Blog

Wat kan ik doen! Featured

Written by
Rate this item
(0 votes)

overweging op zondag 16 december 2018 PG De Open Hof, Oud-Beijerland

derde zondag van Advent

 

uit de Bijbel: Lucas 3: 7-18

 

donderpreek

Johannes gaat er met gestrekt been in: ‘Addergebroed’ noemt hij de mensen die gekomen zijn om zich te laten dopen. Denkt dit gespuis nu werkelijk dat het ergens goed voor is om zich te laten dopen? De doop is geen magisch ritueel waardoor je je eigen gang kunt blijven gaan zonder de consequenties te hoeven aanvaarden. Een slecht mens die zich laat dopen is nog steeds een slecht mens. Bij de doop hoort omkeer, inkeer, vernieuwing. Je kunt je er niet op laten voorstaan dat je door geboorte hoort bij Gods volk. Het zal gaan om jou zelf; om de vruchten die jij draagt. En als jij geen goede vruchten draagt zou je net zo goed omgehakt kunnen worden; de bijl erin en in het vuur ermee.

Die rechtlijnigheid van Johannes heeft te maken met zijn geloof dat Gods koninkrijk snel zal aanbreken. Die hoop groeide onder de spanning van de Romeinse overheersing en de toenemende sociale ongelijkheid. Er was haast bij en er kon geen sprake zijn compromissen. Je ging er voor of niet en dat had eeuwigdurende consequenties. Met dat alles kondigt Johannes de komst van de Mensenzoon aan.

Het is me wel een donderpreek! En het mooie is dat de mensen er niet voor weglopen. Kennelijk komt Johannes oprecht over in zijn bezorgdheid, in zijn kritiek. Hij spreekt mensen aan. En ze vragen hem: ‘Wat moeten we dan doen?’

 

Wat moeten we dan doen?

Ik vind dat een prachtige vraag. De mensen staan open voor de mogelijkheid dat er iets veranderen kan en dat zij zelf daaraan kunnen bijdragen. ‘Wat kan ik doen’ klinkt zo heel anders dan ‘kan ik er wat aan doen’. Daarmee schuiven we alle verantwoordelijkheid van ons af. Of wat dacht je van: ‘Daar is toch niets aan te doen.’ Of: ‘Ik kan niets doen, want ik heb het druk, ik heb andere prioriteiten, een ander kan het beter….’ ‘Wat kan ik doen’ geeft bereidwilligheid aan. En de hoop op verbetering. De mensen bij Johannes geven ermee aan dat ze betrokken willen worden in zijn verkondiging van Gods koninkrijk. ‘Practice what you preach.’

Het blijkt verrassend eenvoudig om een vernieuwd mens te zijn, met de neus in de richting van Gods nieuwe wereld. Heb je twee stel onderkleren? Deel dan met wie er geen heeft en doe hetzelfde met je eten. Johannes roept niet op tot grote daden; hij heeft geen helden nodig. Al lijken heldendaden soms eenvoudiger dan om vriendelijk te blijven of eerlijk te leven.

‘Wat moet ik doen’, vragen de tollenaars. In plaats van hen de les te lezen dat ze om te beginnen helemaal geen tollenaar moeten willen zijn, zegt Johannes dat ze niet meer tol moeten vragen dan voorgeschreven is. Blijf eerlijk binnen de grenzen van je beroep en maak geen misbruik van de macht die jou gegeven is.

‘Wat moet ik doen’, vragen de soldaten. En ze krijgen geen preek dat ze de wapens neer moeten leggen maar dat ze betrouwbaar moeten zijn.

Wees betrouwbaar in je werkomgeving. Ik denk dat dat voor veel mensen al een hele tour is. Weten je collega’s of je manager überhaupt dat jij gelovig bent? En de eisen die je werk aan je stellen kunnen soms haaks staan op wat jij gelooft. Toch gaat het Johannes daar om. Om solidariteit, om fatsoen, om rechtvaardigheid. Om medemenselijkheid.

De vraag wat je kunt doen betekent dat je in je eigen werkelijkheid zoekt naar mogelijkheden. Want je christen-zijn kan niet zonder gevolgen blijven. Dus vraag je je af wat jij kunt doen aan de milieuproblematiek, of aan maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wat kun je doen in de opvoeding van je kinderen? Of als je boodschappen doet?

 

wan

Door mensen op te roepen tot verandering bereidt hij de weg voor de komst van de Messias. Door bij onszelf te rade te gaan wat wij in onszelf zouden kunnen veranderen, bereiden wij ons voor op de geboorte van Jezus. Die inkeer en zelfreflectie zou ertoe kunnen leiden dat wij onszelf onder de maat vinden. Dat we overtuigd raken van de gedachte ‘dat een mens geneigd is tot alle kwaad’ en niet in staat tot enig goed. (Heidelberger Catechismus zondag 3, vraag 8)

Juist deze derde zondag van Advent wil ons niet mineur brengen maar roept ons op tot vreugde: Gaudete! Want ondanks al onze remmingen en beperkingen, ondanks onze praktische bezwaren weten we best dat we sterk genoeg zijn om iets te veranderen.

Als kind heb ik altijd verkeerd begrepen wat Johannes zegt over Jezus: ‘hij houdt de wan in zijn hand om de dorsvloer te reinigen.’ en: ‘Hij zal het kaf in onblusbaar vuur verbranden.’ Bij de wan dacht ik aan een soort roe, zoals Piet die vroeger had. Een strafwerktuig. Dat beeld past ook bij de donderpreek van Johannes. Maar de Messias blijkt heel anders, veel zachtmoediger dan Johannes.

Geen bijl, geen vuur, geen roe.

Een wan is een platte mand. Daarin gaan de gedorste graankorrels. Met vliesjes en al. Kaf en koren gaan in de mand, goede en slechte mensen. De wan wordt om en om geschud. De vliesjes verwaaien op de wind. Dat kaf zal worden verbrand en er zal niets van overblijven. Johannes roept: pas op dat jij dat kaf niet bent. Dan ben je op een heilloze weg en niet meer te redden. Het is niet te laat om je leven te beteren.

 

Of misschien is het wel zo dat ik die graankorrel ben, kaf en koren tegelijkertijd. Een mens met heel zijn hebben en houwen, met zijn falen en fouten, met zijn mislukking en onwil. En zijn goede wil en vreugde, met zijn liefde. De mand wordt geschud door de Heer en wat verwaait is dat wat verkeerd was, dat wat schaamtevol was. Dat wordt niet meer gezien. Maar wat terugvalt telt veel zwaarder: de vrucht van mijn leven. De wan is een teken van genade. Gods uitgestoken hand. Toegestoken om ons te redden uit machteloosheid, heilloosheid, schuldgevoel, reddeloosheid.

‘Wat kan ik doen?’ De vraag stellen betekent hem beantwoorden. En dan begint het. 

Read 65 times