Blog

‘Sommige dingen zijn heel wonderlijk,

ik kan ze niet begrijpen:

hoe een adelaar hoog aan de hemel vliegt,

hoe een slang over de rotsen glijdt,

hoe een schip zijn weg vindt op zee,

en hoe een man verliefd wordt op een vrouw.’

(Spreuken 30: 18-19)

 

We leven in een tijd dat we alles kunnen verklaren. We kunnen in ieder geval meer verklaren dan Agur, die bovenstaande woorden schreef. Vliegen heeft geen geheimen meer voor ons. The sky heeft geen limits. We denken niet meer na bij ons gaan over land of over water; we begeven ons zelfs ónder water.

Kunnen verklaren betekent: grip hebben op zaken en er zelfs op vooruit kunnen lopen. Het is een deel van onze ontwikkeling als mens. Door te verklaren kunnen we  onszelf beschermen tegen dreigend onheil; we laten ons niet overvallen door rampspoed.

De keerzijde is dat we alles ook wíllen verklaren. Waarom wordt een mens ziek en niet meer beter? Waarom is er verdriet? maar de ongerijmdheden van het bestaan laten zich niet makkelijk ontrafelen en daar kunnen we niet altijd mee leven.

 

Agug schrijft in Spreuken over de dingen die hij niet begrijpt. Hij verwondert zich over de arend die vliegt langs de hemel. Leonardo da Vinci zette zíjn verwondering over de vlucht van de vogel om in de eerste ontwerpen voor vliegmachines. En hebben we het navigeren van schepen niet afgekeken van de dolfijnen? Je zou kunnen zeggen dat verwondering het begin van de wijsheid is. Het is de verwondering die ons uitdaagt om er iets van te begrijpen.

 

Of zou het zo zijn dat de verwondering ons uitdaagt om te begrijpen dat we lang niet alles begrijpen? Ik kan verklaren waar de kinderen vandaan komen. Toch verwonder ik mij eindeloos over hoe het zo groeien kan, zo volmaakt en compleet. Hoe meer ik weet, des te minder ik begrijp.

 

De vlucht van de arend vertelt me niet alleen over het vogelrijk maar ook over een God die zich laat kennen als de Ene die zijn jongen draagt op zijn vleugels en hen met zijn wieken beschermen wil.

De slang vertelt me over de onbegrijpelijk grote barmhartigheid van een God die veroordeelt wat er aan missedaden gebeurt maar dier en mens laat ontkomen aan de dood. Denk aan de sluwheid van de slang in het paradijs en de schaamte van de eerste mensen. Beide mochten verder, al waren zij niet meer dezelfde.

Een schip vindt zijn koers zoals een mens de weg weet door zich te houden aan de Tora, gebod en belofte tegelijkertijd. En mocht er een storm komen, dan zal God op wonderlijke wijze de zee tot kalmte manen.

En de vriendschap en liefde van mensen wijzen ons waar God woont.

Agug heeft gelijk: wonderlijk, we kunnen het niet begrijpen.

kerk (z)onder dak

Tijdens onze vakantie bezochten wij de resten van een oude abdij. Eigenlijk alles stond er nog: de muren hoog en fier, de bogen, de pilaren en de vensters…. Ongelofelijk hoe mensen dit met de middelen van de 13e eeuw voor elkaar hebben kunnen krijgen. Wat miste was het dak. Gek, maar dat heb ik helemaal níet gemist.

Natuurlijk liepen er toeristen rond en waren er mensen aan het fotograferen. Toch heerste er een serene rust. Je kon je nog voorstellen dat op die plek was gezongen en gebeden. En ik probeerde me voor te stellen hoe het geweest moest zijn om staande te blijven -ook in het geloof!-  tijdens de periodes van hongersnood en pest. Ik dacht aan het lied van Sytze de Vries (NL 280)

 

Dit huis van hout en steen, dat lang de stormen heeft doorstaan,

waar nog de wolk gebeden hangt van wie zijn voorgegaan,

 

dit huis dat alle sporen draagt van wie maar mensen zijn,

de pijler die dit alles schraagt, wilt Gij die voor ons zijn?

 

Maar dat dak, dat heb ik dus niet gemist. De hemel boven de abdijkerk was blauw. De zon liet Gods glimlach naar binnen schijnen. Op Facebook schreef ik bij de foto van deze abdij: De Eeuwige is boven je om je te zegenen. Er zat niets tussen mij en God; er was een prachtige verbinding tussen beneden en boven. Ik hoefde alleen maar op zoek te gaan naar waar het licht op zijn mooist naar binnen viel. Waar het op mij viel…

 

Zal dit een huis, een plaats zijn waar de hemel open gaat,

waar Gij ons met uw engelen troost, waar Gij U vinden laat?

 

Een jong musje, dat enorm zat te tetteren, werd gevoerd en de zwaluwen hadden er hun nesten gebouwd. In een van de boogramen zat een duif. Alsof Gods Geest daar aanwezig was.

 

Dit huis waar ’t woord aan ons geschiedt. God roept zijn naam over ons uit….

 

Het woord geschiedde aan mij, ik zag Psalm 84 duidelijk voor me en ik begreep daar tot in mijn tenen dat het met God goed toeven is. Je bent onder de pannen, ook zonder dak, waar je ook bent.

 

Dit huis slijt met ons aan de tijd, maar blijven zal de kracht

die wie hier schuilen verder leidt tot alles is volbracht.

meditatie tijdens de Oecumenische dienst van gebed en inkeer op 4 mei 2019

 

uit de Bijbel: Johannes 14: 27 en Johannes 15: 9-12

 

Stadia op weg naar de vrijheid (fragment), Bonhoeffer (juli 1944)

 

Op 9 april 1945 werd Dietrich Bonhoeffer, theoloog en een van de voormannen van de Bekennende Kirche, terechtgesteld. In zijn laatste jaren schreef hij vanuit de gevangenis brieven, met soms gedichten en gebeden, aan o.a. zijn verloofde en zijn beste vriend. In die brieven laat hij zien wat voor hem christen-zijn betekent: bidden en onder de mensen gerechtigheid doen. In zijn gebeden horen we van zijn vertrouwen op God. Hij wist zich door goede machten trouw en stil omgeven.

 

Tucht

Ga je op weg om de vrijheid te zoeken,

leer dan vooral zinnelijkheid en roerselen van de ziel te beheersen,

zodat je begeerte niet nu eens hierheen, dan weer daarheen beent.

Houd je geest en je lichaam helemaal onder controle, kuis,

en laat hen gehoorzaam zoeken naar hun bestemming.

Niemand ervaart het mysterie der vrijheid, behalve door tucht.

 

Daad

Niet zomaar wat, maar het goede wagen en doen.

Niet blijven zweven tussen mogelijkheden.

Wees moedig, maak handel en wandel concreet.

Vrijheid woont niet in de vlucht der gedachten, alleen in de daad.

Laat angst en aarzeling los, ga naar buiten waar de storm woedt van de tijden, slechts gedragen door Gods gebod en je geloof.

Dan zal de vrijheid je geest juichend ontvangen.

 

Jezus zegt: ik laat jullie vrede na. Dat is kennelijk niet de intens verlangde vrede voor de wereld. Het is ook niet het gedroomde einde aan oorlog. Volgens Lucas heeft Jezus zelfs gezegd: Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Geenszins, zeg ik jullie, ik kom verdeeldheid brengen. (Lucas 12:51) Jezus bracht geen toestand van rust, geen afwezigheid van oorlog. Hij bracht onrust. Hij bracht verzet.

 

De vrede die Jezus nalaat, de vrede van Christus die wij elkaar toewensen op zondag in de kerk, is hoe wij zijn toegerust om ons staande te houden in de wereld van vandaag. Het is een vrede die de wereld niet geven kan. Wij denken soms wel dat wij ons staande kunnen houden met diploma’s, met argumenten. We omgeven ons met zekerheden van allerlei aard. Het lijkt nooit genoeg te zijn. We blijven bang. Voor ons eigen hachje. Voor de ander. We blijven ongerust over de toekomst. 

 

In de vrede die Jezus nalaat zit besloten dat je je niet ongerust hoeft te maken en niet bang hoeft te zijn. De vrede van Christus zit in rust en moed. Rust om te aanvaarden dat jij bent zoals je bent en dat de dingen zijn zoals ze zijn. Moed om die dingen te veranderen die in je macht liggen.

 

De vrede van Christus lijkt bijna voorwaarde te zijn om vrede tot stand te brengen in ons huisgezin, in onze samenleving, in onze wereld. Vrede met onszelf. Ver bij de ontevredenheid vandaan. Weg van de frustratie over wie we zouden willen zij of wat we zouden willen hebben. Weg van het geen vrede kunnen hebben met wat ons overkomt. Wie die vrede ervaren kan, wie accepteert dat hij is zoals hij is, kan ook vrede hebben met de ander. Er hoeft geen angst te zijn. Geen ongerustheid. Geen jaloezie. De vrede van Christus belooft ons niet de afwezigheid van oorlog en is ook geen toestand van rust. De vrede van Christus is zo jezelf kunnen zijn dat je het die ander ook gunt. 

 

Het is een levenshouding die niet aan gelovigen is voorbehouden maar die je wel van gelovigen mag verwachten. Wat je gelooft, mag je in de praktijk brengen.

Want aan praten over geloof heb je niets. Het is leeg en zinloos in een wereld die vol hardheid is, vol geweld, vol onverschilligheid over de waarde van een mensenleven. Bonhoeffer stelde dat christen-zijn in de toekomst niet meer zal bestaan uit woorden en preken maar uit een vrij leven; een vrij leven dat dienstbaar is aan de vrijheid van anderen en zo recht doet aan het evangelie. Een vrij leven. Ook vrij van religie, zo vaak misbruikt om iets kroms recht te praten, vrij van kerkelijke organisatie, van rituelen en ambten. Vrijheid als weg om te gaan. Omdat je trouw bent aan de Schepper en zoekt naar je bestemming als mens, een bestemming die altijd verbonden is met die van je medemens. Vrijheid als weg om te gaan omdat je weet dat je alleen zult winnen door te wagen, te wagen met Gods gebod.

We weten dat wagen niet zondermeer leidt tot winnen. Soms heeft het lijden tot gevolg. En soms zelfs de dood. Bonhoeffer bleef ook met die wetenschap vertrouwen op de vrijheid die God hem zou geven, de bevrijding van de dood. 

‘Eindelijk zullen we mogen aanschouwen, wat ons hier niet gegund wordt te zien. Vrijheid, langdurig zochten we je in tucht en daad en lijden. Stervend herkennen we jou in het aangezicht van God.’

Het wit tussen de regels

 

Deze tekst had een plaats in de viering van Goede Vrijdag 2019 in De Open Hof, Oud-Beijerland

psalm 22: 1-6

 

Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?

U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.

‘Mijn God!’ roep ik overdag, en u antwoordt niet,

’s nachts, en ik vind geen rust.

 

U bent de Heilige, die op Israëls lofzangen troont,

Op U hebben onze voorouders vertrouwd;

zij hebben vertrouwd en u verloste hen,

tot u geroepen en zij ontkwamen,

op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd. 

 

Als je je zelfs door God in de steek gelaten voelt, hoe teruggeworpen ben je dan op jezelf. Hoe tot op het bot alleen, als je roept en geen antwoord krijgt.

Zijn vrienden kunnen het niet opbrengen met hem wakker te blijven en voor hem te bidden. Hij wordt vals beschuldigd en om niets veroordeeld. Bespot. Gekruisigd. Zijn weg loopt dood, zijn roeping is op een teleurstelling uitgelopen. Je kunt je om minder wanhopig voelen.

 

Toch is het goed om te benadrukken dat de woorden die Jezus uitroept aan het kruis niet zijn eigen woorden zijn. Hij gebruikt woorden van David; hij zingt een psalm.

Het is raar dat wij juist op heel verdrietige momenten onze toevlucht zoeken in een lied. Mensen zingen bij een brandende kerk; mensen zingen bij een uitvaart; mensen zingen uit protest; wij zingen door onze tranen heen, boven onszelf uit.

 

Psalm 22 is een lied met uitersten. De eerste regels zingen van intense verlatenheid. Maar dan, na een regel wit, verandert de toon van het lied en zingt het van vertrouwen op God; een God die mensen niet beschaamt, niet in de steek zal laten.

 

Wat is er gebeurd tussen het wit van de regels? Wat kunnen wij tussen de regels door lezen? Wat onttrekt zich aan onze woorden dat er wel moet zijn?

Volgens kerkvader Augustinus kunnen woorden dat wat van God komt niet uitdrukken. Alleen de stilte kan dat. In de stilte wordt de ruimte geschapen waarin God de mens tegemoet kan komen. In het verborgene voltrekt zich het wonder van dood en leven.

 

Alleen op Goede Vrijdag verlaten we de kerk in duisternis, ongetroost; de paaskaars is gedoofd. Het koor zwijgt, het orgel houdt zijn adem in. Je zou kunnen zeggen: wij gaan weg in het wit tussen de regels. Een stille zaterdag wacht. Het is bijna niet uit te houden. Maar alleen in die stille witte leegte kan het werk van God plaatsvinden.

 

Mijn God, mijn God, hoe zijt Gij mij nabij.

U deelt het duister van mijn diepste pijn.

Uw liefde houdt mij vast.

U bent erbij, zelfs in mijn lijden.

Mijn God, mijn God, hoe zijt Gij mij nabij.

(Uit: Als de graankorrel niet sterft, Marijke de Bruijne)

Pagina 2 van 9