Blog

Kom, volg de ster: de leeuw van Juda Featured

Written by
Rate this item
(0 votes)

 

overweging op zondag 1 december 2019 PG De Open Hof -  Oud-Beijerland 

1e zondag van Advent

 

inleiding

 

De evangelist Marcus vertelt niets over Jezus’ geboorte. Johannes maakt er een prachtig gedicht bij over het licht. Lucas weidt uit over engelen, een stal en een voerbak. En Matteus begint met een geslachtsregister. Saai, kun je zeggen.

 

Toch heeft Matteus een goede reden om zijn evangelie zo te beginnen.

 

Hij wil duidelijk maken dat Jezus een kind van Israël is. Hij wortelt in de geschiedenis die God met zijn volk is gegaan. Er hoeft dus belemmering te zijn voor de Joden om Jezus te volgen.

 

Sterker nog, Jezus is de ultieme vervulling van beloften die de geschiedenis gedragen hebben. In hem komt alles samen. Zo saai is zo’n register overigens niet. Want achter elke naam gaat een verhaal schuil. Liefdevolle verhalen, pikante verhalen, verhalen met levenswijsheid. Wij pikken er vier uit. Vandaag gaat het Juda.

Uit de Bijbel: Matteus 1_ 1-2 en Genesis 49: 8-12

 

geven om de toekomst

 

Jacob is een oude man. Hij voelt dat zijn einde nadert. Zijn leven is voltooid.

 

Hij gaat op bed zitten en roept zijn zonen bij zich.

 

Nu moet er een prachtige sterfscene volgen: een weemoedige terugblik op dat wat voorbij is; een dankbaar samenvatten van het geleefde leven. Misschien is er nog iets goed te maken dat in het verleden is voorgevallen. Maar Jacob blikt niet terug op het verleden. Zijn laatste woord is niet bedoeld om af te rekenen of te sluiten. Het is ook niet bedoeld om zijn zonen op het hart te drukken om vast te houden wat hijzelf altijd heeft gedaan. Jacobs laatste woord is juist bedoeld om te openen, om uitzicht te geven op toekomst. Hij laat het leven niet zomaar los maar zoekt naar een weg vooruit voor wie na hem bestaan.

 

 

 

Wij leven in een vergrijzende samenleving. Het aantal ouderen, mensen boven de 65, is enorm toegenomen. Bijna 20% van de bevolking is 65+. En daarvan is weer een kwart ouder dan 80. Je merkt het in het straatbeeld aan het aantal rollators en scootmobielen. Maar ook aan de bouwprojecten in Oud-Beijerland, appartementencomplexen om zo lang mogelijk zelfstandig wonen voor ouderen mogelijk te maken.

 

We merken het in de Open Hof. De gemiddelde leeftijd wordt hoger. Veel mensen kunnen niet meer hier zijn maar leven mee via de computer. Met weemoed denken sommigen terug aan de tijd dat zowel de Thomaskerk als de Ontmoetingskerk vol zaten. Aan het bloeiende jeugdwerk waar we misschien zelf aan meewerkten.

 

Met het vertrek van Gertjan zijn we in een nieuwe fase terechtgekomen. We hebben onze knopen geteld en zijn tot de conclusie gekomen dat een tweede fulltime predikant niet meer uit kan. Wat nu? Weemoedig terugkijken? Teleurgesteld afhaken? Ons ingraven in ‘zo hebben we het altijd gedaan’?

 

 

 

Ik zou best een beroep willen doen op onze ouderen. Of gewoon, op ons allemaal. Want hoe grijs we ook worden, ik zie ook een enorm potentieel. De wijsheid die ouderen hebben opgedaan in het verleden, kan van belang zijn voor de toekomst. Natuurlijk moet onze samenleving, onze kerk, worden ingericht op het groeiende aantal ouderen. Daar denken we met elkaar ook over na. Maar waar we naar verlangen is naar de zegen, zegen van de oudere generatie. Zegen over wat we bedenken, wat we uitproberen; zegen over hoe we met vallen en opstaan vorm

 

geven aan de toekomst waar jullie zelf in hebben geloofd en voor hebben geleefd; nog altijd in geloven in en voor leven.

 

 

 

zegen

 

Jacob zegent zijn zonen.

 

Wat zo bijzonder is, is dat hij elk van zijn zonen aanspreekt op hun eigen levensverhaal en ondeugden. Maar hij ziet ook hun kwaliteiten en geschiktheid. Juda krijgt de grootste zegen. Ruben, de oudste heeft die zegen verspeeld. Simeon en Levi zijn ook niet geschikt in hun vaders ogen. Maar in Juda ziet Jacob iets. Juda, jonge leeuw, krachtig en sterk; Juda, leeuwenkoning, waarvoor alle anderen respect zullen hebben. Juda, jij ja, zult heersen. Totdat degene komt die wordt verwacht, de koning van de vrede voor altijd.

 

 

 

Jacob geeft Juda zijn zegen. Hij geeft hem niet de opdracht om in het voetspoor van zijn vader te treden. Maar om de fakkel van de hoop op zijn eigen manier brandend te houden en door te geven.

 

Het is een belofte aan Juda.

 

En tegelijkertijd is het een opdracht aan Juda.

 

Eigenlijk zegt de oude Jacob: ik zie wat in jou. Laat dat tot bloei komen. Laat dat bepalen hoe jij leeft, wat je zegt en wat je doet. Dat is zegenen: potentie zien, het goede zien, en het de wens meegeven om uit te komen als een bloem uit een bol.

 

 

 

Zou dat ons ook lukken, als ouder wordende gemeente, om zo naar de toekomst te kijken? Om over onze schaduw heen te stappen en te zien wat er is en dat te zegenen?

 

 

 

We kunnen ook direct de vraag aan onszelf stellen? Wat ziet God in mij? Welke kwaliteiten heb ik, waarvoor ben ik geschikt? Met welke zegen heeft hij mij op pad gestuurd? Waar zit mijn kracht? Het kan een heilzaam onderzoek zijn om in ons eigen leven de belofte te vinden en daaraan onze levensopdracht te verbinden.

 

 

 

En God ziet altijd iets anders, ziet meer in ons, dan wij in onszelf zien. Waar wij onszelf waardeloos vinden, zegt hij: ik hou van je. Hij ziet onze kracht waar wij onszelf zwak vinden. Hij houdt ons vast als wij tekortschieten. Onze waardigheid, wie we zijn als mens, vindt zijn basis in hem. In hoe hij ons toerust en zegent voor dit leven. (gebaseerd op You say, Lauren Daigle)

 

 

 

reikwijdte

 

Dit verhaal overstijgt het familieverband van Jacob en zijn zonen. Het gaat niet alleen over dit gezin. Over hun hoofden heen spreekt Jacob tot heel Israël. En tot de wereld om Gods volk heen. Als vader is Jacob de verbindende factor geweest voor de twaalf zonen, twaalf stammen van het land. Nu zegent hij degene door wie Gods toekomst als verbindende factor het leven binnenstroomt. De verwachting van de Messias, de hoop op een tijd van vrede en recht, zal nu mensen en volken verbinden.

 

Juda is daarmee een eerste voorstelling van de Messias. Hij wijst voorúit naar degene die wordt verwacht door zijn doen en laten. Als degene die omziet naar zijn broers. Als degene die borg wilde staan voor de kleinste.

 

Het heil, Gods vrede voor alle mensen, begint bij Juda. En via hem zal het overgaan op zijn zonen en hun zonen.

 

Een van die zonen, een van de nakomelingen van Juda is koning David. In hem lijkt de vrede dichtbij gekomen. Hij weet het rijk dat uit elkaar gevallen was in een tweestammenrijk en een tienstammenrijk tot een eenheid te smeden. Hij kiest de stad Jeruzalem als zijn woonplaats en laat daar de ark van God heen brengen. Ook God mag daar wonen. Jeruzalem, vredesstad.

 

 

 

In de vlag van Jeruzalem vinden we nog altijd een leeuw. De leeuw van Juda, de hoop op vrede. Deze stad is symbool van vrede voor Joden, christenen en moslims. Een heilige plaats van verwachting en hoop. Zonde dat die verwachting ons uit elkaar drijft, tot geweld drijft.

 

 

 

Maar toen, leek het dichtbij. Een vredesstad, geregeerd door een vredeskind. Want David noemde zijn opvolger Salomo, vrede. Maar de vredeskoning die de eeuwen door werd verwacht is niet Davids zoon Salomo, maar ‘Davids zoon, lang verwacht’. Dat kind in de voederbak in Bethlehem. Zijn komst heeft de hoop op vrede doen oplaaien. Hij hééft ook daadwerkelijk vrede gebracht. Tussen God en de mensen; tussen mensen, ín mensen. Daaraan houden wij ons vast als wij hopen op méér; op het definitief aanbreken van Gods tijd.

 

 

Read 30 times Last modified on maandag, 09 december 2019 15:58