Blog

1. niemand

 

we vragen

waar ben je

roepen naar de hemel

waarom doe je niets

jij God van liefde

waarom laat jij dit toe

jij God van bevrijding

 

en jij

 

ik roep jullie

maar

er is niemand

 

Nu kom ik bij jullie terug, ik roep jullie.

Maar er is niemand, niemand geeft antwoord.

Waarom niet?

Jesaja 50: 2, Bijbel in Gewone Taal.

 

2. niemand

iemand moet het doen

zeggen we

maar uiteindelijk

doet niemand het

 

iedereen doet het

beweren we

en toch

pleit dat niemand vrij

 

laat niemand het doen

 

3. niemand

niemand weet hoe laat het is

niemand is te vertrouwen

niemand luistert

het kan niemand wat schelen

niemand heeft tijd

wees niemand

 

 

want niemand is vrij

JIJ!

Zomaar een kort gesprekje met een gemeentelid, over het gemak waarmee men anderen aanspreekt met  ‘jij en jou’. Zelfs God, zei zij, werd onlangs door een voorganger aangesproken met jij. Dat kan toch niet. Verdient juist Hij niet het respect dat besloten ligt in de aanspreekvorm ‘u’. Hoe zou dat zijn, vroeg mijn gesprekspartner als je bij de koning op bezoek ging. Die noem je toch ook geen jij!

Ik vertelde dat ik veel makkelijker dan vroeger mensen tutoyeer in de kerk, ongeacht hun leeftijd of functie. We zijn tenslotte allemaal broeders en zusters, kinderen van een Vader. Dat geeft verbinding en een saamhorigheid die aan alles vooraf gaat. Daarom vind ik het mooi(er) om elkaar bij de naam te noemen en –met respect voor elkaar, uiteraard-  elkaar te tutoyeren.

Maar hoe zit dat met God? Ik herkende de schroom van mijn gesprekspartner. We hebben, om zo te zeggen, niet bij God op school gezeten. We moeten eerbiedig met hem omgaan. Zoals Psalm 111 zegt: ‘Het begin van wijsheid is ​ontzag​ voor de Heer.’ Eerbied voor hem én voor zijn geboden doen een mens groeien.

Tegelijkertijd heb ik met hem verbinding, relatie; een andere dan met onze gewaardeerde koning. Bij God ervaar ik niet de afstand die ik bij onze vorst zou ervaren. Hij kent mij ten diepste. Hij weet wat mij bezighoudt en ik zoek hem op als ik hem nodig heb. Hij is dichtbij genoeg om hem jij te durven noemen. Ook dat vind ik in de Psalmen: ‘De Heer is een vriend van wie hem vrezen’. Afstand en nabijheid, respect en vriendschap, dat is toch prachtig. Maar hoe druk je dat uit?

In het Duitse taalveld wordt God aangesproken met ‘Du’, Jij. Het verschil zit hem in de hoofdletter. Hij is de ander die bij mij hoort, maar toch net even Anders. Ook in het Frans is God geen ‘vous’ maar Tu, dichtbij met net dat beetje afstand en respect.

In het Nederlands komen we daar met ‘Gij’ misschien nog wel het dichtst bij.

 

U bent geen jij voor mij

dat is zo plat, te vrij

Een vriend bent U, een Vader

die met liefde mij benadert

maar U is dan weer zo ver weg

vindt U het goed dat ik dan zeg:

U bent voor mij een Gij

dat is eerbiediger dan jij

 

afstandelijk maar toch dichtbij.

moeder dag

 

Zij heeft me gedragen
gevoed

opgevoed

vastgehouden

losgelaten

 

Ik heb haar om raad gevraagd

en haar advies in de wind geslagen

veel van haar geleerd

en toch alles op mijn manier gedaan

Zij wist wat ik nodig had

maar ik wist het beter

Ik kon met haar praten

en dacht soms houd nu maar je mond

 

Nu zou ik graag nog even praten

haar bellen met een vraag

vertellen wat ik van haar heb geleerd

Er zijn voor haar

zoals zij er was voor mij

 

 

dag moeder dag

gepubliceerd in het Hoeksche Waards Kerkblad, februari 2017 

 

gedragen op arendsvleugels

Zoals een arend over zijn jongen waakt

en voortdurend erboven blijft zweven,

zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt,

zo heeft de HEER zijn volk geleid,

hij alleen: geen andere god stond hem bij. Deuteronomium 32:11

Wie er de vogelgids op na slaat vindt er niets over: de arend gooit níet zijn eigen jongen uit het nest om hen zo te leren vliegen. Hij gaat níet onder hen vliegen om hen als het nodig is op te vangen met zijn eigen vleugels. Ornithologisch gezien klopt er niets van maar het beeld dat er mee wordt opgeroepen is ons tot op vandaag lief. Velen vinden troost bij de woorden van het opwekkingslied ‘ik voel uw kracht en stijg op als een arend. Dan zweef ik op de wind, gedragen door uw Geest en de kracht van uw liefde’. 

Bovenstaande woorden komen uit het lied van Mozes. Hij zingt het voor het volk Israël in de wetenschap dat zijn leven bijna voorbij is en aan zijn leiderschap een einde zal komen. Mozes heeft al zoveel met hen meegemaakt. Eenmaal bevrijd uit Egypte klaagden ze over dorst, over honger. Waren ze maar in Egypte gebleven! Gaandeweg leerden zij op God te vertrouwen. Hij gaf hen water uit de bron, brood voor elke dag. Maar het bleef een broos evenwicht tussen God en zijn volk. Hoe zal dat gaan als Mozes er niet meer is? Hoe zullen zij leven in het land dat God hen heeft beloofd? Nog een keer neemt Mozes het woord en zingt een lied over de trouweloosheid van mensen en de trouw van God. Een lied kun je makkelijk uit je hoofd leren en zo zal van generatie op generatie worden doorgegeven dat het aan God niet zal liggen. Hij zal waken over zijn volk als een arend over haar jongen. Hij zal hen de vrijheid geven om hun vleugels op te slaan maar hen ook dragen als zij dreigen neer te storten.

Want leven in vrijheid moet je leren. Niet voor niets zwerft het volk veertig jaar door de woestijn. Die tijd was nodig om te leren en af te leren; om te weten dat water uit de bron goed is voor de dorst maar dat het er ook om gaat om te leven uit de bron van Gods woord. De woestijntijd was nodig om te leren vertrouwen dat God dagelijks brood maar ook om te leren dat je niet leeft van brood alleen maar van Gods woord. Elke ouder weet: leven in vrijheid vaart wel bij begrenzing en regels. Het waren er in dit geval maar tien. Tien woorden, tien vliegtips, die helpen het verschil te zien tussen de ene of de andere arend want ook het kwaad vermomt zich vaak als grote vogel. God helpt zijn volk onderscheid te maken tussen goed en kwaad en het onrecht tegen te spreken. Hij kiepert hen niet uit het nest van zijn ontferming maar leert hen verantwoordelijkheid te nemen voor het samen leven van mensen.

Er is een ander verhaal over een vader die zijn zoon leert vliegen. Daedalus en zijn zoon Icarus, door de koning gevangen gehouden op een eiland. Daedalus werkt aan een plan om te ontsnappen, door de lucht, de enige uitweg. Hij bouwt van was en veren vleugels voor zichzelf en zijn zoon. Daedalus waarschuwt Icarus niet te hoog te vliegen: de zon zou de was smelten. Hij moest ook niet te laag vliegen want het zeewater zou de vleugels nat en zwaar maken. De vader leert zijn zoon vliegen als een vogel haar jong: blijf bij me en je zult veilig zijn. Zorgeloosheid en overmoed maken dat het fout kan gaan. Je moet niet te hoog vliegen. Maar gebrek aan vertrouwen of zelfvertrouwen, angst, kunnen je zwaar maken. Je moet dus ook niet te laag vliegen. Icarus slaat de waarschuwing in de wind. Hij vliegt te hoog en verdrinkt in de zee.

Er staat wat op het spel. In zijn woord houdt God de mens de keuze voor: voorspoed of tegenspoed, leven of dood, zegen of vloek. Geloven zal wel een leven lang leren en afleren blijven. Wat we mogen weten is dat je over de rand van het nest mag stappen in het vertrouwen te worden opgevangen. ‘Gedragen door zijn Geest en de kracht van zijn liefde’. We houden wel onze ogen open want we willen de Eeuwige niet uit het oog verliezen en willen in het oog houden welke koers hij aangeeft. Leven met God is leren vliegen; is als een arend en zijn jong: er is relatie, rekenschap, contact, maar ook ruimte, vrijheid, spanning. Er is verbinding en verbondenheid voor de lange weg en de lange duur.        

Pagina 7 van 9