een recente foto. Liefst een waarop hun kind iets doet waarin het goed is of veel plezier heeft. Deze foto’s worden getoond tijdens de overstapdienst. Tijdens het vertonen van de foto’s kan een lied klinken. Wij gebruikten: ‘Ik wens jou’ van Trinity. Andere mogelijkheden: ‘Dochters’, Marco Borsato; ‘Zolang jullie nog bij me zijn’, Ali B; ‘Gewoon je best doen’, Glen Faria; ‘Samen voor altijd, Marco Borsato en Jada;

 

De overstappers nemen hun rugzak mee naar de kerk.

Zij krijgen daarin tijdens de dienst dingen om mee te nemen.

 

-wijsheid: een kaartje met een mooie spreuk. Die van ons: ‘Always remember you are braver than you believe, stronger than you seem, and smarter than you think.’ A.A. Milne.

vertrouwen: de overstappers krijgen een kus of knuffel van hun ouders (en evt andere mensen in de kerk)

-moed: schoenveters in een geinige uitvoering

-vriendelijkheid: een rolletje snoep om uit te delen

-havens: een kartonnen sleutel of snoepsleutel met het label: ‘sleutel van ons hart’.

 

De tienerdienst is op de hoogte. Zij zullen de overstappers verwelkomen bij de tienerdienst.

 

de overstapdienst

Voor de dienst hebben de kinderen de woordzoeker bij Psalm 121 gekregen en een pen. Deze puzzel staat in de Samenleesbijbel. Omdat zij tijdens de lezingen ook in de kerk zijn, mogen zij tijdens het luisteren de woordzoeker oplossen. Na het lied ‘Ga met God’ mogen de kinderen vertellen wat de oplossing is.

 

De voorganger komt met de kerkenraad binnen. Zij/Hij heeft een koffer bij zich.

Bij het moment ‘In de kerk’ vertelt de voorganger dat zij binnenkort een korte vakantie heeft naar de zon. Wat heeft ze nodig? Misschien willen de kinderen even meekijken en beslissen wat er uit de koffer kan. Een paar warme handschoenen? Je weet tenslotte nooit of het koud wordt; een fles allesreiniger? Soms zijn hotelkamers zo vies; een steelpan?

Clou: je hebt minder nodig dan je denkt.

 

woorden voor wie op reis is: Psalm 121 uit de Bijbel in Gewone Taal

 

lied: Je hoeft niet bang te zijn, NL 935

 

uit de Bijbel: Matteus 10: 5-13 uit de Bijbel in Gewone Taal

 

lied: Ga met God en Hij zal met je zijn, NL 416

 

Op verschillende plekken in de kerk kunnen de kinderen tijdens deze ‘toespraak’ iets ophalen. Bijvoorbeeld bij de leiding van de kinderdienst, bij de koster, bij de ouderling….

 

Beste overstappers,

bijna is jullie tijd op de basisschool voorbij. Na de vakantie gaan jullie naar de brugklas. Dat is voor ouders best een momentje. Die beseffen dan plotseling dat jullie groter worden en steeds meer je eigen ding gaan doen. Misschien vind je het zelf ook best spannend.

 

Hoe zal het gaan straks? Wat kom je tegen? Waar moet je rekening mee houden.

We doen alsof het leven een reis is. En voor een reis neem je dingen mee. Geen nutteloze dingen; niets dat overbodig is. Want we vertrouwen op Jezus die zei: je krijgt onderweg wel wat je nodig hebt.

 

Op jullie reis door het leven komen jullie vast en zeker langs de Zee van Mogelijkheden. Daarom geven we jullie wijsheid mee. Zodat je de juiste keuze kunt maken.

 

Jullie reizen door het Grote Bos van de Groei. We geven jullie ons vertrouwen mee. We weten dat je het kunt, ook als wij jou steeds meer moeten loslaten. Dat vertrouwen mag je ophalen bij iemand die van je houdt.

 

Bij het grote kruispunt aangekomen kun je kiezen: rechtsaf naar het Avontuur of linksaf naar de Grote Onzekerheid. We geven jullie moed mee. Want of je het leven nu ziet als een groot avontuur of dat je bang bent voor wat je te wachten staat, als je moedig je ene been voor het andere blijft zetten, kom je er wel.

 

We hopen het niet maar misschien kom je langs de Vlakte van de Eenzaamheid, de plek waar je alleen bent en terug geworpen op jezelf. Daarom geven we je vriendelijkheid mee. Zodat je mensen kunt ontmoeten, vrienden kunt maken en om hulp kunt vragen.

 

Langs heel jullie weg zijn ook Veilige Havens. Daar ben je welkom om even uit te rusten of, als het moet, uit te huilen. Daarom geven we je een sleutel mee. De sleutel van ons huis, van ons hart. Wij, je ouders, je familie, de mensen van de kerk, God, je vrienden, zullen altijd een plek voor je hebben.

 

goede raad voor onderweg door een van de ouders

 

Als je onzeker bent over jezelf,

over je uiterlijk of over je capaciteiten,

of je wel geestig genoeg bent,

of de juiste kleren aan hebt,

ga dan op zoek naar mensen

die je kunnen vertellen

dat je de moeite waard bent,

gewoon omdat je bent zoals je bent.

 

Als je onzeker bent over de toekomst,

over waar het heen moet met de wereld

en met jouw leven,

ga dan op zoek naar mensen

die oud en wijs genoeg zijn

om je te kunnen vertellen

dat iedere weg die je gaat

tot iets goeds kan leiden

en dat het er alleen op aan komt

wat je van die weg maakt.

 

Als je onzeker bent over je geloof,

of het allemaal wel waar is

en of God wel bestaat,

ga dan op zoek naar mensen

die in hun leven iets ervaren hebben

van het geheim van God,

die je kunnen vertellen

dat het geloof een houvast is

waarmee je verder komt

en bergen kunt verzetten.

 

De foto’s van de overstappers komen op het scherm. We luisteren naar:

Ik wens jou, Trinity

 

Wegwezen!

De kinderdienstleiding geeft een cadeautje mee. De ouders even hun kinderen hun paspoort mee. We zingen hen Gods zegen toe: De Here zegent jou….

 

De tieners hebben een controlepoortje gebouwd. Daar mogen de overstappers doorheen. Vóór het poortje wordt hun paspoort gecontroleerd en krijgen ze een stempel.

 

overweging op Hemelvaartsdag 2019

De Open Hof – Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Handelingen 1: 1-11 en Matteus 28: 16-20

 

hemel

Stel dat de hemel een plaats is, dan staat daar de troon van God. En van die troon gaat de uitnodiging uit om hem te loven met een lied. Om hem de eer toe te zwaaien die hem toekomt: God is koning van heel de aarde. (Psalm 47) Het doet mij denken aan een regel uit een lied: ‘Mijn leven is onder de macht gesteld van de Heer die mijn dagen en nachten telt.’ (NL 840) Er is een onder en een boven, een aarde en een hemel. Er is een troon en een voetenbank. (Jesaja 66:1) Er is mijn leven en er is God die beslag heeft gelegd op mijn leven. Het is van hem. Ik ben van hem. De hemel vouwt zich als een beschermende paraplu open.

Stel dat de hemel een plaats is, dan is God wel ver weg. En het kan hier beneden zomaar lijken alsof wij niet doordringen tot daarboven. Alsof degene die op de troon zit onaangedaan is door wat er op aarde gebeurt; door wat er met mij gebeurt. Dan is de hemel van koper.

tussen hemel en aarde

Wat we met Hemelvaart nog eens op het hart gedrukt krijgen, is dat er wel degelijk een verbinding is tussen onder en boven, tussen hemel en aarde. Soms gaat de hemel even open. En krijgen we de bevestiging dat de hemel niet alleen maar onbereikbaar ver is en dat God niet ongenaakbaar op zijn troon zetelt. Denk aan Henoch. Die in rechtvaardigheid met God wandelde en op een dag zomaar meeliep naar waar God woont. Denk aan Jacob, op de vlucht geslagen bedrieger. De hemel ging voor hem open en God bevestigde de belofte die hij eerder deed aan Abraham en Izaak. Of denk aan Jezus. Als hij wordt gedoopt gaat de hemel open en klinkt een stem: Jij bent mijn geliefde.

Als Jezus naar de hemel gaat, opent de hemel zich voor hem. Hij krijgt de mooiste plek, naast God. God in de hemel hoeft nooit meer zonder hem te zijn. Maar wij, onder de hemel, hoeven dat ook niet. Want hij laat iets achter. Iets van zijn Geest. Om verder te gaan in zijn geest. Zijn voetsporen op de aarde, om in verder te gaan.

De hemel kan ver weg lijken, gesloten zelfs. Maar er is een reden dat God zo hoog en ver is. Daar heeft hij het beste uitzicht. (Psalm 33:14v) Daar ziet hij de mensen in een oogopslag en ziet hij wat ze doormaken. En met Jezus naast hem, zijn goedheid en liefde in levende lijve, kan het niet anders dan dat de hemel met mededogen op de aarde neerziet. Het kan niet anders dan dat de hemel weet hoe mensen door de diepte gaan. Ging Jezus daar zelf niet doorheen? Maar God trok hem er doorheen. En nam hem bij zich op. Dat is de hoop van Hemelvaartsdag. Als wij Jezus volgen in zijn leven en liefde, als wij hem volgen in zijn moeite en dood, dan ook in zijn opstanding. En naar zijn plaats bij de Vader.

 

de aarde

Maar nu zijn we hier. We bevinden ons om zo te zeggen in dezelfde situatie als de leerlingen die Jezus achterliet. We lazen twee versies van hetzelfde gebeuren. De gemene deler is dat -hoewel er sprake is van een hemelvaart- het accent op de aarde komt te liggen.

In Handelingen 1 horen we hoe de leerlingen benieuwd zijn, hoop hebben, dat Jezus hen wil gaan vertellen dat hij het koningschap over Israël zal herstellen. Laat er toch vrede zijn, vrijheid en gerechtigheid voor iedereen. Dat kan niet snel genoeg zijn.

Maar hoe de tijd van God zal aanbreken, wanneer de tijd van God zal aanbreken, dat is hun zaak niet. Dat moment weten de engelen niet, zelfs de Zoon weet dat niet; dat weet alleen de Vader. (Hand 1:6, Mat 24:36)

Het hoofd van de leerlingen moet niet bij de toekomst zijn. Die is in de hand van God. Hun hoofd moet ook niet in de wolken zijn en hun ogen niet op de hemel gericht. Ze hebben wat te doen: getuigen van Jezus, tot aan de uiteinden van de aarde.

In de versie van Matteus horen we hetzelfde: Ga op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’

Tot het laatst toe zal Jezus bij ons zijn. Dat zijn hoopvolle woorden. Al is het maar omdat Jezus niet spreekt over de ondergang van de wereld maar over de voltooiing van deze wereld. Ik vind dat troostend; zeker op momenten dat ik denk dat de aarde haar langste tijd heeft gehad. Dat de rijkdommen en hulpbronnen uitgeput zullen zijn en mijn nageslacht geen leven meer heeft. Ik vind dat troostend als er weer berichten komen dat de wereld van vandaag licht ontvlambaar is en maar zo weinig nodig lijkt te hebben om tot ontploffing te komen.

Dat pessimisme heeft Matteus niet. De wereld heeft toekomst. God laat haar niet los, zal haar zelfs tot voltooiing brengen. Want de macht die over de aarde ligt, de macht van Jezus, die zegt ‘mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde’, die macht is de macht van de zachte krachten. Dat is de macht van goedheid en genade, de macht van het geduldige druppelen op een steen en van water naar zee dragen. Het is de macht van de liefde die uiteindelijk de overmacht zal krijgen.

Daar kunnen we op wachten. We kunnen er ook in delen. Mee doen. Getuige zijn. Vandaag. En Jezus zegt ons daarbij hetzelfde toe als wat God altijd heeft beloofd: ik ben met jullie. In ons broze, onzekere bestaan zal Hij er zijn, om ons te steunen en te dragen. Vandaag en alle dagen.

 

In de diepte van je gevoelens

In de hoogte van je gedachten

In het zilver van je spreken

In het goud van je zwijgen

Leg ik mijn belofte

IK BEN DIE IK BEN

 

In het verlangen van je dromen

In je angst voor de werkelijkheid

In de veelheid van je talenten

In de beperking van je mogelijkheid

Leg ik mijn belofte

IK BEN DIE IK BEN

 

In de blijdschap over wat je lukt

In het verdriet over waarin je niet slaagt

In de dagen die aan je voorbij vliegen

In de nachten die je zult waken

Leg ik mijn belofte

IK BEN DIE IK BEN (Alfred C. Bronswijk)

overweging op zondag 19 mei 2019      PG De Open Hof -  Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Genesis 18: 16-32

 

de rijdende rechter

In het tv-programma De rijdende rechter komt de rechter zal naar de plek des onheils om alle feiten in zich op te nemen. Hij luistert, kijkt, mengt zich onder de strijdende partijen en velt daarna een oordeel: ‘Dit is mijn uitspraak. Daar zult u het mee moeten doen.’ Je hoeft het er niet mee eens te zijn maar de uitspraak zal in ieder geval rechtvaardig zijn.

In ons verhaal vandaag horen we hoe God zelf is afgedaald uit de hemel om te gaan zien wat er waar is van de geruchten over Sodom en Gomorra. We leren meteen iets belangrijks over de Eeuwige. Hij zit niet ongenaakbaar in de hoge; het kan hem wat schelen wat er op aarde gebeurt. Zo zal hij later tegen Mozes zeggen: ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er aan toe, ik heb hun gejammer gehoord; ik weet hoe ze lijden. (Ex 3:7) Laten we dat in ieder geval als eerste onthouden: als wij ons teruggeworpen voelen op ons zelf, alleen gelaten…. als het aanvoelt of geen mens zich iets van ons aantrekt, en God al helemaal niet, dan is dat niet waar.

 

Terug naar Sodom en Gomorra…. in deze twee namen wordt extreem uitvergroot hoe een samenleving kan verworden; hoe de menselijkheid onder druk kan komen te staan, zelfs kan verdwijnen. Als Lot mag kiezen waar hij gaat wonen, kiest hij het gebied van Sodom. Rijk en welvarend. Maar ten koste waarvan zijn ze rijk geworden? Van de mensen daar wordt gezegd dat zij slecht zijn en zwaar zondigen tegen de Heer. (Genesis 13:13) Gasten zijn in de stad niet veilig. Vreemdelingen zijn hun leven niet zeker. En seksualiteit heeft daar niets met liefde te maken maar alles met onderdrukking, misbruik. Even tussen haakjes, maar daarom niet minder belangrijk: dát is sodomie. Het heeft niets te maken met mannen die van mannen houden; maar met een samenleving die seks gebruikt als machtsmiddel.

 

Die onmenselijke bende, die wil God met eigen ogen zien. Ook daar zijn de mensen niet alleen. Ook niet in de stukgeschoten steden van vandaag; waar de humaniteit met voeten wordt getreden door terreur, door seksueel geweld. 

 

geduld en vergeving

God als rechter…. ik vind dat een lastige. Gelukkig leren we hem in de eerste plaats kennen als een God die geduld heeft, als een God die vergeeft. Die zelfs dán vergeeft als menselijkerwijs de maat echt vol is. Hij vergeeft de inwoners van Ninevé, tot grote woede van Jona. Ik wíst het wel, roept Jona. Ik wíst wel dat u liefdevol bent, en genadig en geduldig en trouw en tot vergeving bereid. (Jona 4:2) Precies zo maakt God zich ook aan Mozes bekend, direct na het ongelukkige incident met het gouden kalf. God gaat aan Mozes voorbij en roept zijn naam: ik ben de Heer, liefdevol, genadig, geduldig en vergevingsgezind. Mensen zouden geen leven hebben als die vergevingsgezindheid niet als een beschermende paraplu boven ons leven werd gehouden. David zingt erover: Als u de zonden blijft gedenken, Heer, wie houdt dan stand? Maar bij u is vergeving……

In dit gedeelte horen we hoe Gods geduld met Sodom en Gomorra is opgeraakt. Hij is van plan de steden te vernietigen en hij laat Abraham delen in die plannen. Ik kan het niet nalaten te denken dat God dat expres doet. Zijn beweegreden om Abraham te laten delen in zijn plannen is dat deze als vader zijn zonen en alle andere nakomelingen moet leren de weg te gaan die God wijst, door rechtvaardig en goed te handelen. Dat is wat God verwacht van Abraham en zijn nageslacht. Alleen zó zullen zij kunnen wonen in het beloofde land. (Gen 18:19)  Zal Abraham ook vanuit zijn rechtvaardigheidsgevoel reageren op Gods plannen? Zal het goede voor Abraham inderdaad leidend zijn? Dat staat er op het spel.  

 

rechtvaardigheid

Abraham, zegt de Eeuwige, ik zal Sodom en Gomorra vernietigen. En Abraham zegt met zoveel woorden: dat kunt u niet maken! U kunt toch niet de onschuldigen laten omkomen samen met de schuldigen? God, die de rechter is over de hele aarde, moet toch rechtvaardig handelen? Zó heeft Abraham zijn God leren kennen. Anders dan de goden die Abraham vaarwel heeft gezegd is God betrouwbaar. Hij handelt niet willekeurig. Abraham bidt goedbeschouwd niet voor Sodom maar voor God. Dat God zichzelf blijft. God zou gezegd kunnen hebben: waar bemoei je je mee. Ik heb zo besloten. En bovendien, beste Abraham, er zijn helemaal geen tien onschuldige mensen in Sodom te vinden. Dat doet God allemaal niet. In plaats daarvan gaat Hij de dialoog aan met Abraham. Daaruit zal blijken hoe groot het van Abraham in de mensheid is. En hoe groot zijn geloof in God is.

 

Het lijkt hier wel of Abraham meer gevoel voor rechtvaardigheid heeft dan God. Maar precies zó wil God Abraham hebben: van harte toegewijd aan de geboden en het hooghouden van zijn heilige naam, door op te komen voor al wie in de verdrukking zit. Daar is God naar op zoek: naar een mens met een geweten, naar de vader van een gewetensvol volk, aan wie hij de zorg voor de aarde en wie er wonen, kan toevertrouwen. (Het Verhaal gaat, 87)

 

tien

Abraham blijft God vragen af te zien van zijn plannen. Wat als er 45 onschuldige mensen zijn? Of 40, 30, 20. En tenslotte 10. Tien is het minimum aantal waardoor het grotere geheel nog kan worden gerepresenteerd. Tien is twee handen vol, is alles. Het is nog altijd zo dat een dienst in de synagoge doorgang vindt als er tien mannen aanwezig zijn. In dit geval zijn de tien onschuldigen waar Abraham op hoopt zijn neef Lot en zijn gezin. Het zijn er zelfs minder dan tien. De stad wordt niet gespaard maar Lot en zijn familie krijgen wel de kans om weg te komen.

 

voorbede

Dit verhaal staat wel bekend als de voorbede van Abraham. En in dit geval is voorbede voorspraak, pleitbezorger zijn. In het Engels en in veel andere talen (het Frans, Italiaans, Spaans, Noors, Zweeds) is voorbede ‘intercession’. Dat betekent ‘tussenbeide komen’, ‘ervoor gaan staan’. Wie op die manier voorbede doet voor een ander, gaat tussen God en degenen die een rechtvaardige straf verdienen in staan. Je springt voor hen in de bres om te voorkomen dat ze vernietigd worden. Zo heeft Abraham gepleit voor Sodom.

Zo heeft Mozes gepleit voor zijn volk toen hij God vroeg om hen niet alleen te laten in de woestijn maar mee te blijven trekken, ook al is het volk onhandelbaar. (Ex 34: 9, en Psalm 106:23) En God ging mee.

Later, tijdens de ballingschap zal God bij monde van de profeet Ezechiël zeggen hoezeer hij het betreurt dat Jeruzalem verwoest is en de bewoners zijn weggevoerd. Want, zegt hij, ik heb gezocht naar iemand die voor het land in de bres wilde springen opdat het niet zou worden vernietigd – maar zo iemand heb ik niet gevonden. (Ez 22: 30)

 

God zelf opent dus de mogelijkheid dat wij opkomen voor wie ons lief zijn, zoals Abraham voor Lot. God geeft de ruimte om hem eraan te herinneren dat Hij naast rechtvaardig ook geduldig is en goed. God opent de mogelijkheid dat wij opkomen voor diegenen die schuldig zijn en lijden onder wat hen overkomt, zoals bij Mozes en Ezechiël. Hij is zelfs nog verder gegaan toen Jezus de pleitbezorger voor de menselijkheid stierf en Hij hem redde uit de dood. Hij is onze voorspraak bij de Vader. (1 Joh 2:1)

 

Zou dat kunnen betekenen dat God zoekt naar voorbidders; dat Hij zoekt naar onderhandelaars, naar mensen die blijven geloven in zijn barmhartigheid en rechtvaardigheidsgevoel? Dan zijn wij als gemeente door God zelf geroepen om te blijven bidden voor de wereld van vandaag, die -zo lijkt het soms- op haar eigen vernietiging afstevent? Dan zijn wij geroepen om bewogen te zijn om het lot van mensen in steden en landen waar kwaad heerst. Dan mogen we pleiten voor elkaar. Dan is God zelf de ziel van onze gebeden.

overweging op 12 mei 2019                  Maranathakerk Rhoon

 

uit de Bijbel: Ezechiel 34: 7-16 en Johannes 10: 11-18

 

de romantiek van de herder

Een leuk kerkje ergens in Nederland. Een dominee, zwarte toga, witte bef, spreekt zalvend de gemeente toe. Gemeente, dat wij allen schapen zijn van een goede herder en door hem geleid zó de hemelse schaapskooi inlopen. Een gemeentelid kan zich niet inhouden en blaat zachtjes: bèhèhè.

Het is een scene uit de film Knielen op een bed violen.

Een film over de zwaarte van geloven. Met veel zwarte pakken, psalmen op hele noten en ernstige gezichten. Al met al een karikaturaal beeld van het geloof. Net als de dominee die Jezus reduceerde tot een zoet verhaal waaraan je je geen buil kunt vallen.

Wie googelt op afbeeldingen van de goede herder komt plaatjes tegen waarbij het glazuur van je tanden springt. Plaatjes met rozen, ondergaande zonnen, strak geschoren herders met een lief lammetje in de armen of op zijn nek.

 

De dichter Anton Korteweg maakte korte metten met deze romantiek.

 

Liever is het mij te dwalen door het dal van

diepe duisternis, in mijzelf verward en

vrezend alle kwaad, hevig verlangend naar

wie ik ontvlucht ben, dan dat ik het moet

meemaken dat je me weer vindt, weerloos en met

de horens verstrikt in de struiken natuurlijk.

 

En dat je mij dan dragen zou

en terug zou voeren naar de grote kudde waarvan jij

altijd al wist dat ik daarvan

een heel klein schaapje was, natuurlijk. Nee.

 

Spaar mij voor de ontferming van

al die reddende armen van jou.

 

Goed beschouwd past dit gedicht beter bij mensen van nu, die zo graag zelfstandig willen zijn. Die het liefst alles zelf doen, zonder hulp van anderen. Afhankelijk worden klinkt voor velen als een schrikbeeld. En wie in de problemen is gekomen houdt vaak lang de schijn op en verbergt de bezorgdheid. Hoe gaat het met je? Goed hoor! We weten dat het leven niet altijd makkelijk is, maar we geloven ook niet meer in ‘stil maar, bid maar, alles komt goed…..’ Liever worstelen we ons zelf uit de problemen, dan dat we een ander toestaan ons te helpen. Liever is het ons te dwalen, verstrikt te zitten in onze verwarring, dan dat we gevonden worden, terug gedragen naar de kudde. Of zou God de enige zijn van wie we dat nu juist wél verdragen?

 

kuddedieren

U begrijpt dat ik weg wil bij de romantiek van de herder en zijn schaapje. Het past ook slecht bij mij. Ik denk ook dat het niet past bij mensen van nu. We beschouwen  onszelf niet als een kuddedieren. We zoeken toch vooral onze eigen wegen; individualiteit is een groot goed en liefst zijn we ook nog een beetje uniek. We zijn geen meelopers. Ook niet in ons geloof.

We laten oude zekerheden achter ons en zoeken meer en meer onze eigen wegen. We sprokkelen vanuit de traditie en vernieuwing onze eigen geloofsantwoorden bij elkaar. En we doen dat lang niet altijd meer alleen maar in de kerk of de Bijbel.

Onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft uitgewezen dat mensen niet meer klakkeloos de traditie volgen, bijvoorbeeld als het gaat over belijdenis doen op 18 jarige leeftijd ‘omdat dat zo hoort’. Tegelijkertijd geven veel mensen aan hoe bewust zij er nu voor kiezen om naar de kerk te gaan of bij een gemeente te horen.

Niet ‘omdat het zo hoort’ of ‘omdat ik zo ben opgevoed’ maar: ‘omdat ik dat wil’.

Menig kerkgemeente noemt zich tegenwoordig: veelkleurig. De kudde is bonter; de verbanden zijn losser. Hoe past dat gekoesterde beeld van de goede herder daar nog bij?  

 

herderschap is leiderschap

Laten we om te beginnen vaststellen dat als God zichzelf góede herder noemt, hij daarmee kritiek uit op sléchte herders. ‘Goed’ is geen soft begrip, het betekent niet ‘goedaardig’ of ‘zacht’ maar wel integer, gaaf, ideaal, echt, goed doende.

Een Bijbelse herder is een leider; een bestuurder van het volk of een religieus leider  -zoals in Jezus’ tijd de Schriftgeleerden en Farizeeën. Een herder waakt ervoor dat de mensen die aan hem zijn toevertrouwd stuurloos ronddwalen. Denk aan koning David. Denk aan Mozes, schaapherder voor zijn schoonvader, die voorop ging door de woestijn. Kennelijk zag de Eeuwige kwaliteiten in herders die hij nodig achtte voor de leiding aan zijn volk. Mozes kreeg er heel wat mee te stellen maar wist toch uiteindelijk de murmurende volk door de woestijn te leiden; hij voorzag hen niet alleen van eten en drinken, maar gaf ook richting, hield de moraal hoog, bemiddelde, delegeerde taken. Én hij bleef vasthouden aan de visie: God brengt ons in beloofd land. Toen hij wist dat zijn einde naderde drong hij erbij God op aan dat er een opvolger aangewezen zou worden iemand die het volk kan leiden en de troepen kan aanvoeren, zodat het volk van de HEER niet wordt als een kudde schapen zonder herder. (Numeri 27:17) Bijbels herderschap is leiderschap.

De staat van een samenleving laat zich vaak aflezen aan de staat van het leiderschap. Of er sprake is van machtsmisbruik. Of er zorg is voor de zwakkeren. Of het tempo wordt aangepast zodat iedereen kan volgen.

In Ezechiël horen we de kritiek die de Eeuwige heeft op de leiders van het volk. Omdat die hen hebben gebracht waar ze nu zijn: ver van huis in ballingschap.

Een goede herder zal doen zoals God zegt te zullen doen: hij zal zijn volk leiden met aandacht voor wie buiten de boot is gevallen; met zorg voor wie is gewond geraakt of verjaagd. In elke samenleving, in elk huis, in elk gezin waar wél mensen verjaagd worden, buiten de boot vallen of niet goed verzorgd worden, mankeert het dus aan goed leiderschap.

 

Een herder heeft hart voor diegenen die aan hem – of haar-  zijn toevertrouwd. Hij is bereid om daarvoor ook risico’s te nemen. Hij zal de schapen niet in de steek laten als er wolven op de loer liggen. Als het moet zal de herder zijn eigen leven riskeren. Hij staat voor hen in. Zo’n herder, zo’n leider is Jezus geweest. Hij was bereid zich met lijf en ziel in te zetten; zelfs bereid om zijn leven te geven, in vrijheid en met volle overtuiging.

 

over elkaar herderen

Op allerlei manieren redderen en herderen wij over elkaar. Wij nemen de verantwoordelijkheid over elkaar op ons werk. In de kerk. In ons gezin. We voeden op, geven werkbegeleiding, stervensbegeleiding, mantelzorg. We geven uitdrukking aan onze bezorgdheid om elkaar; we begeleiden jonge mensen. En als dat nog niet het geval is, dan zou het zo moeten zijn. En wat voor werk, welke plek in de samenleving of welke vrijwilligerstaak we ook hebben, het beeld van de herder nodigt  altijd uit tot kritische reflectie. Hebben we inderdaad nog het welzijn van de ander op het oog? Lukt het om bij elkaar te blijven, ook als we verschillend over dingen denken, of verschillen in talenten en mogelijkheden.  En lukt het om de stip aan de horizon in het oog te houden.

 

schaapachtig

Nu ik de herder van zijn romantiek heb ontdaan, kunnen we het ook wel wagen om het schaap te bekijken. Wat is immers een herder zonder schaap?

De herder en zijn schaap vormen een van de oudste beelden voor Jezus. De vroege kerk heeft het omarmd als een kernachtige samenvatting van Jezus’ leven en een krachtige belijdenis van hun geloofsvertrouwen. De herder wordt namelijk niet omringd door zijn kudde maar heeft slechts een schaap op zijn schouders. Dat ene schaap vertelt van het vertrouwen van de gemeente der eeuwen dat je gedragen wordt als het pad te zwaar is; dat je thuisgebracht wordt als je te moe bent om verder te gaan. De plek waar deze afbeeldingen werden gevonden is veelzeggend: in de catacomben in Rome; op de plek waar de christenen begraven werden, verbeeldde men zo de hoop en de troost. De herder en zijn schaap verbeelden de bemoediging dat ons leven in Gods hand is. We zijn niet alleen.

 

Het is veelzeggend dat we juist dán Psalm 23 zingen –‘niets dat mij ontbreekt’-  (NL23c) als het ons aan heel veel, zo niet alles, ontbreekt. Juist als we op ons zwakst zijn en reden hebben om het kwaad te vrezen, dan zingen we ‘k al wat mij lust’ (NL 23b). Misschien wel omdat het onze ervaring is dat we krijgen wat we nodig hebben om door het donker te komen, om door het doodsravijn te komen. We blijken over onvermoede kracht te bezitten. We krijgen bemoediging en troost; nieuwe inzichten. Dagelijks brood en meer dan dat. Wie zo naar zijn leven durft te kijken, vanuit de gedachte dat je zult ontvangen wat je nodig hebt, is een rijk mens. En zeker geen dom schaap.

uit de Bijbel: Genesis 16

 

overweging op 5 mei 2019 PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

Abram

‘Sarai en Abram kregen geen kinderen. Ze woonden intussen al tien jaar in Kanaän.’ In deze twee zinnetjes wordt uitgelegd hoe het zover heeft kunnen komen dat Hagar uiteindelijk vlucht naar de woestijn.

Meer dan tien jaar geleden volgde Abram de stem van God en de stem van zijn hart. Hij maakte zich los van zijn familie en woonplaats; hij gaf zekerheden en veiligheid op om op zoek te gaan naar het land dat God hem had beloofd en waar hij zou wonen met een grote familie om zich heen. Hij deed een sprong in het duister in het vertrouwen dat God hem zou zegenen. En er is nog niets van terecht gekomen. Het aanvankelijke vertrouwen van Abram is weggeëbd. En het lijkt wel of de belofte die hem heeft gebracht waar hij nu is, niet meer telt.

Wie deed het ooit, zo’n sprong in het duister? Wie heeft ooit de stem van zijn hart gevolgd, zonder te weten waar dat heen zou leiden? Ik kijk graag naar het programma ‘Ik vertrek’ en wat ik daarin zo mooi vindt is dat deze mensen, ondanks alle tegenslagen of slechte voorbereiding, blijven vertrouwen in een goede uitkomst. Zij weten steeds de weg weer terug te vinden naar wat hen voor ogen stond. Abram heeft wel gezegd ‘ik vertrek’ maar hij is de droom uit het oog verloren.

Wat zou het mooi zijn om zo af en toe terug te gaan naar het begin; als je niet meer weet waarom je aan een opleiding bent begonnen; als je niet meer weet waarom je met deze man of vrouw bent getrouwd; als je vergeten bent waarom je bepaalde beslissingen hebt genomen.

Als ons leven tegenvalt, weten we dan de weg terug te vinden naar de stem in ons hart, de stem van God? Dat is belangrijk. Want als die niet meer het kompas zijn om op te varen, dan waaien we met alle winden mee. Stuurloos. Het is daarom dat Abram in dit gedeelte van het verhaal zo’n slappeling is. Hij toont geen enkele ruggengraat naar Sarai. De gebeurtenissen gaan met hem op de loop en Sarai moet maar zien wat ze doet.

 

Sarai

We kunnen zo’n beetje raden wat het met Sarai moet doen dat zij nog geen kinderen heeft gekregen. Wie het overkomt dat zij ongewenst kinderloos is gebleven kent het verdriet en het gemis. Sarai verwijt het God. Hij geeft haar geen kind. We kunnen het Sarai niet kwalijk nemen dat zij door middel van een draagmoeder probeert om zelf toch moeder te worden. In die tijd was dat niet ongebruikelijk. Ook in onze tijd zoeken we naar mogelijkheden. En de wettelijke mogelijkheden, de medische wetenschap, kunnen onze liefste wens binnen bereik brengen.

Maar langs welke weg we onze kinderen ook gekregen hebben, het geluk dat ons overkomt stemt ons dankbaar. Nieuw leven is niet maakbaar, is niet iets waar we recht op hebben. Elk kind is een geschenk. Een geschenk uit Gods hand. 

En dát is Sarai vergeten. Ze begint met regelen en bedisselen om het leven naar haar hand te zetten. Ze heeft geen geduld met de toekomst. Ze heeft geen verwachtingen meer van God.

Begrijp me niet verkeerd: ik wil niet zeggen, dat wij niets zelf mogen regelen en maar af moeten gaan zitten wachten als ons leven anders verloopt dan we hadden gehoopt. Maar kennelijk is er een grens en komt er een moment dat we God voor de voeten gaan lopen. Harder lopen dan God, dat komt niet goed.

Hebben wij het vertrouwen om ons levenslot in Gods hand te leggen; hebben wij geduld met onze toekomst? Durven we ook af te wachten hoe onze situatie zich zal ontwikkelen. Of willen we onze eigen zin en willen we het nu? 

Sarai zal later ook een zoon krijgen. Achteraf zal ze kunnen vertellen dat het toch nog goed is gekomen. Maar dat het wachten haar lang viel en dat haar vertrouwen op de proef werd gesteld.

 

Hagar

Eindelijk, er wordt een kind verwacht. Tegelijkertijd hangt er heibel en narigheid in de lucht. Elke verhouding is zoek. Wie is nu de slavin en wie de meesteres, wie moet wie met respect behandelen? Uiteindelijk loopt het zo uit de hand dat Hagar, zwanger en wel, de woestijn in vlucht. Weg van de problemen die haar zijn overkomen; weg van de problemen waaraan ze zelf ook heeft bijgedragen. Alsof weglopen een oplossing is….

Bent u wel eens ergens voor weggelopen? Of ergens voor gevlucht? De Bijbel stelt dat dat je eigenlijk nergens brengt. Ja, in de woestijn. Waar het al gauw te dor is, te heet, te koud, te onveilig.

Stel, je relatie is niet best of de liefde is voorbij en je vlucht weg in je werk, in een hobby die veel tijd kost…. stel, je loopt weg voor je verdriet en uiteindelijk kom je er achter dat je het overal meeneemt; of je hebt grote brokken gemaakt, ellende veroorzaakt en je rent erbij vandaan. Heilloos. Vluchten brengt je nergens.

Daar bovenop is er ook de ervaring dat wie vlucht nooit onder Gods oog uit komt. ‘Waar kan ik heen gaan zonder dat u het merkt? Waar kan ik heen vluchten zonder dat u het ziet?’ (Ps 139: 7, BGT)

God weet Hagar te vinden. Een engel ziet haar zitten in de woestijn en stelt haar indringende vragen, bezinnende vragen: Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe? Vragen die tot nadenken stemmen. Vragen die er misschien toe leiden dat je andere beslissingen neemt dan weg te rennen. De hemel grijpt even in omdat God niet zal toelaten dat mensen hun bestemming in het leven missen. Omdat je nooit zo ver afgedwaald kunt zijn, dat terugkeren niet meer mogelijk is. Een engel stelt de juiste vragen zodat Hagar de verantwoordelijkheid kan nemen voor haar eigen aandeel in de aangerichte puinhoop. Daar hoort vergeving van de ander bij en de ontdekking dat je niet je eigen schuld voor altijd hoeft mee te dragen.

Ik denk (ik hoop) dat God zich in ons leven mengt, in ieder mens op ons pad die ons de juiste vragen stelt; dat hij aanwezig is in ieder mens die ons uit onze woestijn doet omkeren. Soms is terugkeren de enige manier om weer verder te kunnen. Om op een andere manier met elkaar verder te gaan. We lezen het verder niet maar als Hagar teruggaat zal ze misschien meer begrip hebben voor Sarai en met haar verdriet hebben om haar kinderloosheid.

Ze moet terug. Want verder met boosheid is geen leven. Leven met angst is geen leven. Ze moet terug en verantwoordelijkheid nemen voor haar leven. Ze mag weten dat ze niet alleen gaat.

  

God die mensen ziet

Gods zegen zal met haar meegaan. Haar kind mag er ook zijn. En iedere keer als ze straks haar zoon zal roepen ‘Ismael’, zal ze weer weten dat God naar heeft geluisterd. Want dat betekent Ismael: God hoort. God heeft gehoord wat Hagar uit Egypte te verduren heeft gehad door Sarai. Een stukje verder in de Bijbel wordt het precies andersom verteld: dat God de jammerklachten van zijn volk in Egypte heeft gehoord.

We zijn nog steeds in de woestijn. Er is voor Hagar in die zin nog niets veranderd. Behalve dan dat zij aan het denken is gezet en weer gevoel voor richting heeft gekregen. Toch brengt Hagar onder woorden wat er voor haar wél veranderd is: zij is gezien. Ze heeft een ontmoeting gehad met de God die mensen ziet. En dat is de bron waaruit wij drinken; het geloof dat ons in leven houdt.

Pagina 1 van 6