Preken

Preken (101)

korte overweging op zondag 29 maart 2020

gezamenlijke viering van de classis Delta in De Open Hof – Oud-Beijerland

We maken ons in deze periode zorgen om het coronavirus.

 

uit de Bijbel: Matteus 7: 24-27

 

Aan het begin van deze week zagen we premier Rutte die niet genoeg kon benadrukken dat het toch écht de bedoeling is om de richtlijnen niet alleen aan te horen maar ook op te volgen. Hij deed een beroep op ons aller gezond verstand. Om niet onverschillig of onnadenkend te zijn en tóch groepen op te zoeken, tóch massaal op pad te gaan.

Wel horen maar er niets mee doen heeft gevolgen. Mensen worden ziek. En het verziekt ook onze omgang met elkaar. We zijn scherp naar elkaar, veroordelend.

 

Jezus zegt: die woorden van mij, moet je niet alleen horen maar ook doen. Hij heeft gesproken over gerechtigheid. Over het koninkrijk van de hemel. Grote woorden. Ver van mijn bed, kun je denken.

Maar Jezus brengt ze dichtbij door te spreken over zout, over een lamp op een standaard, over dagelijks brood, eten en kleding. Heel huiselijk.

Hij spreekt over het samenleven van mensen met huiselijke beelden. Hoe ga je om met je broeder, je zuster? Hoe ga je om met je vrouw, met je man? En hoe benader je de mensen in je omgeving? Ook weer heel dichtbij en alledaags.

 

De gelijkenis van het huis op de rots is het slot van Jezus’ bergrede. Eigenlijk een soort samenvatting. En hij nodigt uit om positie te kiezen. Waar bouw jij je huis op? Waar bouw jij je bestaan op? Kies jij het perspectief van Gods nieuwe wereld of zit jij vast in je eigen wereld?

Bied jouw leven ook onderdak aan anderen of gaat het alleen maar om jou en sluit jij ramen en deuren?

 

Voor het bouwen van een leefbaar huis, zegt Jezus, is levenswijsheid nodig. Gezond verstand. En waar dat ontbreekt, wordt het leven een puinhoop. Daar staan mensen in de kou. Daar worden mensen beschadigd of onrechtvaardig behandeld.

 

Het is verstandig om je in je keuzes te laten beïnvloeden door Jezus’ woorden. Het getuigt van gezond verstand als je de ander ook in het vizier hebt bij hoe jij je leven inricht.

Ons leven zal hierna niet meer hetzelfde zijn. We komen tot de ontdekking waarin we onnadenkend zijn geweest. Dwaas zelfs. Door deze wereldwijde crisis ontdekken we wáár onze samenleving op drijfzand is gebouwd. En waar de gemeenschap wordt ondergraven omdat wij als los zand langs elkaar heen hebben geleefd.

We herontdekken wat ons bestaan écht draagt en vormt. Wij zijn een huis voor elkaar, van levende stenen.

 

Jezus’ woorden impliceren dat er een fundament is gelegd waarop wij het huis van ons leven en samen leven kunnen bouwen. Een stevige basis die gevormd wordt door Gods woord. Hij heeft ons gezegd wat goed is. (Micha 6:8)

Een fundament dat ook gelegd wordt door zijn handen die ons bestaan dragen. Vandaag en alle dagen. We kunnen op Hem bouwen.

Iemand wees mij erop dat het woord ‘quarantaine’ veertig betekent.

In de 14e eeuw, toen de pest heerste, werden schepen in Italië verplicht om 40 dagen in de haven te blijven wachten, om het risico op verspreiding te verminderen.

 

Veertig-dagentijd. Tijd van wachten. Tijd van een pas op de plaats maken en ons bezinnen op het leven dat we leiden. Bijbelse tijd van leren en afleren, op de proef gesteld worden.

 

Deze veertigdagen, deze quarantainetijd wordt ons geduld bijzonder op de proef gesteld. Onze wereld is kleiner geworden en we zijn genoodzaakt te bedenken wát belangrijk is, wíe belangrijk zijn.

 

Vandaag is ook de zondag die ‘laetare’ noemen. Dat betekent: verheug u. We vieren dat de vastentijd halverwege is en dat Pasen dichterbij komt. In al onze bezorgdheid en angst, in ons ongeduld, mogen we ook hoop hebben dat het goed komt.

 

--

 

kort woord bij Matteus 6: 9-13

 

Geef ons heden ons dagelijks brood.

Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben.

 

Bij mijn ouders heeft heel lang een broodplank in de keuken gehangen met deze tekst erin gekerfd.

Maar er werd nooit brood op gesneden.

Die bede heeft dan ook niet alleen te maken met brood om onze honger te stillen.

Bijbels brood is altijd meer dan dat.

Als God zijn volk uit Egypte heeft geleid,

begint het te klagen over honger.

Eigenlijk uiten ze daarmee hun bezorgdheid.

Ze hebben er pijn in hun buik van of het wel zo’n goed idee is geweest om Egypte te verruilen voor de onzekerheid van de woestijn.

Hun vertrouwen is niet zo groot. Ze zijn bang.

Dan laat God het brood regenen uit de hemel.

Genoeg voor elke dag.

Genoeg voor iedereen.

Er hoeft niet gehamsterd te worden.

 

God kent zijn mensen goed.

Hij weet dat we in tijden van onzekerheid in de eerste plaats willen zorgen voor onszelf, en onze naasten.

Hij weet dat we, juist als we machteloos zijn, tóch het gevoel willen hebben dat we iets kunnen doen, dat we grip willen hebben op de gebeurtenissen.

Hij weet dat ons vertrouwen in de goede afloop als eerste op de proef wordt gesteld.

En hij stelt ons gerust:

vertrouw erop dat je krijgt wat je nodig hebt, elke nieuwe dag.

 

Brood is vertrouwen op God.

En dat hebben we broodnodig.

Net als hoop dat het goed komt.

 

In het Engelse company, samen-zijn, gezelschap, zitten twee Latijnse woorden verborgen. Panem, dat is brood. En Com. Dat betekent samen.

Samen brood eten. Een kompaan zijn. Op die manier is Jezus brood geweest.

Een metgezel, een vriend, iemand die deelde.

Hij deelde brood en zijn leven.

Hij liet zichzelf breken en delen als brood.

Levend brood. Brood uit de hemel gezonden.

 

Als wij bidden:

Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben

wat bidden we dan?

Dan bidden we om vertrouwen op God.

en dat wij het kunnen uithouden om te leven bij de dag.

Dan bidden wij om vrienden om mee te delen wat ons bezighoudt.

Om de hoop die Jezus heeft gegeven

en de verwachting dat leven door lijden heen dóórgaat.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

 

overdenking op zondag 8 maart 2020 in Protestantse Gemeente De Open Hof

 

tweede zondag van de 40-dagentijd

 

 

 

uit de Bijbel: Matteus 5: 13-16 en Efeziërs 5: 1-20

 

 

 

nieuw zelfbewustzijn

 

Jullie zijn het zout van de aarde. Jullie zijn het licht in de wereld. Met deze woorden zet Jezus de mensen die hem volgen en zijn leerlingen in hun kracht. Hij zegt niet: ik hoop dat jullie zout van de aarde zijn. Hij zegt ook niet: probeer het licht in de wereld te worden. Ze zíjn het. Jezus spreekt de mensen aan op hun gevoel van eigenwaarde. Hij laat ze hun rug rechten. Al die mensen die hij net heeft aangesproken: nederig van hart, verdrietig, verlangend naar gerechtigheid, zachtmoedig, barmhartig, op zoek naar vrede, vervolgd omwille van de gerechtigheid, uitgekotst. Jezus geeft met deze woorden nieuw zelfbewustzijn aan de mensen van toen én vandaag: de losers, de mensen die tekort komen of tekort schieten, de idealisten, de drammers, al die mensen die dingen beginnen waarvan niemand weet wat de afloop zal zijn (Paul van Vliet, ‘Ik drink op de mensen’), die mensen die geloven dat het kan: een vernieuwde wereld, Gods koninkrijk op aarde. 

 

 

 

Jezus legt met zijn woorden over het zout en het licht iets neer bij mensen wat zij tot dan toe voor een belangrijk deel bij God hadden neergelegd. Voor Jezus’ tijdgenoten stonden zout en licht symbool voor Gods aanwezigheid in de wereld. Andere zaken lagen meer voor de hand om zout en licht te zijn. Denk aan de tempel, de Tora (Ps 119: 105), de stad Jeruzalem. (zie Jes 60:1) Daarin was God aanwezig. Nu zegt Jezus: hij is ook door jullie aanwezig. Als jullie licht schijnt, als jullie goede daden zichtbaar zijn, dan is ook God zichtbaar en zullen mensen God eer bewijzen.

 

Zelf heeft Jezus zijn licht niet verborgen. Hij straalde en liet anderen stralen. Hij was een smaakmaker. En meer nog: hij was het levende teken van het verbond tussen God en mensen.

 

Jullie zijn zout. Jullie zijn licht. Ik zou op elk woord een klemtoon kunnen leggen. Júllie. Niet iemand anders. Niet God. Niet iets buiten jou maar ín jou. Jij.

 

Jullie zíjn… je hoeft het niet te worden of ernaar te zoeken.

 

Jullie zijn zóut, lícht. Dat is jullie betekenis in het leven. Laat niet door jouw eigen toedoen je licht doven. Verberg jezelf niet. Het doet zo wel een beetje denken aan de gelijkenis van de talenten: doe er wat mee en verberg het niet in de grond.

 

 

 

duisternis en licht

 

In zijn brief aan de gemeente in Efeze wijst Paulus de gemeenteleden ook op hun kracht. Ik dacht eerst, ik lees dat eerste stukje maar niet. Waarin hij schetst wat hij ziet als duisternis, de duistere praktijken van zijn wereld. Het klinkt zo plat, zo treurig: ontucht, zedeloosheid, hebzucht, platvloerse taal, alles wat het licht niet verdragen kan. Ik besloot het toch te lezen omdat dat dat ook ónze wereld is. De wereld waarin wij leven. 

 

 

 

En hoe verhoud je je als christen tot die wereld? Wat is onze toegevoegde waarde als gemeente?

 

Paulus neemt geen afstand van de wereld waarin hij leeft. Hij zegt niet: als christen hoor je daar niet bij; daar doen we niet aan mee. Maar je moet je ook niet aanpassen aan de wereld waarin we leven. Dus niet toegeven aan alle verleidingen, niet strijden met de wapens van de wereld. Ook niet mee draven in het tempo dat mensen elkaar vandaag de dag opleggen, en niet meegaan in de waan van de dag.

 

Paulus adviseert niet om de wereld te mijden maar om daarin je eigen weg te zoeken: de weg van de liefde. Misschien is het onze taak om de wereld te verzachten, te veranderen. Als het zo is dat God de wereld heef liefgehad, dan kan de gemeente daarin toch niet achterblijven?

 

 

 

een voorbeeld van God

 

Maar hóe doe je dat dan? Volg het voorbeeld van God, zegt Paulus. Ik wil toch nog een keer een Grieks woord met jullie delen: mimetai. Dat woord heeft Paulus overgenomen uit de wereld van het toneel. Wie in verbinding staat met Gods liefde is een mimespeler op het toneel van de wereld. Het is aan je af te lezen wie God is, hóe God is. In het spel van het leven is dat jouw rol. Ik denk even aan wat Vondel schreef: De wereld is een schouwtoneel; elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel. (1637, bij de opening van de Nieuwe Amsterdamse Schouwburg aan de Keizersgracht)

 

Wie in aanraking is gekomen met de liefde van God, wie Jezus wil volgen, speelt de rol van zijn leven. En al spelende wordt het waar dat God van mensen houdt; dat Hij geduldig is en trouw.

 

Dat is precies hoe God de mens heeft bedoeld. Denk even terug aan het scheppingsverhaal. In de oude vertaling stond daar dat God de bomen schiep, die vrucht dragen ‘naar hun aard’; hij schiep het jonge groen dat zaad draagt ‘naar zijn aard’; hij schiep de wemelende waterdieren ‘naar hun aard’ en evenzo de vogels en de andere dieren. Maar de mens schiep hij ‘naar zijn beeld en gelijkenis’. De mens is geroepen om God na te bootsen. De mens is geroepen om in zijn doen en laten te tonen wie God is.

 

Jezus heeft dat op zijn mooist gedaan. In hem ging alles in vervulling wat God heeft bedoeld en beloofd. Gods geliefde zoon is hij. Maar ook de geliefde van de mensen. Met hem als hoofdrolspeler kan het bijna niet meer misgaan. Hij reikt ons ons kostuum aan: de nieuwe mens. Een kostuum van licht. Van dat licht waarin alles zachter wordt en mensen mooier. In een andere brief zegt Paulus: trek een andere jas aan: ‘kleed u in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld’. (Kol 3: 12)

 

 

 

Met ons kostuum aan mogen we spelen. Want mimespelers roepen een werkelijkheid op die niet zichtbaar is. Zij roepen met hun gebaren en mimiek een wereld tevoorschijn en nodigen anderen uit om met hen mee te gaan op hun ontdekkingsreis. Zo mogen wij de werkelijkheid van Gods nieuwe wereld openen. Mensen uitnodigen om met ons mee te kijken wat daarvan al te zien is.

 

 

 

Ieder mens die God ná doet, doet hem ook vóór. Die laat zien hoe God er uitziet en wat je hem zou moeten denken. Want de enige manier om andere mensen kennis te laten maken met God is door zijn mimespelers. Als die het niet goed doen, krijgen mensen een verkeerd beeld van God. Dus doen wij het leven voor: in gehoorzaamheid aan de Schrift; we gaan voor in de verwondering om het leven; in de dankbaarheid, in de hoop. We gaan voor in het meeleven met elkaar. Wij spelen Gods nieuwe wereld. Wij steken ons licht niet onder stoelen en banken zodat mensen God aan ons aflezen en hem eren.

 

 

 

wake up call

 

Goed beschouwd zijn de woorden van Paulus een wake up call. ‘Ontwaak uit uw slaap! Sta op uit de dood. En Christus zal over u stralen.’

 

Uitleggers menen dat Paulus deze woorden heeft overgenomen van de profeet Jesaja. Hij zegt tegen het volk dat in ballingschap leeft:

 

‘Ontwaak, jullie daar in het stof.’ (Jes 26:19b) Word wakker. En wees een nieuw mens. Bewandel de weg van de gerechtigheid.

 

En later roept de profeet Jeruzalem toe, de stad waar de eerste ballingen naar terug keren. ‘Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer.’ Sta op en maak wat van de puinhoop waarnaar je bent teruggekeerd.

 

Die woorden leent Paulus en hij maakt er zijn eigen wake up call van. Ontwaak. Sta op. Want de hoofdrolspeler, degene die zo prachtig God vóórleefde, is ontwaakt en opgestaan. En wij mogen volgen. Wie nu wakker wordt en opstaat, staat meteen in het volle licht van Jezus. Die wordt in het licht gezet om zelf te kunnen stralen. Nu. En, zo vertrouwen wij, ook later.

 

 

 

Gebruik uw dagen goed, zegt Paulus, want we leven in een slechte tijd. En hij geeft daarbij twee duidelijke aanwijzingen. ‘Bedrink u niet, want dat leidt tot uitspattingen.’ Juist in deze 40-dagentijd proberen mensen te minderen met die dingen die de boventoon zijn gaan voeren. Wijn, of vlees. Social media of tv. Al die dingen waarvan we te vol kunnen zijn; die voor afleiding zorgen maar ons ook afleiden van wat belangrijk is…. In welke roes bevind jij je, vraagt Paulus. Waar ben jij vol van?

 

Laat in plaats daarvan de Geest je vol maken. Zodat je samen kunt zingen. Zodat je samen de Heer kunt danken. Gods mimespelers trekken op het juiste moment hun mond open.

 

 

 

[ Voor deze overdenking heb ik gebruik gemaakt van de gedachten van Tom Naastepad over de ‘schouwspelers’ in zijn boek ‘Schouwspelers van God; uitleg van Paulus’ brief aan de Efeziërs’.]

 

Vasten

Written by

 

overdenking op zondag 1 maart 2020 in Protestantse Gemeente De Open Hof

 

eerste zondag van de 40-dagentijd

 

 

 

uit de Bijbel: Jesaja 58: 3-11 en Matteus 6: 1-6; 16-21

 

 

 

 

 

huichelachtig

 

‘Doe wel en zie niet om’. Ik dacht echt dat dat in de Bijbel stond maar even googlen leerde me dat het een spreekwoord is. Het zou er in kúnnen staan: doe wat goed is, zonder een bedankje af te wachten of op de uitkomst te letten. Dat drukt Jezus de mensen op het hart in de Bergrede: Let op dat jullie de gerechtigheid niet beoefenen alleen om gezien te worden door de mensen. Je hoeft het niet rond te bazuinen als je iemand iets geeft of met veel vertoon je vroomheid ten toon te spreiden.

 

Huichelaars doen dat, zegt Jezus.

 

Een huichelaar is in het Grieks ‘hupokritos’. Dat klinkt bekend, een hypocriet. In die tijd was een hypokritos een toneelspeler, iemand met een masker op. Wie hypocriet is, is niet echt. Die speelt een rol, met de wereld als toneel. Die let op hoe hij of zij overkomt op anderen. Die gaat voor de waardering, misschien om er later iets voor terug te kunnen vragen. De hypocriet gaat voor de goedkeuring, het applaus. Wie een rol speelt, ontleent zijn identiteit dááraan.

 

Ik kan niet ontkennen dat mijn zelfvertrouwen en voldoening vaak ook dáár zitten; in de positieve feedback en in de waardering. Het is een kritische vraag aan mijzelf of ik de dingen die ik doe ook zou doen zónder die waardering. Ik hoop het wel.

 

Jezus roept de toneelspelers tot de orde. Hij wijst op hun verborgen agenda: ze zijn van binnen niet wat ze van buiten lijken. Wat ze doen lijkt te wijzen op een gelovige levenshouding. Maar kloppen doet het niet.

 

 

 

Afgelopen woensdag - Aswoensdag - is de veertigdagentijd begonnen. Tijd van bezinning en verdieping. Tijd van her-bezinning op wat belangrijk is in ons leven. Jezus geeft met grote lijnen aan waar het in ons bestaan om draait:

 

om het samen-leven met andere mensen; om het leven met God en om onszelf.

 

Aalmoezen geven. Dat betekent niet: mensen afschepen met iets kleins om er vanaf te zijn. Het betekent omzien naar de mens in nood. Het gaat tenslotte om het beoefenen van de gerechtigheid. Die gerechtigheid die Jezus in een adem noemt met Gods koninkrijk, Gods nieuwe wereld. ‘Zoek ‘liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid…’ (Mat 6:33)

 

Bidden. Onze persoonlijke omgang met God, in ons bidden, onze stilte, ons doen en laten. En vasten. Ons omgaan met ons lichaam, met die dingen die we menen nodig te hebben om in leven te blijven. Je zou kunnen zeggen dat dat ook de thema’s zijn waarbij de 40-dagentijd ons bepaalt: de ander, God en ik. De vraag is dan hoe we binnen die driehoek op een goede manier kunnen leven. En voor wie we dat dan doen. Zijn we nog oprecht bezig of is onze verborgen agenda ook gaan doen? Zijn we integer? En integriteit vullen we dan in als: ‘Doen wat goed is, ook als niemand het ziet.’ (Thomas Jefferson)

 

 

 

verborgen

 

De toneelspeler geeft met een groots gebaar dat gezien moet worden en geprezen. Als dat zijn verborgen agenda is, zijn opzet in dit leven, dan heeft hij zijn beloning al binnen. Daar doet God niets meer aan af of toe.

 

Maar als jíj iets geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet.

 

 

 

Met andere woorden: wees je zelf niet eens bewust wat je aan het doen bent; wees niet zelfvoldaan over je eigen goedheid maar doe het zo onopvallend dat het zelfs voor jezelf verborgen blijft. Doe het als iets dat vanzelfsprekend behoort tot jouw geloof, zonder er al te veel woorden aan veel te maken.

 

En als jíj bidt, ga dan naar huis. Stel je voor dat er in die dagen op vastgestelde tijden werd gebeden. Waar je ook was, je deed dan mee aan het gebed. Zoals dat gebeurt in islamitische landen. Maar ook in de katholieke traditie waar mensen een kerk in konden lopen om het Angelus te bidden, om 6 uur ’s morgens, 12 uur ’s middags en 6 uur ’s avonds. Waar je was, deed je mee aan het gebed. Kennelijk waren er in die tijd mensen die er een sport van maakten om zo zichtbaar mogelijk te getuigen van hun vroomheid.

 

En als jíj vast, zorg dan dat dat niet aan je gezicht valt af te lezen. Wie vastte liet dat in die dagen ook merken in zijn kleding, die schoor zich niet en smeerde as op zijn gezicht. Iedereen kon zien dat diegene aan het vasten was. Laat het aan jou niet af te lezen zijn. Want jullie vader, die in het verborgene ziet, zal je belonen voor goed doen, bidden, vasten,

 

 

 

De meeste mensen deugen

 

Als alles in het verborgen blijft, is je geloofshandelen belangeloos. Je hebt er geen belang bij. Dat geeft vrijheid. Want je bent niet meer afhankelijk van wat anderen van je vinden of zeggen. Je hoeft ook niet op zoek naar evenwicht: of jij net zoveel investeert in je medemens als die ander. Als je zo durft te denken, geeft je geloof je ruimte en vrijheid om te leven, om te doen wat er te doen is. Wetend dat het door God wordt gezien. Dat Hij er zijn zegen aan zal geven.

 

 

 

Jezus bevraagt ons op onze natuurlijke en spontane goedheid. Die goedheid waardoor we terloops goede dingen doen. Want in wezen zíjn we goede mensen. We lopen er echt niet altijd mee te koop. We wimpelen lof liever af. Mensen die een lintje krijgen zeggen dat ze het zonder dat lintje óók hadden gedaan; we zeggen dat we toch tijd over hadden of dat iedereen het in zo’n geval toch had gedaan. In zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ citeert Rutger Bregman de aansporing van Jezus om niet rond te bazuinen als je iets goeds doet. Maar, zegt hij, daar hebben we niets aan. Goede daden die je verbergt hebben geen uitstraling. Je hoeft niet te koketteren met wat je doet, maar vergeet niet anderen te inspireren. Jezus geeft zijn volgelingen óók de aansporing mee om licht voor de wereld te zijn; een licht óp een standaard, niet onder een emmer. Jullie licht moet zichtbaar schijnen, zegt Jezus, zodat mensen jullie goede daden zien en God de Vader eren. (Mt 5:16) Er is niets zo besmettelijk als vriendelijkheid, zegt Bregman. ‘De mens is zo bedraad dat een simpel blijk van goedheid al tintelingen over ons hele lijf kan bezorgen. En het fascinerende is: dit effect kan zelfs optreden als we zulke verhalen uit de tweede hand horen. Dan is het net alsof er op een mentale resetknop wordt gedrukt waardoor onze gevoelens van cynisme verdampen en we weer helder naar de wereld kunnen kijken. Laat de aankomende 40-dagentijd voor ons als die resetknop zijn.

 

 

 

Heb lief en doe dan wat je wilt:

 

wil je zwijgen, zwijg uit liefde,

 

wil je schreeuwen, schreeuw uit liefde,

 

wil je corrigeren, doe het uit liefde,

 

wil je vergeven, vergeef uit liefde.

 

Draag de bron van liefde in je hart,

 

want uit liefde kan alleen het goede voortkomen.

 

(preek van Augustinus bij 1 Joh 4, preek 7,8)

 

 

overweging op zondag 16 februari 2020          PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

 

 

uit de Bijbel: 1 Samuel 3: 1-10 en Lucas 5: 27-31

 

 

 

woorden en visioenen zijn schaars

 

Er is niet zoveel van God te horen en te zien. Niet rechtstreeks in ieder geval.

 

Wanneer heeft u voor het laatst woorden van de Heer gehoord?

 

Of een visioen gezien?

 

Wat dat betreft lijkt de wereld van vandaag op Silo. Vanuit de hemel blijft het stil.

 

Er komen geen duidelijke aanwijzingen, geen boodschappen.

 

Er opent zich geen vergezicht dat de werkelijkheid onder kritiek stelt.

 

Er dienen zich geen dromen aan.

 

En dat was al zo in Bijbelse tijden.

 

Ik vind dat op de een of andere manier toch troostend.

 

Dat het gewoon zo ís, dat er geen woorden klinken, geen visioenen te zien zijn.

 

 

 

Ik vind dat troostend omdat er ook tijden zijn geweest dat theologen zeiden dat het de schuld van mensen was dat God zweeg en zich verborg. Martin Buber noemde dat Godsverduistering. (Gottesfinsternis, 1952)

 

Zoals de zon verduisterd kan worden door de maan en niet meer zichtbaar is op aarde; zoals het dan koud wordt en donker en je zelfs zou kunnen gaan twijfelen of er nog wel zoiets als zon bestaat…. zo kan God verduisterd worden. Het wordt koud en donker en je zou kunnen twijfelen of er nog zoiets als God bestaat.

 

Wij zijn het, zegt Buber, die voor die verduistering zorgen. Omdat er altijd wel iets tussen de mens en God in komt. Omdat wij menen het zelf te kunnen; zelf verantwoordelijk te zijn.

 

In de Nederlandse theologie van de jaren ’80 heeft deze term ook nog een rol gespeeld (H. Berkhof). God is verduisterd door de secularisatie; of door de kerken die wilden houden wat ze hadden en niet met de tijd wilden meegaan; door de veranderende cultuur. Pessimisten zeggen dat de Godsverduistering heeft doorgezet: kerken worden minder relevant in de samenleving, het aantal gelovigen neemt af. Geen wonder dat God minder van zich laat horen en zien; we hebben een ongastvrij klimaat voor hem geschapen. Dat Hij afwezig is, ligt aan ons. Lees maar: Eli, de priester is bijna blind. Daar heb je weinig heldere inzichten meer van te verwachten. En hij heeft het de jongere generatie niet mee kunnen geven.

 

 

 

Ik geloof daar niets van. Ik ga er liever vanuit dat, net als ooit in Silo, het nu eenmaal zo is dat zelden woorden van de Heer klinken en dat er geen visioenen doorbreken.

 

En met dát gegeven is het aan ons om handen en voeten te geven aan ons geloof; om onze weg te zoeken met deze God. Alsof wij bij machte zouden zijn om God te verduisteren.

 

 

 

Ik houd me daarbij graag vast aan wat Dag Hammerskjold zei: God sterft niet uit als wij ophouden in God te geloven, maar wíj houden op te leven als we niet meer worden verlicht door die dagelijkse, wonderlijke ervaring van de levensbron, die alle begrip te boven gaat. (Merkstenen)

 

de godslamp

 

Wij houden niet God in leven. Hij houdt ons in leven. En dat hoor ik ook terug in dit verhaal. De lamp van God komt er in voor, de godslamp. De lichtbron, de levensbron, die alle begrijpen te boven gaat. Die is bijna uitgedoofd, staat er.

 

Zie je wel, roepen de pessimisten. God is er bijna klaar mee. Nee, zeggen de optimisten. Als de godslamp bijna is uitgedoofd, is het tijd voor een nieuwe dag.

 

En het eerste werk voor de nieuwe dag is het bijvullen van de olie in die lamp. Een nieuwe dag is een nieuwe kans; tijd om te herbezinnen op het leven, op geloven.

 

De Nieuwe Bijbelvertaling is overigens de enige vertaling die ik heb gevonden die vertaald dat de godslamp bijna uit is. En dus ook de enige vertaling die ruimte laat voor de pessimistische invulling dat het bijna afgelopen is met God.

 

In alle andere vertalingen las ik: De godslamp was nog niet gedoofd. Hij brandt. Als licht dat ons aanstoot in de morgen. Licht dat ons overdekt, aanvuurt en voorkomt dat wij koud worden, onbereikbaar voor elkaar. Dát licht brandt nog. Op die vooronderstelling, op dat vertróuwen bouw ik mijn geloof vandaag. Hoe zullen wij hem ooit kunnen verduisteren? Hij is het juist die onze duisternis verlicht.

 

 

 

God horen en luisteren

 

Daar ligt Samuel, te slapen in de tempel.

 

Zijn moeder Hanna gaf hem die naam omdat ze om dit kind heeft moeten bidden. (lees 1 Sam 1) Toen ze hem kreeg zei ze: ik heb hem van de Heer gevraagd. God had haar gebed gehoord, zo ervoer Hanna dat.

 

In de naam Samuel zit ‘El’, God. En ‘sjema’, horen. Zoals in de belijdenis van Israel: Sjema, Jisrael. Hoor, Israël. Luister, Israël. (Deut 6:4)

 

Israëls God is een horende God. Dat zit verborgen in Samuels naam. Maar ook een God die van zich laat horen; een God om naar te luisteren.

 

Samuel ligt daar te slapen, dichtbij de ark, beschenen door de godslamp. Dichtbij God, zou je kunnen zeggen. Maar Eli, uitgebluste Eli, heeft hem van alles geleerd, behalve hoe dat moet: leven met een God die dichtbij komt; leven met een God die van zich doet spreken.

 

Het licht kunnen wij niet doven. En het roepen van God kunnen wij er niet van weerhouden om gehoord te worden. Hoe uitgeblust we zelf ook raken; hoe weinig geïnspireerd we ook zijn. Uiteindelijk gaat het ook daarin niet om ons. Het woord van God laat zich niet tegenhouden.

 

 

 

Tot drie keer toe roept God Samuel. Hij hoort het wel maar weet niet hoe hij het moet interpreteren. Het zal Eli wel zijn. Maar die is het niet. Pas bij de derde keer gaat Eli een licht op. Gelukkig blijft God het proberen. Ook met ons. Als wij uitgeblust zijn. Ongeïnspireerd. Ontmoedigd door de tijd waarin wij leven. Bij drie komt God in het spel; bij de Bijbelse drie gaat het leven stromen. Gelukkig. Nu weet Samuel wat hij moet doen: luisteren.

 

Luisteren naar de stilte. Luisteren naar de stem in het hart. Luisteren naar het woord van God. Luisteren naar elkaar. En wie luistert, weet wat hem/haar te doen staat. 

 

 

 

de roepende

 

Vanaf het begin laat de God van Israël zich kennen als een roepende God.

 

Hij roept mensen naar zich toe. Alsof hij weet welke kant het op moet.

 

Met ons. Of met de wereld waarin leven.

 

Ik zie het maar als een vader of moeder die neerhurkt en het kind, dat net leert lopen, naar zich toe roept. Het is wankel, onzeker, maar er zit beweging in.

 

Zo roept God mensen naar zich toe. Je hoeft niet bang te zijn om antwoord te geven. ‘Ik heb je bij je naam geroepen’ zegt God. ‘Ik ben bij je’.

 

Het meeste wordt ons gegeven: nabijheid, licht, woord. Licht dat vraagt om te mogen schijnen, in ons, door ons. Woord dat om antwoord vraagt.

 

 

 

Ook Dag Hammerskjold zei: ‘Ik weet niet wie -of wat- de vraag stelde. Ik weet niet waarom zij gesteld werd. Ik herinner mij niet, dat ik antwoordde. Maar eens zei ik 'ja' tegen iemand - of iets. Vanaf dat moment heb ik de zekerheid, dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in gehoorzaamheid, een doel heeft.’

 

overweging op zondag 9 februari 2020            PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

met gebruikmaking van de tekening van Rembrandt:

Jezus en de overspelige vrouw, 1655

 

uit de Bijbel: Johannes 7: 37- 8: 11 en 59

 

in het midden

Tijdens onze reis door Afrika hebben we kennis gemaakt met de mensen in een Himba-dorp. De gids vertelde ons dat elk kind dat geboren wordt een eigen lied meekrijgt. De moeder zingt dat lied voor haar nog ongeboren kind en leert dat lied ook aan de vader, aan de mensen van de stam. Zo heeft elk kind, elke volwassene zijn eigen lied. Daarmee wordt het welkom geheten op de wereld. En als het kind huilt, als het zich bezeert, of als er reden is tot vreugde, wordt dát lied gezongen. Dat lied kenmerkt de mens.

Maar dat lied wordt ook gezongen als iemand een misdaad heeft begaan; als iemand een ander heeft beschadigd. Diegene wordt in het midden gezet. De dorpelingen vormen een kring om hem of haar heen en zingen zijn geboortelied. Als een herinnering aan de identiteit; als een vraag ‘zo bén jij toch niet?!’ In die kring wordt ruimte geboden om te inkeer te komen en te veranderen, goed te maken. Vanuit het midden mag de foutenmaker zijn plaats in de gemeenschap weer innemen.

 

De vrouw die bij Jezus wordt gebracht staat op een heel andere manier in het midden. Op heterdaad betrapt op overspel. Volgens de Wet van Mozes zou ze gestenigd moeten worden. Rembrandt maakte er deze tekening bij. Links zien we de vrouw die bij Jezus is gebracht. Gebogen. Hulpeloos. Haar hele houding laat zien dat ze er niet bij wil zijn. In haar hand heeft ze een grote zakdoek. Niemand die geïnteresseerd is in háár. Links praat een groepje met elkaar. En de anderen zijn vooral geïnteresseerd in wat Jezus doet.

 

er om heen

Want daar is het allemaal om begonnen. Niet alleen over de vrouw, ook over Jezus is een oordeel uitgesproken. De schriftgeleerden en Farizeeën vinden het niets dat mensen met Jezus weg lopen; in hem de Messias zien. Zou er uit Galilea iets goeds kunnen komen? Vast niet. Zoals de vrouw bij Jezus wordt gebracht om veroordeeld te worden, zal later Jezus bij Kajafas worden gebracht, en bij  Pilatus. Hij zal in het midden worden gezet, veroordeeld door de omstanders, mikpunt van spot.

 

De vrouw in het midden is maar een middel om Jezus op de proef te stellen en hem aan te kunnen klagen. Haar ellende, haar verdriet wordt door niemand echt gezien. Zij speelt geen rol maar is een pion in het machtsspel van mannen. En in Gods huis, met de Tora als wapen, wordt zij misbruikt.

 

We kennen de verdrietige verhalen van mensen die veroordeeld zijn door de goegemeente, soms met de Bijbel in de hand. De vrouw die van haar man scheidde; de jongen die op jongens viel; de verliefden die vóór hun huwelijk een kind verwachtten en schuld moesten belijden. We kennen de Malle Babbes en de mannen in het stijf lakense pak. (lied van Rob de Nijs)

We weten hoe hard mensen kunnen oordelen en veroordelen. We weten het ook omdat we zelf soms die mensen zijn. Met onze woorden kunnen wij mensen treffen alsof het stenen zijn. Genadeloos zijn we soms voor een ander.

 

op de grond

De mannen zien de vrouw niet. En Jezus keurt de mánnen geen blik waardig. Hij geeft geen antwoord op de vraag wat hij ervan vindt om de vrouw te stenigen. Hij laat zich niet uit zijn tent lokken over de interpretatie van de wet. Hij bukt zich en schrijft met zijn vinger op de grond. Jezus leest hen niet de les maar haalt de brand uit de situatie door iets totaal anders en onverwacht te doen. Nu zijn alle ogen gericht op hém.

 

Als Jezus zich bukt worden onze ogen meegetrokken naar beneden. Onze blikrichting wordt bepaald door wat laag is. Heel zijn leven heeft Jezus de ogen van de omstanders daar naar toe getrokken, naar wie vernederd wordt, naar wie laag is want zondig of ziek. Jezus staat niet aan de kant van de stenengooiers maar aan de kant van de vrouw. En daar hoort hij ook, als zoon van de Vader die omziet naar wie kwetsbaar zijn.  In ditzelfde hoofdstuk (8:23) zal Jezus tegen de mensen zeggen: ‘Jullie zijn van beneden. Ik ben van boven.’ Wij zijn aarde-gebonden. Jezus is hemel-gebonden.

Jezus trekt onze aandacht naar de grond. ‘Aarde’ staat er in het Grieks (gèn). De aarde waaruit wij allemaal ontstaan zijn. Geschapen uit aarde met Gods Geest als onze levensadem. Daarin is niemand een haar beter dan de ander. Wij leven allemaal van diezelfde adem, van diezelfde goedheid. In Gods ogen zijn we allemaal even klein en kwetsbaar. Wat geeft ons dan het recht anderen te kleineren en te beschadigen.

 

nogmaals het midden

Als we nog eens kijken naar de tekening van Rembrandt dan kunnen we ons afvragen waar hij nu eigenlijk onze aandacht naar toe wil hebben. Meestal is dat wat in het midden is, het belangrijkste. In het midden onderaan wordt onze aandacht getrokken door de hand van Jezus. Wat zou hij schrijven? Daarover is heel wat af gefilosofeerd en niemand die het weet. Zou het een citaat uit het Oude Testament zijn? Iets uit de Tien Woorden? Of schrijft hij iets om het weer uit te wissen; alsof hij zeggen wil zand erover?

Misschien is het niet eens belangrijk wát hij schreef maar dát hij schreef. Hij creëert rust in een onrustige situatie. Hij schept ruimte. Bedenktijd.

Die ruimte heeft Rembrandt laten zien in wat echt in het midden is: niets. Het lijkt een soort schuttinkje waar twee mannen overheen leunen maar op enkele lijnen na is het leeg. Een ruimte tussen de schrijvende vinger van Jezus en de vrouw waarop niemand let en die ook uitstraalt ‘let maar niet op mij’. Een ruimte die ingekaderd wordt door de omstanders die ook gericht zijn op dat lege midden. Wat is er in die ruimte mogelijk?

 

Als de omstanders bij Jezus blijven aandringen, zegt hij: wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen. Jezus spreekt geen oordeel uit. Hij confronteert de Schriftgeleerden met hun eigen zwakheden.

Hij vraagt hen niet te oordelen over het hart van de medemens, maar te kijken in het eigen hart. Hebben zij het zelf ook niet nodig om mild bekeken te worden? Hebben zij niet zelf de barmhartigheid van anderen nodig?

In een groep is het makkelijk maar Jezus spreekt hen aan op hun eigen geweten, op hun persoonlijke verantwoordelijkheid.

Net als de omstanders toen weten wij dat niemand van ons eraan ontkomt om anderen teleur te stellen of te kwetsen. We zullen soms tekortschieten in onze zorg voor elkaar, in de liefde, in onze verantwoordelijkheid op het werk, of onze verantwoordelijkheid voor de schepping. Als je alleen maar zó naar anderen kijkt, naar jezelf, als je alleen maar ziet dat we altijd tekort schieten, dat we schuldig staan tegenover elkaar, tegenover God, dan heb je geen leven. Leven met schuldgevoelens maakt ons klein, ongelukkig. We hebben het nodig dat er een kring om ons heen is die ons herinnert aan wie we werkelijk zijn. Een ruimte die ons vrij maakt.    

 

ga naar huis

In de ruimte tussen de schrijvende vinger van Jezus en de schuldbewuste vrouw kan zelfreflectie ontstaan, berouw, inkeer. Én vergeving, een nieuw begin.

Iedereen sprak óver de vrouw. Nu spreekt Jezus mét haar. ‘Heeft niemand je veroordeeld?’ ‘Niemand’, zegt ze. ‘Ook ik niet’, zegt Jezus. Hij is immers niet gekomen om te oordelen maar om te redden. Om op te richten in plaats van klein te maken. Niet om te vernederen maar om vernederd te worden.

We weten hoe het eindigt. De schuldige wordt vrijgesproken. En hij, onschuldig als een lam, vangt alle agressie op. Alsof hij de plaats inneemt van die vrouw… van wie maar schuldig is. ‘Ga naar huis en zondig vanaf nu niet meer’. Ze is vrij, vrijgesproken. Dat is de ruimte die Jezus geeft.

Later zullen we weer horen over een lege ruimte, een leeg graf. Die ruimte spreekt ook van vergeving, nieuw beginnen. Van leven. En laten leven.

 

(Ik heb gebruik gemaakt van het boek: Wij hebben ongelofelijke dingen gezien. Johannes vanuit de kunst gelezen, Anne-Marijke Spijkerboer, Meinema 2004)

overweging op zondag 2 februari 2020  PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

Thema: Wat is geluk?

Matteus 5: 1-13 Jezus prijst mensen gelukkig.

Maar het zijn niet de mensen die je zou verwachten.

Het zijn de mensen die verdriet hebben, tekort komen.

 

Desiderata: ‘Dingen om naar te verlangen of naar te streven.’

Een van die dingen is geluk.

Desiderata is een beroemd gedicht van Max Ehrman.

Hij schreef het in 1927 als een nieuwjaarsgroet aan zijn vrienden.

Ondanks dat het bijna 100 jaar oud is, is het nog verrassend actueel.

 

Wees kalm te midden van het lawaai en de haast,

en bedenk welke vrede er schuilt in stilte.

Probeer zo veel als mogelijk, zonder jezelf geweld aan te doen,

op goede voet te verkeren met iedereen.

Vertel rustig en duidelijk wat jouw waarheid is,

en luister naar anderen, zelfs al zijn ze saai en onwetend.

Ook zij vertellen hun verhaal.

Mijd luidruchtige en agressieve mensen, zij belasten de geest.

Indien je jezelf met anderen vergelijkt, zou je ijdel of verbitterd kunnen worden,

want er zullen altijd mensen die die groter of kleiner zijn dan jezelf.

Geniet van wat je bereikt hebt, maar ook van je toekomstplannen.

Blijf geïnteresseerd in je eigen werkzaamheden, hoe nederig die ook mogen zijn.

Zij zijn een werkelijk bezit in de wisselvalligheden van de tijd.

Wees voorzichtig bij het zakendoen, want de wereld is vol bedrog.

Maar wees daardoor niet blind voor de deugd waar die aanwezig is.

Veel mensen streven hoge idealen na, en overal in het leven heldendom.

Wees jezelf. Veins vooral geen genegenheid.

Wees ook niet cynisch over de liefde,

want naast alle dorheid en teleurstellingen is zij eeuwig als het gras.

Sta open voor de wijsheid die met de jaren komt,

en laat de dingen van je jeugd welwillend los.

Kweek geestkracht aan om je te beschermen tegen onvoorzien ongeluk,

maar maak jezelf niet bang met spookbeelden.

Veel angsten komen voort uit uitputting en eenzaamheid.

Wees buiten een gezonde discipline aardig voor jezelf.

Je bent een kind van het heelal, niet minder dan de bomen en de sterren.

Je hebt het recht om er te zijn.

En of je het nu begrijpt of niet, het heelal ontvouwt zich toch zoals het hoort.

Heb daarom vrede met God, hoe je ook over hem moge denken.

En waar je ook naar moge streven in de luidruchtige verwarring van het leven, bewaar de vrede in je hart.

Met al zijn klatergoud, gezwoeg en vervlogen dromen,

is dit ondanks alles een prachtige wereld. Wees opgewekt.

Streef naar geluk.

 

Wat maakt ons gelukkig?

Wat is geluk? Op de ranglijst van gelukkige landen staat Nederland op nummer 5. Dat heeft te maken met de mate van welvaart, met ons gevoel van veiligheid, met de standaard van de gezondheidszorg, de gemiddelde leeftijd en ons vertrouwen in de politiek. Het gaat goed in Nederland. Maar is dat geluk?

Is geluk dat je je geen zorgen maakt om geld of over je kinderen? Dat je een goede baan hebt, of een gelukkige postcode? Is geluk een foto van jezelf posten, met je armen wijd op een berg ver weg, of met een zonnebril in je haar op een terras in de zon. Wat maakt ons gelukkig?

 

Wat wij benoemen als geluk vinden we niet terug in de woorden van Jezus. Wat hij benoemt als geluk ervaren wij eerder verlies, als angst of gebrokenheid van de wereld. Mensen die verdriet hebben, die armoede ervaren, mensen die er naar verlangen dat hen recht wordt gedaan.

Wat Jezus benoemt als geluk ervaren wij als softe eigenschappen waar je niet noodzakelijk heel ver mee komt in je streven naar geluk: barmhartigheid, zachtmoedigheid, nederigheid.

 

Wat maakt ons gelukkig? We voelen best aan dat het niet gaat om dingen, spullen of belevenissen in verre oorden. Natuurlijk zijn we daar gelukkig. Maar we ervaren dat geluk ook als we omringd zijn door vrienden, ons gezin. We ervaren dat geluk ook als we een gunstige uitslag krijgen. Of op een eenzame dag een onverwacht telefoontje krijgen. Geluk zit hem niet in de hoogtepunten alleen. Ook in de diepte ervaren we geluk. Misschien is geluk wel dat je leert leven met je ongeluk. Met het feit dat jouw leven niet zo perfect is als je zou willen.

 

Wie is gelukkig?

Als Jezus mensen gelukkig prijst, dan heeft hij het niet over de mensen die het geluk hebben om geslaagd te zijn in het leven; of die mensen die zich geen zorgen hoeven te maken over de dag van morgen. Hij heeft het over de schare; niet over de fine fleur van de maatschappij. Hij heeft het over de mensen van goede wil, niet over de mensen met hoge posities.

Jezus haalt die mensen naar voren die van zichzelf misschien niet zouden denken dat het koninkrijk van de hemel voor hen bestemd kan zijn. Of waarvan ánderen denken dat dat soort mensen toch niet in het koninkrijk van de hemel zullen komen. Dit is zó belangrijk voor Jezus dat hij ermee begint. Zijn werk is net gestart. Hij heeft leerlingen om zich heen verzameld en trekt rond om onderricht te geven in de synagogen, om het goede nieuws van het koninkrijk te verkondigen. Dit is zijn eerste openbare optreden. Zo vertelt Matteus het. Ik zie ze zitten: Jezus in het midden. Zijn leerlingen om hem heen en de mensenmassa op gehoorafstand.

Het is alsof Jezus zijn leerlingen dwingt te kijken naar de mensen die daar zitten.

Hij wijst hen op de mensen om wie hij zich bekommert. Hij zíet ze en daarom worden ze zichtbaar. De mensen in de massa worden zichtbaar. Niet omdat ze te beklagen zijn. Niet omdat ze verliezers zijn. Hij zet ze in het licht als de mensen die door God worden gezien en door hem worden gezegend. En zoals Jezus de mensen ziet, zo mogen wij elkaar zien.

 

Als Jezus het heeft over het koninkrijk van de hemel, heeft hij het over de wereld andersom. Hij gooit alle vanzelfsprekendheden overhoop en spreekt de mensen aan om te veranderen. Om zich te ontdoen van hun oordelen en veroordelen van de ander. Om de andere wang toe te keren, om meer te doen dan wordt gevraagd. Jezus roept op tot vernieuwing van het geloof door de liefde. Hij roept op om in de eerste plaats te streven naar het geluk voor de ánder.

 

Een wereld andersom, dat is dat koninkrijk dat Jezus verkondigt. Een wereld waarin de minsten voorop gaan; waar alle mensen tot hun recht komen. Een wereld waarin je wél ver komt met softe eigenschappen als barmhartigheid, vredelievendheid en rechtvaardigheid. Een wereld waarin er niet op goede harten wordt getrapt. Weet wel, zegt Jezus tegen zijn leerlingen, ik heb het ook over júllie. Gelukkig zijn jullie wanneer ze jullie omwille van mij uitschelden, vervolgen of van allerlei kwaad betichten.

Gelukkig ben je als je ervoor kiest om met God te leven, om Jezus te volgen, ook als die weg verzet zal oproepen of weerstand. Gelukkig ben jij als jij er wél in gelooft dat het koninkrijk van de hemel op aarde zichtbaar kan zijn. Gelukkig ben jij als daar deel van wilt uitmaken, ook als anderen dat tegendraads vinden.

 

Wat is geluk? De wereld kunnen zien als een plaats waar het mogelijk is iets van God te zien. Of nog sterker jóuw wereld zien als de plaats waar het mogelijk is dat het koninkrijk van de hemel zichtbaar wordt.

Wat is geluk? Mensen accepteren zoals ze zijn; goed voor je eigen ziel zorgen. Je niet onrustig laten maken door alles wat er op je afkomt, maar de kalmte bewaren om jezelf te zijn.

 

Wie maakt ons gelukkig?

Wat maakt ons gelukkig? Die vraag heb ik als uitgangspunt genomen. Maar een kleine woordstudie leerde me dat het daar in de Bijbel helemaal niet om gaat. 

 

[ Ik kwam het Hebreeuwse woord voor gelukkig 42 keer tegen in het Oude Testament. (het Hebreeuwse eh-sher, gelukkig, gezegend, maar alleen in toezeggingen: gezegend ben jij……) en in het Nieuwe Testament kwam ik het 49 keer tegen. (makarios, gelukkig, gezegend) ]

 

Vooral in de Psalmen komen we het woord ‘gelukkig’ veel tegen. Het is altijd een aanzegging, een belofte. Gelukkig de mens die niet meegaat met wie kwaad doen … maar vreugde vindt in de wet van de Heer. (Ps 1) Gelukkig wie bij U hun toevlucht zoeken. (Ps 84: 6) Gelukkig de mens die bij hem schuilt (Ps 34:8) Gelukkig ieder die ontzag heeft voor de Heer. (Ps 128:1) Je zou kunnen zeggen: het gaat niet om de vraag wát maakt je gelukkig maar om de vraag wíe maakt je gelukkig. Gelukkig ben je als je weet dat je bij God terecht kunt. Gelukkig ben je als je zijn weg bewandelt.

In het Nieuwe Testament kwam ik op hetzelfde uit: de mensen die er blijk van geven God te kennen worden gelukkig geprezen. De mensen die Jezus willen volgen worden gelukkig geprezen. En díe mensen die erop vertrouwen mogen dat zij door God worden gezien in wat zij te verdragen hebben.

Ik denk even terug aan wat de dominee uit mijn jeugd altijd zei als de schriftlezingen klaar waren: Zalig zijn zij die het Woord van God horen en het bewaren. (Lukas 11: 28) Geluk is een manier van leven.

 

overweging op 12 januari 2020 PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

In deze dienst zijn de vierjarige kinderen en hun ouders uitgenodigd.

Zij worden welkom geheten in het midden van de vierende gemeente. 

 

We lezen zo dadelijk woorden van de profeet Jesaja. Ze horen bij de periode dat Gods volk in ballingschap is weggevoerd naar Babylonië. Het is niet zo dat ze het daar slecht hebben. Mensen krijgen kinderen en leiden hun leven in betrekkelijke vrijheid. Sommigen trouwen zelfs met mannen en vrouwen uit Babylonië. Het leven gaat verder. Maar in dat buitenland, met een andere godsdienst en een andere cultuur, komen wel vragen op: wie is onze God? Waar is God nu? Zal hij ons nog thuisbrengen of is dit nu thuis?

Dan herinnert Jesaja het volk aan zijn roeping en bestemming. Hij houdt hen voor dat God hen niet vergeten is; laten zij dan God ook niet vergeten en blijven vertrouwen op hem.

Als teken dat God zijn volk niet vergeten is, stelt hij hen zijn dienaar voor, een uitverkorene die het geknakte riet niet zal breken. Wie die dienaar is? Je zou kunnen zeggen dat het de Perzische koning Cyrus is, die het de Israëlieten zal toestaan terug te keren naar Jeruzalem. Hij zal een instrument van bevrijding zijn in Gods hand.

Evengoed zouden het de Israëlieten kunnen zijn die op God bleven vertrouwen en dus ook hun roeping trouw bleven om een licht voor de volken te zijn. En als laatste hebben mensen die Jezus volgden ook hém herkend in die dienaar die God beloofde. Daarom citeert Matteus de woorden van Jesaja als hij vertelt over Jezus’ doop. ‘Dit is mijn geliefde zoon.’

 

uit de Bijbel: Jesaja 42: 1-7 en Matteus 3: 13-17

 

welke Jezus?

Dat Jezus naar de Jordaan komt om gedoopt te worden moet voor Johannes een grote anticlimax zijn geweest. Probeer voor je te zien hoe Johannes daar stond aan de Jordaan. Een vurig prediker: Bekeer je, riep hij, want het koninkrijk van de hemel is dichtbij. Bekeer je, anders zal God een oordeel over je uitspreken. Ik doop jullie met water, maar ná mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Hij zal dopen met vuur en het kaf van het koren scheiden. Johannes verwacht een machtig leider, een sterk optreden namens God. Een ommekeer in de wereldgeschiedenis.

In plaats daarvan staat daar Jezus. En hij wil gedoopt worden. Maar zó zit het niet in Johannes’ hoofd. Hij verlangt naar een vuist tegen het onrecht, naar een goddelijke scheiding van wie goed is en wie fout zit.

 

Wie is Jezus voor jou? Dat is zeker vandaag een belangrijke vraag. Want als we weten wie Jezus voor ons is, dan weten we ook wat we onze kinderen, de kinderen in de gemeente, willen meegeven over hem.

Wie is Jezus voor jou?

Het was zeker een vraag voor de mensen die Matteus op het oog heeft: was Jezus nu een mens, met zonden en al, of toch meer Gods Zoon en was hij zonder zonden?

In de loop der eeuwen is hij hoog weggezet als Zoon van God, Verlosser. Overwinnaar van de dood. Meer God dan mens. Zonder zonden. Eerder een dogmatisch figuur dan een mens van vlees en bloed.

Als we Jezus zó hoog wegzetten komt hij heel ver van ons af te staan.

Dan zijn we niet meer dan lijdend voorwerp in zijn reddende werk.

Als hij niet op ons lijkt, hoeven wij ook niet op hem te lijken.

Als hij perfect is, kunnen wij ons verschuilen achter de idee dat het onbegonnen werk is om hem na te volgen. Dat gaat toch niet lukken. Wie is Jezus voor jou?

 

Johannes moet zijn beeld en zijn verwachtingen bijstellen. Hij wil Jezus tegenhouden om gedoopt te worden. Hij wil niet weten van een vredekoning die afdaalt in het water. Hij wil er niet van weten dat Jezus zich door hém laat dopen terwijl het andersom zou moeten.

Jezus schept verwarring. Dat doet hij nu en dat zal hij blijven doen. Hij zal aan tafel roepen wie buiten de boot zijn gevallen; hij zal die mensen aanraken die onrein worden genoemd; hij zal vergeven wie al opgegeven waren als mens.

Hij schept verwarring in die zin dat hij zich niet laat voorstaan op de God die hem gezonden heeft en die – zo preekte Johannes – het recht heeft om mensen te oordelen voordat het koninkrijk van de hemel waar wordt. Jezus identificeert zich juist met de mensen verlangen naar de heelheid van dat koninkrijk; hij schaart zich aan de kant van de mensen die berouw tonen en tot inkeer komen.

 

Hoe zal Jezus het nieuwe leven vorm geven? Hoe zal hij het koninkrijk van de hemel dichterbij brengen? Niet met grote gebaren, niet door vuur of met een bijl.

Maar door zich te identificeren met de mensen die het nodig hebben gered te worden. Door hun berouw te delen, hun leven te delen en uiteindelijk ook hun dood te sterven.

 

Wat is Gods gerechtigheid?

Jezus zegt tegen Johannes: Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen. Wat zou dat zijn, Gods gerechtigheid? De Bijbel in Gewone Taal vertaalt het heel dichtbij: wij moeten alles doen wat God van ons vraagt. Van Johannes wordt gevraagd dat hij Jezus doopt. Van Jezus wordt gevraagd dat hij afdaalt in het water om net als de anderen gereinigd te worden, opnieuw mag beginnen. Gods gerechtigheid is gehoorzaamheid. Ook Jezus heeft moeten leren om Gods wil te doen. Ook hij heeft het daarmee moeilijk gehad. Direct op het verhaal van de doop volgt het verhaal dat Jezus op de proef wordt gesteld in de woestijn.

En als hij weet dat de uiterste consequentie van zijn roeping de dood is, bidt hij: laat deze beker aan mij voorbij gaan. Maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil maar zoals u het wilt. Gods gerechtigheid vervullen is je roeping volgen, trouw zijn aan waar je in gelooft, ook als dat moeilijk is of tegen je werkt.

Het is jouw roeping om moeder te zijn, vader. Om medemens te zijn. Om in de kerkenraad te zitten of ergens vrijwilligerswerk te doen. Het is op je pad gekomen en daarin zit voor jou de mogelijkheid om gehoorzaam te zijn aan wat God van je vraagt. Ook als je dat moeilijk vindt. Ook als het niet in je straatje past.

Precies op de plek waar jij bent gesteld, daar waar je woont of werkt, daar waar je blijft of naar toegaat, precies daar heeft God je nodig. Precies daar kun je Jezus volgen in hoe hij leefde.  

Jezus’ weg van de gehoorzaamheid bracht hem door het water in de woestijn. Het bracht hem mensen op zijn weg. Het bracht hem leven en de dood. En zoals hij uit het water omhoog kwam, kwam hij ook uit de dood. En wij ook. Want wij lijken op hem.

 

gezegend

Jezus krijgt vanuit de hemel de bevestiging dat het zo moet en niet anders. Hij ziet Gods Geest als bemoediging neerdalen. En uit de hemel klinkt: dit is mijn geliefde zoon, in hem vind ik vreugde.

Daar kunnen wij soms naar verlangen. Naar de bevestiging uit de hemel dat het goed is; naar de bemoedigende kracht van God die als een duif op onze schouder komt zitten. Want leven – en zéker samen leven – is niet altijd makkelijk. Leven doet pijn. Je loopt soms blauwe plekken op. En met al je goede bedoelingen stoot je regelmatig je neus.

Weet dan dat je geroepen bent door God zelf. In die hemelse bevestiging aan Jezus komt ook de rest van de woorden van Jesaja mee. De dienaar die hij heeft uitverkoren, wie dat dan ook mag zijn, is vol van Gods Geest. ‘Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden’ zegt God. Je staat er niet alleen voor. En als ik jou in dienst neem, zul je in staat zijn je licht te laten schijnen. Dan zal jouw leven blinden de ogen openen, gevangenen bevrijden en mensen raken in hun duisternis. Met God en door God zal ons leven helend zijn en anderen in de ruimte zetten.

overweging op oudjaarsavond 2019   PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Prediker 3 en Jacobus 4: 13-17

 

wat is tijd?

Een nieuw jaar ligt voor ons.

Hoe lang duurt een uur bij je nieuwe liefde en hoe lang duurt een uur bij een donkere bushalte in de regen?

Tijdens onze vakantie in Afrika hebben we geleerd om te relativeren. This is Africa, leerden we al snel. Als er iets lang duurde vanwege, in onze ogen, een inefficiënte organisatie of gewoon traagheid. Wij hebben een horloge, zij hebben de tijd.

Wat is tijd? Misschien vloog 2019 voorbij. Omdat nieuwe dingen je aandacht opeisten; omdat de liefde je leven binnenkwam; omdat het een aaneenschakeling was van mooie momenten. Misschien werd je wel geleefd en kijk je verbaasd achter om naar het jaar dat aan je voorbij is gegaan.

Misschien stond je wereld juist stil en verbaasde je je erover dat de wereld door raasde. Of je voelde je alleen, eenzaam zelfs, en de maanden kropen voorbij.

Wat gebeurde er in januari dit jaar? Weten we het nog? En in april dan? Met al zijn hoogte- en dieptepunten komt dit jaar nooit meer terug. Het is geweest. Het is er niet meer. We kunnen het niet meer veranderen. Hoe wanhopig we het ook proberen vast te houden. 2019 bestaat voor ieder van ons in onze eigen herinnering. Als een goed jaar. Of als een slecht jaar.

 

verleden tijd

Prediker zegt: maak je niet druk over de tijd. Alleen God overziet alles van begin tot einde. Hij houdt onze tijden in zijn hand. (Psalm 31) Ons verleden is bij hem veilig. Dat hoeven we niet mee te sjouwen als last of ballast. Wat verdrietig was, of zwaar, wat op ons drukt als schuldgevoel, we mogen het uiteindelijk loslaten. Ons persoonlijke verdriet, onze mislukkingen, alle aanslagen die werden gepleegd afgelopen jaar, de gevolgen van natuurgeweld… we kunnen het niet meer veranderen. Niet door te piekeren, niet door angstig te zijn of boos.

De verleden tijd is niet van ons. Niet in de zin dat we die kunnen veranderen. We kunnen ons er alleen door láten veranderen. Leren. Afleren.

 

toekomende tijd

En ook onze toekomende tijd is in zijn hand. Die bestaat voor ons alleen in onze dromen en verwachtingen. Jacobus maakt zich kwaad over mensen die menen dat zij de toekomst wél in handen hebben. Bij hem komt de uitdrukking vandaan dat mijn oma altijd bezigde: zo de Here wil en wij leven…. dat zei ze als er plannen werden gemaakt. Deo Volente.

Het zijn woorden die voor sommigen een teken zijn geworden van hun vroomheid. Woorden waarop je kunt worden aangesproken als je ze vergeet op je uitnodiging. Het zijn ook woorden die makkelijk tot het misverstand leiden dat alles gaat zoals God het wil. Alsof de Allerhoogste aan de touwtjes trekt. Maar zo heeft Jacobus zijn woorden niet bedoeld.

Hij reageert op de arrogantie van mensen die menen dat de toekomst van hen is. We maken er ons allemaal wel eens schuldig aan. We nemen al te vaak een voorschot op wat er nog komt. Maar de toekomende tijd is niet van ons. De dagen worden ons gegeven. We kunnen ze niet nemen. De toekomst wordt in ons hand gelegd, die kunnen we niet pakken. Het mag wel wat minder hoogmoedig van Jacobus. Wat minder onoverwinnelijk. Want uiteindelijk overkomt het leven je en komt er van je plannen soms niets terecht. Je mag stevig je koers in je hoofd hebben, maar er kunnen tijden komen dat je die moet bijstellen omdat je andere dingen zijn toegevallen dan je had gerekend.  

Zo de Here wil en wij in leven zijn heeft te maken met een levensbesef dat weet van de betrekkelijkheid van ons leven. Gezien in het groter geheel is het bijna niets; damp die even blijft hangen maar dan verdwijnt. Lucht en leegte, noemt de Prediker het. Het gaat voorbij als een droom, zingt Psalm 90. Deo Volente is een levenshouding die weet heeft van God; Die onze tijden in zijn hand heeft. Onze toekomst is bij hem veilig.

 

tegenwoordige tijd

Het verleden is niet van ons. De toekomst is niet aan ons.

Wat blijft is de tegenwoordige tijd. Het heden. Nu vandaag. Die tijd is van ons. Daarop kunnen wij invloed hebben. Met de keuzes die we maken, de beslissingen die we nemen, met onze tegenwoordigheid van geest en lichaam; in het nu kunnen wij de verandering zijn in wat we zeggen of juist niet, in hoe we met elkaar omgaan. We leven nu. En de tijd is wat wij ermee doen. De tijd is wie wij zijn. Soms zijn we mensen die dansen en soms zijn we mensen die rouwen. Wij zijn de mensen die baren, planten, helen, lachen en omhelzen. Soms zijn we ook de mensen die doden, afbreken, verkillen, haten. Zo zijn mensen. Zo zijn de tijden. Als mensen goed voor elkaar zijn is het een goede tijd.

Als we zo bewust omgaan met de tijd, kunnen we ons niet meer verschuilen achter het excuus: ik had geen tijd. We hebben alle tijd. Wij zíjn de tijd. Maar soms maken we de keuze om die op een andere manier te besteden. We zijn geen slaven van onze agenda, ook niet van de klok. Als we ons al onvrij voelen is dat vanwege het strakke schema dat we onszelf opleggen en alle hooggestemde verwachtingen waaraan we willen voldoen. We hebben de tijd gekregen om er voor elkaar te zijn. Om van betekenis te zijn voor de wereld waarin we leven. Nooit zullen we die tijd helemaal doorgronden. Maar dat hoeft ook niet. Want alles wat we vanavond hebben gezongen is waar. God is trouw van generatie op generatie.

Die levensles is vanuit het verleden verder gedragen tot hier en nu. Hij zal barmhartig zijn en ons beschermen. Hij is van al het zijnde oorsprong én doel én zin. (NL 513:4)

 

Voor deze overweging heb ik gebruik gemaakt van ‘Wat is immers tijd?’ van Rienk Lanooy in ‘Filosofen op de kansel’, Skandalon 2016.

overweging op kerstmorgen        PG De Open Hof ~ Oud-Beijerland

 

uit de Bijbel: Micha 5: 1-3 en Matteus 1: 16, 18-25   

 

Bij deze overweging werden afbeeldingen getoond op het beamerscherm. Deze zijn nog niet te zien in de tekst. Daar wordt aan gewerkt. 

 

Jozef, de man van…

Jozef is een beetje de sul van het kerstverhaal. In de meeste kersttafereeltjes staat hij er maar een beetje bij. Hij loopt náást de ezel. Hij laat zich wegsturen door de herbergier. Hij is ‘de man van’ vertelt Matteus. En daarmee onderbreekt hij zijn geslachtsregister dat steeds spreekt van vaders en zonen, want het kind Jezus is niet verwekt door een man.

Op heel vroege afbeeldingen van het kerstevangelie ontbreekt Jozef helemaal. Hij speelt geen rol. Later, in de Middeleeuwen, mag hij er wel bij staan. Maar meestal wordt hij afgebeeld als oude man waar je niet veel aan hebt. De man van…. 

(Afbeelding: Giotto di Bondone, ca 1306)

 

 

 

 

 

 

Jozef, een rechtschapen mens

Matteus noemt Jozef een rechtschapen mens. Fatsoenlijk. Jozef heeft alle reden om zich boos terug te trekken. Of om zich druk te maken over wat de mensen wel niet zouden zeggen. Opgezadeld worden met het kind van een ander zal een klap in Jozefs gezicht zijn geweest, maar hij spreekt geen woord van veroordeling naar Maria. Als hij er een zaak van zou maken, zou zij de schande moeten dragen van overspelig gedrag. Daarom overlegt hij bij zichzelf om in het geheim uit elkaar te gaan. Maar God verhoede dat er een kink in Gods kabel komt. En daarom komt er een engel tussenbeide, om een brug te slaan tussen wat God bedoelt en wat Jozef bedenkt. Er staat iets te gebeuren van hoger hand, van een andere orde. De engel moet dat veilig stellen. Jozef gehoorzaamt en neemt Maria bij zich als vrouw.

 

Het lukt ons al te vaak niet om dat fatsoen en die mildheid op te kunnen brengen.

Ons gekwetste ego, onze behoefte om gelijk te krijgen of recht gedaan te worden, is vaak te groot om te zwijgen. Of om ons oordeel even op te schorten. Laat staan dat het ons lukt om mild te zijn. Ik denk aan social media. Daar is het helemaal makkelijk om onze verontwaardiging over een ander de vrije loop te geven.

Maar, zeg eerlijk, hoe vaak hebt u achteraf spijt van wat u er uitflapte. Hoe vaak stonden we klaar met een mening, met een oordeel?

In dat hele kleine wereldje van ons, in ons omgaan met elkaar, is er al zoveel te winnen. Het mag allemaal wat langzamer en bedachtzamer. We kunnen er soms beter een nachtje over slapen, net als Jozef. En wie weet brengt de hemel ons op andere gedachten. Jozef koos niet de makkelijkste weg. Maar hij liet zich niet verlammen door wat anderen zouden denken, of door zijn eigen angsten. Hij vertrouwt erop dat het goed komt. En daarmee maakt hij ruimte. Voor groei, voor toekomst.

 

de mantel van Jozef

Ergens in de Middeleeuwen krijgt Jozef een betere plek in het kerstverhaal. Er ontstaan afbeeldingen van een zorgzame Jozef. Jozef die vuur maakt en pap kookt.

Jozef die de vermoeide Maria in het kraambed een kopje thee brengt. Of de luiers droogt bij het vuur. Naast de hemelse vader van Jezus krijgt ook zijn aardse vader zijn rechtmatige plaats.

 

 

 

 

 

(afbeeldingen : Conrad van Soest, Dortmund, circa 1370 – 1425; Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, Nederland; oorspronkelijk Besançon, Frankrijk; verluchting in getijdenboek, ca 1450 )

 

Het is opvallend dat niet alleen aan het begin van Jezus’ leven een Jozef opstaat maar ook aan het einde. Als Jezus is gestorven aan het kruis neemt Jozef van Jezus’  lichaam van het kruis en wikkelt het in linnen. Het is dezelfde zorg als die Jozef toont bij Jezus’ geboorte. Een oud verhaal vertelt dat Jozef zijn kousen uittrok om daarvan windsels te maken voor het kind. (Proto Evangelie van Jacobus) Als het gaat over het beschermen en koesteren van Jezus loopt Jozef daarin voorop.

In mijn verzameling kerststalletjes vind ik daarvan een duidelijk voorbeeld.

 

 

 

Jozef is hier letterlijk en figuurlijk mantelzorger voor Maria en haar kind.

Hij is als een mantel om hen heengeslagen. We zingen datzelfde van God, de Vader. (Psalm 104, Nieuw Liedboek 221) Hij omhult ons met zijn licht, met zijn liefde. Hij is beschermend en waakzaam.

Daarmee wordt Jozef het aardse spiegelbeeld van de hemelse Vader. Geen goeiige sul maar een man die zich willens en wetens voor Gods karretje heeft laten spannen. Hij is de eerste die een bewuste geloofsdaad verricht en de keuze maakt voor dit nieuwe begin van God. Het door God gezaaide zal hij beschermen en doen opgroeien. Hij zal het beschermen. Denk aan de vlucht naar Egypte. (Mt 2)

 

In onze tijd lijkt Jozef mij een rolmodel voor pleegvaders, stiefvaders, bonusvaders. Want zij doen wat nodig is voor de toekomst van het kind dat hen is toegevallen.

Wat mij betreft mag hij de beschermheilige zijn van alle mantelzorgers en alle mensen die stil op de achtergrond zijn maar niet gemist kunnen worden. Voor iedereen die de man van is….. de vrouw van…. het kind van…..de vriendin van…  en zo solidariteit laat zien en betrokkenheid.

 

 

 

Jozef behoedt het licht

Een tweede duidelijke kenmerk van de Jozef in onze kerststallen is dat hij vaak het licht vasthoudt. In zijn hand is een lantaarn.

 

 

 

Afgelopen zaterdag haalde ik het Vredeslicht op. Licht dat is ontstoken aan het licht dat altijd brandt in de geboortekerk in Bethlehem. In een speciale box werd het licht uit Bethlehem per vliegtuig vervoerd naar Wenen. Daar werd het verspreid over scouts van over de hele wereld. En op hun beurt gaven zij het weer door in hun eigen land, in hun eigen stad of dorp. En zo ook hier in de Hoeksche Waard.

Het is een heel gedoe om dat licht brandend te houden. Het vraagt omzichtigheid. Het vraagt om handen die de vlam willen behoeden voor uitwaaien. Om een veilige plek waar het kan branden. En om een heleboel reservekaarsen, voor het geval dat ene licht dooft. (zie: www.vredeslicht.nl)

Zo omzichtig moeten we dus ook omgaan met het licht van Christus, lijkt me. Johannes begint zijn evangelie ermee. Dat in Jezus het licht van God is ontstoken op aarde. Alsof God opnieuw begon met zijn schepping. Als een teken van hoop dat het niet de duisternis is die God voor ogen heeft. Maar dat licht had het zwaar. De wereld was er niet klaar voor om de inspanning te leveren die erbij hoort. (Joh 3:19) De mensen waren lichtschuw en hun handelen was duister.

God verhoede dat vandaag ook zo is. Dat licht, zo liefdevol behoed door Jozef, zo voorzichtig meegedragen, vraagt om onze beschermende handen. Het vraagt om een goede plek, in ons huis, in ons werk, in ons bestaan. Het is misschien het veiligst in ons hart.

Page 1 of 8