Blog
Preken

Preken (94)

 

overweging op 12 januari 2020 PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

In deze dienst zijn de vierjarige kinderen en hun ouders uitgenodigd.

Zij worden welkom geheten in het midden van de vierende gemeente. 

 

We lezen zo dadelijk woorden van de profeet Jesaja. Ze horen bij de periode dat Gods volk in ballingschap is weggevoerd naar Babylonië. Het is niet zo dat ze het daar slecht hebben. Mensen krijgen kinderen en leiden hun leven in betrekkelijke vrijheid. Sommigen trouwen zelfs met mannen en vrouwen uit Babylonië. Het leven gaat verder. Maar in dat buitenland, met een andere godsdienst en een andere cultuur, komen wel vragen op: wie is onze God? Waar is God nu? Zal hij ons nog thuisbrengen of is dit nu thuis?

Dan herinnert Jesaja het volk aan zijn roeping en bestemming. Hij houdt hen voor dat God hen niet vergeten is; laten zij dan God ook niet vergeten en blijven vertrouwen op hem.

Als teken dat God zijn volk niet vergeten is, stelt hij hen zijn dienaar voor, een uitverkorene die het geknakte riet niet zal breken. Wie die dienaar is? Je zou kunnen zeggen dat het de Perzische koning Cyrus is, die het de Israëlieten zal toestaan terug te keren naar Jeruzalem. Hij zal een instrument van bevrijding zijn in Gods hand.

Evengoed zouden het de Israëlieten kunnen zijn die op God bleven vertrouwen en dus ook hun roeping trouw bleven om een licht voor de volken te zijn. En als laatste hebben mensen die Jezus volgden ook hém herkend in die dienaar die God beloofde. Daarom citeert Matteus de woorden van Jesaja als hij vertelt over Jezus’ doop. ‘Dit is mijn geliefde zoon.’

 

uit de Bijbel: Jesaja 42: 1-7 en Matteus 3: 13-17

 

welke Jezus?

Dat Jezus naar de Jordaan komt om gedoopt te worden moet voor Johannes een grote anticlimax zijn geweest. Probeer voor je te zien hoe Johannes daar stond aan de Jordaan. Een vurig prediker: Bekeer je, riep hij, want het koninkrijk van de hemel is dichtbij. Bekeer je, anders zal God een oordeel over je uitspreken. Ik doop jullie met water, maar ná mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Hij zal dopen met vuur en het kaf van het koren scheiden. Johannes verwacht een machtig leider, een sterk optreden namens God. Een ommekeer in de wereldgeschiedenis.

In plaats daarvan staat daar Jezus. En hij wil gedoopt worden. Maar zó zit het niet in Johannes’ hoofd. Hij verlangt naar een vuist tegen het onrecht, naar een goddelijke scheiding van wie goed is en wie fout zit.

 

Wie is Jezus voor jou? Dat is zeker vandaag een belangrijke vraag. Want als we weten wie Jezus voor ons is, dan weten we ook wat we onze kinderen, de kinderen in de gemeente, willen meegeven over hem.

Wie is Jezus voor jou?

Het was zeker een vraag voor de mensen die Matteus op het oog heeft: was Jezus nu een mens, met zonden en al, of toch meer Gods Zoon en was hij zonder zonden?

In de loop der eeuwen is hij hoog weggezet als Zoon van God, Verlosser. Overwinnaar van de dood. Meer God dan mens. Zonder zonden. Eerder een dogmatisch figuur dan een mens van vlees en bloed.

Als we Jezus zó hoog wegzetten komt hij heel ver van ons af te staan.

Dan zijn we niet meer dan lijdend voorwerp in zijn reddende werk.

Als hij niet op ons lijkt, hoeven wij ook niet op hem te lijken.

Als hij perfect is, kunnen wij ons verschuilen achter de idee dat het onbegonnen werk is om hem na te volgen. Dat gaat toch niet lukken. Wie is Jezus voor jou?

 

Johannes moet zijn beeld en zijn verwachtingen bijstellen. Hij wil Jezus tegenhouden om gedoopt te worden. Hij wil niet weten van een vredekoning die afdaalt in het water. Hij wil er niet van weten dat Jezus zich door hém laat dopen terwijl het andersom zou moeten.

Jezus schept verwarring. Dat doet hij nu en dat zal hij blijven doen. Hij zal aan tafel roepen wie buiten de boot zijn gevallen; hij zal die mensen aanraken die onrein worden genoemd; hij zal vergeven wie al opgegeven waren als mens.

Hij schept verwarring in die zin dat hij zich niet laat voorstaan op de God die hem gezonden heeft en die – zo preekte Johannes – het recht heeft om mensen te oordelen voordat het koninkrijk van de hemel waar wordt. Jezus identificeert zich juist met de mensen verlangen naar de heelheid van dat koninkrijk; hij schaart zich aan de kant van de mensen die berouw tonen en tot inkeer komen.

 

Hoe zal Jezus het nieuwe leven vorm geven? Hoe zal hij het koninkrijk van de hemel dichterbij brengen? Niet met grote gebaren, niet door vuur of met een bijl.

Maar door zich te identificeren met de mensen die het nodig hebben gered te worden. Door hun berouw te delen, hun leven te delen en uiteindelijk ook hun dood te sterven.

 

Wat is Gods gerechtigheid?

Jezus zegt tegen Johannes: Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen. Wat zou dat zijn, Gods gerechtigheid? De Bijbel in Gewone Taal vertaalt het heel dichtbij: wij moeten alles doen wat God van ons vraagt. Van Johannes wordt gevraagd dat hij Jezus doopt. Van Jezus wordt gevraagd dat hij afdaalt in het water om net als de anderen gereinigd te worden, opnieuw mag beginnen. Gods gerechtigheid is gehoorzaamheid. Ook Jezus heeft moeten leren om Gods wil te doen. Ook hij heeft het daarmee moeilijk gehad. Direct op het verhaal van de doop volgt het verhaal dat Jezus op de proef wordt gesteld in de woestijn.

En als hij weet dat de uiterste consequentie van zijn roeping de dood is, bidt hij: laat deze beker aan mij voorbij gaan. Maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil maar zoals u het wilt. Gods gerechtigheid vervullen is je roeping volgen, trouw zijn aan waar je in gelooft, ook als dat moeilijk is of tegen je werkt.

Het is jouw roeping om moeder te zijn, vader. Om medemens te zijn. Om in de kerkenraad te zitten of ergens vrijwilligerswerk te doen. Het is op je pad gekomen en daarin zit voor jou de mogelijkheid om gehoorzaam te zijn aan wat God van je vraagt. Ook als je dat moeilijk vindt. Ook als het niet in je straatje past.

Precies op de plek waar jij bent gesteld, daar waar je woont of werkt, daar waar je blijft of naar toegaat, precies daar heeft God je nodig. Precies daar kun je Jezus volgen in hoe hij leefde.  

Jezus’ weg van de gehoorzaamheid bracht hem door het water in de woestijn. Het bracht hem mensen op zijn weg. Het bracht hem leven en de dood. En zoals hij uit het water omhoog kwam, kwam hij ook uit de dood. En wij ook. Want wij lijken op hem.

 

gezegend

Jezus krijgt vanuit de hemel de bevestiging dat het zo moet en niet anders. Hij ziet Gods Geest als bemoediging neerdalen. En uit de hemel klinkt: dit is mijn geliefde zoon, in hem vind ik vreugde.

Daar kunnen wij soms naar verlangen. Naar de bevestiging uit de hemel dat het goed is; naar de bemoedigende kracht van God die als een duif op onze schouder komt zitten. Want leven – en zéker samen leven – is niet altijd makkelijk. Leven doet pijn. Je loopt soms blauwe plekken op. En met al je goede bedoelingen stoot je regelmatig je neus.

Weet dan dat je geroepen bent door God zelf. In die hemelse bevestiging aan Jezus komt ook de rest van de woorden van Jesaja mee. De dienaar die hij heeft uitverkoren, wie dat dan ook mag zijn, is vol van Gods Geest. ‘Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden’ zegt God. Je staat er niet alleen voor. En als ik jou in dienst neem, zul je in staat zijn je licht te laten schijnen. Dan zal jouw leven blinden de ogen openen, gevangenen bevrijden en mensen raken in hun duisternis. Met God en door God zal ons leven helend zijn en anderen in de ruimte zetten.

overweging op oudjaarsavond 2019   PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Prediker 3 en Jacobus 4: 13-17

 

wat is tijd?

Een nieuw jaar ligt voor ons.

Hoe lang duurt een uur bij je nieuwe liefde en hoe lang duurt een uur bij een donkere bushalte in de regen?

Tijdens onze vakantie in Afrika hebben we geleerd om te relativeren. This is Africa, leerden we al snel. Als er iets lang duurde vanwege, in onze ogen, een inefficiënte organisatie of gewoon traagheid. Wij hebben een horloge, zij hebben de tijd.

Wat is tijd? Misschien vloog 2019 voorbij. Omdat nieuwe dingen je aandacht opeisten; omdat de liefde je leven binnenkwam; omdat het een aaneenschakeling was van mooie momenten. Misschien werd je wel geleefd en kijk je verbaasd achter om naar het jaar dat aan je voorbij is gegaan.

Misschien stond je wereld juist stil en verbaasde je je erover dat de wereld door raasde. Of je voelde je alleen, eenzaam zelfs, en de maanden kropen voorbij.

Wat gebeurde er in januari dit jaar? Weten we het nog? En in april dan? Met al zijn hoogte- en dieptepunten komt dit jaar nooit meer terug. Het is geweest. Het is er niet meer. We kunnen het niet meer veranderen. Hoe wanhopig we het ook proberen vast te houden. 2019 bestaat voor ieder van ons in onze eigen herinnering. Als een goed jaar. Of als een slecht jaar.

 

verleden tijd

Prediker zegt: maak je niet druk over de tijd. Alleen God overziet alles van begin tot einde. Hij houdt onze tijden in zijn hand. (Psalm 31) Ons verleden is bij hem veilig. Dat hoeven we niet mee te sjouwen als last of ballast. Wat verdrietig was, of zwaar, wat op ons drukt als schuldgevoel, we mogen het uiteindelijk loslaten. Ons persoonlijke verdriet, onze mislukkingen, alle aanslagen die werden gepleegd afgelopen jaar, de gevolgen van natuurgeweld… we kunnen het niet meer veranderen. Niet door te piekeren, niet door angstig te zijn of boos.

De verleden tijd is niet van ons. Niet in de zin dat we die kunnen veranderen. We kunnen ons er alleen door láten veranderen. Leren. Afleren.

 

toekomende tijd

En ook onze toekomende tijd is in zijn hand. Die bestaat voor ons alleen in onze dromen en verwachtingen. Jacobus maakt zich kwaad over mensen die menen dat zij de toekomst wél in handen hebben. Bij hem komt de uitdrukking vandaan dat mijn oma altijd bezigde: zo de Here wil en wij leven…. dat zei ze als er plannen werden gemaakt. Deo Volente.

Het zijn woorden die voor sommigen een teken zijn geworden van hun vroomheid. Woorden waarop je kunt worden aangesproken als je ze vergeet op je uitnodiging. Het zijn ook woorden die makkelijk tot het misverstand leiden dat alles gaat zoals God het wil. Alsof de Allerhoogste aan de touwtjes trekt. Maar zo heeft Jacobus zijn woorden niet bedoeld.

Hij reageert op de arrogantie van mensen die menen dat de toekomst van hen is. We maken er ons allemaal wel eens schuldig aan. We nemen al te vaak een voorschot op wat er nog komt. Maar de toekomende tijd is niet van ons. De dagen worden ons gegeven. We kunnen ze niet nemen. De toekomst wordt in ons hand gelegd, die kunnen we niet pakken. Het mag wel wat minder hoogmoedig van Jacobus. Wat minder onoverwinnelijk. Want uiteindelijk overkomt het leven je en komt er van je plannen soms niets terecht. Je mag stevig je koers in je hoofd hebben, maar er kunnen tijden komen dat je die moet bijstellen omdat je andere dingen zijn toegevallen dan je had gerekend.  

Zo de Here wil en wij in leven zijn heeft te maken met een levensbesef dat weet van de betrekkelijkheid van ons leven. Gezien in het groter geheel is het bijna niets; damp die even blijft hangen maar dan verdwijnt. Lucht en leegte, noemt de Prediker het. Het gaat voorbij als een droom, zingt Psalm 90. Deo Volente is een levenshouding die weet heeft van God; Die onze tijden in zijn hand heeft. Onze toekomst is bij hem veilig.

 

tegenwoordige tijd

Het verleden is niet van ons. De toekomst is niet aan ons.

Wat blijft is de tegenwoordige tijd. Het heden. Nu vandaag. Die tijd is van ons. Daarop kunnen wij invloed hebben. Met de keuzes die we maken, de beslissingen die we nemen, met onze tegenwoordigheid van geest en lichaam; in het nu kunnen wij de verandering zijn in wat we zeggen of juist niet, in hoe we met elkaar omgaan. We leven nu. En de tijd is wat wij ermee doen. De tijd is wie wij zijn. Soms zijn we mensen die dansen en soms zijn we mensen die rouwen. Wij zijn de mensen die baren, planten, helen, lachen en omhelzen. Soms zijn we ook de mensen die doden, afbreken, verkillen, haten. Zo zijn mensen. Zo zijn de tijden. Als mensen goed voor elkaar zijn is het een goede tijd.

Als we zo bewust omgaan met de tijd, kunnen we ons niet meer verschuilen achter het excuus: ik had geen tijd. We hebben alle tijd. Wij zíjn de tijd. Maar soms maken we de keuze om die op een andere manier te besteden. We zijn geen slaven van onze agenda, ook niet van de klok. Als we ons al onvrij voelen is dat vanwege het strakke schema dat we onszelf opleggen en alle hooggestemde verwachtingen waaraan we willen voldoen. We hebben de tijd gekregen om er voor elkaar te zijn. Om van betekenis te zijn voor de wereld waarin we leven. Nooit zullen we die tijd helemaal doorgronden. Maar dat hoeft ook niet. Want alles wat we vanavond hebben gezongen is waar. God is trouw van generatie op generatie.

Die levensles is vanuit het verleden verder gedragen tot hier en nu. Hij zal barmhartig zijn en ons beschermen. Hij is van al het zijnde oorsprong én doel én zin. (NL 513:4)

 

Voor deze overweging heb ik gebruik gemaakt van ‘Wat is immers tijd?’ van Rienk Lanooy in ‘Filosofen op de kansel’, Skandalon 2016.

overweging op kerstmorgen        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Micha 5: 1-3 en Matteus 1: 16, 18-25   

 

Bij deze overweging werden afbeeldingen getoond op het beamerscherm. Deze zijn nog niet te zien in de tekst. Daar wordt aan gewerkt. 

 

Jozef, de man van…

Jozef is een beetje de sul van het kerstverhaal. In de meeste kersttafereeltjes staat hij er maar een beetje bij. Hij loopt náást de ezel. Hij laat zich wegsturen door de herbergier. Hij is ‘de man van’ vertelt Matteus. En daarmee onderbreekt hij zijn geslachtsregister dat steeds spreekt van vaders en zonen, want het kind Jezus is niet verwekt door een man.

Op heel vroege afbeeldingen van het kerstevangelie ontbreekt Jozef helemaal. Hij speelt geen rol. Later, in de Middeleeuwen, mag hij er wel bij staan. Maar meestal wordt hij afgebeeld als oude man waar je niet veel aan hebt. De man van…. 

(Afbeelding: Giotto di Bondone, ca 1306)

 

 

 

 

 

 

Jozef, een rechtschapen mens

Matteus noemt Jozef een rechtschapen mens. Fatsoenlijk. Jozef heeft alle reden om zich boos terug te trekken. Of om zich druk te maken over wat de mensen wel niet zouden zeggen. Opgezadeld worden met het kind van een ander zal een klap in Jozefs gezicht zijn geweest, maar hij spreekt geen woord van veroordeling naar Maria. Als hij er een zaak van zou maken, zou zij de schande moeten dragen van overspelig gedrag. Daarom overlegt hij bij zichzelf om in het geheim uit elkaar te gaan. Maar God verhoede dat er een kink in Gods kabel komt. En daarom komt er een engel tussenbeide, om een brug te slaan tussen wat God bedoelt en wat Jozef bedenkt. Er staat iets te gebeuren van hoger hand, van een andere orde. De engel moet dat veilig stellen. Jozef gehoorzaamt en neemt Maria bij zich als vrouw.

 

Het lukt ons al te vaak niet om dat fatsoen en die mildheid op te kunnen brengen.

Ons gekwetste ego, onze behoefte om gelijk te krijgen of recht gedaan te worden, is vaak te groot om te zwijgen. Of om ons oordeel even op te schorten. Laat staan dat het ons lukt om mild te zijn. Ik denk aan social media. Daar is het helemaal makkelijk om onze verontwaardiging over een ander de vrije loop te geven.

Maar, zeg eerlijk, hoe vaak hebt u achteraf spijt van wat u er uitflapte. Hoe vaak stonden we klaar met een mening, met een oordeel?

In dat hele kleine wereldje van ons, in ons omgaan met elkaar, is er al zoveel te winnen. Het mag allemaal wat langzamer en bedachtzamer. We kunnen er soms beter een nachtje over slapen, net als Jozef. En wie weet brengt de hemel ons op andere gedachten. Jozef koos niet de makkelijkste weg. Maar hij liet zich niet verlammen door wat anderen zouden denken, of door zijn eigen angsten. Hij vertrouwt erop dat het goed komt. En daarmee maakt hij ruimte. Voor groei, voor toekomst.

 

de mantel van Jozef

Ergens in de Middeleeuwen krijgt Jozef een betere plek in het kerstverhaal. Er ontstaan afbeeldingen van een zorgzame Jozef. Jozef die vuur maakt en pap kookt.

Jozef die de vermoeide Maria in het kraambed een kopje thee brengt. Of de luiers droogt bij het vuur. Naast de hemelse vader van Jezus krijgt ook zijn aardse vader zijn rechtmatige plaats.

 

 

 

 

 

(afbeeldingen : Conrad van Soest, Dortmund, circa 1370 – 1425; Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, Nederland; oorspronkelijk Besançon, Frankrijk; verluchting in getijdenboek, ca 1450 )

 

Het is opvallend dat niet alleen aan het begin van Jezus’ leven een Jozef opstaat maar ook aan het einde. Als Jezus is gestorven aan het kruis neemt Jozef van Jezus’  lichaam van het kruis en wikkelt het in linnen. Het is dezelfde zorg als die Jozef toont bij Jezus’ geboorte. Een oud verhaal vertelt dat Jozef zijn kousen uittrok om daarvan windsels te maken voor het kind. (Proto Evangelie van Jacobus) Als het gaat over het beschermen en koesteren van Jezus loopt Jozef daarin voorop.

In mijn verzameling kerststalletjes vind ik daarvan een duidelijk voorbeeld.

 

 

 

Jozef is hier letterlijk en figuurlijk mantelzorger voor Maria en haar kind.

Hij is als een mantel om hen heengeslagen. We zingen datzelfde van God, de Vader. (Psalm 104, Nieuw Liedboek 221) Hij omhult ons met zijn licht, met zijn liefde. Hij is beschermend en waakzaam.

Daarmee wordt Jozef het aardse spiegelbeeld van de hemelse Vader. Geen goeiige sul maar een man die zich willens en wetens voor Gods karretje heeft laten spannen. Hij is de eerste die een bewuste geloofsdaad verricht en de keuze maakt voor dit nieuwe begin van God. Het door God gezaaide zal hij beschermen en doen opgroeien. Hij zal het beschermen. Denk aan de vlucht naar Egypte. (Mt 2)

 

In onze tijd lijkt Jozef mij een rolmodel voor pleegvaders, stiefvaders, bonusvaders. Want zij doen wat nodig is voor de toekomst van het kind dat hen is toegevallen.

Wat mij betreft mag hij de beschermheilige zijn van alle mantelzorgers en alle mensen die stil op de achtergrond zijn maar niet gemist kunnen worden. Voor iedereen die de man van is….. de vrouw van…. het kind van…..de vriendin van…  en zo solidariteit laat zien en betrokkenheid.

 

 

 

Jozef behoedt het licht

Een tweede duidelijke kenmerk van de Jozef in onze kerststallen is dat hij vaak het licht vasthoudt. In zijn hand is een lantaarn.

 

 

 

Afgelopen zaterdag haalde ik het Vredeslicht op. Licht dat is ontstoken aan het licht dat altijd brandt in de geboortekerk in Bethlehem. In een speciale box werd het licht uit Bethlehem per vliegtuig vervoerd naar Wenen. Daar werd het verspreid over scouts van over de hele wereld. En op hun beurt gaven zij het weer door in hun eigen land, in hun eigen stad of dorp. En zo ook hier in de Hoeksche Waard.

Het is een heel gedoe om dat licht brandend te houden. Het vraagt omzichtigheid. Het vraagt om handen die de vlam willen behoeden voor uitwaaien. Om een veilige plek waar het kan branden. En om een heleboel reservekaarsen, voor het geval dat ene licht dooft. (zie: www.vredeslicht.nl)

Zo omzichtig moeten we dus ook omgaan met het licht van Christus, lijkt me. Johannes begint zijn evangelie ermee. Dat in Jezus het licht van God is ontstoken op aarde. Alsof God opnieuw begon met zijn schepping. Als een teken van hoop dat het niet de duisternis is die God voor ogen heeft. Maar dat licht had het zwaar. De wereld was er niet klaar voor om de inspanning te leveren die erbij hoort. (Joh 3:19) De mensen waren lichtschuw en hun handelen was duister.

God verhoede dat vandaag ook zo is. Dat licht, zo liefdevol behoed door Jozef, zo voorzichtig meegedragen, vraagt om onze beschermende handen. Het vraagt om een goede plek, in ons huis, in ons werk, in ons bestaan. Het is misschien het veiligst in ons hart.

overweging op zondag 22 december 2019

 

4e zondag van Advent

 

Op deze zondag doet een gemeentelid belijdenis en een jongere (17 jaar) doet belijdenis en wordt gedoopt.

 

uit de Bijbel: 2 Koningen 22:1-2, 11-13 en 23:1-3

 

jong

Wat hebben Greta Thunberg, Malala Yousafzai en Boyan Slat met elkaar gemeen?

Ze waren 16 en 17 jaar jong toen zij de wereld een beetje ten goede veranderden.

Greta, door Time Magazin voorgedragen als Person of the Year,  vraagt aandacht voor de klimaatveranderingen en wijst de politici op hun verantwoordelijkheid zich aan het klimaatverdrag te houden.

Malala ontving in 2014 de Nobelprijs voor de vrede vanwege haar strijd tegen de onderdrukking kinderen en voor het recht op onderwijs.

En Boyan tenslotte zet alles op alles om zijn droom te verwezenlijken: het opruimen van de plasticsoep in de oceaan.

 

Kun je te jong zijn om je dromen na te streven? Kun je te jong zijn om je vast te leggen op een ideaal? Oudere mensen kunnen je dat gevoel soms geven. ‘Je bent nog zo jong’, zeggen ze. Dat hebben ze misschien ook wel tegen koning Josia gezegd. Acht jaar was hij toen hij koning werd. Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn voorvader David en hij deed wat goed is in de ogen van de Heer. Hij drukt zijn eigen stempel op het koningschap. En hij is daarmee een positieve uitzondering in een hele rij koningen voor én na hem van wie wordt gezegd: ze deden wat slecht is in de ogen van de Heer. Ze gaven zich over aan de verfoeilijke praktijken van de heidenen. Josia heeft zich niet laten tegenhouden om het anders te doen. Niet door de mensen om hem heen die schamperden dat het hem toch niet zou lukken (wetenschappers fileerden het plan van Boyan Slat als inefficiënt en schadelijk); niet door mensen die niet konden omgaan met zijn ‘how dare you’ (uit de toespraak van Greta Thunberg bij de VN-top 23 sept 2019)

 

In de Bijbel staat een uitspraak van Paulus tegen de veel jongere Timoteus:

‘Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt.’ (1 Tim 4:12)

X, jij bent zeventien en je doet vandaag belijdenis. Vol overtuiging zet jij een stap in de richting van een volwassen geloof. Luister niet naar de mensen die zeggen dat je te jong bent.

Maar, en dat zegt Paulus ook tegen de jonge Timoteus, wees een voorbeeld in wat je zegt, in hoe je leeft. Dat is een oproep voor alle leeftijden vanmorgen: wees oprecht.

 

oud

De jonge koning Josia laat de oude, bouwvallige tempel renoveren.

In augustus zag ik wat er over is van de Notre Dame in Parijs, na de grote brand in april dit jaar. Hoeveel zal het kosten om haar in oude staat te herstellen. Want dat is de wens van veel mensen, dat het wordt zoals het vroeger was. Anderen staan open voor de ideeën van architecten om de brand aan te grijpen als een kans een eigentijds stempel op de kathedraal te drukken. En het gebouw een eigentijdse betekenis en functie te geven. Dat roept dan weer verzet op uit heimwee naar hoe het vroeger was… of uit angst voor verandering.

 

Vanmorgen kopte de NOS ‘Voor het eerst in 200 jaar geen kerstnachtmis in de Notre Dame’ en ik dacht alleen maar: gaat kerst dan niet door? Zal het evangelie dan niet klinken? Het zal anders zijn, niet meer als voorheen. Zo schipperen we voortdurend tussen wat we willen bewaren van vroeger en wat aan vernieuwing of verandering toe is. Ook persoonlijk….

Het kan maar zo zijn dat je eigen wereld instort. Door ziekte, door burn-out, door het verdwijnen van de liefde, door een ingrijpende verandering in je leven. Hoe zou het dan zijn als je alles bij het oude zou laten? Als je je leven langs dezelfde lijnen zou opbouwen en niet zou zoeken naar vernieuwing, naar innerlijke verandering? Hoe zou het zijn om weemoedig achterom te blijven kijken naar wat is geweest en wat niet meer terugkomt?

 

Josia ontdekt tijdens de renovatie dat je je niet om de buitenkant kunt bekommeren zonder ook na te denken over wat er binnen gebeurt. Je kunt kosmetisch de boel opknappen maar wat als er van binnen niets verandert?

Tijdens de renovatie wordt een boekrol gevonden. Met de tekst van de wet. Ín die wet staat onder andere dat de koning er een kopie van moet hebben zodat hij er elke dag in kan lezen wat hem te doen staat. (Deut 17:18vv) Want de koning moet het volk voorgaan in leven dat goed is in de ogen van de Heer.

Josia ontdekt tot zijn schrik dat Gods wet in de vergetelheid is geraakt. Het kan niet anders, denkt hij, dat God boos op ons is. Want de koningen voor hem hebben zich lang niet allemaal aan Gods wet gehouden. En zo kon er een wildgroei ontstaan aan offerplaatsen en tempels voor andere goden.

 

Josia geeft de opdracht om dat allemaal af te breken. Er gaat een nieuwe wind waaien over een oud gebouw, met oude rituelen en oude woorden. Maar ze krijgen een nieuwe betekenis en een nieuwe uitwerking. Oude woorden kunnen nieuwe wegen openleggen. XX, ik weet dat jij hebt gezocht naar die innerlijke vernieuwing. En dat je die gevonden hebt bij de God die jou ziet zoals je bent.

 

vernieuwing

X en XX, jullie geven vandaag jullie jawoord aan God. Jullie sluiten een nieuw verbond met hem, jullie eigen verbond. En jullie worden gedragen door oude woorden van geloof die van generatie op generatie zijn doorgegeven.

Zo eindigt ook de Bijbellezing: met een jonge koning die in een oud gebouw en op grond van oude geboden een nieuw verbond sluit met God. En heel het volk sluit zich hierbij aan. Zo aanstekelijk werkt dat kennelijk.

Laten wij in onszelf onderzoeken wat de moeite waard is om te bewaren. Om door te geven aan wie na ons komen en om er zelf richting uit te halen.

Laten we af en toe ook eens puinruimen en de bezem halen door ons geloof. Laten we onderzoeken wat toe is aan vernieuwing zonder daar angstig voor te zijn.

Ook ons geloof mag levensloopbestendig zijn. En waar wij gaan, daar is God. Ook dat is ons doorgegeven.

overweging op zondag 15 december     PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

3e zondag van Advent

 

uit de Bijbel: 2 Samuel 7: 8-11, 17-19 en Lucas 1: 30-33

 

een huis voor God

Het leven van David heeft nauwelijks rust gekend; kort nadat Samuel hem gezalfd heeft als koning to be moet David vluchten voor de woede van koning Saul. Als een Bijbelse Robin Hood trekt hij allerlei volk aan dat in moeilijkheden zit of schulden heeft (1 Sam 21:2). Ze zwerven rond, houden zich op in rotsholen en moeten voortdurend op hun hoede zijn, voor Saul en voor hun vijanden.

Maar er begint rust te komen in Davids leven. Saul is dood en het koningschap van David staat als een huis. Vijanden zijn verslagen. David heeft Jeruzalem als hoofdstad gekozen en daar een paleis laten bouwen voor zichzelf. De ark van God, die net zoveel omzwervingen heeft gemaakt, heeft David over laten brengen naar Jeruzalem. Bij al die voorspoed steekt de tent waarin God woont nogal mager af. God verdient beter. Het wordt tijd dat ook God een huis krijgt. Natan vindt het een goed idee maar komt er op terug na een nachtje slapen. Soms moet het nu eenmaal eerst even donker zijn, wil je het licht zien.

 

Het lijkt Davids eer te na dat hij zelf in een paleis woont en God in een tent. Wat zullen de mensen wel niet zeggen! En daar is God dus te goed voor, te groot. Hij laat zich niet gebruiken om als koning met vlag en wimpel te slagen. Als David God wil eren, zal hij zijn eigen eer opzij moeten zetten.

Begrijpt David wel voldoende hoe het zit met God? Hij heeft geen vaste woon- en verblijfplaats. Nooit gehad ook. Hij trok mee met zijn volk uit Egypte, door de woestijn. Hij was bij de herders die Israël moesten weiden, bij Mozes en Jozua, bij Saul en ook bij David. Hij was er op zijn eigen manier. Bewegelijk, veranderlijk, al naar gelang de situatie.

 

Weet David dan niet meer, die laatste overwinning op de Filistijnen?

God gaf de aanwijzing om niet direct aan te vallen maar een omtrekkende beweging te maken. En zodra David de boomtoppen hoorde ruisen, moest hij toeslaan. Want dan zou God voor hem uitgaan.

God was erbij in het geluid van de ruisende moerbeibomen. (2 Sam 5:24) Ongrijpbaar als de wind; niemand weet waar hij vandaan komt, niemand weet waar hij heengaat. Maar onmiskenbaar aanwezig.

Zou dat niet veranderen als God in een huis zat? Zouden we God niet teveel opsluiten, vastpinnen. Wat moeten we met een God die achter de geraniums zit?

Dat huis voor God is meer Davids ding dan dat van God. Misschien verlangt David naar alle onrust en onzekerheid in zijn bestaan nu ook naar rust en zekerheid in zijn geloof, in zijn relatie met God. Ik weet dat sommige mensen dat kunnen meevoelen. Die zouden ook zo graag zekerheid hebben. Wie God is. Hoe hij zich met hen bemoeit. Wat hij met hen voorheeft. Niet te veel vragen maar het liefst antwoorden. Een geloof dat staat als een huis.

 

 

een huis voor David

Maar de zekerheid van geloven zit niet in een huis en je dwingt die zekerheid ook niet af door God op te sluiten in ‘zo is Hij’ of ‘zo moet Hij zijn’. Je dwingt die zekerheid niet af door hem te in te perken. Daarvoor is Hij te groot. Daarom moet het ook niet zo zijn dat de Heer in dezelfde straat woont als de koning. Je moet de macht van die twee niet verwarren.

De zekerheid van het geloof vind je in het luisteren. Luisteren naar de verhalen van mensen die je vertellen hoe God hen heeft geholpen; hoe Hij hen heeft gedragen door een moeilijke tijd heen of hen gestimuleerd heeft om hun eigen weg te kiezen. God woont in die verhalen van mensen die ontdekken dat ze sterker waren dan ze hadden gedacht; die getroost werden of juist bemoedigd werden om anderen te troosten. God woont ook in jouw verhaal.

God woont in het verhaal van de uittocht uit Egypte, in de moerbeitoppen die ruisten toen David strijd leverde. Als David zijn verhaal nu eens zó zou vertellen dat God er een plaats in had…. want het is niet zíjn verdienste dat hij koning is geworden en dat de vijanden van Israël verslagen zijn. Het is niet zijn verdienste dat hij rust heeft gevonden maar die van God. En: David zal geen huis bouwen voor God. God zal een huis bouwen voor hem, een eeuwigdurend koningschap. David zal nooit uit Gods gunst vallen, zoals Saul dat wel was. Er zal altijd een opvolger zijn. Boven die belofte uit horen we de dromen van Israël over een rijk van vrede dat geen einde kent. Sla er de profeten maar op na. In die dromen hebben mensen later Jezus herkend. Davids Zoon lang verwacht. Vredestichter. Brenger van recht. 

Als we dan toch per se een huis voor God willen hebben, dan was hij dat. In Jezus heeft God onder de mensen gewoond. Hij heeft ‘zijn tent opgeslagen’ staat er in het Grieks. (skèneo, tent opslaan, verblijven) En zo woonden Gods goedheid en waarheid te midden van de mensen.

God heeft eigenlijk geen tempel nodig. Zelfs in de droom van Johannes over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal het zo zijn dat God zijn tent opslaat bij de mensen voor altijd bij hen zal zijn. (Openb 21:3) Het past ook beter bij zijn naam: ik zal er zijn voor jou. Ik ben waar jij bent. 

 

ontvangen

Het duurt even maar dan valt het kwartje bij David. ‘Wie ben ik, Heer, mijn God, wat is mijn familie, dat u mij zo ver hebt gebracht?’ Wij voelen ons er doorgaans prettiger bij om te geven. Om iets voor een ander te doen. We geven liever dan dat we ontvangen. Dat schept maar verplichtingen. Dan moet je iets terug doen. Het geeft een gevoel van ongelijkheid en afhankelijkheid dat we liever niet hebben.

Bij God staan we altijd 3-0 achter. Hij geeft. En wij ontvangen. Wij eten altijd genadebrood.

David had zich er prettig bij gevonden om God iets te geven maar hij leek daarbij uit het oog te verliezen wat God hém allemaal had gegeven. Dat besef gaat aan alles vooraf.

Als we zo dadelijk brood en wijn delen worden we weer heel dicht bij dat besef gebracht. We komen naar voren. En mogen onze handen uitstrekken. Als een kommetje. Om te ontvangen. We delen in het lichaam van Christus, het brood uit de hemel, het brood dat leven geeft. We delen in de wijn zo rood als bloed maar met een smaak die verwarmt en doorgloeit als liefde, de wijn van het koninkrijk.

David vraagt om een zegen over alles wat hij heeft ontvangen. Laat ook brood en wijn zo gezegend zijn dat wij deel mogen hebben aan Gods liefde voor ons.

overweging op 8 december 2019 In PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

tweede zondag van Advent   

(afbeelding: Naomi en Obed, Michelangelo, Sixtijnse kapel Rome) 

 

uit de Bijbel: Ruth 4: 9-17 en Micha 5: 1-4a

 

verantwoordelijkheid

Op het schoolplein speelden we vroeger tikkertje met verlos. Als je was getikt, stond je buiten spel. Je deed niet meer mee. Totdat iemand je vrij tikte, verloste.

Naomi staat buiten spel. Als weduwe heeft ze geen inkomsten, geen toekomstperspectief. In het geloof van het Israël van toen was ook haar spel uitgespeeld wat betreft de toekomst van God en mensen. Na haar zou het afgelopen zijn. Zij was afgesneden van Gods beloften tenzij ze een zoon zou krijgen,

nieuw toekomstperspectief.

Zij is te oud om nog een kind te krijgen maar in Ruth ziet zij een kans voor hun beiden…. Volgens de Tora moet een familielid zijn verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst door als losser op te treden. Door de losser zal de naam van een man voortleven; zijn familie zal deel blijven uitmaken van de geschiedenis van God en mensen. Boaz laat zich aanspreken op die verantwoordelijkheid.

Hij zegt toe om het land van Naomi’s man en van haar zonen te kopen. En Ruth, geen familie van hem, een buitenlandse nota bene, neemt hij op de koop toe.

Boaz laat zijn agenda bepalen door het Woord, door wat goed is.

 

Daarmee geeft Boaz een sprekend voorbeeld. Hij staat in voor iemand die geen mogelijkheden meer heeft. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid zodat een ander weer perspectief heeft. En de vraag is dan: In hoeverre laat ik mijn persoonlijke agenda bepalen door wat juist is om te doen? In hoeverre ben ik degene die een ander verlost en weer mee laat spelen.

We worstelen er allemaal wel eens mee dat onze eigen zaken en zorgen voorrang krijgen boven dat wat goed zou zijn. We beseffen allemaal wel eens achteraf dat we zo hard renden om zelf in het spel te blijven dat we vergaten iemand te verlossen met onze aandacht, onze tijd. Het is niet te laat om ons te spiegelen aan Boaz en onze verantwoordelijkheid voor de ander te nemen.

Het kan natuurlijk ook zijn dat je nu denkt, diegene die vrij getikt moet worden, dat ben ik. Ik ben degene die iemand nodig heeft om weer mee te kunnen doen. Wees dan even vindingrijk als Naomi en Ruth en zoek iemand die jou kan helpen. Wees open over je hulpvraag en vraag iemand om jou te lossen.

 

Boaz geeft een mooi voorbeeld.

Maar het is meer dan dat. Boaz wordt gezien als een beeld van Jezus. In Boaz zijn kenmerken te ontwaren van degene die de eeuwen door verwacht wordt. Boaz trok zich het lot aan van Naomi en Ruth, waar anderen dat niet deden. (zie: Ruth 4:4-6) En Boaz zet Ruth in de vrijheid; ze doet weer mee. Ze is geen vreemdeling meer maar een aangetrouwd kind van Israël. Precies zo zal Jezus mensen bevrijden van hun last, van hun verleden, en ze recht geven op leven, op Gods koninkrijk. ‘Verlosser’ wordt Jezus ook genoemd. Omdat hij instaat voor het leven van mensen, met zijn eigen leven. In hem komt vergeving mee; nieuwe moed, nieuwe mogelijkheden. In hem komt ruimte mee om het spel van Gods liefde mee te spelen.

 

zegen

De oudsten in de stadspoort zijn getuige van de belofte van Boaz. Zij prijzen zijn verantwoordelijkheidsbesef. Ze spreken een zegen uit. Laat Ruth zijn als Rachel en Lea. Twaalf zonen schonken zij Jacob; zij zijn de moeders van heel het volk Israël. Zo mag Ruth ook moeder van Israël zijn. Laat het huis van Boaz groot zijn in Efrata en Bethlehem door de kinderen die aan Ruth en Boaz gegeven zullen worden. Zo zullen zij met hun nakomelingen deel hebben aan de geschiedenis van God en mensen. Zij hebben nieuw perspectief.

 

Dat die toekomst uitgaat boven klein familiegeluk horen we in de plaatsnamen die worden genoemd: Efrata en Bethlehem. Daar zal later koning David geboren worden. Boaz is een van zijn voorvaders. We lazen bij de profeet Micha: ‘Uit jou, Betlehem in Efrata, te klein om tot Juda’s geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer.’ In Bethlehem, zegt Micha, wordt de toekomst voor Israël geboren, een herder, een vredekoning. En, geloven wij, in Bethlehem wordt de toekomst van de wereld geboren. Licht voor de mensen die gaan in het donker, Gods aanwezigheid onder de mensen. Dat is nog eens zegen.   

 

dankzegging

‘Daarna nam Boaz Ruth bij zich, zij werd zijn vrouw en hij sliep met haar. De Heer liet haar zwanger worden en ze baarde een zoon.’ Zoals Israël zijn geloofsverhaal vertelt, is niets in dit leven vanzelfsprekend. Zwangerschappen zijn in de Bijbel dan ook vaak een moeizame zaak. Er wordt niet vanzelfsprekend geboren. Denk aan Sara, Rebecca, aan Rachel, aan de moeder van Simson, de moeder van de profeet Samuel. De lijn naar de toekomst wordt, zo vertelt de Bijbel, telkens doorgetrokken door een wonder van God. Elke nieuwe generatie is een nieuwe beslissing van de Schepper. Elk kind dat geboren wordt, elke stap naar morgen, is genade. Zo beleeft Israël dat.

 

Wat hebben wij om voor te danken? Waar zouden wij vanmorgen bij willen stilstaan, wat zouden wij uit de sfeer van de vanzelfsprekendheid willen halen en benoemen als geschenk? Onze kinderen? Onze gezondheid? Vriendschap? Liefde? Deze morgen?

Natuurlijk zijn wij op onze eigen manier verantwoordelijk voor al deze dingen. Zo ging Naomi listig te werk om haar toekomst en die van Ruth zeker te stellen. En Boaz en Ruth weten heel goed waar de kinderen vandaan komen. Toch zoeken wij in dat alles ook naar de hand van God; naar hoe Hij de hand in ons geluk heeft. En we benoemen dat in onze dankbaarheid. We geven God een plaats in ons geluk omdat we weten dat dat nooit alleen van onszelf afhangt.  

 

Dankbaar drommen de buurvrouwen om Naomi heen als haar kleinzoon als haar kleinzoon Obed is geboren. Geprezen zij de Heer. Moge de naam van dit kind in Israël blijven voortbestaan. Hij zal Naomi, die berooid en leeg terugkeerde uit Moab, vullen met levensvreugde.

Obed betekent ‘dienaar’. Deze dienaar is de vader van Isail, die de vader is van David, die weer de voorvader is van Jezus. En hij zei over zichzelf: Ik ben niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen en mijn leven te geven als losgeld voor velen. (Mt 20:28)  

 

In de verbitterde Naomi heeft Israël zich herkend. Israël dat weggevoerd werd in ballingschap en zich afgesneden voelde van de toekomst. Maar door tussenkomst van God en door gehoorzaamheid aan de Tora vindt Israël de levensvreugde terug en toekomst in het land dat God hen heeft gegeven. We mogen in ieder geval weten dat ‘ze leefden nog lang en gelukkig’ niet alleen maar gaat over Boaz en Ruth, en Naomi. Maar over al Gods mensen die zich verloren voelen en niet meer geloven in morgen. Daarmee wordt dit een prachtig adventsverhaal, een verhaal dat ons van donker naar licht brengt. We mogen God danken voor het vertrouwen dat hij ons altijd leidt naar de dag van morgen. Door onze kinderen, door onze idealen, door ons geloof. We mogen God danken voor het teken van die nieuwe morgen, de geboorte van Jezus, God met ons, voor altijd. Onze naam zal bij hem voor altijd voortbestaan.

 

overweging op zondag 1 december 2019 PG De Open Hof -  Oud-Beijerland 

1e zondag van Advent

 

inleiding

 

De evangelist Marcus vertelt niets over Jezus’ geboorte. Johannes maakt er een prachtig gedicht bij over het licht. Lucas weidt uit over engelen, een stal en een voerbak. En Matteus begint met een geslachtsregister. Saai, kun je zeggen.

 

Toch heeft Matteus een goede reden om zijn evangelie zo te beginnen.

 

Hij wil duidelijk maken dat Jezus een kind van Israël is. Hij wortelt in de geschiedenis die God met zijn volk is gegaan. Er hoeft dus belemmering te zijn voor de Joden om Jezus te volgen.

 

Sterker nog, Jezus is de ultieme vervulling van beloften die de geschiedenis gedragen hebben. In hem komt alles samen. Zo saai is zo’n register overigens niet. Want achter elke naam gaat een verhaal schuil. Liefdevolle verhalen, pikante verhalen, verhalen met levenswijsheid. Wij pikken er vier uit. Vandaag gaat het Juda.

Uit de Bijbel: Matteus 1_ 1-2 en Genesis 49: 8-12

 

geven om de toekomst

 

Jacob is een oude man. Hij voelt dat zijn einde nadert. Zijn leven is voltooid.

 

Hij gaat op bed zitten en roept zijn zonen bij zich.

 

Nu moet er een prachtige sterfscene volgen: een weemoedige terugblik op dat wat voorbij is; een dankbaar samenvatten van het geleefde leven. Misschien is er nog iets goed te maken dat in het verleden is voorgevallen. Maar Jacob blikt niet terug op het verleden. Zijn laatste woord is niet bedoeld om af te rekenen of te sluiten. Het is ook niet bedoeld om zijn zonen op het hart te drukken om vast te houden wat hijzelf altijd heeft gedaan. Jacobs laatste woord is juist bedoeld om te openen, om uitzicht te geven op toekomst. Hij laat het leven niet zomaar los maar zoekt naar een weg vooruit voor wie na hem bestaan.

 

 

 

Wij leven in een vergrijzende samenleving. Het aantal ouderen, mensen boven de 65, is enorm toegenomen. Bijna 20% van de bevolking is 65+. En daarvan is weer een kwart ouder dan 80. Je merkt het in het straatbeeld aan het aantal rollators en scootmobielen. Maar ook aan de bouwprojecten in Oud-Beijerland, appartementencomplexen om zo lang mogelijk zelfstandig wonen voor ouderen mogelijk te maken.

 

We merken het in de Open Hof. De gemiddelde leeftijd wordt hoger. Veel mensen kunnen niet meer hier zijn maar leven mee via de computer. Met weemoed denken sommigen terug aan de tijd dat zowel de Thomaskerk als de Ontmoetingskerk vol zaten. Aan het bloeiende jeugdwerk waar we misschien zelf aan meewerkten.

 

Met het vertrek van Gertjan zijn we in een nieuwe fase terechtgekomen. We hebben onze knopen geteld en zijn tot de conclusie gekomen dat een tweede fulltime predikant niet meer uit kan. Wat nu? Weemoedig terugkijken? Teleurgesteld afhaken? Ons ingraven in ‘zo hebben we het altijd gedaan’?

 

 

 

Ik zou best een beroep willen doen op onze ouderen. Of gewoon, op ons allemaal. Want hoe grijs we ook worden, ik zie ook een enorm potentieel. De wijsheid die ouderen hebben opgedaan in het verleden, kan van belang zijn voor de toekomst. Natuurlijk moet onze samenleving, onze kerk, worden ingericht op het groeiende aantal ouderen. Daar denken we met elkaar ook over na. Maar waar we naar verlangen is naar de zegen, zegen van de oudere generatie. Zegen over wat we bedenken, wat we uitproberen; zegen over hoe we met vallen en opstaan vorm

 

geven aan de toekomst waar jullie zelf in hebben geloofd en voor hebben geleefd; nog altijd in geloven in en voor leven.

 

 

 

zegen

 

Jacob zegent zijn zonen.

 

Wat zo bijzonder is, is dat hij elk van zijn zonen aanspreekt op hun eigen levensverhaal en ondeugden. Maar hij ziet ook hun kwaliteiten en geschiktheid. Juda krijgt de grootste zegen. Ruben, de oudste heeft die zegen verspeeld. Simeon en Levi zijn ook niet geschikt in hun vaders ogen. Maar in Juda ziet Jacob iets. Juda, jonge leeuw, krachtig en sterk; Juda, leeuwenkoning, waarvoor alle anderen respect zullen hebben. Juda, jij ja, zult heersen. Totdat degene komt die wordt verwacht, de koning van de vrede voor altijd.

 

 

 

Jacob geeft Juda zijn zegen. Hij geeft hem niet de opdracht om in het voetspoor van zijn vader te treden. Maar om de fakkel van de hoop op zijn eigen manier brandend te houden en door te geven.

 

Het is een belofte aan Juda.

 

En tegelijkertijd is het een opdracht aan Juda.

 

Eigenlijk zegt de oude Jacob: ik zie wat in jou. Laat dat tot bloei komen. Laat dat bepalen hoe jij leeft, wat je zegt en wat je doet. Dat is zegenen: potentie zien, het goede zien, en het de wens meegeven om uit te komen als een bloem uit een bol.

 

 

 

Zou dat ons ook lukken, als ouder wordende gemeente, om zo naar de toekomst te kijken? Om over onze schaduw heen te stappen en te zien wat er is en dat te zegenen?

 

 

 

We kunnen ook direct de vraag aan onszelf stellen? Wat ziet God in mij? Welke kwaliteiten heb ik, waarvoor ben ik geschikt? Met welke zegen heeft hij mij op pad gestuurd? Waar zit mijn kracht? Het kan een heilzaam onderzoek zijn om in ons eigen leven de belofte te vinden en daaraan onze levensopdracht te verbinden.

 

 

 

En God ziet altijd iets anders, ziet meer in ons, dan wij in onszelf zien. Waar wij onszelf waardeloos vinden, zegt hij: ik hou van je. Hij ziet onze kracht waar wij onszelf zwak vinden. Hij houdt ons vast als wij tekortschieten. Onze waardigheid, wie we zijn als mens, vindt zijn basis in hem. In hoe hij ons toerust en zegent voor dit leven. (gebaseerd op You say, Lauren Daigle)

 

 

 

reikwijdte

 

Dit verhaal overstijgt het familieverband van Jacob en zijn zonen. Het gaat niet alleen over dit gezin. Over hun hoofden heen spreekt Jacob tot heel Israël. En tot de wereld om Gods volk heen. Als vader is Jacob de verbindende factor geweest voor de twaalf zonen, twaalf stammen van het land. Nu zegent hij degene door wie Gods toekomst als verbindende factor het leven binnenstroomt. De verwachting van de Messias, de hoop op een tijd van vrede en recht, zal nu mensen en volken verbinden.

 

Juda is daarmee een eerste voorstelling van de Messias. Hij wijst voorúit naar degene die wordt verwacht door zijn doen en laten. Als degene die omziet naar zijn broers. Als degene die borg wilde staan voor de kleinste.

 

Het heil, Gods vrede voor alle mensen, begint bij Juda. En via hem zal het overgaan op zijn zonen en hun zonen.

 

Een van die zonen, een van de nakomelingen van Juda is koning David. In hem lijkt de vrede dichtbij gekomen. Hij weet het rijk dat uit elkaar gevallen was in een tweestammenrijk en een tienstammenrijk tot een eenheid te smeden. Hij kiest de stad Jeruzalem als zijn woonplaats en laat daar de ark van God heen brengen. Ook God mag daar wonen. Jeruzalem, vredesstad.

 

 

 

In de vlag van Jeruzalem vinden we nog altijd een leeuw. De leeuw van Juda, de hoop op vrede. Deze stad is symbool van vrede voor Joden, christenen en moslims. Een heilige plaats van verwachting en hoop. Zonde dat die verwachting ons uit elkaar drijft, tot geweld drijft.

 

 

 

Maar toen, leek het dichtbij. Een vredesstad, geregeerd door een vredeskind. Want David noemde zijn opvolger Salomo, vrede. Maar de vredeskoning die de eeuwen door werd verwacht is niet Davids zoon Salomo, maar ‘Davids zoon, lang verwacht’. Dat kind in de voederbak in Bethlehem. Zijn komst heeft de hoop op vrede doen oplaaien. Hij hééft ook daadwerkelijk vrede gebracht. Tussen God en de mensen; tussen mensen, ín mensen. Daaraan houden wij ons vast als wij hopen op méér; op het definitief aanbreken van Gods tijd.

 

 

 You’ve got talent!    dienst met de Tienerdienst 13 oktober 2019  

PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

lied met de kinderen: In de circustent

luisterlied: Alles is nu, Diggy Dex

 

uit de Bijbel: Matteus 25: 14-30

 

Het leven is een toneel en je wordt altijd gejureerd.

 

Kennen jullie het gevoel dat mensen naar je kijken; je beoordelen?

Ik wel. Ik kijk namelijk zelf ook naar mensen. In de metro. In de rij bij Albert Heijn.

En als je zelf kijkt, kijken mensen dus terug.

We beoordelen elkaar op hoe we eruit zien.

Op wat we wel of niet kunnen. Op wat we vinden.

Op hoe we leven.

Je kunt daar behoorlijk onzeker van worden.

Hoe zie ik eruit? Wat vinden mensen van me?

Waarom kan ik dit niet? Anderen lukt dit wel.

We kijken tegen mensen op. En soms kijken we op onszelf neer.

Dan moet er een filter over de foto die we plaatsen.

Of we beginnen ergens gewoon maar niet aan.

Uit angst dat het niet lukt. Of dat we worden uitgelachen.

De wereld waarin we leven is een grote talentenjacht.

En wij zijn de jury. Voor onszelf en voor elkaar.

Het gaat om ‘comments’ en om ‘likes’.

Ik kan en ik wil niet geloven dat God daar ook aan meedoet.

Dat hij op een jurystoel zit om ons te beoordelen.

Dat wij angstig aan het performen zijn

in afwachting of Hij zijn stoel zal omdraaien voor ons.

Ik kan en wil niet geloven dat God er op uit is om ons op een fout te betrappen.

Zo ken ik God namelijk niet.

Ik ken hem als liefdevol en geduldig.

Geen jurylid maar een coach die het beste uit jou wil halen.

 

Iedereen heeft talent

 

Voor ons is talent iets dat je goed kunt.

Een begaafdheid.

Een instrument bespelen of een sport; of iets creatiefs.

Maar in de Bijbel is het een grote zak met geld.

Een enorme zak met geld.

Een talent is ongeveer 20 jaarsalarissen.

Eigenlijk hoefden die eerste twee nooit meer te werken.

Zoveel was hen toevertrouwd door hun heer.

Jezus vertelt het expres zo overdreven

omdat hij duidelijk wil maken hoeveel de mensen van Gód hebben gekregen.

Alle liefde van de wereld: je kunt in de ogen van deze vader gewoon niets fout doen;

de belofte dat het goedkomt met de wereld.

Maar dat betekent niet dat je nooit meer hoeft te werken.

Want dat is de clou van de gelijkenis die Jezus vertelt.

De heer in het verhaal wordt boos

omdat die laatste dienaar niets heeft gedaan met wat hem is toevertrouwd.

Hij is passief gebleven.

Uit angst om te worden afgerekend op hoe hij het had gedaan.

De laatste dienaar ging voor veilig.

Hij begroef zijn talent. Maar wat begraven is, is in dit geval dood.

Je hebt er niets aan. God heeft er niets aan.

 

Falen is wel/niet erg.

 

Maar Jezus heeft geleerd: wie niet waagt, die niet wint.

Wie mij volgen wil, zei hij, zal zijn leven verliezen.

Zelf heeft hij alles gewaagd.

Met huid en haar, met hart en ziel, heeft hij geleefd voor de mensen.

Alles heeft hij op het spel gezet.

En uiteindelijk heeft hij ook alles verloren.

Hij is verraden door zijn vrienden.

Hij is gedood aan het kruis.

Maar het is God liever dat je probeert en verliest,

dan dat je uit angst niets doet.

Het is God liever dat er iets vreselijk mis gaat,

dan dat er helemaal niets gebeurt.

 

Iedereen heeft talent.

 

Iedereen heeft talent.

Niet omdat we allemaal iets goed kunnen

maar omdat we allemaal iets van God hebben gekregen.

We hebben hetzelfde uitgangspunt, hetzelfde startkapitaal.

Hij houdt van ons zoals we zijn.

En Hij wil niets liever dat we daarmee léven.

 

tekst: Als de zon, Marianne Williamson

 

Onze diepste angst,

is niet dat we onmachtig zouden zijn.

Onze diepste angst betreft juist

onze niet te meten kracht.

Niet de duisternis, maar het licht in ons

is wat we het meeste vrezen.

We vragen onszelf af:

Wie ben ik wel om mezelf briljant, schitterend,

begaafd, geweldig te achten.

Maar waarom zou je dat niet zijn.

Je bent een kind van God.

Je dient de wereld niet

door jezelf klein te houden.

Er wordt geen licht verspreid,

als de mensen om je heen,

hun zekerheid ontlenen aan jouw kleinheid.

We zijn bestemd om te stralen,

zoals kinderen dat doen.

We zijn geboren om de glorie Gods die in ons is

te openbaren.

Die glorie is niet slechts in enkelen,

maar in ieder mens aanwezig.

En als we ons licht laten schijnen,

schept dat voor de ander

de mogelijkheid hetzelfde te doen.

Als we van onze diepste angst bevrijd zijn,

zal alleen al onze nabijheid

anderen bevrijden.

 

 

overweging op zondag 29 september 2019      PG De Open Hof – Oud-Beijerland

uit de Bijbel: Handelingen 9: 1-19

 

Image © Providence Collection Goodsalt.com

 

stil gezet

Saulus wordt hardhandig stilgezet op zijn weg van geweld en terreur. Hij valt op de grond, hij wordt blind en eet drie dagen en nachten niet. Je zou kunnen zeggen: hij is zo goed als dood. Hij die overtuigd was van zijn gelijk en zijn recht, is afhankelijk geworden van de mensen om hem heen, en van God. Drie dagen. Want in de Bijbel wordt het op de derde altijd spannend. Loopt dit dood of gaat het verder?

 

Ben jij ooit zo hardhandig stilgezet? Zo heen en weer geschud in wat jij voor waar hield? Ben jij ooit teruggefloten, geroepen tot iets anders? Heb je ooit moeten erkennen dat je het helemaal fout had?

 

Waarom gebeurt dit toch met Saulus?

Het is God die antwoord geeft op die vraag als hij Ananias naar hem toestuurt.

Ananias, ‘ga, want hij is het instrument dat ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten.’ God heeft Saulus nodig. Als een instrument in zijn hand. Als de mond die over Jezus vertelt; als de voeten die over de Weg gaan die Jezus ging.

 

Ik sprak een man die lang op reis was geweest. Hij zou enkele missieprojecten bezoeken en ondersteunen vanuit zijn kerk. En daarna zou hij nog enkele weken vakantie vieren. Maar die vakantie viel in het water. Hij werd ziek, kreeg malaria in een heftige vorm. Ik vroeg hem of dat geen tegenvaller was, geen vakantie, na je ze te hebben ingezet. Maar hij zei: ik heb me afgevraagd wat God van me wilde en of hij mij daar soms nog nodig had.

Ik vond het mooi en vroeg me af of ik dat ook zo zou kunnen; om het moment dat je wordt stilgezet te gebruiken voor reflectie. En om vragen toe te laten als: ben ik op de goede weg? Laat ik me nog voldoende corrigeren of zit ik vast in mijn gelijk, in mijn recht? Ben ik nog wel afgestemd op wat God van me vraagt of speel ik vooral mijn eigen wijs?

 

instrument

Saulus is niet de enige die geroepen wordt in dit verhaal. Ook Ananias. Zijn eerste reactie op Gods roepen is: ‘ik luister’. Zonder voorbehoud. Maar daar krijgt hij het nog wel moeilijk mee als hij hoort waar God hem voor gebruiken wil. Want Ananias heeft al veel gehoord over Saulus. Hij staat niet te springen om naar de man te gaan die mensen in de boeien slaat en meesleurt naar Jeruzalem. Weet God dat wel zeker?

Ja, God weet het zeker. In Ananias zal Saulus kennis maken met de goedheid en de genade van God. Want dat betekent de naam Ananias, ‘God is genadig’.

 

Soms zitten we er niet op te wachten om ons ergens in te laten betrekken. Om ons te laten inschakelen. Voor je het weet zit je er aan vast.. hoeveel tijd zal dat kosten? Voor je het weet komen er nog meer mensen die een beroep op je doen. En mensen waarvan je weét dat ze verkeerd bezig zijn, dat ze op het verkeerde pad zitten, daar zitten we helemaal niet op te wachten.

Laten we ons dan goed realiseren dat het in zulke ontmoetingen gaat over de genade. Dat wij, als wij ons laten sturen, de goedheid van God gezicht geven.

Soms overkomt het je. Dan bén je ineens betrokken bij een buurman die alleen is, bij een zorgvrager, een noodgeval. Het moment dat je geroepen werd is je ontgaan, maar je zit er ineens midden in. Ongevraagd blijk je een instrument te zijn in Gods hand. Ook dan is het goed tegen ons zelf te zeggen dat wij dat genadige aangezicht van God zijn en dat dan van grote invloed kan zijn.

 

Ananias legt Saulus de handen op en hij noemt hem broeder.

Hij had hem evengoed van alles kunnen verwijten, hem kunnen beschuldigen. Maar dat doet hij allemaal niet. Hij zegent hem. Als een daad van verzoening.

Het is door de aanraking van Ananias, door diens zegen, dat bij Saulus de schellen van de ogen vallen. Hij ziet de dingen nu heel anders en zal in het vervolg niemand meer gevangen nemen omwille van Jezus maar juist het evangelie van Jezus overal gaan vertellen.

 

omkeer

Juist door zijn bescheiden rol en de manier waarop hij zich laat sturen, komt Ananias dichterbij bij mij dan Saulus. Als de apostel Paulus zal hij grootse avonturen beleven en voor het evangelie tot het uiterste gaan. Hij is een mens van pieken en dalen.

Ananias lijkt meer op mij, op ons, gewone mensen. Op de achtergrond doet hij wat God van hem vraagt. Af en toe zouden we eens moeten bidden wat God van ons wil, waar hij ons nodig heeft. Of we zouden onszelf kunnen afvragen: naar wie moet ik met andere ogen leren kijken? Wat kan ik in Gods naam betekenen voor degene die mijn vertrouwen heeft beschaamd of voor degene die zo heel anders leeft dan ik.

Of misschien moet het zo zijn dat we anders leren kijken naar wat we doen. En of we dat zó doen dat het ook tot Gods eer is. Laten we niet vergeten dat God ons nodig heeft. Als instrument in zijn hand. Als een werktuig dat bouwt aan zijn nieuwe wereld.

overweging op Startzondag 15 september 2019       

PG De Open Hof – Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Jozua 2: 6-21

 

het touwtje uit de brievenbus

In 2016 uitte Jan Terlouw in een indrukwekkende toespraak in De Wereld Draait Door zijn bezorgdheid over de wereld waarin wij leven. Hij vertelde over het touwtje uit de brievenbus, herinnering aan een tijd en een manier van omgaan met elkaar. Je kon bij iedereen naar binnen zonder aan te bellen. Dat touwtje vertelde van vertrouwen; van een manier van omgaan met elkaar. Dat touwtje werd symbool voor iets dat we zijn kwijtgeraakt.

Want er hangen geen touwtjes meer uit brievenbussen en vaak is ook de achterdeur op slot. We vertrouwen elkaar niet meer. We wantrouwen de politiek; we wantrouwen elkaar en timmeren alles dicht met zoveel mogelijk regels en voorwaarden. Met lede ogen zien we hoe de samenleving verhardt en dat we steeds minder van elkaar kunnen hebben. We zijn zelfs bang voor elkaar; bang in het donker bij de bus, bang voor groepen jongeren, bang voor wat anderen zeggen. Deuren gaan niet makkelijk meer open maar blijven eerder dicht.

 

De deur van Rachab stond altijd open. Dat betekent haar naam ook: openen, ruimte maken. Cynici zullen zeggen: logisch dat ze zo heet. Haar huis, haar bed, haar armen, haar benen, staan open tegen betaling. Een rood touw hing als reclamebord uit het raam. Maar zó wil het verhaal niet verteld worden. In dit verhaal doet zij haar naam eer aan door ruimte te maken voor de God van Israël. Díe God wil ze haar vertrouwen geven.

 

de rode draad

Rachab kent God niet. Alleen van horen zeggen, van verhalen. Ik heb gehóórd, zegt ze, dat de Heer de zee voor jullie heeft drooggelegd. Ik heb gehóórd dat jullie machtige koningen vernietigend hebben verslagen. En toen we dat hoorden werden we bang en wanhopig. Rachab kent God niet maar heeft wel dóór wat de rode draad is. Als God zijn volk doet uittrekken, zal Hij hen ook weer ergens binnen laten trekken. Ik wéét, zegt ze, dat de Heer dit land aan jullie heeft gegeven. Rachab doorziet dat deze God consequent is en trouw aan zijn volk. Daarmee is zij doorgedrongen tot het hart van de Tora. Maar evengoed tot de kern van het evangelie. Niet voor niets wordt zij daarom genoemd als een van de stammoeders van Jezus. (Matteus 1: 5) Niet voor niets wordt zij door de eerste christenen eervol vermeld vanwege haar daden die voor zich spraken. Want geloof zonder daden is een dood geloof. (Hebreeën 11: 31 en Jacobus 2:25)

 

het touwtje van de hoop

Vanwege de verhalen waagt Rachab het erop. Zij helpt de twee spionnen ontsnappen. In ruil vraagt zij een goede daad terug. Geef mij de zekerheid dat jullie mij en mijn familie zullen sparen. Red ons van de dood.

Dat rode koord moet uit het raam hangen. En als de muren van Jericho zullen vallen, zal de verwoesting aan haar voorbij gaan (lees verder in Jozua 6: 15-25). Het klinkt bijna als een spiegelverhaal van wat eerder gebeurde: Gods volk smeerde bloed aan de deurposten zodat de dood aan hen voorbij zou gaan en zij gespaard zouden worden, gered van de dood. (Exodus 12:7 en 13)

 

Er is bijzonders met dat rode koord van Rachab. Het Hebreeuwse woord dat wordt gebruikt betekent namelijk ook ‘hoop’. (tikvaw; ook te vinden o.a Ruth 1:12, Job 7:6 en Ps 62:6) Het is het touwtje van de hoop. De hoop dat God betrouwbaar is en de lijn van de bevrijding zal doorzetten. De hoop dat het God om ons leven begonnen is, niet om onze dood.

 

We bezinnen ons op een nieuw seizoen. Anders ook, met één predikant in plaats van twee.

En dít zouden onze beleidsvoornemens kunen zijn:

-het touwtje uit de brievenbus. Dit huis staat open voor wie er maar binnengaat. In dit huis is vertrouwen. Vertrouwen in elkaar. Dat we met elkaar staan voor de opbouw van deze gemeente. En iedereen is daarin even betekenisvol. We mogen elkaar ons hart toevertrouwen; onze vragen en vreugde, onze hoop en ons geloof. Dat lijkt vanzelfsprekend maar het vraagt om onze inzet en volharding om het ook waar te maken.

-de rode draad. Wíj bewaren de schat aan verhalen die stuk voor stuk vertellen van een God die ons leven op het oog heeft, ons sámen leven. Zijn bemoeienis met ons leven is gericht op vrij zijn, op heel zijn. Hij wijst ons altijd de weg vooruit. Hij wijst zelfs de weg door de dood naar het leven in zijn zoon. Dat mogen we zelf iedere keer opnieuw tot ons laten doordringen. En we mogen het ook uitdragen. Doorgeven. Aan de volgende generatie, aan wie hier binnenkomt.

-het touwtje van de hoop. We kunnen geloven vrede een onhaalbare zaak is. We kunnen ontkennen dat het klimaat verandert en de natuur uit evenwicht raakt. We kunnen boven aan de trap gaan zitten met de deur angstvallig op slot. Maar in de kerk doen we dat allemaal niet. Uit ons venster hangt het rode touw van de hoop. En dat is geen naïef optimisme maar dat wat ons, en wie na ons komen, de moed geeft om ook hoopvolle dingen te doen.

Pagina 1 van 7